Hoe Oliver zijn tijd doorbracht in het verheffende gezelschap van zijn
eerbiedwaardige vrienden.
Den volgenden dag tegen den middag, toen de Vos en Charley Bates uit
waren gegaan om hun gewone vak uit te oefenen, nam Fagin de gelegenheid
waar, Oliver de les te lezen over de ten-hemel-schreiende zonde der
ondankbaarheid, waaraan hij duidelijk verklaarde, dat Oliver zich in
buitengewone mate had schuldig gemaakt door zich willens en wetens aan
het gezelschap van zijn bezorgde vrienden te onttrekken en nog meer
door zijn poging, van hen weg te loopen, nadat zooveel moeite en kosten
waren besteed om hem te vinden. Fagin legde er grooten nadruk op, dat
hij Oliver had opgenomen en verzorgd, toen hij (Oliver) zonder die
tijdige hulp, gevaar liep van honger om te komen; en hij vertelde de
verschrikkelijke en aangrijpende geschiedenis van een jongen, dien hij
(Fagin) met zijn gewone liefdadigheid onder gelijke omstandigheden
verzorgd had, maar die zich zijn vertrouwen onwaardig had getoond; die
jongen had neiging getoond zich met de politie in verbinding te stellen
en was ongelukkigerwijs op een morgen opgehangen in Old Bailey. Mr.
Fagin deed geen moeite te verbergen, welk aandeel hijzelf in dezen
ongelukkigen afloop had gehad, maar betreurde het met tranen in de
oogen, dat de domme en verraderlijke handelwijze van het jongemensch
in kwestie een zekere getuigenis had uitgelokt, die, al was zij niet
precies waar, onvermijdelijk was geworden ter wille der veiligheid van
Fagin en enkele eerbiedwaardige vrienden. Mr. Fagin besloot met een
ietwat onplezierige schildering te geven van de onaangenaamheden, die
hangen meebracht en drukte met groote vriendelijkheid en beleefdheid
zijn vurige hoop uit, dat hij nooit in de noodzakelijkheid zou komen,
Oliver Twist aan die minder prettige kunstbewerking bloot te stellen.
Terwijl Oliver naar de woorden van den Jood luisterde en vaag begreep,
welke donkere bedreigingen zij inhielden, kreeg hij een gevoel of het
bloed hem in de aderen stolde. Dat het mogelijk was, zelfs voor het
gerecht, onschuldigen en schuldigen te verwarren, wanneer zij toevallig
in elkaars gezelschap waren, wist hij reeds, en wanneer hij bedacht van
welken aard in het algemeen de woordenwisselingen waren tusschen den
ouden Jood en Sikes, leek het hem in 't geheel niet onwaarschijnlijk,
dat Fagin bij meer dan één gelegenheid geheimzinnige plannen had gesmeed
en ten uitvoer gebracht, om personen, die te veel wisten of te veel
babbelden, uit den weg te ruimen. Die woordenwisselingen schenen
betrekking te hebben op een of andere dergelijke samenzwering in het
verleden. Toen hij schuchter opkeek en den onderzoekenden blik van den
Jood ontmoette, voelde hij, dat deze waardige oude heer de bleekheid van
zijn gezicht en het beven van zijn handen en voeten niet zonder
innerlijke voldoening opmerkte.
De Jood glimlachte grijnzend; hij streek Oliver over het hoofd en zei,
dat zij nog heel goede vrienden zouden worden, wanneer Oliver zich
bedaard hield en zich op het werk toelegde. Toen nam hij zijn hoed,
sloeg een oude gelapte manteljas om en ging heen, de deur achter zich
dichtsluitend.
En zoo bleef Oliver dien dag en de meeste van vele volgende dagen
achter, zonder iemand te zien tusschen vroeg in den morgen en laat in
den nacht en was gedurende die lange uren aan zijn eigen gedachten
overgelaten; en deze, die altijd weer naar zijn goede vrienden
terugdwaalden en naar het oordeel, dat zij zich over hem moesten
gevormd hebben, waren van treurigen aard.
Na verloop van een week ongeveer sloot de Jood de kamerdeur niet meer af
en Oliver was vrij, door het huis te dwalen.
