Het lot blijft Oliver ongunstig gestemd. Een groot man komt naar Londen
om schade te doen aan zijn goeden naam.
In alle bloedige melodrama's op het tooneel is het gewoonte, tragische
en comische scènes elkaar te doen afwisselen, even regelmatig als de
reepen wit en rood in een goed doorregen zijde spek. De held zinkt
ineen op zijn strooleger, bezwijkend onder het gewicht van ketenen en
ongelukken; in het volgende tooneel vergast zijn trouwe schildknaap, die
van niets weet, het publiek op een comisch liedje. Wij zien met jagenden
boezem de heldin, in de macht van een trotschen en gewetenloozen baron,
waar haar deugd en haar leven gelijkelijk gevaar loopen, een dolk
trekken om de eene te beschermen ten koste van het andere en juist als
onze verwachtingen ten hoogste gespannen zijn, klinkt er een fluitje en
we worden, vóór wij 't weten, overgebracht naar de groote hal van het
kasteel, waar een grijsharige drost een grappig liedje zingt met een nog
grappiger troepje vasallen, die, zonder zich te storen aan de plaats
waar ze zijn, zij 't een kerk of een paleis, gezamenlijk rondtrekken en
voortdurend zingen.
Zulke overgangen schijnen dwaas, maar zij zijn niet zoo onnatuurlijk als
zij op het eerste gezicht schijnen. De overgangen in het werkelijke
leven van een welvoorziene tafel naar een sterfbed, van rouwgewaden naar
feestkleederen, zijn niet minder verbijsterend; alleen nemen wij daar
aan de handeling deel, in plaats van werkeloos toe te kijken, en dat
maakt een groot onderscheid. De spelers op het tooneel van het leven
hebben geen oog voor hevige overgangen en plotselinge aandoeningen van
hartstocht of gevoel, die, vertoond voor de oogen van hen die bloot
toeschouwers zijn, terstond veroordeeld worden als overdreven en
ongerijmd.
Daar plotselinge veranderingen van tooneel en snelle veranderingen van
tijd en plaats niet alleen door de traditie in boeken goedgekeurd
worden, maar zelfs beschouwd worden als de hoogste kunst van den
schrijver--door dergelijke critici wordt de bekwaamheid van een
schrijver in zijn vak afgemeten naar den aard der dilemma's waarin hij
zijn personen aan 't eind van elk hoofdstuk achterlaat--mag deze korte
inleiding tot de verandering in mijn verhaal misschien overbodig heeten.
Als dit zoo is, moet de lezer deze inleiding beschouwen als een kiesche
aanduiding van den verhaler, dat hij op het punt staat terug te gaan
naar de stad, waar Oliver Twist werd geboren; de lezer mag zich ervan
overtuigd houden, dat er goede en geldige redenen bestaan die reis te
doen, anders zou hij niet uitgenoodigd zijn, den tocht te ondernemen.
Mr. Bumble stapte vroeg in den morgen de poort van het armhuis uit en
liep met statigen tred en in waardige houding de High Street door. Hij
was in vol ornaat van zijn ambt als gemeentebode; zijn steek en zijn
manteljas glommen in de morgenzon; de krachtige greep waarmee hij zijn
wandelstok omklemde, drukte gezondheid en macht uit. Mr. Bumble droeg
altijd het hoofd hoog, maar dezen morgen hield hij 't nog hooger dan
gewoonlijk. Er was iets afgetrokkens in zijn oogen en iets waardigs in
zijn houding, die een opmerkzaam vreemdeling er op hadden kunnen wijzen,
hoe er gedachten in den geest van den bode omgingen, te groot om
uitgesproken te worden.
Mr. Bumble bleef niet staan om een praatje te maken met de kleine
winkeliers en anderen, die hem eerbiedig aanspraken als hij voorbijging.
Hij beantwoordde alleen hun groet met een handwuiving en hield zijn
deftigen tred niet in, vóór hij het Buitenhuis bereikt had, waar
juffrouw Mann gemeentelijke zorg bewees aan de weeskinderen.
