HOOFDSTUK XVI.

Verhaalt wat er van Oliver Twist werd nadat hij door Nancy was

meegenomen.

De nauwe straten en stegen liepen ten laatste uit op een groot open

plein, waar hier en daar palen stonden om dieren aan vast te binden;

deze wezen er op, dat hier veemarkt werd gehouden. Toen zij deze plek

bereikt hadden, hield Sikes zijn stap in; het meisje kon niet langer den

vluggen pas bijhouden, waarmee zij geloopen hadden. Zich tot Oliver

wendend, beval hij hem ruwweg, Nancy's hand vast te houden.

»Hoor je niet?« snauwde Sikes, toen Oliver aarzelde en om zich heen

keek.

Ze stonden in een donkeren hoek, waar geen voorbijgangers langs kwamen.

Oliver zag maar al te goed in, dat geen tegenstand baatte. Hij stak zijn

hand uit, die Nancy stevig in de hare greep.

»Geef mij de andere,« zeide Sikes, terwijl hij Oliver's vrije hand

greep. »Hier Bul-oog!«

De hond keek brommend op.

»Hier jongen!« zei Sikes, met zijn andere hand Oliver bij de keel

grijpend, »als hij maar één woord spreekt, pak 'm! Denk er om!«

De hond bromde nog eens; hij likte zijn baard en keek naar Oliver, alsof

hij er naar verlangde, hem in zijn strot te bijten.

»Hij is zoo ijverig als een Christen; ik mag blind worden als 't niet

waar is!« zei Sikes, en keek het dier met een soort grimmige goedkeuring

aan.

»Nou jongeheer, je weet, wat je te wachten staat; schreeuw maar zoo hard

as je wil; de hond zal er gauw een stokje voor steken. Vooruit jong!«

Bul-oog kwispelde met zijn staart uit dankbaarheid voor deze ongewoon

vriendelijke manier van spreken, bromde waarschuwend aan het adres van

Oliver en liep vooruit. Ze liepen Smithfield over; voor Oliver kon het

evengoed Grosvenor Square zijn, zoo weinig wist hij er van. Het was een

donkere, mistige avond. De lichten in de winkels konden nauwelijks door

den zwaren mist heendringen, die elk oogenblik dikker werd en straten

en huizen als in een somber lijkkleed hulde; dit deed de vreemde plek

Oliver nog vreemder toeschijnen en maakte zijn angst nog drukkender en

verschrikkelijker.

Ze hadden enkele schreden gedaan, toen een torenklok met lagen klank het

uur sloeg. Bij den eersten slag bleven Oliver's geleiders staan en

keerden hunne hoofden in de richting vanwaar het geluid kwam.

»Acht uur, Bill,« zeide Nancy, toen de klok ophield met slaan.

»Hoef je mij niet te vertellen, kan ik zelf hooren, zou 'k zeggen!«

antwoordde Sikes.

»Of _zij_ 't ook kunnen hooren....« zei Nancy.

»Natuurlijk,« antwoordde Sikes. »Met Sint Bartholomeus zat ik in de kast

en der was geen stuiverstrompetje op de markt of ik hoorde 't piepen.

Toen ik dien nacht zat opgesloten, leek die dondersche ouwe gevangenis

zóó stil bij 't geraas en getier buiten, dat ik m'n kop wel te pletter

had willen slaan tegen de ijzeren platen van de deur.«

»Arme kerels!« zei Nancy, nog met haar gezicht gewend in de richting,

vanwaar de klok had geklonken. »O, Bill, zulke flinke, mooie jongens!«

»Ja, daar denken de vrouwen altijd aan,« antwoordde Sikes. »Flinke,

mooie jongens! Nou, ze zijn zoo goed als dood, dus 't doet er niet veel

toe.«

Met dezen troostgrond scheen Sikes een opkomend gevoel van jaloerschheid

terug te dringen en Oliver's pols vaster grijpend, beval hij hem weer

voort te loopen.

