Waarin aangetoond wordt hoezeer de vroolijke oude Jood en Miss Nancy op
Oliver Twist gesteld waren.
In de donkere gelagkamer van een gemeene kroeg, in het armelijkste
gedeelte van Little Saffron Hill gelegen.... een donker, somber hol,
waar den heelen winter een flikkerend gaslicht brandde er waar zomers
geen zonnestraal binnen drong, zat een man gebogen over een tinnen
kan en een glas, die sterk naar drank roken. In den man met zijn
fluweelen jas, lakensche korte broek, half hooge laarzen en grijze
kousen, zou een bekwaam agent van politie zelfs in dat flauwe licht
zonder aarzelen William Sikes herkend hebben. Aan zijn voeten zat een
witharige-roodoogige hond, die zich afwisselend er mee bezig hield, met
beide oogen knippend zijn meester aan te kijken en een groote versche
wond te likken aan den éénen kant van zijn bek, die hij pas geleden in
een gevecht scheen opgedaan te hebben.
»Stil mormel! Stil!« zei Sikes, plotseling de stilte verbrekend. Of zijn
overpeinzingen zóó diep waren, dat het knipoogen van den hond er storend
op werkte, of dat de gevoelens, door zijn overdenkingen gewekt zóó
levendig waren, dat zij zich moesten ontspannen door een onnoozel dier
te schoppen, dit is een zaak, die lang en breed besproken en beschouwd
kan worden. Wat ook de oorzaak zij, het gevolg was een schop en een
vloek, die tegelijkertijd op den hond neerkwamen. Honden zijn over het
algemeen niet geneigd, wraak te nemen over mishandelingen, hun door hun
meesters aangedaan, maar de hond van Mr. Sikes, die hetzelfde humeur had
als zijn baas, en in dit oogenblik misschien hevig leed onder het gevoel
onrechtvaardig behandeld te zijn, zette terstond zijn tanden in één van
de half-hooge laarzen. Nadat hij deze flink heen en weer geschud had,
kroop hij knorrend onder een bank terug, juist bijtijds om de tinnen kan
te ontgaan, die Sikes hem naar zijn kop gooide.
»Je durft! je durft!« zei Sikes, greep met de ééne hand de pook en
knipte met de andere bedaard een groot mes open, dat hij uit zijn zak
haalde. »Kom hier aartsduivel! Hier! Hoor je niet?«
De hond hoorde het zeker, want Mr. Sikes sprak op den hardsten toon van
een harde stem, doch daar het dier er een onverklaarbaren tegenzin in
scheen te hebben, zijn hals te laten afsnijden, bleef hij waar hij was
en gromde nog woedender dan te voren; tegelijk greep hij het eind van de
pook tusschen zijn tanden en beet er op als een wild beest.
Deze tegenstand maakte Sikes slechts te woedender; hij liet zich op
zijn knieën vallen en begon als een razende op den hond los te slaan.
Het dier sprong van rechts naar links en van links naar rechts--happend,
grommend en keffend; de man sloeg en stompte, raasde en vloekte, en de
strijd dreigde juist noodlottig te worden voor den een of den ander,
toen de deur plotseling openging en de hond ontsnapte, Bill Sikes
achterlatend met de pook en het knipmes in de hand.
Voor een twist zijn altijd twee partijen noodig, zegt het oude
spreekwoord. Nu Sikes den hond niet meer tegenover zich had, gaf hij
dadelijk den binnenkomende diens rol van tegenstander.
»Wat heb jij je met mijn hond en mij te bemoeien?« zeide Sikes met een
woest gebaar.
»Ik wist 't niet, gerust, ik wist 't niet,« antwoordde Fagin nederig,
want hij was de binnenkomende.
»Wist 't niet, laffe spitsboef!« snauwde Sikes. »Hoorde je dan 't leven
niet?«
»Ik heb er niks van gehoord, zoo waar ik leef, Bill,« antwoordde de
Jood.
»O nee! Jij hoort niks, natuurlijk niet,« smaalde Sikes met een woesten
grijns. »Jij sluipt altijd in en uit, dat niemand je hoort komen of
gaan! Ik wou, dat jij een halve minuut geleden de hond was, Fagin.«
»Waarom?« vroeg de Jood met een gedwongen glimlach.