»De drommel zal dien bode halen!« zei juffrouw Mann, toen zij het
welbekende gerammel aan het tuinpoortje hoorde. »Wat moet die nou weer
zoo vroeg in den morgen?--Wel mijnheer Bumble, wie kon denken, dat u
daar was! Maar 't doet me plezier, echt plezier! Kom in de kamer
mijnheer, asjeblieft.«
De eerste woorden waren tot Suzanna gericht en de uitroepen van
blijdschap tot Mr. Bumble, toen de goede vrouw het tuinpoortje had
opengedaan en hem met veel eerbiedige zorg naar het huis geleidde.
»Juffrouw Mann,« zei Mr. Bumble--hij ging niet gewoon zitten of viel
niet neer in een stoel, zooals de eerste de beste boerenslungel zou
doen, maar liet zich langzaam en allengskens in een stoel
neder--»juffrouw Mann, ik wensch u goedenmorgen.«
»En ik u ook, mijnheer,« antwoordde juffrouw Mann met veel glimlachjes,
»en ik hoop, dat u 't goed maakt, mijnheer.«
»Zoo-zoo, juffrouw Mann,« antwoordde de bode. »Het leven van een
gemeenteambtenaar is geen bed van rozen, juffrouw Mann.«
»Nee, dat is het zeker niet, mijnheer Bumble,« stemde de dame toe. En al
de weeskindertjes zouden gerust met dit antwoord hebben kunnen
instemmen, als zij het gehoord hadden.
»Het leven van een gemeentebode,« ging Mr. Bumble voort, terwijl hij met
zijn stok op de tafel sloeg, »is een leven van moeite en van ergernis en
van moed; maar alle publieke personen staan, als ik het zoo zeggen mag,
bloot aan onaangenaamheden.«
Juffrouw Mann, die niet goed wist, waar de bode heen wilde, hief 't
hoofd op met een blik van begrijpen en zuchtte.
»Ja! U mag wel zuchten, juffrouw Mann!« zei de bode.
Nu zij zag, dat zij goed had gedaan, zuchtte juffrouw Mann nog eens,
klaarblijkelijk tot voldoening van den publieken persoon; deze
onderdrukte een zelfvoldanen glimlach door strak naar zijn steek te
kijken en zeide:
»Juffrouw Mann, ik ga naar Londen.«
»Lieve hemel, mijnheer Bumble!« riep juffrouw Mann, achteruitdeinzend.
»Naar Londen, juffrouw,« hernam de bode onbewogen, »met de diligence.
Ik en twee armen uit ons huis, juffrouw Mann! Er is een zaak te
behandelen over een gift en de Regenten hebben mij aangewezen--mij,
juffrouw Mann--om in betrekking tot die zaak te getuigen vóór de
driemaandelijksche zitting in Clerkenwell. En ik vraag mij ernstig af,«
voegde Mr. Bumble er bij, de borst vooruit stekend, »of het hof van
Clerkenwell niet, vóór ik uitgesproken heb, al ervan overtuigd zal zijn,
zich op den verkeerden weg te bevinden.«
»O mijnheer, u moet ze niet al te hard behandelen,« vleide juffrouw
Mann.
»De heeren van het Clerkenwell-hof hebben 't aan zichzelf te danken,
juffrouw,« antwoordde Mr. Bumble, »en als het Clerkenwell-hof vindt, dat
de zaak niet zoo loopt als zij verwacht hadden, dan hebben zij dat ook
aan zichzelf te danken.«
Er lag zooveel vastberadenheid en doelbewustheid in de dreigende manier,
waarop Mr. Bumble deze woorden uitstootte, dat juffrouw Mann er door
overbluft scheen te zijn. Eindelijk zeide zij:
»Gaat u met de diligence, mijnheer? Ik dacht dat de armen altijd met een
kar gingen?«
»Als ze ziek zijn, juffrouw Mann,« zei de bode. »De zieke armen leggen
we op open karren in den regen, om te zorgen, dat ze geen kou vatten.«
»O!« zei juffrouw Mann.
