HOOFDSTUK XVII.

Het lot blijft Oliver ongunstig gestemd. Een groot man komt naar Londen

om schade te doen aan zijn goeden naam.

In alle bloedige melodrama's op het tooneel is het gewoonte, tragische

en comische scènes elkaar te doen afwisselen, even regelmatig als de

reepen wit en rood in een goed doorregen zijde spek. De held zinkt

ineen op zijn strooleger, bezwijkend onder het gewicht van ketenen en

ongelukken; in het volgende tooneel vergast zijn trouwe schildknaap, die

van niets weet, het publiek op een comisch liedje. Wij zien met jagenden

boezem de heldin, in de macht van een trotschen en gewetenloozen baron,

waar haar deugd en haar leven gelijkelijk gevaar loopen, een dolk

trekken om de eene te beschermen ten koste van het andere en juist als

onze verwachtingen ten hoogste gespannen zijn, klinkt er een fluitje en

we worden, vóór wij 't weten, overgebracht naar de groote hal van het

kasteel, waar een grijsharige drost een grappig liedje zingt met een nog

grappiger troepje vasallen, die, zonder zich te storen aan de plaats

waar ze zijn, zij 't een kerk of een paleis, gezamenlijk rondtrekken en

voortdurend zingen.

Zulke overgangen schijnen dwaas, maar zij zijn niet zoo onnatuurlijk als

zij op het eerste gezicht schijnen. De overgangen in het werkelijke

leven van een welvoorziene tafel naar een sterfbed, van rouwgewaden naar

feestkleederen, zijn niet minder verbijsterend; alleen nemen wij daar

aan de handeling deel, in plaats van werkeloos toe te kijken, en dat

maakt een groot onderscheid. De spelers op het tooneel van het leven

hebben geen oog voor hevige overgangen en plotselinge aandoeningen van

hartstocht of gevoel, die, vertoond voor de oogen van hen die bloot

toeschouwers zijn, terstond veroordeeld worden als overdreven en

ongerijmd.

Daar plotselinge veranderingen van tooneel en snelle veranderingen van

tijd en plaats niet alleen door de traditie in boeken goedgekeurd

worden, maar zelfs beschouwd worden als de hoogste kunst van den

schrijver--door dergelijke critici wordt de bekwaamheid van een

schrijver in zijn vak afgemeten naar den aard der dilemma's waarin hij

zijn personen aan 't eind van elk hoofdstuk achterlaat--mag deze korte

inleiding tot de verandering in mijn verhaal misschien overbodig heeten.

Als dit zoo is, moet de lezer deze inleiding beschouwen als een kiesche

aanduiding van den verhaler, dat hij op het punt staat terug te gaan

naar de stad, waar Oliver Twist werd geboren; de lezer mag zich ervan

overtuigd houden, dat er goede en geldige redenen bestaan die reis te

doen, anders zou hij niet uitgenoodigd zijn, den tocht te ondernemen.

Mr. Bumble stapte vroeg in den morgen de poort van het armhuis uit en

liep met statigen tred en in waardige houding de High Street door. Hij

was in vol ornaat van zijn ambt als gemeentebode; zijn steek en zijn

manteljas glommen in de morgenzon; de krachtige greep waarmee hij zijn

wandelstok omklemde, drukte gezondheid en macht uit. Mr. Bumble droeg

altijd het hoofd hoog, maar dezen morgen hield hij 't nog hooger dan

gewoonlijk. Er was iets afgetrokkens in zijn oogen en iets waardigs in

zijn houding, die een opmerkzaam vreemdeling er op hadden kunnen wijzen,

hoe er gedachten in den geest van den bode omgingen, te groot om

uitgesproken te worden.

Mr. Bumble bleef niet staan om een praatje te maken met de kleine

winkeliers en anderen, die hem eerbiedig aanspraken als hij voorbijging.

Hij beantwoordde alleen hun groet met een handwuiving en hield zijn

deftigen tred niet in, vóór hij het Buitenhuis bereikt had, waar

juffrouw Mann gemeentelijke zorg bewees aan de weeskinderen.

