HOOFDSTUK XV.

Waarin aangetoond wordt hoezeer de vroolijke oude Jood en Miss Nancy op

Oliver Twist gesteld waren.

In de donkere gelagkamer van een gemeene kroeg, in het armelijkste

gedeelte van Little Saffron Hill gelegen.... een donker, somber hol,

waar den heelen winter een flikkerend gaslicht brandde er waar zomers

geen zonnestraal binnen drong, zat een man gebogen over een tinnen

kan en een glas, die sterk naar drank roken. In den man met zijn

fluweelen jas, lakensche korte broek, half hooge laarzen en grijze

kousen, zou een bekwaam agent van politie zelfs in dat flauwe licht

zonder aarzelen William Sikes herkend hebben. Aan zijn voeten zat een

witharige-roodoogige hond, die zich afwisselend er mee bezig hield, met

beide oogen knippend zijn meester aan te kijken en een groote versche

wond te likken aan den éénen kant van zijn bek, die hij pas geleden in

een gevecht scheen opgedaan te hebben.

»Stil mormel! Stil!« zei Sikes, plotseling de stilte verbrekend. Of zijn

overpeinzingen zóó diep waren, dat het knipoogen van den hond er storend

op werkte, of dat de gevoelens, door zijn overdenkingen gewekt zóó

levendig waren, dat zij zich moesten ontspannen door een onnoozel dier

te schoppen, dit is een zaak, die lang en breed besproken en beschouwd

kan worden. Wat ook de oorzaak zij, het gevolg was een schop en een

vloek, die tegelijkertijd op den hond neerkwamen. Honden zijn over het

algemeen niet geneigd, wraak te nemen over mishandelingen, hun door hun

meesters aangedaan, maar de hond van Mr. Sikes, die hetzelfde humeur had

als zijn baas, en in dit oogenblik misschien hevig leed onder het gevoel

onrechtvaardig behandeld te zijn, zette terstond zijn tanden in één van

de half-hooge laarzen. Nadat hij deze flink heen en weer geschud had,

kroop hij knorrend onder een bank terug, juist bijtijds om de tinnen kan

te ontgaan, die Sikes hem naar zijn kop gooide.

»Je durft! je durft!« zei Sikes, greep met de ééne hand de pook en

knipte met de andere bedaard een groot mes open, dat hij uit zijn zak

haalde. »Kom hier aartsduivel! Hier! Hoor je niet?«

De hond hoorde het zeker, want Mr. Sikes sprak op den hardsten toon van

een harde stem, doch daar het dier er een onverklaarbaren tegenzin in

scheen te hebben, zijn hals te laten afsnijden, bleef hij waar hij was

en gromde nog woedender dan te voren; tegelijk greep hij het eind van de

pook tusschen zijn tanden en beet er op als een wild beest.

Deze tegenstand maakte Sikes slechts te woedender; hij liet zich op

zijn knieën vallen en begon als een razende op den hond los te slaan.

Het dier sprong van rechts naar links en van links naar rechts--happend,

grommend en keffend; de man sloeg en stompte, raasde en vloekte, en de

strijd dreigde juist noodlottig te worden voor den een of den ander,

toen de deur plotseling openging en de hond ontsnapte, Bill Sikes

achterlatend met de pook en het knipmes in de hand.

Voor een twist zijn altijd twee partijen noodig, zegt het oude

spreekwoord. Nu Sikes den hond niet meer tegenover zich had, gaf hij

dadelijk den binnenkomende diens rol van tegenstander.

»Wat heb jij je met mijn hond en mij te bemoeien?« zeide Sikes met een

woest gebaar.

»Ik wist 't niet, gerust, ik wist 't niet,« antwoordde Fagin nederig,

want hij was de binnenkomende.

»Wist 't niet, laffe spitsboef!« snauwde Sikes. »Hoorde je dan 't leven

niet?«

»Ik heb er niks van gehoord, zoo waar ik leef, Bill,« antwoordde de

Jood.

»O nee! Jij hoort niks, natuurlijk niet,« smaalde Sikes met een woesten

grijns. »Jij sluipt altijd in en uit, dat niemand je hoort komen of

gaan! Ik wou, dat jij een halve minuut geleden de hond was, Fagin.«

»Waarom?« vroeg de Jood met een gedwongen glimlach.