»De diligence, die weer terugkomt, neemt deze twee mee voor weinig
geld,« zei Mr. Bumble. »Ze zijn er allebei slecht aan toe en we hebben
bedacht, dat het twee pond goedkooper komt, ze weg te brengen, dan ze te
begraven--dat is te zeggen, als wij ze ten laste van een andere gemeente
kunnen brengen, wat ik wel denk te kunnen klaarspelen. Wanneer zij ten
minste niet, om ons te treiteren, onderweg sterven. Ha! ha! ha!«
Toen Mr. Bumble een poosje gelachen had, viel zijn blik opnieuw op den
steek en hij werd ernstig.
»We vergeten de zaken, juffrouw,« zei de bode, »hier is uw toelage van
de Gemeente voor deze maand.«
Mr. Bumble haalde uit zijn zakportefeuille wat zilvergeld te voorschijn,
in papier, en vroeg een kwitantie, die door juffrouw Mann werd
geschreven.
»Er zijn heel wat inktvlekken op, mijnheer,« zei de kinderverzorgster,
»maar 't is toch in orde, geloof ik. Dank u, meneer Bumble, ik ben u
zeer verplicht.«
Mr. Bumble knikte vriendelijk in antwoord op de beleefde woorden van
juffrouw Mann en vroeg, hoe de kinderen het maakten.
»God zegene hun lieve kleine hartjes!« zei juffrouw Mann ontroerd, »ze
zijn zoo goed als 't maar kan, de schatjes! Behalve natuurlijk de twee,
die verleden week gestorven zijn. En kleine Dick.«
»Is die jongen nog niet beter?« vroeg Mr. Bumble.
Juffrouw Mann schudde het hoofd.
»'t Is een slechte, ziekelijke, koppige weesjongen,« zei Mr. Bumble
boos. »Waar is hij?«
»Ik zal hem binnen een minuut hier brengen,« antwoordde juffrouw Mann.
»Dick! kom hier!«
Na eenig geroep werd Dick gevonden. Nadat zijn gezicht onder de pomp was
gehouden en aan de japon van juffrouw Mann afgedroogd, werd hij in de
ontzagwekkende tegenwoordigheid van Mr. Bumble, den bode, gebracht.
Het kind was bleek en tenger, zijn wangen ingevallen en zijn oogen
groot en schitterend. De armzalige armhuiskleeren, de livrei van zijn
ellende, slobberden om zijn zwakke lichaampje; zijn armen en beenen
waren weggeteerd als bij een ouden man.
Dit was het wezentje, dat stond te beven voor den blik van Mr. Bumble,
zonder zijn oogen van den grond te durven opheffen en bang de stem van
den bode te zullen hooren.
»Kan je die meneer niet aankijken, ondeugende jongen?« vroeg juffrouw
Mann.
Het kind sloeg bedeesd zijn oogen op en ontmoette de oogen van Mr.
Bumble.
»Wat mankeert er aan, Dick uit het armhuis?« vroeg Mr. Bumble, met een
grappigheid, die zeer ter snede te pas werd gebracht.
»Niets mijnheer,« antwoordde het kind zwak.
»Dat zou ik ook denken,« zei juffrouw Mann, die natuurlijk hartelijk
gelachen had om de grap van Mr. Bumble. »Jou mankeert niks, zou ik
denken.«
»Ik wou zoo graag....« stamelde het kind.