»Wacht even!« zei het meisje. »Ik zou niet zoo haastig voortloopen,

Bill, als jij 't was, die bij den volgenden klokslag van achten naar

buiten zou komen om opgehangen te worden. Ik zou om de plek heen loopen

tot ik er bij neerviel, al lag er sneeuw op de grond en al had ik geen

doek om me toe te dekken.«

»En waar zou dat goed voor zijn?« vroeg Mr. Sikes, die vrij was van

sentimentaliteit. »Als je geen vijl en een twintig el flink sterk touw

naar binnen kon gooien, kon je, wat mij betreft, evengoed twintig mijlen

ver loopen of heelemaal niet loopen. Kom vooruit en sta hier niet te

preeken.«

Het meisje barstte in een schaterlach uit en trok haar omslagdoek

dichter om zich heen; toen gingen ze verder. Maar Oliver voelde, hoe

haar hand beefde en toen hij haar bij 't licht van een straatlantaarn in

het gezicht keek, zag hij, dat ze doodsbleek was.

Ze liepen een half uur voort langs weinig bezochte morsige straten, waar

zij weinig menschen ontmoetten en die ze tegenkwamen, schenen, naar

hun uiterlijk te oordeelen, tot hetzelfde gilde als Sikes te behooren.

Eindelijk sloegen zij een smerig nauw straatje in, waar elk huis bijna

een uitdragerswinkel was. De hond liep vooruit, alsof hij wist, dat

hij niet verder behoefde te waken en bleef staan voor de deur van een

gesloten winkel, waar niemand in scheen te zijn. Het huis verkeerde in

vervallen toestand en op de deur was een plank gespijkerd, waarop te

lezen stond, dat het huis te huur was, de plank zag er uit alsof hij

daar jaren lang gehangen had.

»In orde!« riep Sikes, voorzichtig rondspiedend.

Nancy bukte zich onder de luiken en Oliver hoorde den klank van een

schel. Zij staken de straat over en stonden enkele oogenblikken onder

een lantaarn. Er klonk een geluid, alsof een raam zachtjes werd

opgeschoven en spoedig daarop werd de deur geopend.

Mr. Sikes greep zonder eenige plichtpleging den angstigen jongen bij de

kraag en alle drie kwamen vlug in het huis.

De gang was volkomen donker. Zij wachtten, terwijl de persoon, die hen

binnengelaten had, ketting en grendel op de deur deed.

»Iemand hier?« vroeg Sikes.

»Nee,« antwoordde een stem, die Oliver meende meer gehoord te hebben.

»Is de ouwe hier?« vroeg de roover.

»Ja,« antwoordde de stem, »maar hij heeft niet veel losgelaten. Denk je,

dat hij blij is, je te zien? O nee!«

De wijze van uitdrukking en de stem schenen Oliver bekend toe, doch het

was onmogelijk, zelfs den omtrek van den sprekende in 't donker te

onderscheiden.

»Breng 's wat licht,« zei Sikes, »of we breken onzen nek of trappen op

de hond. En pas op je beenen als je dat doet. O zoo!«

»Blijf een oogenblik staan, dan zal ik licht halen,« antwoordde de stem.

De voetstappen van den sprekende verwijderden zich en een oogenblik

later verscheen de gestalte van Mr. Jack Dawkins, alias de Vos. In zijn

rechterhand had hij een talkkaars die tusschen de einden van een

gespleten stok was gestoken.

Het jongemensch verwaardigde zich niet, aan Oliver een ander teeken van

herkenning te geven dan een vroolijke grijns; hij keerde zich om en

vroeg de bezoekers, hem de trap af te volgen. Ze liepen een ongebruikte

keuken door; toen zij de deur openden van een laag, duf riekend vertrek,

dat op een kleine binnenplaats uitgebouwd scheen te zijn, werden zij

ontvangen met een schaterend gelach.

»O, m'n bol! m'n bol!« riep Charles Bates, wiens longen dat gelach

voortbrachten, »daar is hij! O jasses, daar is hij! O Fagin kijk eris!

Fagin kijk eris! Ik kan niet meer; 't is zóó fijn, ik kan niet meer van

't lachen. Hou me vast, dat ik kan uitlachen!«

[Illustratie: ZEER VERHEUGD U ZOO GOED GEKLEED TE ZIEN, MIJN WAARDE, ZEI

DE JOOD MET EEN SPOTTENDE BUIGING.]

