HOOFDSTUK XXI.

De Tocht.

Toen zij op straat kwamen, was het een sombere morgen; harde regen en

wind en jagende donkere wolken. Er was 's nachts veel regen gevallen,

op straat stonden groote plassen en de goten liepen over. In de lucht

scheen een bleeke glans van den aanbrekenden dag, doch deze maakte de

omgeving eer somberder dan vroolijker; het flauwe licht diende alleen om

dat van de straatlantaarns bleeker te maken, zonder aan de natte daken

of sombere straten een warme of vroolijke tint te verleenen. Niemand

scheen op te zijn in dit stadsgedeelte; de ramen van de huizen waren

alle gesloten en de straten, waar zij doorgingen, stil en leeg.

Toen zij de Bethnal Green Road insloegen, brak de dag geheel aan.

Verscheidene straatlantaarns waren reeds gedoofd, enkele boerenwagens

kwamen langzaam aanzwoegen in de richting van Londen en nu en dan

ratelde een diligence, bedekt met modder, hard voorbij; de postiljon

diende in het voorbijrijden den voerman van den zwaren vrachtkar een

vermanenden zweepslag toe, daar deze, door den verkeerden kant van den

weg te houden, de postkoets in gevaar bracht, een vierde van een minuut

over zijn tijd te komen. De herbergen, waar 't gaslicht nog brandde,

waren al open. Langzamerhand begonnen de winkels open te gaan en een

enkele voorbijganger kwam hen tegen. Dan volgden verspreide groepen

werklieden, die naar hun werk gingen; toen mannen en vrouwen met

vischmanden op hun hoofd; ezelwagens, beladen met groente; tweewielige

karretjes, waarin levend gevogelte of geslacht vleesch; boerinnen met

melkemmers, een ononderbroken menschenstoet, die met verschillende

artikelen optrok naar de oostelijke voorsteden van Londen. Terwijl

zij de city naderden, groeiden het lawaai en het gewoel gestadig aan;

toen zij de straten inliepen tusschen Shoreditch en Smithfield, was

het gezwollen tot een loeiend geraas. Het was nu zoo licht als het

waarschijnlijk blijven zou tot de avond opnieuw viel: de werkochtend van

de helft der Londensche bevolking was begonnen.

Langs Sun Street en Crown Street, en over Finsbury Square ging Mr. Sikes

door Chiswell Street naar Barbican; vandaar naar Long Lane en zoo naar

Smithfield; hier klonk een geraas van de meest verschillende geluiden,

dat Oliver Twist met verbazing vervulde.

Het was marktdag. Men zakte tot aan de enkels in het vuil en de modder,

waarmee de grond bedekt was; uit de wasemende lichamen van het vee steeg

een dichte damp op, die zich met den mist vermengde en zwaar hangen

bleef boven de schoorsteenen.

Alle vaste hokken in het midden van de wijde marktplaats en alle

tijdelijke, die men op de open ruimte had kunnen opslaan, waren vol

schapen; lange rijen van ossen en koeien, drie of vier naast elkaar,

stonden aan palen gebonden.

Boeren, slagers, veedrijvers, marskramers, jongens, dieven, leegloopers

en zwervers van de allerlaagste soort wriemelden door elkaar; het

gefluit van de drijvers, 't hondengeblaf, het loeien en stampen der

ossen, het blaten van schapen, het knorren en gillen van varkens, geroep

van marskramers, geschreeuw, gevloek en getwist aan alle kanten; het

luiden der klokken en het stemmengerucht, dat uit iedere herberg kwam;

dringen, stooten, jagen, ranselen, jouwen en schreeuwen; het leelijke

onwelluidende rumoer op elken hoek van de markt en de ongewasschen,

ongeschoren, vuile gedaanten die onophoudelijk heen en weer renden, nu

eens in het gewoel verdwijnend, dan er weer uit te voorschijn komend,

dit alles schiep een verbijsterend tooneel, waarin zich de zinnen

verwarden.

Mr. Sikes, Oliver achter zich meetrekkend, baande zich met elboogstooten

een weg door de dichtste menigte, en gaf weinig aandacht aan al wat er

te zien en te hooren was en dat den jongen zoo verbijsterde. Hij knikte

twee of driemaal naar een vriend, dien ze passeerden en wees evenveel

uitnoodigingen af om een morgenborrel te nemen; steeds ging hij voort,

tot zij het tumult achter zich hadden en door Hosier Lane in Holborn

waren gekomen.