»Omdat de wet een man zijn hond vrij dood laat maken, maar het leven van

een man als jij, die niet half zooveel waard is, beschermt,« antwoordde

Sikes, terwijl hij het mes met een veelbeteekenenden blik toeknipte,

»nou weet je waarom.«

De Jood wreef zich in de handen, ging bij de tafel zitten en deed of hij

lachte om de aardigheid van zijn vriend. Doch hij was klaarblijkelijk

allesbehalve op zijn gemak.

»Grijns maar toe,« zeide Sikes, terwijl hij de pook neerlegde, en den

ander met woeste minachting aankeek, »grijns maar toe. Je zult me nooit

kunnen uitlachen of 't moet na een borrel zijn. Ik ben je de baas,

Fagin, en voor den duivel, dat zal ik blijven. Daar! Als ik ga, ga jij

ook; pas op voor me.«

»Ja, ja, beste jongen,« zei de Jood, »dat weet ik allemaal wel; wij....

wij.... hebben dezelfde belangen, Bill... dezelfde belangen.«

»Hm,« zei Sikes, alsof hij dacht, dat het belang meer aan den kant van

den Jood lag dan aan het zijne. »Nou, wat heb je mij te zeggen?«

»'t Is allemaal veilig door de smeltkroes gegaan,« antwoordde Fagin, »en

hier is jouw deel. 't Is eigenlijk meer dan je toekwam, jongen, maar ik

weet wel, dat je mij een anderen keer weer eens wat toe zult stoppen

en....«

»Hou op met je geklets,« viel de roover ongeduldig in. »Waar is 't? Geef

op!«

»Ja, ja Bill, laat me een beetje tijd,« antwoordde de Jood gedwee. »Hier

is 't! Alles in orde!« Terwijl hij sprak, haalde hij een ouden katoenen

zakdoek van zijn borst, maakte een grooten knoop aan den éénen hoek los

en haalde een bruin pakje te voorschijn. Sikes griste het uit zijn hand,

deed het haastig open en begon de sovereigns te tellen, die er in waren.

»Is dat alles?« vroeg Sikes.

»Alles,« antwoordde de Jood.

»Heb je soms 't papier opengedaan en er onderweg een paar ingeslikt?«

vroeg Sikes achterdochtig. »Zet maar geen beleedigd gezicht; dat heb je

dikwijls genoeg gedaan. Laat 't blik slingeren!«

Deze woorden beteekenden in gewone taal aan de bel te trekken. Een

andere Jood verscheen, jonger dan Fagin, maar bijna even gemeen en

terugstootend van uiterlijk. Bill Sikes wees zwijgend naar de leege

drinkkan. De Jood, die den wenk volkomen begreep, ging weg om de kan te

vullen; te voren echter had hij een veelbeteekenenden blik met Fagin

gewisseld, die--als had hij er op gewacht--tot antwoord zijn oogen een

oogenblik omhoog sloeg en zijn hoofd schudde, zóó onmerkbaar, dat een

derde persoon, die er op lette, het nauwelijks gezien zou hebben. Sikes

merkte 't niet op; hij bukte zich juist om zijn schoenriem vast te

maken, die de hond had los getrokken. Wanneer hij de korte wisseling van

teekens had opgemerkt, zou hij hebben kunnen denken, dat 't hem niets

goeds voorspelde.

»Is hier iemand, Barney?« vroeg Fagin; nu Sikes toekeek, sprak hij

zonder zijn oogen op te slaan.

»Gheen zhiel,« antwoordde Barney, wiens woorden--of zij hem uit 't hart

kwamen of niet--hun weg door zijn neus vonden.

»Niemand?« vroeg Fagin op verbaasden toon, die misschien beteekende, dat

Barney vrij was, de waarheid te vertellen.

»Nhiemand as juffrouw Dadsy,« antwoordde Barney.

»Nancy!« riep Sikes uit. »Waar is ze? Ik mag blind worden, als ik die

meid niet hoog stel om haar aangeboren talenten.«

»Ze heeft in de gelagkamer een portie gekookt rundvleesch besteld,«

antwoordde Barney.