Bij deze onbedwingbare uitbarsting van vroolijkheid liet Bates zich plat

op den grond vallen en lag in overmaat van dolle vroolijkheid vijf

minuten lang rumoerig met zijn beenen te schoppen. Toen sprong hij op en

greep den gespleten stok van den Vos; om Oliver heen loopend, bekeek

hij hem van alle kanten, terwijl de Jood, zijn slaapmuts afnemend voor

den verbluften jongen, de ééne diepe buiging na de andere maakte.

Intusschen begon de Slimme, die van een zwaarmoediger temperament was en

zich zelden aan vroolijkheid overgaf, wanneer er zaken te doen waren,

Oliver's zakken met grooten ijver te doorzoeken.

»Wat zeg je van z'n plunje, Fagin!« zei Charley en zette het licht zoo

dicht bij Oliver's nieuwe buisje, dat hij 't bijna in brand stak. »Kijk

die plunje! Piekfijn laken en naar de laatste mode gemaakt! O jasses!

wat 'n mop! En boeken ook! Van top tot teen 'n meneer, Fagin!«

»Zeer verheugd u zoo goed gekleed te zien, mijn waarde,« zei de Jood met

een spottende buiging. »De Slimme zal u een ander pak geven, anders

mocht u dat Zondagsche soms vuil maken. Waarom hebt u niet geschreven,

dat u kwam? Dan hadden we gezorgd voor een warm souper.«

Charles Bates begon weer te brullen van 't lachen, zoo luid, dat Fagin

zijn gezicht vertrok en zelfs de Vos glimlachte; doch daar hij juist

op dat oogenblik het bankbiljet van vijf pond ontdekte, is het

twijfelachtig of deze ontdekking dan wel Fagin's grap dien glimlach te

voorschijn riep.

»Hallo, wat is dat?« vroeg Sikes, naar voren komend, toen de Jood het

bankbiljet greep. »Dat is van mij, Fagin.«

»Nee, nee, m'n waarde,« zei de Jood. »'t Is van mij, Bill, van mij. Jij

krijgt de boeken.«

»Als dat niet van mij is,« zei Bill Sikes, terwijl bij zijn hoed

opzette, »dat wil zeggen van mij en Nancy, dan breng ik den jongen weer

terug.«

De Jood ontstelde. Oliver schrikte ook op, ofschoon om een gansch andere

reden; hij hoopte, dat de twist werkelijk daarmee eindigen zou, dat hij

teruggebracht werd.

»Kom! Geef op!« zei Sikes.

»'t Is niet eerlijk, Bill, niet eerlijk; wat zeg jij, Nancy?« vroeg de

Jood.

»Eerlijk of niet eerlijk,« viel Sikes in. »Geef hier zeg ik! Denk je,

dat Nancy en ik niks anders te doen hebben dan onzen kostelijken tijd te

gebruiken om alle jongens na te loopen en op te vangen, die door jouw

toedoen gesnapt zijn? Geef hier, gierig oud scharminkel, geef hier!« Met

deze vriendelijke toespraak peuterde Mr. Sikes het bankbiljet tusschen

vinger en duim van den Jood uit; hij keek den ouden man koeltjes in het

gezicht, vouwde het bankbiljet klein op en knoopte het in zijn halsdoek.

»Dat is voor onze moeite,« zei Sikes, »en 't is niet half genoeg. Jij

mag de boeken houden, als je graag leest. En anders verkoop je ze.«

»Ze zijn heel mooi,« zei Charley Bates, die met allerlei vreemde

grimassen deed, alsof hij in één van de bewuste deelen las, »prachtig

geschreven, is 't niet Oliver?«

Toen hij den wanhopigen blik zag, waarmee Oliver zijn kwelgeesten

aankeek, barstte jongeheer Bates, die veel gevoel voor het comische

bezat, opnieuw in een lachbui uit, nog luidruchtiger dan te voren.