»De drommel zal dien bode halen!« zei juffrouw Mann, toen zij het

welbekende gerammel aan het tuinpoortje hoorde. »Wat moet die nou weer

zoo vroeg in den morgen?--Wel mijnheer Bumble, wie kon denken, dat u

daar was! Maar 't doet me plezier, echt plezier! Kom in de kamer

mijnheer, asjeblieft.«

De eerste woorden waren tot Suzanna gericht en de uitroepen van

blijdschap tot Mr. Bumble, toen de goede vrouw het tuinpoortje had

opengedaan en hem met veel eerbiedige zorg naar het huis geleidde.

»Juffrouw Mann,« zei Mr. Bumble--hij ging niet gewoon zitten of viel

niet neer in een stoel, zooals de eerste de beste boerenslungel zou

doen, maar liet zich langzaam en allengskens in een stoel

neder--»juffrouw Mann, ik wensch u goedenmorgen.«

»En ik u ook, mijnheer,« antwoordde juffrouw Mann met veel glimlachjes,

»en ik hoop, dat u 't goed maakt, mijnheer.«

»Zoo-zoo, juffrouw Mann,« antwoordde de bode. »Het leven van een

gemeenteambtenaar is geen bed van rozen, juffrouw Mann.«

»Nee, dat is het zeker niet, mijnheer Bumble,« stemde de dame toe. En al

de weeskindertjes zouden gerust met dit antwoord hebben kunnen

instemmen, als zij het gehoord hadden.

»Het leven van een gemeentebode,« ging Mr. Bumble voort, terwijl hij met

zijn stok op de tafel sloeg, »is een leven van moeite en van ergernis en

van moed; maar alle publieke personen staan, als ik het zoo zeggen mag,

bloot aan onaangenaamheden.«

Juffrouw Mann, die niet goed wist, waar de bode heen wilde, hief 't

hoofd op met een blik van begrijpen en zuchtte.

»Ja! U mag wel zuchten, juffrouw Mann!« zei de bode.

Nu zij zag, dat zij goed had gedaan, zuchtte juffrouw Mann nog eens,

klaarblijkelijk tot voldoening van den publieken persoon; deze

onderdrukte een zelfvoldanen glimlach door strak naar zijn steek te

kijken en zeide:

»Juffrouw Mann, ik ga naar Londen.«

»Lieve hemel, mijnheer Bumble!« riep juffrouw Mann, achteruitdeinzend.

»Naar Londen, juffrouw,« hernam de bode onbewogen, »met de diligence.

Ik en twee armen uit ons huis, juffrouw Mann! Er is een zaak te

behandelen over een gift en de Regenten hebben mij aangewezen--mij,

juffrouw Mann--om in betrekking tot die zaak te getuigen vóór de

driemaandelijksche zitting in Clerkenwell. En ik vraag mij ernstig af,«

voegde Mr. Bumble er bij, de borst vooruit stekend, »of het hof van

Clerkenwell niet, vóór ik uitgesproken heb, al ervan overtuigd zal zijn,

zich op den verkeerden weg te bevinden.«

»O mijnheer, u moet ze niet al te hard behandelen,« vleide juffrouw

Mann.

»De heeren van het Clerkenwell-hof hebben 't aan zichzelf te danken,

juffrouw,« antwoordde Mr. Bumble, »en als het Clerkenwell-hof vindt, dat

de zaak niet zoo loopt als zij verwacht hadden, dan hebben zij dat ook

aan zichzelf te danken.«

Er lag zooveel vastberadenheid en doelbewustheid in de dreigende manier,

waarop Mr. Bumble deze woorden uitstootte, dat juffrouw Mann er door

overbluft scheen te zijn. Eindelijk zeide zij:

»Gaat u met de diligence, mijnheer? Ik dacht dat de armen altijd met een

kar gingen?«

»Als ze ziek zijn, juffrouw Mann,« zei de bode. »De zieke armen leggen

we op open karren in den regen, om te zorgen, dat ze geen kou vatten.«

»O!« zei juffrouw Mann.