»Stuur haar hier,« zei Sikes, terwijl hij een glas drank inschonk.

»Stuur haar hier.«

Barney keek schuchter naar Fagin, als om zijn toestemming te vragen;

daar de Jood bleef zwijgen en zijn oogen neergeslagen hield, ging hij

heen en kwam na een oogenblik terug, Nancy naar binnen duwend; zij was

volledig uitgedost met luifelhoed, schort, mandje en huissleutel.

»Ben je op 't spoor, Nancy?« vroeg Sikes, en bood haar het glas aan.

»Ja Bill,« antwoordde de jonge dame, den inhoud van het glas naar

binnen slaand, »en ik ben er moe van--dáár. 't Jong is ziek geweest en

bleef in z'n nest en....«

»Zeg Nancy,« zei Fagin opkijkend.

Of misschien de bijzondere manier waarop de Jood zijn rossige

wenkbrauwen samentrok en zijn diepliggende oogen sloot, miss Nancy

waarschuwde, dat zij op 't punt stond, te veel te zeggen, doet er niet

veel toe. We behoeven hier alleen het feit te constateeren en dat feit

is, dat zij plotseling afbrak en met veel beminnelijke glimlachjes aan

het adres van Mr. Sikes, het gesprek op andere dingen bracht. Na

ongeveer tien minuten kreeg Mr. Fagin een hoestbui, waarop Nancy haar

doek over haar schouders trok en verklaarde, dat het tijd was om heen te

gaan. Sikes, die bedacht, dat hij denzelfden kant uitging als zij, sprak

van zijn plan met haar mee te gaan en ze gingen samen weg, op korten

afstand gevolgd door den hond, die uit een poort te voorschijn sloop,

zoodra zijn meester uit 't gezicht was.

Toen Sikes weg was, stak de Jood zijn hoofd uit de kamerdeur; keek hem

na, terwijl hij door de donkere gang liep, schudde zijn gebalde vuist

achter hem, mompelde een schrikkelijke verwensching en ging toen met een

afschuwelijken grijns weer aan de tafel zitten, waar hij zich verdiepte

in de interessante verhalen van »het Politieblad.«

Intusschen was Oliver Twist, weinig vermoedend dat de vroolijke oude

heer zoo in de buurt was--op weg naar het boekenstalletje. Toen hij in

Clerkenwell kwam, sloeg hij bij vergissing een zijstraat in, die niet

precies naar zijn doel voerde; hij ontdekte zijn vergissing niet,

voordat hij halfweg de straat was, maar daar hij bedacht, dat de straat

toch in de goede richting liep, vond hij het niet noodig, terug te

keeren; dus liep hij door, zoo vlug hij kon, met de boeken onder zijn

arm.

Onder het voortloopen dacht hij er over, hoeveel reden hij had, zich

gelukkig en tevreden te voelen en wat hij niet zou willen geven om

kleinen Dick te kunnen zien, die hongerig en geslagen misschien op dit

oogenblik bitter schreide.--Plotseling werd hij opgeschrikt door een

jonge vrouw, die luidkeels riep: »O, mijn broertje!« En nauwelijks had

hij opgekeken om te zien, wat dat beteekende of hij werd vastgegrepen

door een paar armen, die zich stijf om zijn nek wrongen.

»Schei uit!« zei Oliver en trachtte zich los te rukken.

»Laat me los! Wie ben je? Waarom hou je me vast?«

Het eenige antwoord was een vloed van jammerklachten van de jonge vrouw

die hem omhelsd had en die een mandje en een huissleutel in de hand

droeg.

»O God!« zei de jonge vrouw. »Ik heb hem gevonden! O, Oliver! Oliver!

Ondeugende jongen, om me zoo in ongerustheid te laten! Ga mee naar huis,

lieverd, kom. O, ik heb hem gevonden! Dank aan de hemelsche goedheid, ik

heb hem gevonden!«

Bij deze onsamenhangende uitroepen barstte de jonge vrouw opnieuw in

huilen uit en begon zoo verschrikkelijk te gillen, dat een paar vrouwen,

die op dat oogenblik aan kwamen loopen, aan een slagersjongen, wiens

haardos glom van 't vet, vroegen of hij geen dokter zou halen. Waarop de

slagersjongen, die van een traag, om niet te zeggen indolent gestel was,

antwoordde, dat hij maar niet zou.