»Ze zijn van den ouden heer,« zei Oliver, handenwringend, »van den

goeden, vriendelijken ouden heer, die mij in huis heeft genomen en

opgepast toen ik bijna dood was door de koorts. Och toe, stuur ze terug,

stuur hem de boeken en het geld terug. Houd mij hier, mijn heele leven,

maar stuur ze asjeblieft terug. Hij zal denken dat ik 't geld en de

boeken gestolen heb; en de oude juffrouw en alle menschen, die zoo goed

voor me zijn geweest, zullen denken dat ik gestolen heb. O, heb

medelijden met me en stuur 't terug!«

Bij deze woorden, uitgestooten met al de kracht die hevig lijden geeft,

viel Oliver op zijn knieën voor den Jood en vouwde zijn handen in

volslagen wanhoop.

»De jongen heeft gelijk,« merkte Fagin op, terwijl hij listig rondkeek

en zijn borstelige wenkbrauwen tot een dikken bos samentrok. »Je hebt

gelijk Oliver, je hebt gelijk; ze zullen denken, dat jij 't gestolen

hebt! Hè! hè!« gichelde de Jood, zich in de handen wrijvend, »als wij 't

uitgezocht hadden, kon 't niet beter treffen.«

»Natuurlijk niet,« zei Sikes, »dat wist ik wel, zoodra ik hem door

Clerkenwell zag komen met de boeken onder zijn arm. 't Is prachtig! 't

Zijn zeker van die slappe vromen, anders zouden ze hem heelemaal niet in

huis genomen hebben; ze zullen geen navraag doen, omdat ze bang zijn,

een vervolging te moeten instellen en hem aan de galg te helpen. Dus hij

is veilig.«

Terwijl deze woorden werden gesproken, had Oliver als in verbijstering

van den een naar den ander gekeken; hij hoorde nauwelijks wat er gezegd

werd, maar toen Bill Sikes zweeg, sprong hij plotseling op, stortte de

kamer uit en uitte zulke heftige kreten om hulp, dat het oude huis er

tot het dak van weergalmde.

»Houd den hond vast, Bill!« riep Nancy, terwijl zij vóór de deur sprong

en die sloot, nadat de Jood en zijn twee kweekelingen de kamer uit waren

geloopen om Oliver te vangen. »Houd den hond vast of hij verscheurt den

jongen.«

»Zijn verdiende loon!« riep Sikes, worstelend om uit de handen van het

meisje te geraken. »Laat me los, of ik sla je hoofd te pletter tegen de

muur.«

»Dat kan me niet schelen, Bill, dat kan me niet schelen,« schreeuwde het

meisje, terwijl zij hevig worstelde met den man, »dat kind zal niet door

den hond verscheurd worden of je moet mij eerst dood maken.«

»Zoo!« zei Sikes, zijn tanden op elkaar klemmend. »Als je mij niet

loslaat, zal ik je doodmaken.«

De boef slingerde het meisje van zich af naar den versten hoek van de

kamer, juist toen de Jood en de twee jongens terugkwamen, Oliver

tusschen hen in voortsleepend.

»Wat is hier gebeurd?« vroeg Fagin rondkijkend.

»Die meid is gek geworden, geloof ik,« antwoordde Sikes woest.

»Nee, dat is ze niet,« zei Nancy, bleek en nog buiten adem door de

worsteling, »nee, gek is ze niet, Fagin, denk dat niet.«

»Hou je dan bedaard,« zei de Jood met een dreigenden blik.

»Nee, dat doe ik ook niet«, antwoordde Nancy met harde stem. »Hier! Kom

maar op!«

Fagin wist genoeg van de manieren en gewoonten, die dat deel van de

menschheid, waartoe Nancy behoorde, er op nahield, om vrij zeker te

weten, dat 't niet geraden was, op 't oogenblik het gesprek met haar

voort te zetten. Met het oogmerk, de aandacht van het gezelschap op iets

anders te vestigen, keerde hij zich tot Oliver.

»Dus je wou wegloopen, lieverdje, is 't niet?« zei de Jood en nam een

knoestigen stok op, die naast den haard lag.

Oliver gaf geen antwoord. Maar hij lette op de bewegingen van den Jood

en haalde snel adem.

»Je wou hulp halen, om de politie roepen, hè?« smaalde de Jood, terwijl

hij den jongen bij zijn arm greep. »We zullen je dat wel afleeren,

jongetje.«

De Jood gaf een harden slag op Oliver's schouder en hief den knuppel op

voor een tweeden, toen Nancy snel toeliep en den stok uit zijn hand

rukte. Ze smeet hem in 't vuur met een kracht, die enkele van de

smeulende kolen in de kamer deed spatten.