»Omdat de wet een man zijn hond vrij dood laat maken, maar het leven van
een man als jij, die niet half zooveel waard is, beschermt,« antwoordde
Sikes, terwijl hij het mes met een veelbeteekenenden blik toeknipte,
»nou weet je waarom.«
De Jood wreef zich in de handen, ging bij de tafel zitten en deed of hij
lachte om de aardigheid van zijn vriend. Doch hij was klaarblijkelijk
allesbehalve op zijn gemak.
»Grijns maar toe,« zeide Sikes, terwijl hij de pook neerlegde, en den
ander met woeste minachting aankeek, »grijns maar toe. Je zult me nooit
kunnen uitlachen of 't moet na een borrel zijn. Ik ben je de baas,
Fagin, en voor den duivel, dat zal ik blijven. Daar! Als ik ga, ga jij
ook; pas op voor me.«
»Ja, ja, beste jongen,« zei de Jood, »dat weet ik allemaal wel; wij....
wij.... hebben dezelfde belangen, Bill... dezelfde belangen.«
»Hm,« zei Sikes, alsof hij dacht, dat het belang meer aan den kant van
den Jood lag dan aan het zijne. »Nou, wat heb je mij te zeggen?«
»'t Is allemaal veilig door de smeltkroes gegaan,« antwoordde Fagin, »en
hier is jouw deel. 't Is eigenlijk meer dan je toekwam, jongen, maar ik
weet wel, dat je mij een anderen keer weer eens wat toe zult stoppen
en....«
»Hou op met je geklets,« viel de roover ongeduldig in. »Waar is 't? Geef
op!«
»Ja, ja Bill, laat me een beetje tijd,« antwoordde de Jood gedwee. »Hier
is 't! Alles in orde!« Terwijl hij sprak, haalde hij een ouden katoenen
zakdoek van zijn borst, maakte een grooten knoop aan den éénen hoek los
en haalde een bruin pakje te voorschijn. Sikes griste het uit zijn hand,
deed het haastig open en begon de sovereigns te tellen, die er in waren.
»Is dat alles?« vroeg Sikes.
»Alles,« antwoordde de Jood.
»Heb je soms 't papier opengedaan en er onderweg een paar ingeslikt?«
vroeg Sikes achterdochtig. »Zet maar geen beleedigd gezicht; dat heb je
dikwijls genoeg gedaan. Laat 't blik slingeren!«
Deze woorden beteekenden in gewone taal aan de bel te trekken. Een
andere Jood verscheen, jonger dan Fagin, maar bijna even gemeen en
terugstootend van uiterlijk. Bill Sikes wees zwijgend naar de leege
drinkkan. De Jood, die den wenk volkomen begreep, ging weg om de kan te
vullen; te voren echter had hij een veelbeteekenenden blik met Fagin
gewisseld, die--als had hij er op gewacht--tot antwoord zijn oogen een
oogenblik omhoog sloeg en zijn hoofd schudde, zóó onmerkbaar, dat een
derde persoon, die er op lette, het nauwelijks gezien zou hebben. Sikes
merkte 't niet op; hij bukte zich juist om zijn schoenriem vast te
maken, die de hond had los getrokken. Wanneer hij de korte wisseling van
teekens had opgemerkt, zou hij hebben kunnen denken, dat 't hem niets
goeds voorspelde.
»Is hier iemand, Barney?« vroeg Fagin; nu Sikes toekeek, sprak hij
zonder zijn oogen op te slaan.
»Gheen zhiel,« antwoordde Barney, wiens woorden--of zij hem uit 't hart
kwamen of niet--hun weg door zijn neus vonden.
»Niemand?« vroeg Fagin op verbaasden toon, die misschien beteekende, dat
Barney vrij was, de waarheid te vertellen.
»Nhiemand as juffrouw Dadsy,« antwoordde Barney.
»Nancy!« riep Sikes uit. »Waar is ze? Ik mag blind worden, als ik die
meid niet hoog stel om haar aangeboren talenten.«
»Ze heeft in de gelagkamer een portie gekookt rundvleesch besteld,«
antwoordde Barney.