»De diligence, die weer terugkomt, neemt deze twee mee voor weinig

geld,« zei Mr. Bumble. »Ze zijn er allebei slecht aan toe en we hebben

bedacht, dat het twee pond goedkooper komt, ze weg te brengen, dan ze te

begraven--dat is te zeggen, als wij ze ten laste van een andere gemeente

kunnen brengen, wat ik wel denk te kunnen klaarspelen. Wanneer zij ten

minste niet, om ons te treiteren, onderweg sterven. Ha! ha! ha!«

Toen Mr. Bumble een poosje gelachen had, viel zijn blik opnieuw op den

steek en hij werd ernstig.

»We vergeten de zaken, juffrouw,« zei de bode, »hier is uw toelage van

de Gemeente voor deze maand.«

Mr. Bumble haalde uit zijn zakportefeuille wat zilvergeld te voorschijn,

in papier, en vroeg een kwitantie, die door juffrouw Mann werd

geschreven.

»Er zijn heel wat inktvlekken op, mijnheer,« zei de kinderverzorgster,

»maar 't is toch in orde, geloof ik. Dank u, meneer Bumble, ik ben u

zeer verplicht.«

Mr. Bumble knikte vriendelijk in antwoord op de beleefde woorden van

juffrouw Mann en vroeg, hoe de kinderen het maakten.

»God zegene hun lieve kleine hartjes!« zei juffrouw Mann ontroerd, »ze

zijn zoo goed als 't maar kan, de schatjes! Behalve natuurlijk de twee,

die verleden week gestorven zijn. En kleine Dick.«

»Is die jongen nog niet beter?« vroeg Mr. Bumble.

Juffrouw Mann schudde het hoofd.

»'t Is een slechte, ziekelijke, koppige weesjongen,« zei Mr. Bumble

boos. »Waar is hij?«

»Ik zal hem binnen een minuut hier brengen,« antwoordde juffrouw Mann.

»Dick! kom hier!«

Na eenig geroep werd Dick gevonden. Nadat zijn gezicht onder de pomp was

gehouden en aan de japon van juffrouw Mann afgedroogd, werd hij in de

ontzagwekkende tegenwoordigheid van Mr. Bumble, den bode, gebracht.

Het kind was bleek en tenger, zijn wangen ingevallen en zijn oogen

groot en schitterend. De armzalige armhuiskleeren, de livrei van zijn

ellende, slobberden om zijn zwakke lichaampje; zijn armen en beenen

waren weggeteerd als bij een ouden man.

Dit was het wezentje, dat stond te beven voor den blik van Mr. Bumble,

zonder zijn oogen van den grond te durven opheffen en bang de stem van

den bode te zullen hooren.

»Kan je die meneer niet aankijken, ondeugende jongen?« vroeg juffrouw

Mann.

Het kind sloeg bedeesd zijn oogen op en ontmoette de oogen van Mr.

Bumble.

»Wat mankeert er aan, Dick uit het armhuis?« vroeg Mr. Bumble, met een

grappigheid, die zeer ter snede te pas werd gebracht.

»Niets mijnheer,« antwoordde het kind zwak.

»Dat zou ik ook denken,« zei juffrouw Mann, die natuurlijk hartelijk

gelachen had om de grap van Mr. Bumble. »Jou mankeert niks, zou ik

denken.«

»Ik wou zoo graag....« stamelde het kind.