Het was er vreeselijk vuil. De bovenkamers hadden groote houten
schoorsteenmantels en breede deuren, betimmerde wanden en geplafoneerde
zolderingen, die, ofschoon zwart door verwaarloozing en stof, op
verschillende wijze versierd waren; uit al deze teekens maakte Oliver
op, dat het huis lang geleden, voordat de oude Jood geboren werd, aan
welgestelde menschen had behoord en er toen misschien vroolijk en
vriendelijk had uitgezien, hoe vervallen en verschrikkelijk het nu ook
was geworden. Spinnen hadden hun webben gemaakt in de hoeken van de
muren en zolderingen; soms, als Oliver zachtjes een kamer binnenkwam,
schoten de muizen over den grond en verdwenen verschrikt in hun
holletje. De muizen en spinnen uitgezonderd, was er geen levend wezen te
bekennen; dikwijls, als het donker werd en hij was moe van het loopen
door de kamers, placht hij neer te hurken in den hoek van de gang bij de
straatdeur, om ten minste zoo dicht mogelijk in de buurt van levende
menschen te zijn; daar bleef hij dan zitten, terwijl hij al luisterend
de uren telde, tot de Jood of de jongens terugkwamen.
In alle kamers waren de vermolmde luiken stijf gesloten; de boomen,
die ze dichthielden, waren in het hout gedrukt; het eenige licht, dat
toegang vond, sloop binnen door de gaten boven in de luiken; door dit
licht leken de kamers nog somberder en vol geheimzinnige schaduwen.
Aan den achterkant was een dakraampje met roestige tralies aan den
buitenkant, maar zonder luik. Oliver zat hier dikwijls uren achtereen
met een verdrietig gezicht uit te kijken; maar er was niets te
ontdekken als een warrelige massa daken, zwartberookte schoorsteenen
en geveltoppen. Soms kwam wel eens boven in een verwijderd huis een
schimachtig hoofd te zien, maar het verdween altijd dadelijk weer, en
daar het raam van Oliver's uitkijkplaats dichtgespijkerd was, en dof
door regen en rook, was alles wat hij doen kon de vormen van de dingen
buiten trachten na te gaan, zonder een poging aan te wenden om gezien of
gehoord te worden--waar trouwens evenveel kans op was, als wanneer hij
binnen in den bal op de St. Pauluskerk had gewoond.
Op een middag, toen de Vos en jongeheer Bates bezigheden hadden voor den
avond, kreeg eerstgenoemde het in zijn hoofd, eenige zorg aan zijn
uiterlijke persoon te besteden (men moet hem de eer geven, dat hij
gewoonlijk niet leed aan deze zwakheid), en met dit doel voor oogen,
verwaardigde hij zich, Oliver rechtaf te bevelen, hem bij zijn toilet
behulpzaam te zijn.
Oliver was zoo blij, dat hij zich nuttig kon maken, zoo gelukkig, een
paar gezichten te zien, al waren ze nog zoo terugstootend en zóó
verlangend de menschen om hem heen genoegen te doen, wanneer hij dit
in eerlijkheid doen kon, dat hij geen enkele tegenwerping tegen dit
voorstel inbracht. Dus verklaarde hij zich terstond bereid, knielde
op den grond, terwijl de Vos op de tafel zat, zoodat deze zijn voet
op Oliver's schoot kon zetten, en zette zich met ijver aan een
kunstbewerking, die jongeheer Dawkins: »schoonmaak van de pootenwagen«
noemde. Wat in gewone taal overgebracht, schoenpoetsen beteekende.
[Illustratie: WAT IN GEWONE TAAL OVERGEBRACHT, SCHOENPOETSEN
BETEEKENDE.]
Of het 't gevoel was van vrijheid en onafhankelijkheid, dat een zedelijk
wezen allicht zal ondervinden, wanneer hij in een gemakkelijke houding
op een tafel zit, zijn pijp rookend, en één been losjes heen en weer
slingerend, terwijl zijn schoenen gepoetst worden zonder zelfs de
herinnering aan de moeite ze uit te doen, of het vooruitzicht van de
last, ze weer aan te moeten trekken; of dat de goede tabak den Vos
zachter stemde of het bier zijn gedachten weeker maakte, zeker is, dat
hij voor 't oogenblik in een romantische, levendige stemming verkeerde,
die anders vreemd was aan zijn aard. Een korte poos keek hij met een
peinzend gezicht op Oliver neer; toen hief hij 't hoofd op, loosde een
lichten zucht en zeide, half in 't vage, half tot Charley:
»Wat jammer, dat hij geen jatter is!«
»Och!« zei Charles Bates, »hij weet niet, wat goed voor hem is.«
De Vos zuchtte weer en trok aan zijn pijp; Charley Bates deed hetzelfde.
