De dood van den menscheneter.
Onze maaltijd was zeer gezellig. Als Holmes wilde, kon hij
aardig spreken, en dien avond was dit het geval. Hij scheen
in zenuwachtig-opgewonden toestand te zijn. Ik had hem nog
nooit zoo buitengewoon spraakzaam aangetroffen. Hij sprak over
allerlei onderwerpen:--over het tooneel, over oud porselein, over
Stradivarius-violen, over het Buddhisme op Ceylon, en over de wapenen
der toekomst;--al deze onderwerpen behandelende, alsof hij van elk een
bijzondere studie had gemaakt. Zijn opgewektheid bewees de reactie van
zijne neerslachtigheid der laatste dagen. Athelney Jones bewees buiten
dienstzaken een gezellig dischgenoot te zijn, en nam aan onzen maaltijd
deel als een echte =bon vivant=. Wat mij betreft: ik gevoelde mij
verlicht, wijl wij het einde onzer taak naderden, en de opgeruimdheid
van Holmes deelde zich dus ook aan mij mede. Geen onzer repte gedurende
het diner een woord over het geval dat ons bijeengebracht had.
Toen de tafel was afgeruimd, keek Holmes op zijn horloge, en vulde hij
drie glazen met witte port.
»Een dronk," zeide hij, »op het welslagen onzer kleine expeditie. En nu
is het hoog tijd om te vertrekken. Hebt ge een pistool, Watson?"
»Mijn oude dienst-revolver ligt in mijn lessenaar."
»Dan zoudt gij goed doen dien mede te nemen. Het kan nooit kwaad op
alles voorbereid te zijn. Ik merk dat het rijtuig voor de deur staat. Ik
bestelde het tegen half zeven."
Het was even over zeven toen wij de Westminster-kade bereikten, en
bevonden, dat onze stoomboot op ons wachtte. Holmes nam haar nauwkeurig
in oogenschouw.
»Is er ook het een of ander zichtbaar teeken aan, waaraan men zien kan
dat het een politie-vaartuig is?"
»Ja, dat groene licht aan bakboord."
»Neem dit dan weg."
Toen hieraan voldaan was, gingen wij aan boord, en werden de touwen
losgeworpen. Jones, Holmes en ik zaten bij den achtersteven. Een man
stond aan het roer, een bij de machine, en twee stevige inspecteurs van
politie bevonden zich op de voorplecht.
»Waarheen?" vroeg Jones.
»Naar den Tower. Zeg hun dat zij tegenover Jacobson's werf moeten
aanleggen."
Onze boot liep zeer snel. Wij schoten de lange linie van geladen
schuiten voorbij alsof deze stil lagen. Holmes glimlachte met voldoening
toen wij een grooten stoomer inhaalden en spoedig achter ons lieten.
»Wij moeten in staat zijn om alles op de rivier te kunnen inhalen,"
zeide hij.
»Dat zal wel gaan, want er zijn niet veel booten die het van ons kunnen
winnen."
»Wij zullen de =Aurora= moeten inhalen en die heeft den naam van
buitengewoon snel te loopen. Thans zal ik u vertellen hoe het met de
zaak gelegen is, Watson. Gij herinnert u hoe verdrietig ik was, toen ik
mij door zulk een kleinigheid gedwarsboomd zag?"
»Ja."
»Welnu; ik liet mijn geest volkomen rusten, en verdiepte mij in een
chemische analyse. Een onzer grootste staatslieden heeft gezegd dat
verandering van bezigheden de beste rust is. En dat is ook zoo. Toen
het mij gelukt was de waterstof, waarmede ik mij onledig hield, op te
lossen, kwam ik weder op ons vraagstuk betreffende de Sholto's terug,
en dacht de geheele zaak nog eens over. Mijne jongens waren zonder
resultaat de rivier op en af geweest. De boot lag niet bij de een of
andere landingsplaats of werf, en was evenmin teruggekeerd. Toch begreep
ik dat zij onmogelijk haar spoor kon verbergen, daar zij noodzakelijk
door de sluizen moest varen. Tevens hield ik mij overtuigd dat deze
Small, al was hij nog zoo geslepen, daaraan vooruit niet gedacht zou
hebben. Toen bedacht ik, dat, wijl hij gewis eenigen tijd in Londen had
doorgebracht,--daar wij de overtuiging hadden dat hij voortdurend een
waakzaam oog op Pondicherry Lodge gehouden had, hij zeker eenigen tijd,
al ware het ook slechts één dag, noodig zou hebben om voor zijn vertrek
orde op zijne zaken te stellen. Dit waren mijne veronderstellingen."