»Hola!« viel juffrouw Mann in, »ga je nou toch zeggen, dat je wat noodig

hebt? Jou klein misbaksel!«

»Stil juffrouw, stil!« zei de bode, met een vertoon van gezag zijn hand

opheffend. »Wat wou je zoo graag? nou, vooruit!«

»Ik wou zoo graag,« stamelde het kind, »dat iemand, die schrijven kan,

een paar woorden op een stuk papier wou zetten en 't dan wou dichtvouwen

en lakken en 't voor mij wou bewaren als ik in de grond lig.«

»Wat? Wat wil de jongen?« riep Mr. Bumble uit, die, ofschoon hij gewend

was aan zulke dingen, toch eenigszins onder den indruk kwam van de

ernstige manier van doen en het vervallen uitzicht van het kind. »Wat

bedoel je?«

»Ik wou zoo graag aan Oliver Twist zeggen, dat ik veel van hem houd,«

zei het kind, »en dat ik dikwijls, als ik alleen was, heb zitten huilen,

omdat hij zoo alleen rondzwerft in de donkere nachten, met niemand om

hem te helpen. En ik wou hem ook zeggen,« voegde het kind er innig bij,

zijn dunne handjes vouwend, »dat ik blij was te sterven, toen ik nog

jong was; want als ik was blijven leven tot ik een man was, en oud was

geworden, zou mijn zusje, die in den hemel is, mij misschien vergeten

zijn of heel anders zijn dan ik, en 't zou veel prettiger wezen als we

daar samen als kinderen waren.«

Mr. Bumble nam in onbeschrijflijke verbazing het kind van het hoofd tot

de voeten op, en tot juffrouw Mann gewend, zeide hij: »Ze zijn allemaal

hetzelfde. Die onbeschaamde Oliver heeft ze allemaal bedorven.«

»Ik kan m'n ooren haast niet gelooven!« zei juffrouw Mann met opgeheven

handen en een boozen blik naar het kind. »Ik heb nog nooit zoo'n

verstokte booswicht gezien.«

»Breng hem weg, juffrouw Mann!« zei Mr. Bumble bevelend. »Hier moeten de

Regenten van in kennis worden gesteld, juffrouw.«

»Als de heeren maar begrijpen, dat ik het niet helpen kan,« klaagde

juffrouw Mann patetisch.

»Dat zullen ze begrijpen, juffrouw, ze zullen ingelicht worden omtrent

den waren stand van zaken,« zei Mr. Bumble. »En breng hem nu weg; ik

word er ziek van als ik hem aanzie.«

Dick werd dadelijk weggebracht en in het kolenhok opgesloten. Een

oogenblik later nam ook Mr. Bumble afscheid om aanstalten te gaan maken

voor zijn reis.

Den volgenden morgen om zes uur nam Mr. Bumble, die zijn steek voor een

ronden hoed had verwisseld en zijn gewichtige persoonlijkheid in een

blauwe manteljas met pelerine had gehuld, buiten op de diligence plaats

met de twee stakkers, wier toelage geschil opleverde; op den bepaalden

tijd kwam hij in Londen aan. Onderweg ondervond hij geen andere

onaangenaamheden, dan door het slechte gedrag van de twee armen, die

voortdurend bibberden en over kou klaagden op een manier, die Mr. Bumble

zelf deed klappertanden en hem een onprettig gevoel gaf, ofschoon hij

een manteljas aan had.

Nadat hij deze boosaardige schepsels een onderkomen had bezorgd voor den

nacht, ging hij de herberg binnen waar de diligence stilhield en

bestelde een eenvoudig middagmaal van biefstuk, oestersaus en

porter-bier.

Daarna zette hij een glas heete jenevergroc op den schoorsteenmantel en

trok zijn stoel voor het vuur; na verschillende zedelijke overpeinzingen

over het toenemen der zonde van ontevredenheid en lust tot klagen,

maakte hij zich gereed, de courant te lezen.

Het eerste waar zijn oog op viel, was de volgende advertentie:

Vijf guineas belooning.

»Hierbij wordt er de aandacht op gevestigd, dat een jongen, genaamd

Oliver Twist, op Donderdagavond l. l. van zijn huis in Pentonville

vluchtte of werd opgelicht; sedert werd niets meer van hem vernomen.

Bovenstaande belooning wordt uitbetaald aan den persoon, die in staat

is, zoodanige inlichtingen te geven als zullen leiden tot de opsporing

van genoemden Oliver Twist, of eenig licht kunnen werpen op zijn vroeger

leven, waarin steller dezes om verschillende redenen levendig belang

stelt.«

Hierna volgde een volledige beschrijving van Oliver's kleeding,

gestalte, uiterlijk en verdwijning, met den naam en het adres van Mr.