Ze rookten beiden een poosje in stilte voort.
»Ik denk, dat je niet eens weet wat een jatter is?« hernam de Vos op
treurigen toon.
»Ik geloof, dat ik 't wel weet,« antwoordde Oliver, opziende.
»Het is een d...., dat ben jij, niet?« vroeg Oliver, zichzelf in de rede
vallend.
»Ik wel,« antwoordde de Vos. »Ik zou er 't land aan hebben wat anders te
zijn.« Nadat hij zóó zijn gevoelen had uitgesproken, gaf de Vos zijn
hoed een flinken duw en keek naar Bates, als om aan te duiden, dat hij
hem zeer dankbaar zou zijn, wanneer hij het tegendeel beweerde.
»Ik ben er een,« herhaalde de Vos. »Charley ook. Fagin ook. Sikes ook.
Nancy ook. Bet ook. Wij allemaal, tot de hond toe, en hij is de gewikste
van de heele troep.«
»En hij babbelt 't minst van allemaal,« voegde Charley Bates er bij.
»Hij zou nog niet eens blaffen in het getuigenhokje, uit angst zich te
verspreken; al sloot je hem er veertien dagen in op zonder eten,« zei de
Vos.
»Geen sprake van,« merkte Charley op.
»'t Is een ferme hond. Kijkt hij iedere vreemde niet woedend aan, die
lacht of zingt, waar hij bij is!« ging de Vos voort. »Slaat hij niet aan
't brommen, als hij een viool hoort? En is hij niet kwaadaardig tegen
andere honden, die niet van z'n soort zijn? O ja!«
»Hij is op en top een Christen,« zei Charley.
Dit was alleen bedoeld om aan de goede eigenschappen van den hond recht
te doen wedervaren, maar zonder dat Bates het wist, lag er nog een
andere lofspraak in verscholen, want er bestaan vele heeren en dames,
die er op gesteld zijn, op en top een Christen te zijn en tusschen wie
sterke en wonderlijke punten van overeenstemming bestaan met den hond
van Sikes.
»Kom,« zei de Vos, en keerde met de bedachtzaamheid van zijn vak, die
heel zijn wezen kenmerkte, tot het punt van uitgang terug, »kom, dit
heeft niets te maken met ons groentje hier.«
»Dat is zoo,« zei Charley. »Waarom ga je niet bij Fagin in de leer,
Oliver?«
»En maakt met eigen hand je fortuin,« voegde de Vos er met een grijns
bij.
»En bent in staat van je eigen inkomen te leven en fatsoenlijk ook,
zooals ik van plan ben te gaan doen in op vier na 't eerste
schrikkeljaar dat nu komt en de twee en veertigste Dinsdag van de week
der Heilige Drieëenheid«, zei Charley Bates.
»Ik vind 't niet prettig,« hernam Oliver verlegen. »Ik wou, dat ze mij
weg lieten gaan. Ik.... ik zou liever heengaan.«
»En Fagin houdt je liever hier,« viel Charley in.
Oliver wist dit maar al te goed; doch bedenkend, dat het gevaarlijk kon
zijn, openlijk voor zijn gevoelens uit te komen, zuchtte hij alleen en
ging voort met schoenen poetsen.
»Weggaan!« riep de Vos uit. »Kom, heb je dan geen grijntje eergevoel in
je lijf? Zou je heen willen gaan en je vrienden op hun dak willen
zitten?«
»O, zwijg daarvan!« zei Bates, twee of drie zijden zakdoeken uit zijn
zak halend en ze in een kast mikkend, »dat is tè gemeen; dat is 't.«
»_Ik_ zou 't niet kunnen doen,« zei de Vos op een toon van hooghartigen
afkeer.