»Nou jong!« zei Sikes met een blik op de klok van de St. Andries-kerk,

»bij zevenen! je moet doorstappen. Kom, luiwammes, blijf je nou al

achter?«

Sikes deed deze toespraak vergezeld gaan van een ruk aan den pols van

zijn kleinen metgezel; Oliver verhaastte zijn schreden tot een soort

van draf, die het midden hield tusschen vlug loopen en hollen en hield

zóó de snelle stappen van den inbreker zoo goed mogelijk bij. Ze gingen

op deze manier voort, tot zij den hoek bij Hyde Park waren omgeslagen en

op weg naar Kensington; toen hield Sikes zijn stappen in, om zich door

een leege kar, die hen achterop reed, te laten inhalen. Toen hij zag dat

er Hounslow op stond, vroeg hij, zoo beleefd als hem mogelijk was, aan

den voerman, of zij tot Isleworth mee mochten rijden.

»Stap maar in,« zei de man. »Is dat je jongen?«

»Ja, 't is mijn jongen,« antwoordde Sikes, terwijl hij Oliver strak

aankeek en als toevallig zijn hand in den zak met het pistool stak.

»Je vader loopt wel een beetje gauw voor je, is 't niet mannetje?« vroeg

de voerman, die zag, dat Oliver buiten adem was.

»Heelemaal niet,« viel Sikes in. »Hij is er aan gewend. Hier Ned, hou

m'n hand vast. En stap in.«

Met deze woorden hielp hij Oliver op de kar; de voerman wees naar een

hoop zakken en beduidde hun, daarop te gaan liggen om uit te rusten.

Terwijl zij de verschillende mijlpalen voorbij reden, vroeg Oliver

zich àl meer verwonderd af, waar zijn metgezel hem toch heenbracht.

Kensington, Hammersmith Chiswick, Kew Bridge, Brentford lagen al achter

hen en nog gingen zij gestadig voort, alsof zij hun reis pas begonnen

waren. Eindelijk kwamen zij aan een herberg, die »de Koets met de

Paarden« heette; dicht daarbij scheen een zijweg te zijn. En hier hield

de kar stil.

Sikes stapte haastig uit, Oliver steeds bij de hand houdend; hij tilde

hem uit de kar, wierp hem een woedenden blik toe en klopte met zijn

vuist veelbeteekenend op zijn zij zak.

»Goeiendag jongen,« zei de man.

»'t Is een botterik,« zei Sikes, en gaf een ruk aan Oliver's arm, »'t

is 'n botterik. Een jonge hond! Let maar niet op hem.«

»Mij best!« zei de ander, weer op zijn kar stappend. »'t Is anders mooi

weer.« En hij reed weg.

Sikes wachtte tot hij uit het gezicht was; toen zei hij aan Oliver, dat

hij hem nog eens na mocht kijken als hij er lust in had en voerde hem

verder mee op zijn tocht.

Een eindje voorbij de herberg sloegen zij links af toen weer rechts en

liepen een eind voort langs verscheidene groote tuinen en villa's aan

weerskanten van den weg; ze hielden zich alleen op om een glas bier te

drinken, overigens liepen zij door tot zij in een stad kwamen. Op den

muur van een huis las Oliver met groote letters: »Hampton.« Eenige uren

lang dwaalden zij door de velden. Eindelijk kwamen zij terug in de stad,

gingen een oude herberg met een verweerd uithangbord binnen en bestelden

bij het keukenvuur iets te eten. De keuken was een oud, laag vertrek,

midden over de zoldering liep een dikke balk en bij het vuur stonden

banken met hooge ruggen; hierop zaten eenige ruwe kerels in blauwe

kielen te rooken en te drinken. Zij letten in 't geheel niet op Oliver

en weinig op Sikes en daar Sikes weinig op hen lette, zaten hij en zijn

jonge metgezel alleen in een hoek, zonder veel last van het gezelschap

te hebben.

Als middagmaal kregen ze wat koud vleesch; daarna bleven ze zoo lang

zitten, terwijl Sikes drie of vier pijpen rookte, dat Oliver begon te

begrijpen, hoe ze niet verder zouden gaan. Daar hij doodmoe was van de

wandeling en het vroege opstaan, dommelde hij eerst een beetje; daarna,

geheel versuft door vermoeidheid en tabaksrook, viel hij in slaap.

Het was donker, toen een stomp van Sikes hem wakker maakte. Nadat hij

genoeg bekomen was, om rechtop te gaan zitten en om zich heen te zien,

zag hij den waardigen man in druk en vertrouwelijk gesprek met een

boer, over een glas ale zitten.

»Zoo, dus je gaat naar Lower Halliford?« vroeg Sikes.

»Ja«, antwoordde de man, die een beetje te veel gedronken scheen te

hebben, »en niet langzaam ook. Mijn paard heeft op den terugweg geen

vracht achter zich zooals vanmorgen, toen we naar stad reden, en hij zal

er niet lang over doen. Ik drink op z'n gezondheid! 't Is 'n best

beest.«

»Kan je mij en mijn jongen zoo ver meenemen?« vroeg Sikes, de ale naar

zijn nieuwen vriend toeschuivend.