Brownlow voluit.

Mr. Bumble sperde zijn oogen open, las de advertentie langzaam en

aandachtig drie keer over en was vijf minuten later op weg naar

Pentonville; in zijn opwinding had hij zelfs het glas jenevergroc

onaangeroerd gelaten.

»Is mijnheer Brownlow thuis?« vroeg Mr. Bumble aan het dienstmeisje, dat

opendeed.

Op deze vraag gaf het meisje het niet ongewone maar ontwijkende

antwoord: »Ik weet niet; waar komt u vandaan?«

Nauwelijks noemde Mr. Bumble Oliver's naam als doel van zijn komst, of

juffrouw Bedwin, die in de huiskamerdeur had staan luisteren, schoot

buiten adem de gang in.

»Kom binnen.... kom binnen,« zei de oude dame; »ik wist wel, dat we van

hem zouden hooren. Arme lieve jongen! Ik wist 't wel! Ik wist 't zeker.

Och, dat lieve hartje. Ik heb 't altijd wel gezegd.«

Toen zij dit gezegd had, liep de waardige oude dame haastig terug in

de huiskamer, viel op een sofa neer en barstte in tranen uit. Het

dienstmeisje, dat niet zoo gevoelig was, was intusschen vlug naar boven

geloopen en kwam terug met het verzoek aan Mr. Bumble, haar dadelijk te

volgen; waar hij aan voldeed.

Hij werd in de kleine achter-studeerkamer gelaten, waar de heer Brownlow

en zijn vriend Grimwig bij elkaar zaten met een karaf en glazen vóór

zich. De laatste riep dadelijk uit:

»Een bode! Een gemeentebode, of ik wil mijn hoofd opeten!«

»Toe! val hem nu niet in de rede,« zei de heer Brownlow. »Ga zitten, wil

je?«

Mr. Bumble ging zitten, geheel in de war gebracht door de vreemde manier

van doen van den heer Grimwig.

De heer Brownlow verzette de lamp, zoodat hij Bumble goed in 't gezicht

kon zien en zei met eenig ongeduld:

»Dus u komt ten gevolge van de advertentie?«

»Ja mijnheer,« zei Mr. Bumble.

»En u bent gemeentebode nietwaar?« vroeg de heer Grimwig.

»Ja heeren, dat ben ik,« stemde Mr. Bumble met trots toe.

»Zie je wel,« fluisterde de heer Grimwig zijn vriend in, »dat wist ik.

Op en top een gemeentebode!«

De heer Brownlow schudde zachtjes zijn hoofd om zijn vriend tot stilte

te vermanen en hernam:

»Weet u waar de arme jongen op 't oogenblik is?«

»Net zoo min als niemand ter wereld,« antwoordde Mr. Bumble.

»Wat weet u dan van hem?« vroeg de oude heer. »Spreek vriend, als je

iets te zeggen hebt. Wat weet u van hem?«

»Je weet toch bij geval niets goeds van hem?« vroeg de heer Grimwig

ijverig, nadat hij Mr. Bumble's gezicht met aandacht bekeken had.

Mr. Bumble ging gretig op deze vraag in en schudde zijn hoofd met

onheilspellende plechtigheid.

»Zie je?« zei de heer Grimwig met een triomfantelijken blik naar den

heer Brownlow.

Brownlow keek eenigszins ongerust naar het opgeblazen gezicht van Mr.

Bumble en verzocht hem, met zoo weinig mogelijk woorden te berichten,

wat hij omtrent Oliver wist.

Mr. Bumble zette zijn hoed af, knoopte zijn jas open, sloeg zijn armen

over elkaar, boog nadenkend zijn hoofd, en na een paar minuten gepeinsd

te hebben, begon hij zijn verhaal.