»Zij komen mij wel wat zwak voor," zeide ik, »ik acht het
waarschijnlijker dat hij zijne zaken geregeld zal hebben alvorens hij
op zijne expeditie uitging."
»Neen, dat denk ik niet. Deze schuilplaats zou, in geval van nood,
te veel waarde voor hem hebben, om haar van de hand te doen, eer hij
zeker was dat hij haar niet meer noodig had. Maar mij trof een tweede
overweging. Jonathan Small moest begrepen hebben dat het vreemdsoortig
uiterlijk van zijn metgezel,--hoedanig hij dit ook vermomd mocht
hebben,--aanleiding kon geven tot vermoedens met betrekking tot het
drama in Norwood. Hij was scherpzinnig genoeg om dit in te zien. Volgens
de verklaring van Smith's vrouw was het drie uur in den morgen toen zij
in de boot gingen. Het zou dus spoedig volkomen dag zijn, en binnen een
uur of zoo zou er volk in den omtrek komen. Deswege, redeneerde ik,
zullen zij niet zeer ver weg zijn gegaan. Zij betaalden Smith een flinke
som om te zwijgen, behielden zijn boot om er later mede te ontvluchten
en snelden naar hun logies met den schat. Na een paar dagen, waarin
zij tijd hadden om te zien welke richting het oordeel der Pers aannam,
zouden zij zich onder bescherming der duisternis naar een of ander schip
te Gravesend of andere kustplaats begeven, waar zij ongetwijfeld reeds
passage naar Amerika of de Koloniën genomen hadden."
»Maar de boot? Die konden zij toch niet medegenomen hebben naar hun
logies."
»Juist. Ik redeneerde dat de boot, niettegenstaande hare
onzichtbaarheid, niet zeer ver af kon zijn. Toen stelde ik mij in mijne
verbeelding in de plaats van Small, en beschouwde de zaak van zijn
standpunt en met zijne gegevens. Hij zou waarschijnlijk overwegen dat,
wanneer hij de boot terug zou zenden, of haar op een of andere werf
brengen, dit eene vervolging gemakkelijk zou maken, indien de politie
hem op het spoor mocht komen.
»Op welke wijze kon hij de boot dan verbergen en haar toch zoodra hij
haar noodig mocht hebben, ter zijner beschikking hebben? Ik peinsde er
over, wat ik zou doen, als ik in zijne schoenen stond, en kon daarvoor
slechts één uitweg vinden. Ik zou de boot bij een scheepstimmerman
brengen, met de opdracht er een kleine verandering in aan te brengen.
Daar zou zij dan op de werf feitelijk verborgen zijn, terwijl ik haar
den volgenden nacht of wanneer ik wilde, ter mijner beschikking kon
hebben."
»Dat schijnt eenvoudig genoeg."
»Juist zulke kleinigheden worden het meest uit het oog verloren. Ik
besloot daarom volgens dit idee te handelen. Ik stak mij onmiddellijk in
dit zeemanskleed en informeerde op al de werven langs de rivier. Op
vijftien kwam ik tevergeefs, maar op de zestiende, die van Jacobson,
vernam ik dat de =Aurora= twee dagen geleden daar was gebracht door een
man met een houten been, met een onbeduidende bestelling betreffende het
roer. »Er mankeert niets aan het roer," zei de meesterknecht, »dààr
ligt ze, met die roode strepen." Wie denkt ge dat juist op dàt oogenblik
de werf op kwam? Marc Smith, de vermiste eigenaar! Hij was buitengewoon
beschonken. Het spreekt vanzelf dat ik hem niet gekend zou hebben, maar
hij schreeuwde zelf zijn naam en dien van zijn boot.
»Ik heb haar van avond om acht uur noodig," riep hij, »precies om
acht uur, denk er om; want ik heb twee heeren die niet zouden willen
wachten." Zij hadden hem blijkbaar goed betaald, want hij was zeer
vrijgevig en wierp een groot aantal shillings onder de werklieden. Ik
volgde hem op eenigen afstand, doch hij verdween in een wijnhuis; daarom
keerde ik naar de werf terug en toevallig een mijner jongens onderweg
ontmoetende, plaatste ik hem als schildwacht tegenover de boot. Als zij
afvaren, moet hij aan den waterkant staan, en ons met zijn zakdoek
toewuiven. Wij zullen stroomafwaarts aanleggen, en het moet al zeer
vreemd loopen als wij de mannen met schat en al niet in handen krijgen."