»Stuur haar hier,« zei Sikes, terwijl hij een glas drank inschonk.
»Stuur haar hier.«
Barney keek schuchter naar Fagin, als om zijn toestemming te vragen;
daar de Jood bleef zwijgen en zijn oogen neergeslagen hield, ging hij
heen en kwam na een oogenblik terug, Nancy naar binnen duwend; zij was
volledig uitgedost met luifelhoed, schort, mandje en huissleutel.
»Ben je op 't spoor, Nancy?« vroeg Sikes, en bood haar het glas aan.
»Ja Bill,« antwoordde de jonge dame, den inhoud van het glas naar
binnen slaand, »en ik ben er moe van--dáár. 't Jong is ziek geweest en
bleef in z'n nest en....«
»Zeg Nancy,« zei Fagin opkijkend.
Of misschien de bijzondere manier waarop de Jood zijn rossige
wenkbrauwen samentrok en zijn diepliggende oogen sloot, miss Nancy
waarschuwde, dat zij op 't punt stond, te veel te zeggen, doet er niet
veel toe. We behoeven hier alleen het feit te constateeren en dat feit
is, dat zij plotseling afbrak en met veel beminnelijke glimlachjes aan
het adres van Mr. Sikes, het gesprek op andere dingen bracht. Na
ongeveer tien minuten kreeg Mr. Fagin een hoestbui, waarop Nancy haar
doek over haar schouders trok en verklaarde, dat het tijd was om heen te
gaan. Sikes, die bedacht, dat hij denzelfden kant uitging als zij, sprak
van zijn plan met haar mee te gaan en ze gingen samen weg, op korten
afstand gevolgd door den hond, die uit een poort te voorschijn sloop,
zoodra zijn meester uit 't gezicht was.
Toen Sikes weg was, stak de Jood zijn hoofd uit de kamerdeur; keek hem
na, terwijl hij door de donkere gang liep, schudde zijn gebalde vuist
achter hem, mompelde een schrikkelijke verwensching en ging toen met een
afschuwelijken grijns weer aan de tafel zitten, waar hij zich verdiepte
in de interessante verhalen van »het Politieblad.«
Intusschen was Oliver Twist, weinig vermoedend dat de vroolijke oude
heer zoo in de buurt was--op weg naar het boekenstalletje. Toen hij in
Clerkenwell kwam, sloeg hij bij vergissing een zijstraat in, die niet
precies naar zijn doel voerde; hij ontdekte zijn vergissing niet,
voordat hij halfweg de straat was, maar daar hij bedacht, dat de straat
toch in de goede richting liep, vond hij het niet noodig, terug te
keeren; dus liep hij door, zoo vlug hij kon, met de boeken onder zijn
arm.
Onder het voortloopen dacht hij er over, hoeveel reden hij had, zich
gelukkig en tevreden te voelen en wat hij niet zou willen geven om
kleinen Dick te kunnen zien, die hongerig en geslagen misschien op dit
oogenblik bitter schreide.--Plotseling werd hij opgeschrikt door een
jonge vrouw, die luidkeels riep: »O, mijn broertje!« En nauwelijks had
hij opgekeken om te zien, wat dat beteekende of hij werd vastgegrepen
door een paar armen, die zich stijf om zijn nek wrongen.
»Schei uit!« zei Oliver en trachtte zich los te rukken.
»Laat me los! Wie ben je? Waarom hou je me vast?«
Het eenige antwoord was een vloed van jammerklachten van de jonge vrouw
die hem omhelsd had en die een mandje en een huissleutel in de hand
droeg.
»O God!« zei de jonge vrouw. »Ik heb hem gevonden! O, Oliver! Oliver!
Ondeugende jongen, om me zoo in ongerustheid te laten! Ga mee naar huis,
lieverd, kom. O, ik heb hem gevonden! Dank aan de hemelsche goedheid, ik
heb hem gevonden!«
Bij deze onsamenhangende uitroepen barstte de jonge vrouw opnieuw in
huilen uit en begon zoo verschrikkelijk te gillen, dat een paar vrouwen,
die op dat oogenblik aan kwamen loopen, aan een slagersjongen, wiens
haardos glom van 't vet, vroegen of hij geen dokter zou halen. Waarop de
slagersjongen, die van een traag, om niet te zeggen indolent gestel was,
antwoordde, dat hij maar niet zou.