Het zou vervelend zijn, het in Bumble's woorden weer te geven, want het

nam twintig minuten om het te vertellen, maar de slotsom ervan bleek te

zijn, dat Oliver een vondeling was, geboren uit gemeene, misdadige

ouders. Dat hij van zijn geboorte af geen betere eigenschappen had

getoond dan onoprechtheid, ondankbaarheid en lust in kwaaddoen. Dat

hij zijn korte loopbaan in zijn geboorteplaats beëindigd had door een

woesten, lafhartigen aanval te doen op een jongen, die hem niets in den

weg had gelegd en in den nacht weg was geloopen uit zijn meesters huis.

Ten bewijze, dat hij werkelijk de persoon was, waarvoor hij zich uitgaf,

spreidde Mr. Bumble de papieren op tafel, die hij naar Londen had

meegebracht en wachtte met over elkaar geslagen armen de opmerkingen van

den heer Brownlow af.

»Ik vrees, dat het alles maar al te waar is,« zeide de oude heer

verdrietig, toen hij de papieren had ingekeken. »Hier is de kleinigheid

voor uw moeite; ik zou graag driemaal zooveel hebben gegeven, als uw

inlichtingen gunstig voor den jongen waren geweest.«

Het is niet onwaarschijnlijk, dat, als Mr. Bumble dit wat vroeger in het

gesprek had vernomen, hij zijn verhaal heel anders gekleurd zou hebben.

Maar hier was het nu te laat voor, dus schudde hij ernstig zijn hoofd,

stak de vijf guineas in zijn zak en ging heen.

De heer Brownlow liep eenige minuten de kamer op en neer;

klaarblijkelijk was hij zoo getroffen door het verhaal van den bode, dat

zelfs Mr. Grimwig hem niet verder durfde plagen.

Eindelijk bleef bij staan en trok heftig aan de bel.

»Juffrouw Bedwin,« zei de heer Brownlow, toen de huishoudster

binnenkwam, »die jongen, die Oliver, is een bedrieger.«

»Dat kan niet, mijnheer. Dat kan niet,« zei de oude dame beslist.

»Ik zeg je, dat het zoo is,« zei de oude heer scherp.

»Wat wil je zeggen met dat: 't kan niet? We hebben juist een volledig

relaas over hem gehoord van zijn geboorte af; hij is zijn leven lang een

doortrapte kleine deugniet geweest.«

»Ik zal 't nooit gelooven, mijnheer,« antwoordde de oude dame dapper.

»Nooit!«

»Jullie ouwe wijven gelooven nooit iets anders als kwakzalvers en

boeken met leugen-verhalen,« snauwde de heer Grimwig. »Dat wist ik al

lang. Waarom heb je niet dadelijk naar mijn raad geluisterd; als hij

maar geen koorts had gehad, zou je 't wel gedaan hebben, niet? Hij was

interessant hè? Interessant! Bah!«

En de heer Grimwig begon heftig in het vuur te poken.

»Hij was een lieve, dankbare, gevoelige jongen, mijnheer,« viel juffrouw

Bedwin verontwaardigd uit. »Ik weet wat kinderen zijn, ik heb veertig

jaar lang met ze omgegaan en menschen, die dat niet kunnen zeggen,

moesten er liever niet over meepraten. Zoo denk ik er over!«

Dit was een steek op den heer Grimwig, die vrijgezel was. Toen de oude

heer er alleen met een glimlach op antwoordde, schudde de oude dame haar

hoofd en streek haar schort glad om een nieuwe toespraak te beginnen,

doch de heer Brownlow hield haar tegen.

»Stilte!« zei de oude heer, met een vertoon van boosheid, die hij in 't

minst niet voelde. »Laat mij nooit meer den naam van den jongen hooren.

Ik heb gescheld om u dat te zeggen. Nooit. Nooit, onder welk voorwendsel

ook, denk daarom! U kunt heengaan, juffrouw Bedwin. Denk om wat ik

gezegd heb. Ik meen het in ernst.«

Dien avond waren er droeve harten in het huis van den heer Brownlow.

Ook Oliver voelde zijn hart bezwaard, wanneer hij aan zijn lieve, goede

vrienden dacht; gelukkig voor hem, dat hij niet kon weten, wat zij

gehoord hadden; anders zou zijn hart gebroken zijn.

De avonturen van Oliver Twist · 第 75 / 118 题