»Ik wil er niet bijstaan en 't aanzien, Fagin!« riep het meisje. »Je

hebt den jongen en wat wil je nu nog meer? Laat hem met rust, laat hem

met rust, of ik zal jullie een gedachtenis geven, die mij vóór mijn tijd

aan de galg brengt.«

Onder het uiten van deze bedreiging stampte zij heftig met haar voet op

den vloer; met op elkaar geklemde lippen en gebalde vuisten keek zij van

den Jood naar den anderen boef; haar gezicht was vertrokken door de

woededrift, waartoe zij zich langzamerhand had opgewonden.

»Wel Nancy!« zei de Jood sussend, na een oogenblik waarin hij en Sikes

elkaar verbluft hadden aangekeken, »je--je overtreft jezelf vanavond.

Ha! ha! lieverdje, je speelt je rol prachtig.«

»Zoo?« zei het meisje. »Pas maar op, dat ik 't niet heelemaal natuurlijk

doe. Dan zou jij er slecht aan toe zijn, Fagin; dus ik waarschuw je

bijtijds: neem je in acht voor me!«

Er is iets in een woedende vrouw, waar de meeste mannen voor

terugschrikken, vooral wanneer zich bij al haar andere sterke

hartstochten de woeste drift voegt van niets ontziende wanhoop. De Jood

zag, dat het geen nut had, nog langer te doen alsof hij Nancy's woede

voor voorgewend hield; hij deed onwillekeurig een paar stappen terug,

en wierp een half smeekenden, half bangen blik op Sikes, als om aan te

duiden, dat deze de meest geschikte persoon was om het gesprek voort te

zetten.

Mr. Sikes, op wien aldus zwijgend een beroep werd gedaan en die het

misschien voor zijn persoonlijken trots en zijn invloed van belang

achtte, Miss Nancy onmiddellijk tot rede te brengen, uitte een aantal

vloeken en bedreigingen, die in hun snelle opeenvolging alle eer gaven

aan zijn vindingrijkheid. Daar zij echter klaarblijkelijk geen indruk

maakten op het voorwerp, tegen wie zij gericht waren, nam hij zijn

toevlucht tot meer tastbare argumenten.

»Wat beteekent dat?« vroeg Sikes en zette de vraag kracht bij met een

heel gewone verwensching tegen het schoonste deel van het menschelijk

gelaat; wanneer die verwensching van de vijftig duizend keeren dat ze

hier beneden wordt uitgesproken, daarboven maar eens verhoord werd, zou

blindheid even algemeen zijn als mazelen; »wat beteekent dat? De duivel

mag me halen. Weet je wie je bent en wat je bent?«

»O ja, ik weet er alles van,« antwoordde het meisje met een hysterischen

lach, terwijl zij in een armzalige poging om onverschillig te schijnen,

haar hoofd heen en weer wiegde.

»Hou je dan ook bedaard,« voegde Sikes haar toe met een snauw, zooals

hij gewoonlijk gebruikte wanneer hij zijn hond aansprak, »of ik zal je

voor een flinken tijd stom maken.«

Het meisje lachte opnieuw, nog luidruchtiger dan den eersten keer; zij

wierp een haastigen blik op Sikes, wendde haar gezicht af en beet haar

lip aan bloed.

»Je bent nogal een mooie,« voegde Sikes er bij, terwijl hij haar

minachtend aankeek, »om de menschlievende en fatsoenlijke te spelen! Een

mooie om de vriendin te zijn van dat kind, zooals je hem noemt!«

»God is mijn getuige, dat ik zijn vriendin ben!« riep het meisje heftig.