»Of zij de rechte lui zijn of niet, ge hebt het netjes overlegd," zei
Jones, »maar als ik de zaak in handen had, zou ik een sterke
politiemacht op Jacobson's werf hebben, en hen bij hunne aankomst aldaar
gevangen nemen."
»Wat nimmer gebeurd zou zijn. Deze Small is, zooals ik zeide, een zeer
geslepen kerel. Hij zal zeker een spion vooruit zenden en als er iets
verdachts op de werf mocht zijn, wel een reden voor uitstel bedenken."
»Maar gij zoudt Marc Smith in het oog hebben kunnen houden, en op deze
wijze hun schuilplaats ontdekt hebben," zeide ik.
»In dat geval zou ik mijn dag verspild hebben. Ik denk dat het honderd
tegen één is, dat Smith weet waar zij wonen. Waartoe zou hij vragen
doen, zoolang hij drinken kan en goed betaald wordt? Zij laten hem weten
wat hij doen moet. Neen, ik heb de zaak van alle zijden beschouwd, en
deze weg is de beste."
Terwijl dit gesprek gevoerd werd, waren wij de groote menigte bruggen,
die de Theems overspannen, doorgevaren. Toen wij de city passeerden,
verguldden de stralen der ondergaande zon het kruis op den top van den
St. Paul, en nog voor wij den Tower bereikten was de schemering
ingevallen.
»Dat is Jacobson's werf," zei Holmes op een woud van masten wijzende.
»Kruis hier langzaam op en neer achter deze lichters."--Hij nam een paar
nachtglazen uit zijn zak en staarde eenigen tijd naar den horizon. »Ik
zie mijn schildwacht op zijn post," vervolgde hij, »doch geen bewijs van
een zakdoek."
»Indien wij eens eens kort eind stroom-afwaarts voeren en aanlegden om
hen op te wachten?" vroeg Jones gejaagd.
Wij waren thans allen opgewonden, tot zelfs de politie-beambten en
stokers, die slechts een vaag idee hadden van hetgeen er moest gebeuren.
»Wij mogen niets als zeker aannemen," antwoordde Holmes, »het is gewis
tien tegen één, dat zij stroom-afwaarts gaan, maar =zeker= kunnen wij
dit niet zeggen. Van hier kunnen wij den toegang tot de werf zien,
terwijl men =ons= van daar niet kan waarnemen. Het zal een heldere
avond en volop licht zijn. Wij moeten dus blijven waar wij zijn. Zie
hoe de lieden ginds in den schijn van het gaslicht dooreen krioelen."
»Zij komen van hun werk op de werf."--
Plotseling riep Holmes, overeindspringend: »Zie ik daar geen zakdoek? Ik
zie ginder iets wits fladderen!"
»Ja," zei ik, »het is uw knaap. Ik zie hem duidelijk."
[Illustratie: »En dààr is de =Aurora=," vervolgde Holmes. Blz. 100.]
»En dààr is de =Aurora=," vervolgde Holmes; »en zij loopt als de duivel!
Full-speed, machinist! Zet gindsche boot met dat gele licht achterna.
Bij den hemel, ik zal het mij nimmer vergeven als zij ons te vlug af
is." Zij was ongemerkt de inham van de werf uitgevaren en maalde met
halve kracht achteruit, zoodat zij, alvorens wij haar gewaar werden,
gedraaid had en full-speed liep. En nu vloog zij stroom-afwaarts,
dicht langs de kust in vliegende vaart voorwaarts. Jones keek haar met
bezorgd gelaat na, en schudde het hoofd!
»Zij is zeer snel," zeide hij, »ik betwijfel het of wij haar wel zullen
kunnen inhalen."
»Wij =moeten= haar inhalen!" riep Holmes tandenknarsend. »Werp de
ovens vol, stokers! Laat haar doen =al= wat zij kan! Al moet de boot
verbranden, wij =moeten= hen hebben!"
Wij waren een heel eind achter. De ovens snorden, en cylinders suisden
en klopten als een reusachtig metalen hart. Haar scherpe, puntige boeg
doorkliefde den rustigen stroom, en stuwde twee wanden van schuim langs
onze beide boorden omhoog.