»O nee, nee, 't hoeft niet,« zei de jonge vrouw, Oliver's hand vattend.

»Ik ben al beter. Ga dadelijk mee naar huis, stoute jongen! Kom!«

»Wat is er eigenlijk gebeurd, juffrouw?« vroeg één van de vrouwen.

»O juffrouw,« antwoordde de jonge vrouw, »hij is een maand geleden

weggeloopen van zijn ouders, brave ijverige menschen, om zich bij een

bende dieven en ander gespuis aan te sluiten; zijn moeder's hart is er

bijna door gebroken.«

»Wat een rakker!« zei een van de vrouwen.

»Ga naar huis, kleine deugniet!« zei de ander.

»Dat ben ik niet,« riep Oliver angstig. »Ik ken haar niet. Ik heb geen

zuster en geen vader en geen moeder. Ik ben een wees, ik woon in

Pentonville.«

»Hij is er nog trotsch op!« riep de jonge vrouw.

»'t Is Nancy!« riep Oliver, die nu voor 't eerst haar gezicht zag; in de

grootste ontsteltenis deinsde hij achteruit.

»Zie je wel, hij kent me!« riep Nancy, zich tot de omstanders wendend.

»Hij zei 't voordat hij 't wist. Laat me hem mee naar huis nemen, goeie

menschen, of hij zal zijn vader en moeder doen sterven en mijn hart

breken!«

»Wat is dat voor den duivel!« zei een man, die uit een bierhuis te

voorschijn schoot met een witten hond dicht achter zich. »Oliver! Gauw

naar huis, naar je arme moeder, rakker die je bent! Dadelijk naar huis.«

»Ik hoor niet bij ze. Ik ken ze niet. Help! help!« schreeuwde Oliver,

worstelend om los te komen uit den krachtigen greep van den man.

»Help!« herhaalde de man. »Ik zal je helpen, schavuit! Wat zijn dat voor

boeken? Die heb je zeker gestolen, hè? Geef hier!« Met deze woorden

rukte de man de boeken uit Olivers handen en gaf hem een klap op zijn

hoofd.

»Goed zoo!« riep een toekijker uit een zolderraampje. »Dat is de eenige

manier om 't hem aan zijn verstand te brengen!«

»Zeg dat wel!« riep een timmerman met een slaperig gezicht en wierp een

goedkeurenden blik naar het zoldervenster.

»Het zal hem goed doen,« zeiden de twee vrouwen.

»En hij zal 't hebben ook!« voegde de man er bij; hij gaf Oliver nog

een klap en greep hem bij zijn kraag. »Vooruit rakker! Hier Bul-oog, pas

op jongen! Pas op!«

Zwak tengevolge van zijn ziekte, verdoofd door de klappen en het

plotselinge van den aanval, angstig voor het woeste brommen van den hond

en het ruwe optreden van den man, neergeslagen door de overtuiging van

de omstanders, dat hij werkelijk de verstokte kleine deugniet was

waarvoor hij werd uitgegeven, wat kon het arme kind alleen beginnen?

De duisternis was gevallen; het was een gemeene buurt; geen hulp in de

nabijheid; tegenstand was vruchteloos. Het volgende oogenblik werd hij

meegetrokken door een doolhof van nauwe donkere stegen; zoo snel werd

hij voortgesleept, dat de enkele kreten, die hij nog durfde uiteen,

onhoorbaar werden. Het deed er trouwens weinig toe of ze gehoord werden

of niet, want er was niemand die er op zou letten, al waren ze nog zoo

luid geweest.

* * * * *

De lantarens waren opgestoken; juffrouw Bedwin stond ongerust uit te

kijken in de open deur, de dienstmeisjes waren twintigmaal de straat

opgeloopen om te zien of er eenig spoor van Oliver te vinden was en nog

zaten de twee oude heeren in de donkere kamer, het horloge tusschen hen

in.

De avonturen van Oliver Twist · 第 73 / 118 题