»Hola!« viel juffrouw Mann in, »ga je nou toch zeggen, dat je wat noodig
hebt? Jou klein misbaksel!«
»Stil juffrouw, stil!« zei de bode, met een vertoon van gezag zijn hand
opheffend. »Wat wou je zoo graag? nou, vooruit!«
»Ik wou zoo graag,« stamelde het kind, »dat iemand, die schrijven kan,
een paar woorden op een stuk papier wou zetten en 't dan wou dichtvouwen
en lakken en 't voor mij wou bewaren als ik in de grond lig.«
»Wat? Wat wil de jongen?« riep Mr. Bumble uit, die, ofschoon hij gewend
was aan zulke dingen, toch eenigszins onder den indruk kwam van de
ernstige manier van doen en het vervallen uitzicht van het kind. »Wat
bedoel je?«
»Ik wou zoo graag aan Oliver Twist zeggen, dat ik veel van hem houd,«
zei het kind, »en dat ik dikwijls, als ik alleen was, heb zitten huilen,
omdat hij zoo alleen rondzwerft in de donkere nachten, met niemand om
hem te helpen. En ik wou hem ook zeggen,« voegde het kind er innig bij,
zijn dunne handjes vouwend, »dat ik blij was te sterven, toen ik nog
jong was; want als ik was blijven leven tot ik een man was, en oud was
geworden, zou mijn zusje, die in den hemel is, mij misschien vergeten
zijn of heel anders zijn dan ik, en 't zou veel prettiger wezen als we
daar samen als kinderen waren.«
Mr. Bumble nam in onbeschrijflijke verbazing het kind van het hoofd tot
de voeten op, en tot juffrouw Mann gewend, zeide hij: »Ze zijn allemaal
hetzelfde. Die onbeschaamde Oliver heeft ze allemaal bedorven.«
»Ik kan m'n ooren haast niet gelooven!« zei juffrouw Mann met opgeheven
handen en een boozen blik naar het kind. »Ik heb nog nooit zoo'n
verstokte booswicht gezien.«
»Breng hem weg, juffrouw Mann!« zei Mr. Bumble bevelend. »Hier moeten de
Regenten van in kennis worden gesteld, juffrouw.«
»Als de heeren maar begrijpen, dat ik het niet helpen kan,« klaagde
juffrouw Mann patetisch.
»Dat zullen ze begrijpen, juffrouw, ze zullen ingelicht worden omtrent
den waren stand van zaken,« zei Mr. Bumble. »En breng hem nu weg; ik
word er ziek van als ik hem aanzie.«
Dick werd dadelijk weggebracht en in het kolenhok opgesloten. Een
oogenblik later nam ook Mr. Bumble afscheid om aanstalten te gaan maken
voor zijn reis.
Den volgenden morgen om zes uur nam Mr. Bumble, die zijn steek voor een
ronden hoed had verwisseld en zijn gewichtige persoonlijkheid in een
blauwe manteljas met pelerine had gehuld, buiten op de diligence plaats
met de twee stakkers, wier toelage geschil opleverde; op den bepaalden
tijd kwam hij in Londen aan. Onderweg ondervond hij geen andere
onaangenaamheden, dan door het slechte gedrag van de twee armen, die
voortdurend bibberden en over kou klaagden op een manier, die Mr. Bumble
zelf deed klappertanden en hem een onprettig gevoel gaf, ofschoon hij
een manteljas aan had.
Nadat hij deze boosaardige schepsels een onderkomen had bezorgd voor den
nacht, ging hij de herberg binnen waar de diligence stilhield en
bestelde een eenvoudig middagmaal van biefstuk, oestersaus en
porter-bier.
Daarna zette hij een glas heete jenevergroc op den schoorsteenmantel en
trok zijn stoel voor het vuur; na verschillende zedelijke overpeinzingen
over het toenemen der zonde van ontevredenheid en lust tot klagen,
maakte hij zich gereed, de courant te lezen.
Het eerste waar zijn oog op viel, was de volgende advertentie:
Vijf guineas belooning.
»Hierbij wordt er de aandacht op gevestigd, dat een jongen, genaamd
Oliver Twist, op Donderdagavond l. l. van zijn huis in Pentonville
vluchtte of werd opgelicht; sedert werd niets meer van hem vernomen.
Bovenstaande belooning wordt uitbetaald aan den persoon, die in staat
is, zoodanige inlichtingen te geven als zullen leiden tot de opsporing
van genoemden Oliver Twist, of eenig licht kunnen werpen op zijn vroeger
leven, waarin steller dezes om verschillende redenen levendig belang
stelt.«
Hierna volgde een volledige beschrijving van Oliver's kleeding,
gestalte, uiterlijk en verdwijning, met den naam en het adres van Mr.