Bij elken slag van den cylinder sprong en trilde onze boot gelijk een
levend wezen. Een groote gele lantaarn aan onzen voorsteven, wierp een
langen dansenden lichtstraal voor ons uit. Recht voor ons uit toonde een
donkere stip op het water, waar de =Aurora= zich bevond, en het witte
schuim achter haar bewees met welke razende snelheid zij voorwaarts
vloog. Wij snelden barken, stoomers en koopvaardij-schepen voorbij. Wij
werden in de duisternis van alle zijden toegeroepen, maar de =Aurora=
vloog nog steeds voort, terwijl wij haar spoor al dichter en dichter
volgden.
»Werpt op, mannen, werpt op!" schreeuwde Holmes naar omlaag in de
machine-kamer, terwijl de helle gloed van het kolenvuur zijn opgewonden
en scherp geteekend gelaat verlichtte. »Zet zooveel stoom als mogelijk
is!"
»Ik geloof dat we een weinig winnen," zei Jones, met zijne oogen op de
=Aurora= gericht.
»Ik ben er zeker van," zeide ik, »binnen eenige minuten zullen wij haar
inhalen."
Maar op dit oogenblik zeilde, alsof het noodlot tegen ons was, een
groote sleepboot met drie schepen achter zich dwars in onzen koers.
Alleen door nog juist bijtijds te stoppen voorkwamen wij eene aanvaring,
en alvorens wij omgevaren en onzen koers hervat hadden, was de =Aurora=
ons een goede honderd meter vooruit. Zij was echter nog goed in 't
zicht, en de donkere, onzekere schemering ging tot een helderen avond
over. Onze ketels waren tot barstens toe gevuld en de veiligheidskleppen
trilden en floten door de kracht waarmede wij voortgestuwd werden.
Wij waren de Pool doorgesneld, de West-India-dokken voorbij, de lange
Deptford Reach langs en voeren nu het Isle of Dogs om. De donkere stip
voor ons veranderde thans duidelijk in de slanke =Aurora=. Jones richtte
ons sein-licht op haar, zoodat wij de figuren op haar dek duidelijk
konden waarnemen. Een man zat in voorover gebogen houding bij den
achtersteven met iets zwarts tusschen zijne knieën. Naast hem lag een
donkere massa, die op een Newfoundlandschen hond geleek. De jongen stond
aan het roer, terwijl ik door den rooden gloed van den oven den ouden
Smith half ontkleed aan het stoken zag. Mochten zij in het eerst eenigen
twijfel gekoesterd hebben, of wij hen werkelijk op de hielen zaten,
thans, nu wij elke wending die zij maakten navolgden, kon daaromtrent
geen twijfel meer bestaan. Te Greenwich waren wij omstreeks driehonderd
passen achter hen; te Blackwall kon het niet meer dan tweehonderd en
vijftig zijn. Ik heb gedurende mijne onrustige loopbaan verschillende
schepsels achterna gejaagd, maar nog nimmer wond mij een jacht zoozeer
op als deze vliegende menschen-jacht langs de Theems. Wij bleven
gestadig op hen winnen. In de stilte van den nacht konden wij het
stampen hunner machine vernemen. De man op den achtersteven zat nog
ineengedoken op het dek, en zijne armen bewogen zich alsof hij druk aan
het werk was, terwijl hij telkens opkeek en met zijne oogen den afstand
scheen te meten, die ons nog van hem scheidde. Wij kwamen al nader en
nader. Jones schreeuwde hen toe te stoppen. Wij waren nog slechts vier
boot-lengten achter hen, terwijl de beide booten met dezelfde snelheid
voortvlogen. Het was zeer helder weer; Barking Level lag ter rechter-
en de naargeestige Plumstead Marshes ter linkerzijde. Op onzen aanroep
sprong de man aan den achtersteven overeind en schudde zijne gebalde
vuisten tegen ons, terwijl hij met krijschende stem de ellendigste
verwenschingen tegen ons uitbraakte. Hij was een forsch gebouwd,
krachtvol man, en toen hij zich hoog oprichtte, zag ik dat hij aan de
rechterzijde een houten been had. Op het geluid van deze snijdende,
woedende kreten kwam er beweging in de ineengedoken gedaante op het
dek. Ook deze richtte zich op en bleek een kleine neger-dwerg te zijn,
de kleinste dien ik ooit gezien heb,--met een groot misvormd hoofd en
verward kroesachtig haar. Holmes had zijn revolver reeds getrokken en
ook ik nam op het gezicht van dit wild, afschuwelijk schepsel den mijne
ter hand. Hij was in een soort donkere ulster gewikkeld, waaruit alleen
zijn gelaat te voorschijn kwam; maar dat gelaat was voldoende om iemand
een slapeloozen nacht te bezorgen. Nimmer heb ik zulke beestachtige,
wreedaardige trekken gezien. Zijne kleine oogen gloeiden en brandden met
een onheilspellend vuur en zijn dikke lippen waren omgekruld, waardoor
zijn lange tanden ons met dierlijke woede aangrijnsden.