»Maar je kunt wel je vrienden in den steek laten,« zei Oliver met een
flauwen glimlach, »en ze laten straffen voor wat jij gedaan had.«
»Dat,« wierp de Vos tegen, met zijn pijp wuivend--»dat was alles ter
wille van Fagin, omdat de smerissen weten, dat wij samen werken en hij
zou in moeilijkheden geraakt zijn als wij ons niet uit de voeten hadden
gemaakt; daarom deden wij 't, is 't niet Charley?«
Bates knikte toestemmend en wilde iets zeggen, maar de herinnering aan
Oliver's vlucht kwam zoo plotseling in hem op, dat de rook uit zijn pijp
hem door 't lachen in keel en neus schoot, waardoor hij vijf minuten
lang bleef hoesten en met armen en beenen slaan.
»Kijk!« zei de Vos, een handvol shillings en halfpences te voorschijn
halend, »we hebben een lollig leventje. Wat doet 't er toe, waar het
vandaan komt? Hier pak an; op de plaats, waar het vandaan komt, is der
nog genoeg over. Maar jij wil niet natuurlijk. O, wat 'n heerlijke
stommerik ben jij!«
»'t Is leelijk, hè Oliver?« vroeg Charley Bates. »Z'n nek zal 't wel
voelen, niet?«
»Ik begrijp je niet goed,« antwoordde Oliver.
»Ik bedoel zóó iets, ouwe jongen,« zei Charley. Terwijl hij dit zeide,
nam jongeheer Bates een punt van zijn halsdoek in de hand, hield deze
rechtop in de lucht, liet zijn hoofd op zijn schouder zakken en stootte
tusschen zijn tanden een zonderling geluid uit, waarbij hij door een
levendige pantomimische voorstelling aantoonde, dat hij 't over ophangen
had.
»Dat beteekent 't,« zei Charley. »Kijk hij kijken, Jack! Ik heb nooit
zoo'n prachtstuk gezien als dit jongetje hier, die zal me den dood nog
andoen; let op wat ik zeg.« Charles Bates lachte opnieuw hartelijk en
nam met tranen in de oogen zijn pijp weer op.
»Je hebt 'n slechte opvoeding gehad,« zei de Vos, terwijl hij met
voldoening zijn schoenen bekeek, door Oliver gepoetst. »Maar Fagin
zal toch wel iets van je maken, of jij bent de eerste, waar niets van
terecht komt. Je moest nu maar liever dadelijk beginnen, want je komt
toch in het vak eer je 't weet; 't is maar tijdverlies, Oliver.«
Jongeheer Bates ondersteunde dezen raad met velerlei zedelijke
overwegingen van hemzelf; toen deze uitgeput waren, gingen hij en zijn
vriend Dawkins over tot een gloeiende beschrijving van al de genoegens,
die het leven, dat zij leidden, meebracht, doorspekt met allerlei wenken
aan Oliver, dat het beste wat hij doen kon, was zonder verwijl te
trachten Fagin's gunst te winnen, met dezelfde middelen, die zij tot dat
doel gebruikt hadden.
»En houd je dit voor gezegd, Nolly,« zei de Vos, toen de Jood de deur
boven opendeed, »als je geen lappen en tiktakken....«
»Wat geeft 't of je zoo al praat?« viel Bates in, »hij weet niet wat je
bedoelt.«
»Als jij geen zakdoeken en horloges neemt,« zei de Vos, zijn woorden
kiezend volgens Oliver's begripsvermogen, »dan doet 'n andere kerel 't;
dan zijn de kerels, die ze kwijt zijn, der niks beter an toe, en jij ook
niet en niemand wordt der 'n steek beter van, behalve de jongens, die ze
hebben--en jij hebt er net zoo goed recht op as zij.«
»Juist, juist!« zei de Jood, die binnen was gekomen, zonder door Oliver
gezien te worden. »Dat is wijsheid in een notedop jongen, in een
notedop, verlaat je maar op de Vos. Ha! ha! ha! Hij kent de cathechismus
van zijn vak.«
Terwijl hij de redeneering van den Vos in deze termen samenvatte, wreef
de oude man zich vergenoegd in de handen en gichelde vroolijk om de
schranderheid van zijn leerling.