Brownlow voluit.
Mr. Bumble sperde zijn oogen open, las de advertentie langzaam en
aandachtig drie keer over en was vijf minuten later op weg naar
Pentonville; in zijn opwinding had hij zelfs het glas jenevergroc
onaangeroerd gelaten.
»Is mijnheer Brownlow thuis?« vroeg Mr. Bumble aan het dienstmeisje, dat
opendeed.
Op deze vraag gaf het meisje het niet ongewone maar ontwijkende
antwoord: »Ik weet niet; waar komt u vandaan?«
Nauwelijks noemde Mr. Bumble Oliver's naam als doel van zijn komst, of
juffrouw Bedwin, die in de huiskamerdeur had staan luisteren, schoot
buiten adem de gang in.
»Kom binnen.... kom binnen,« zei de oude dame; »ik wist wel, dat we van
hem zouden hooren. Arme lieve jongen! Ik wist 't wel! Ik wist 't zeker.
Och, dat lieve hartje. Ik heb 't altijd wel gezegd.«
Toen zij dit gezegd had, liep de waardige oude dame haastig terug in
de huiskamer, viel op een sofa neer en barstte in tranen uit. Het
dienstmeisje, dat niet zoo gevoelig was, was intusschen vlug naar boven
geloopen en kwam terug met het verzoek aan Mr. Bumble, haar dadelijk te
volgen; waar hij aan voldeed.
Hij werd in de kleine achter-studeerkamer gelaten, waar de heer Brownlow
en zijn vriend Grimwig bij elkaar zaten met een karaf en glazen vóór
zich. De laatste riep dadelijk uit:
»Een bode! Een gemeentebode, of ik wil mijn hoofd opeten!«
»Toe! val hem nu niet in de rede,« zei de heer Brownlow. »Ga zitten, wil
je?«
Mr. Bumble ging zitten, geheel in de war gebracht door de vreemde manier
van doen van den heer Grimwig.
De heer Brownlow verzette de lamp, zoodat hij Bumble goed in 't gezicht
kon zien en zei met eenig ongeduld:
»Dus u komt ten gevolge van de advertentie?«
»Ja mijnheer,« zei Mr. Bumble.
»En u bent gemeentebode nietwaar?« vroeg de heer Grimwig.
»Ja heeren, dat ben ik,« stemde Mr. Bumble met trots toe.
»Zie je wel,« fluisterde de heer Grimwig zijn vriend in, »dat wist ik.
Op en top een gemeentebode!«
De heer Brownlow schudde zachtjes zijn hoofd om zijn vriend tot stilte
te vermanen en hernam:
»Weet u waar de arme jongen op 't oogenblik is?«
»Net zoo min als niemand ter wereld,« antwoordde Mr. Bumble.
»Wat weet u dan van hem?« vroeg de oude heer. »Spreek vriend, als je
iets te zeggen hebt. Wat weet u van hem?«
»Je weet toch bij geval niets goeds van hem?« vroeg de heer Grimwig
ijverig, nadat hij Mr. Bumble's gezicht met aandacht bekeken had.
Mr. Bumble ging gretig op deze vraag in en schudde zijn hoofd met
onheilspellende plechtigheid.
»Zie je?« zei de heer Grimwig met een triomfantelijken blik naar den
heer Brownlow.
Brownlow keek eenigszins ongerust naar het opgeblazen gezicht van Mr.
Bumble en verzocht hem, met zoo weinig mogelijk woorden te berichten,
wat hij omtrent Oliver wist.
Mr. Bumble zette zijn hoed af, knoopte zijn jas open, sloeg zijn armen
over elkaar, boog nadenkend zijn hoofd, en na een paar minuten gepeinsd
te hebben, begon hij zijn verhaal.