»Dan moet je dadelijk opbreken,« antwoordde de man over zijn bierpot

heen. »Ga je naar Halliford?«

»Nee naar Shepperton,« antwoordde Sikes.

»Ik ben je man zoo ver als ik ga,« antwoordde de ander.

»Is alles betaald, Becky?«

»Ja, die andere meneer heeft betaald,« antwoordde het meisje.

»Nee,« zei de man, met dronkemans ernst, »dat gaat niet.«

»Waarom niet?« vroeg Sikes. »Jij neemt ons zoo ver mee, dan mag ik in

ruil toch wel die paar borrels betalen?«

De vreemdeling dacht met een diepzinnig gezicht over deze redeneering

na, toen nam hij Sikes' hand en verklaarde, dat deze waarachtig een

goeie kerel was, waarop Mr. Sikes antwoordde, dat hij hem voor den gek

hield; als de man nuchter was geweest, zou er alle reden zijn geweest,

dit te denken.

Nadat nog enkele complimenten gewisseld waren, wenschten zij het

gezelschap goedenavond en gingen naar buiten; het meisje ruimde

onderwijl de glazen en kannen op en bleef met haar handen vol in de deur

staan om de gasten weg te zien rijden.

Het paard, op wiens gezondheid was gedronken, stond buiten voor de kar

gespannen. Oliver en Sikes stapten zonder verdere plichtplegingen in;

de eigenaar van het paard bleef nog een paar minuten treuzelen om het

dier »op te kammen« en den stalknecht met de heele wereld uit te dagen,

zijn gelijke te vertoonen; daarna stapte hij op de kar. De stalknecht

kreeg bevel, het paard vrij te laten, toen dat gebeurd was, maakte het

dier een heel onbehoorlijk gebruik van die vrijheid; het gooide zijn kop

met veel trots in de lucht en liep aan den overkant van den weg eenige

ruiten in; na deze heldendaad verhief het zich een oogenblik op zijn

achterpooten en holde in gestrekten draf weg, als een edel ros de stad

uit rennend.

De avond was zeer donker. Uit de rivier en den moerassigen grond steeg

vochtige damp op, die zich over de verlaten velden verspreidde. Het was

vinnig koud, alles was somber en zwart. Er werd geen woord gesproken,

want de voerman was slaperig geworden en Sikes was niet in de stemming

om een gesprek te voeren. Oliver zat in elkaar gedoken in een hoek van

de kar; angstige voorgevoelens kwelden hem en zijn verbeelding zag

vreemde gedaanten in de reusachtige boomen, die woest met hun takken

zwaaiden, alsof zij een of andere geheimzinnige vreugde vonden in de

verlatenheid van dat oord.

Toen zij Sunbury Church voorbijreden, sloeg de klok zeven. Voor het raam

van het veerhuis aan den overkant brandde licht, dat uitscheen over den

weg; een donkere iepenboom, waaronder een paar graven lagen, kwam door

dit licht in nog somberder schaduw. Niet veraf klonk een eentonig geluid

van vallend water en de bladeren van den ouden boom trilden zachtjes in

den nachtwind. Het scheen vriendelijke muziek voor de rust van de

dooden.

Sunbury lag achter hen en zij kwamen weer op den eenzamen weg. Twee of

drie mijlen verder hield de kar stil. Sikes stapte uit, nam Oliver bij

de hand en weer liepen ze voort.

Ze gingen in Shepperton geen huis binnen, zooals de doodmoede jongen

gedacht had, maar bleven voortloopen door slijk en duisternis, door

sombere laantjes en over koude open vlakten, totdat zij op kleinen

afstand de lichten van een stad zagen. Toen hij ingespannen voor zich

uitkeek, zag Oliver, dat het water juist onder hen was en dat zij vlak

bij een brug waren.

Sikes liep recht door, totdat zij bijna op de brug waren, toen keerde

hij zich plotseling linksom naar den oever.

»Het water!« dacht Oliver, dol van angst. »Hij heeft me naar deze

eenzame plek gebracht om me te vermoorden!« Hij stond op het punt zich

op den grond te laten vallen en ten minste _eens_ voor zijn jonge leven

te strijden, toen hij zag dat ze voor een eenzaam huis stonden, geheel

verwaarloosd en bouwvallig. Aan elken kant van de verzakte deur was een

raam; het huis had één verdieping, maar nergens was licht te zien. Het

gebouw was donker, ontredderd en naar alle waarschijnlijkheid onbewoond.

Sikes, met Oliver's hand steeds in de zijne, ging zachtjes naar de lage

deur en lichtte de klink op. De deur gaf mee en ze gingen te zamen

binnen.

De avonturen van Oliver Twist · 第 79 / 118 题