»Ik wou, dat ik dood was gevallen op straat of dat ik in de plaats was

geweest van de jongens, waar we vanavond zoo dicht voorbij gingen, eer

ik een hand had uitgestoken om hem hier te brengen. Van nu af is hij een

dief, een leugenaar, een duivel, alles wat slecht is. Is dat nog niet

genoeg voor die ouwe schurk; moet hij hem nog slaan ook?«

»Kom, kom Sikes,« zei de Jood op vermanenden toon, terwijl hij naar de

beide jongens wees, die gretig het gebeurende in zich opnamen, »we

moeten zachte woorden spreken, Bill, zachte woorden.«

»Zachte woorden!« schreeuwde Nancy in ontzettende opwinding. »Zachte

woorden, schurk die je bent! Ja, die heb je aan mij verdiend. Ik ging

voor je uit stelen, toen ik een kind was, niet half zoo oud als hij!«

wijzend op Oliver. »Ik ben in hetzelfde vak geweest en in denzelfden

dienst twaalf jaar lang. Weet je dat niet? Zeg op! Weet je dat niet?«

»Nou ja....« zei de Jood met een poging haar te kalmeeren, »al is dat

nou zoo, je hebt er je kost mee verdiend!«

»Ja, dat heb ik,« gaf het meisje terug, de woorden uitstootend in één

heftigen aangehouden schreeuw. »Ik leef er van, en mijn thuis is in de

koude, natte, vuile straten; en jij, ellendeling die je bent, hebt mij

op straat gejaagd, lang geleden en door jou blijf ik daar, dag en nacht,

dag en nacht, tot ik sterf!«

»Ik bega een ongeluk an je!« viel de Jood in, woedend over deze

verwijten, »en een erger ongeluk dan waar je over klaagt, als je nog één

woord zegt!«

Het meisje bracht geen woord meer uit; in waanzinnige opwinding trok zij

zich de haren uit het hoofd en scheurde haar kleeren, toen liep zij op

den Jood toe en zou zeker zichtbare merkteekens van haar wraak op zijn

gezicht achtergelaten hebben, wanneer Sikes haar niet op het juiste

oogenblik bij den pols had gegrepen; ze worstelde een oogenblik te

vergeefs en viel toen bewusteloos neer.

»Da's in orde,« zei Sikes en legde haar in een hoek neer. »In zoo'n bui

is ze bijzonder sterk in haar armen.«

De Jood wischte zijn voorhoofd af en glimlachte, als voelde hij zich

verlicht, nu de ruzie voorbij was; maar noch hij, noch Sikes, noch de

hond, noch de jongens, schenen het voorgevallene anders te beschouwen

dan als iets dat meer in hun bedrijf voorkwam.

»'t Is altijd lastig, als je met vrouwen te doen hebt,« zei de Jood,

zijn knuppel neerleggend, »maar ze zijn slim en we kunnen ze bij ons

werk niet missen. Charley, breng Oliver naar bed.«

»Hij moet morgen zeker zijn beste kleeren niet aantrekken, is 't wel

Fagin?« vroeg Charley Bates.

»Natuurlijk niet,« antwoordde de Jood met denzelfden grijns, waarmee

Charley de vraag deed.

Jongeheer Bates, die klaarblijkelijk schik had in zijn opdracht, nam den

gespleten stok en bracht Oliver in een aangrenzende keuken, waar twee of

drie bedden lagen, zooals waar hij vroeger op had geslapen; en hier,

onder veel onweerstaanbare lachuitbarstingen, haalde hij hetzelfde oude

pak kleeren voor den dag, dat Oliver met zooveel genot had afgelegd,

toen hij bij mijnheer Brownlow was; de Jood, die ze gekocht had, liet ze

toevallig aan Fagin zien en bracht deze zóó voor 't eerst op het spoor

van Oliver's verblijf.

»Trek dat mooie pakkie nou maar uit«, zei Charley.

»Ik zal 't wel aan Fagin geven om er op te passen. Wat 'n mop!«

De arme Oliver gehoorzaamde met tegenzin. Bates maakte een rolletje van

de nieuwe kleeren, nam het onder zijn arm, ging de kamer uit en sloot de

deur achter zich. Oliver bleef in donker achter.

Het geluid van Charley's lach en de stem van Miss Betsy, die juist van

pas kwam om haar vriendin met koud water te besprenkelen en andere

vrouwelijke zorgen te nemen om haar bij te brengen, zou menigeen wakker

gehouden hebben, die in gelukkiger omstandigheden verkeerde dan Oliver.

Maar hij was ziek en uitgeput en viel spoedig in een diepen slaap.

De avonturen van Oliver Twist · 第 74 / 118 题