Het zou vervelend zijn, het in Bumble's woorden weer te geven, want het
nam twintig minuten om het te vertellen, maar de slotsom ervan bleek te
zijn, dat Oliver een vondeling was, geboren uit gemeene, misdadige
ouders. Dat hij van zijn geboorte af geen betere eigenschappen had
getoond dan onoprechtheid, ondankbaarheid en lust in kwaaddoen. Dat
hij zijn korte loopbaan in zijn geboorteplaats beëindigd had door een
woesten, lafhartigen aanval te doen op een jongen, die hem niets in den
weg had gelegd en in den nacht weg was geloopen uit zijn meesters huis.
Ten bewijze, dat hij werkelijk de persoon was, waarvoor hij zich uitgaf,
spreidde Mr. Bumble de papieren op tafel, die hij naar Londen had
meegebracht en wachtte met over elkaar geslagen armen de opmerkingen van
den heer Brownlow af.
»Ik vrees, dat het alles maar al te waar is,« zeide de oude heer
verdrietig, toen hij de papieren had ingekeken. »Hier is de kleinigheid
voor uw moeite; ik zou graag driemaal zooveel hebben gegeven, als uw
inlichtingen gunstig voor den jongen waren geweest.«
Het is niet onwaarschijnlijk, dat, als Mr. Bumble dit wat vroeger in het
gesprek had vernomen, hij zijn verhaal heel anders gekleurd zou hebben.
Maar hier was het nu te laat voor, dus schudde hij ernstig zijn hoofd,
stak de vijf guineas in zijn zak en ging heen.
De heer Brownlow liep eenige minuten de kamer op en neer;
klaarblijkelijk was hij zoo getroffen door het verhaal van den bode, dat
zelfs Mr. Grimwig hem niet verder durfde plagen.
Eindelijk bleef bij staan en trok heftig aan de bel.
»Juffrouw Bedwin,« zei de heer Brownlow, toen de huishoudster
binnenkwam, »die jongen, die Oliver, is een bedrieger.«
»Dat kan niet, mijnheer. Dat kan niet,« zei de oude dame beslist.
»Ik zeg je, dat het zoo is,« zei de oude heer scherp.
»Wat wil je zeggen met dat: 't kan niet? We hebben juist een volledig
relaas over hem gehoord van zijn geboorte af; hij is zijn leven lang een
doortrapte kleine deugniet geweest.«
»Ik zal 't nooit gelooven, mijnheer,« antwoordde de oude dame dapper.
»Nooit!«
»Jullie ouwe wijven gelooven nooit iets anders als kwakzalvers en
boeken met leugen-verhalen,« snauwde de heer Grimwig. »Dat wist ik al
lang. Waarom heb je niet dadelijk naar mijn raad geluisterd; als hij
maar geen koorts had gehad, zou je 't wel gedaan hebben, niet? Hij was
interessant hè? Interessant! Bah!«
En de heer Grimwig begon heftig in het vuur te poken.
»Hij was een lieve, dankbare, gevoelige jongen, mijnheer,« viel juffrouw
Bedwin verontwaardigd uit. »Ik weet wat kinderen zijn, ik heb veertig
jaar lang met ze omgegaan en menschen, die dat niet kunnen zeggen,
moesten er liever niet over meepraten. Zoo denk ik er over!«
Dit was een steek op den heer Grimwig, die vrijgezel was. Toen de oude
heer er alleen met een glimlach op antwoordde, schudde de oude dame haar
hoofd en streek haar schort glad om een nieuwe toespraak te beginnen,
doch de heer Brownlow hield haar tegen.
»Stilte!« zei de oude heer, met een vertoon van boosheid, die hij in 't
minst niet voelde. »Laat mij nooit meer den naam van den jongen hooren.
Ik heb gescheld om u dat te zeggen. Nooit. Nooit, onder welk voorwendsel
ook, denk daarom! U kunt heengaan, juffrouw Bedwin. Denk om wat ik
gezegd heb. Ik meen het in ernst.«
Dien avond waren er droeve harten in het huis van den heer Brownlow.
Ook Oliver voelde zijn hart bezwaard, wanneer hij aan zijn lieve, goede
vrienden dacht; gelukkig voor hem, dat hij niet kon weten, wat zij
gehoord hadden; anders zou zijn hart gebroken zijn.