Het gesprek werd voor het oogenblik niet verder voortgezet, want de Jood
had Miss Betsy meegebracht en een jongmensch, dien Oliver nog nooit
gezien had, maar die door den Vos werd aangesproken als Tom Chilling;
hij maakte zijn opwachting na op de trap eenige beleefdheden met de
jonge dame gewisseld te hebben.
Chilling was ouder dan de Vos, misschien telde hij negentien winters,
maar hij behandelde den Vos met een zekere onderscheiding, die er
op scheen te wijzen, hoe hij zich ietwat de mindere voelde wat geest
en vakkennis betreft. Hij had kleine schitterende oogjes en een
gezicht, door de pokken geschonden; hij droeg een bonten muts, een
donkere geribte jas, een vuile bombazijnen broek en een schootsvel.
Zijn garderobe was werkelijk niet veel meer dan lompen, maar hij
verontschuldigde zich bij het gezelschap, door er aan te herinneren,
dat zijn »tijd« pas een uur geleden om was en dat hij, na zes weken de
gevangeniskleeding gedragen te hebben, nog niet veel aandacht aan zijn
eigen kleeren had kunnen geven. Chilling voegde er driftig bij, dat
de nieuwe manier om kleeren uit te rooken, die ze er daarginder op
nahielden, duivelsch onwettig was, want 't brandde gaten in de kleeren
en de regeering gaf er geen vergoeding voor. Hij meende dezelfde
opmerking te mogen maken omtrent de nieuwe mode, het haar te knippen;
deze hield hij stellig voor onwettig. Chilling besloot zijn opmerkingen,
met vast te stellen, dat hij in geen twee en veertig dagen van hard
werken een druppel drank over de lippen had gehad en dat hij »gehangen
wou worden als hij niet zoo droog was als een stokvisch.«
»Waar denk je, dat die meneer vandaan komt, Oliver?« vroeg de Jood met
een grijns, terwijl de andere jongens een flesch met drank op tafel
zetten.
»Ik.... Ik.... weet niet, meneer,« antwoordde Oliver.
»Wie is dat?« vroeg Tom Chilling met een minachtenden blik op Oliver.
»Een vriendje van mij, beste jongen,« antwoordde de Jood.
»Dan treft hij 't,« zei de jonge man met een blik van verstandhouding
naar Fagin. »'t Doet er niet toe, waar ik vandaan kom, jong; je zult er
gauw genoeg ook komen, daar verwed ik een kroon onder.«
De jongens lachten om dezen uitval. Na nog eenige grappen over hetzelfde
onderwerp, fluisterden zij een oogenblik met Fagin en gingen heen.
Nadat de laatst aangekomene en Fagin eenige woorden gewisseld hadden,
trokken zij hun stoelen bij het vuur; de Jood beval Oliver, naast hem
te komen zitten en bracht het gesprek op de onderwerpen, die zijne
toehoorders 't meest belang inboezemden. Dit waren de groote voordeelen
van het vak, de slimheid van den Vos, de innemendheid van Charley Bates
en de gulheid van den Jood zelf. Ten laatste vertoonden deze onderwerpen
teekenen geheel uitgeput te zijn; ook Mr. Chilling gaf teekenen van
moeheid, want het huis van bewaring werkt vermoeiend na een paar weken.
Dus ging Miss Betsy heen en liet de anderen vrij om ter rust te gaan.
Van dezen dag af werd Oliver zelden alleen gelaten, maar was bijna
voortdurend in gezelschap van de twee jongens, die elken dag het oude
spelletje met den Jood speelden; of dit tot hun eigen leering of tot die
van Oliver geschiedde, wist Mr. Fagin 't best.
Een andere keer vertelde de oude man geschiedenissen van diefstallen,
die hij in zijn jonge dagen had gepleegd, en mengde er zooveel in dat
mal was en bijzonder, dat Oliver, of hij wilde of niet, hartelijk
lachte, en daarmee toonde dat hij plezier had, al kwam zijn betere
gevoel er tegen op.
Kortom, de sluwe oude Jood had den jongen in zijn net; eerst had hij
door eenzaamheid en angst zijn geest er toe gebracht, elk gezelschap te
verkiezen boven dat van zijn eigen droeve gedachten in zoo'n somber
verblijf, nu goot hij langzaam het gif in zijn ziel, dat naar hij
hoopte, die ziel zwart zou maken en voor altijd veranderen.