»Geef vuur als hij zijn hand opheft," zei Holmes kalm. Op dit oogenblik
waren wij hen tot eene bootslengte genaderd, en bijna binnen het bereik
van onze prooi. Ik kan mij hen beiden nog voor den geest halen zooals
zij daar stonden, de blanke met zijne beenen van elkander, voortdurend
vloeken en verwenschingen uitstootende, en die menscheneter met zijn
afzichtelijk gelaat op zijn lange, gele tanden knarsend.
Het was gelukkig dat wij hèm zoo goed in het oog hadden, want op het
onverwachts trok hij van onder zijn ulster een kort rond stuk hout te
voorschijn, en sloeg dit tegen zijne lippen. Onze schoten knalden
tegelijk. Hij draaide om zich zelf rond, hief zijn armen omhoog, en
stortte zijdelings in de rivier. Ik ving nog een glimp op van zijne
woedend-dreigende oogen, terwijl het blanke water zich over hem sloot.
Op hetzelfde oogenblik wierp de man met het houten been zich op het roer
en wendde dit met een ruk om, zoodat zijn boot recht op den zuidelijken
oever aanliep, terwijl wij haar bijna rakelings voorbij stoven. Wij
wendden ijlings den steven en volgden haar, doch zij was reeds zeer
dicht bij den oever. Dit was een woeste en verlaten plek, waar de maan
een uitgestrekte heidevlakte bescheen. De boot stootte met een doffen
slag tegen den oever, met den boeg in de lucht, terwijl het water over
den achtersteven stroomde.
De vluchteling sprong van boord, maar zijn houten stomp zakte
onmiddellijk in den mullen, zandigen heidegrond. Tevergeefs worstelde en
wrong hij om los te komen, hij kon zelfs geen stap voor- of achterwaarts
doen. Hij schreeuwde in machtelooze woede, en stampte als razend met
zijn anderen voet; maar bij elke beweging zakte zijn stomp al dieper
en dieper in de aarde weg. Toen wij onze boot hadden aangelegd was hij
zoo uitgeput, dat wij alleen door hem een touw over de schouders te
werpen, in staat waren hem er uit te halen, en evenals een zeegedrocht
bij ons aan boord te sleepen. De beide Smiths, vader en zoon, zaten als
verbijsterd in hun boot, en kwamen toen hun dit gelast werd gedwee tot
ons. De =Aurora= zelve maakten wij weder vlot en bevestigden haar aan
onzen achtersteven. Een sterke ijzeren kist van Indisch fabrikaat, stond
op het dek. Deze hield ongetwijfeld den rampzaligen schat der Sholto's
verborgen.
Er stak geen sleutel op, maar zij was buitengewoon zwaar, en dus
brachten wij haar voorzichtig naar onze kleine kajuit. Toen wij weder
langzaam stroomopwaarts stevenden, lieten wij ons seinlicht naar elke
richting over het water schijnen, doch er was geen spoor van den wilde
te ontdekken. Ergens op den duisteren bodem der Theems rust het gebeente
van dezen vreemdsoortigen bezoeker onzer kusten.
»Ziet hier," zei Holmes naar de houten knots wijzende, »wij waren juist
bijtijds met onze revolvers."--En ja; juist achter de plek waar wij
gestaan hadden, stak een dier moorddadige dorens, die wij maar àl te
goed kenden. Die moest op het oogenblik dat wij vuur gaven naar ons
geschoten zijn. Holmes beschouwde haar glimlachend en trok, op zijne
gewone kalme wijze zijne schouders op, maar ik beken eerlijk dat ik er
onwel van werd, toen ik dacht aan den afgrijselijken dood, die ons dien
nacht zoò van nabij bedreigd had.