»O nee, nee, 't hoeft niet,« zei de jonge vrouw, Oliver's hand vattend.
»Ik ben al beter. Ga dadelijk mee naar huis, stoute jongen! Kom!«
»Wat is er eigenlijk gebeurd, juffrouw?« vroeg één van de vrouwen.
»O juffrouw,« antwoordde de jonge vrouw, »hij is een maand geleden
weggeloopen van zijn ouders, brave ijverige menschen, om zich bij een
bende dieven en ander gespuis aan te sluiten; zijn moeder's hart is er
bijna door gebroken.«
»Wat een rakker!« zei een van de vrouwen.
»Ga naar huis, kleine deugniet!« zei de ander.
»Dat ben ik niet,« riep Oliver angstig. »Ik ken haar niet. Ik heb geen
zuster en geen vader en geen moeder. Ik ben een wees, ik woon in
Pentonville.«
»Hij is er nog trotsch op!« riep de jonge vrouw.
»'t Is Nancy!« riep Oliver, die nu voor 't eerst haar gezicht zag; in de
grootste ontsteltenis deinsde hij achteruit.
»Zie je wel, hij kent me!« riep Nancy, zich tot de omstanders wendend.
»Hij zei 't voordat hij 't wist. Laat me hem mee naar huis nemen, goeie
menschen, of hij zal zijn vader en moeder doen sterven en mijn hart
breken!«
»Wat is dat voor den duivel!« zei een man, die uit een bierhuis te
voorschijn schoot met een witten hond dicht achter zich. »Oliver! Gauw
naar huis, naar je arme moeder, rakker die je bent! Dadelijk naar huis.«
»Ik hoor niet bij ze. Ik ken ze niet. Help! help!« schreeuwde Oliver,
worstelend om los te komen uit den krachtigen greep van den man.
»Help!« herhaalde de man. »Ik zal je helpen, schavuit! Wat zijn dat voor
boeken? Die heb je zeker gestolen, hè? Geef hier!« Met deze woorden
rukte de man de boeken uit Olivers handen en gaf hem een klap op zijn
hoofd.
»Goed zoo!« riep een toekijker uit een zolderraampje. »Dat is de eenige
manier om 't hem aan zijn verstand te brengen!«
»Zeg dat wel!« riep een timmerman met een slaperig gezicht en wierp een
goedkeurenden blik naar het zoldervenster.
»Het zal hem goed doen,« zeiden de twee vrouwen.
»En hij zal 't hebben ook!« voegde de man er bij; hij gaf Oliver nog
een klap en greep hem bij zijn kraag. »Vooruit rakker! Hier Bul-oog, pas
op jongen! Pas op!«
Zwak tengevolge van zijn ziekte, verdoofd door de klappen en het
plotselinge van den aanval, angstig voor het woeste brommen van den hond
en het ruwe optreden van den man, neergeslagen door de overtuiging van
de omstanders, dat hij werkelijk de verstokte kleine deugniet was
waarvoor hij werd uitgegeven, wat kon het arme kind alleen beginnen?
De duisternis was gevallen; het was een gemeene buurt; geen hulp in de
nabijheid; tegenstand was vruchteloos. Het volgende oogenblik werd hij
meegetrokken door een doolhof van nauwe donkere stegen; zoo snel werd
hij voortgesleept, dat de enkele kreten, die hij nog durfde uiteen,
onhoorbaar werden. Het deed er trouwens weinig toe of ze gehoord werden
of niet, want er was niemand die er op zou letten, al waren ze nog zoo
luid geweest.
* * * * *
De lantarens waren opgestoken; juffrouw Bedwin stond ongerust uit te
kijken in de open deur, de dienstmeisjes waren twintigmaal de straat
opgeloopen om te zien of er eenig spoor van Oliver te vinden was en nog
zaten de twee oude heeren in de donkere kamer, het horloge tusschen hen
in.