De groote Agra-schat.
Onze gevangene zat in de hut tegenover de ijzeren kist, waarvoor hij
zooveel ondernomen en op welks bezit hij zoo lang gewacht had. Hij was
een door de zon gebruind, onverschillig uitziend persoon, met een
netwerk van lijnen en rimpels over zijn mahoniekleurig gelaat, dat
getuigde van een zwaar leven in de open lucht. Er lag een trek op dat
baardig gelaat, die hem kenmerkte als een man, die een eenmaal opgevat
voornemen niet licht weder liet varen. Hij kon omstreeks vijftig jaar
oud zijn, want zijn zwart, krullend haar was zeer met grijs doorschoten.
Als hij kalm was, was zijn gelaat in geen geval terugstootend, hoewel
zijn zware wenkbrauwen en breede kin hem, zooals ik had kunnen
waarnemen, als hij zich in gevaar bevond, een verschrikkelijke
uitdrukking gaven. Hij zat nu met zijn geboeide handen op zijn rug
en zijn hoofd op de borst gezonken, terwijl hij met zijne kleine
schitterende oogen op de kist staarde, die de oorzaak zijner misdaden
geweest was. Het scheen mij toe dat zijn uiterlijk meer leed dan toorn
uitdrukte. Eenmaal keek hij mij zelfs met een eenigszins spotachtigen
blik aan.
»Zeg eens, Jonathan Small," zeide Holmes, een sigaar opstekende, »het
spijt mij dat het hiertoe gekomen is."
»Mij ook, sir," antwoordde hij openhartig, »ik geloof niet dat ik
reden heb om op mijn onderneming te snoeven. Maar ik geef de heilige
verzekering dat ik nooit een hand tegen Mr. Sholto heb opgeheven. Het
was die kleine hel-hond Tonga, die een van zijn verwenschte dorens in
zijn hoofd schoot. Ik had er geen deel aan, sir. Ik had er evenveel leed
van alsof het een mijner bloedverwanten ware geweest. Ik ranselde den
kleinen duivel er met de streng touw voor af, maar het was gebeurd, en
ik kon het niet ongedaan maken."
»Hier hebt gij een sigaar," zei Holmes, »en gij deed er goed aan een
teug uit mijn flesch te nemen, want gij zijt zeer nat. Hoe kondet gij
verwachten dat een zoo klein en zwak man, als die zwarte, Mr. Sholto zou
kunnen overmeesteren en in bedwang houden, terwijl ge langs het touw
opklomt?"
»Gij schijnt er evenveel van te weten, alsof gij er bij geweest waart,
sir. De waarheid is dat ik de kamer ledig dacht te vinden. Ik kende de
gewoonten van het huis zeer goed. Ik zal geen geheim van de zaak maken.
Mijn beste verdediging bestaat juist in de zuivere waarheid. Welnu,
indien het de oude majoor ware geweest zou ik mij er weinig om bekommerd
hebben. Ik zou er even weinig om gegeven hebben hem te doorsteken, als
deze sigaar te rooken. Maar het zou vervloekt hard zijn als ik blijde
zou zijn om den dood van dien jongen Sholto, met wien ik nog nooit een
kwaad woord gehad heb."
»Gij zijt de gevangene van Mr. Athelney Jones van Scotland Yard. Hij
brengt u naar mijne woning, en daar zal ik je om een trouw verhaal van
de zaak verzoeken. Gij moet mij er alles van mededeelen, want als gij
dit doet hoop ik je nog van dienst te kunnen wezen. Ik geloof dat ik
bewijzen kan dat het vergif zóó schielijk werkt dat de man dood was vóór
gij de kamer bereikt hadt."
»Dat was hij ook, sir. Ik ben nog nooit in mijn leven zoo geschrokken,
als toen ik hem mij zag aangrijnzen met zijn hoofd op zijn schouder,
toen ik het venster binnenklom. Het schokte mij geweldig, sir. Ik zou
Tonga half dood geslagen hebben als hij zich niet uit de voeten had
gemaakt. Dat was de oorzaak dat hij de knots en eenige van zijne dorens
achter liet, zooals hij mij later zeide, en welke u volgens mijne
meening ons op het spoor brachten; hoewel het mijn begrip te boven gaat,
hoe gij het hebt kunnen volgen. Ik draag u er geen kwaad hart om toe.
Maar toch is het al zeer ongelukkig," voegde hij er met een bitteren
glimlach bij, »dat ik, die eerlijk deel heb aan een half millioen,
de eerste helft van mijn leven heb doorgebracht met het bouwen van
luchtkasteelen op de Andamans en nu alle kans heb om de andere helft in
de gevangenis te Dartmoor door te brengen. Het was een ongeluksdag voor
mij, toen mijn oog voor het eerst den koopman Achmet ontmoette en ik met
den Agra-schat te doen kreeg, die nooit anders dan onheil bracht over
den man dien zij toebehoorde. Hem bracht zij moord, aan majoor Sholto
vrees en wroeging, en mij levenslange galei-straf."
Op dit oogenblik stak Athelney Jones zijn breed gelaat en forsche
schouders door de opening van de hut.
»Het lijkt hier wel een familie-partijtje," riep hij, »ik denk dat ik
dat varken wel zal wasschen, Holmes, en dat wij elkaar waarlijk geluk
mogen wenschen. Het is jammer dat wij den andere niet levend in handen
konden krijgen; maar wij hadden geen keus. Je moet toestemmen, Holmes,
dat je den knoop wel wat te spoedig doorhakte."
»Eind goed al goed," zei Holmes; »maar ik wist niet dat de =Aurora= zulk
een vaart had."
»Smith zegt, dat zij de snelste stoomer op de rivier is, en dat, indien
hij een betere machinist had gehad, wij haar nimmer zouden hebben
ingehaald. Hij zweert dat hij niets van deze Norwood-geschiedenis
afweet."
»Geen enkel woord," riep onze gevangene, »ik koos zijn boot omdat ik
van hare snelheid gehoord had. Wij deelden hem niets mede, maar wij
betaalden hem goed, en hij zou nog een flinke som ontvangen, indien wij
ons schip, de =Esmeralda=, te Gravesend in lading voor Brazilië, zouden
bereiken."
»Welnu, als hij geen kwaad gedaan heeft, zullen we zorgen dat hem geen
leed overkomt. Indien wij er al vlug in mogen zijn om onze lieden
gevangen te nemen, wij zijn toch lang niet zoo haastig om ze te
veroordeelen."
Het was aardig om op te merken hoe de dwaze Jones zich op het geval
verhoovaardigde. Er speelde dan ook een beteekenisvollen glimlach om
Holmes' lippen.
»Wij zullen terstond bij Vauxhall Bridge zijn," vervolgde Jones, »waar
ik u met den schat aan wal zal zetten, Dr. Watson. Ik behoef u gewis
niet te zeggen, dat ik daardoor een zeer groote verantwoordelijkheid op
mij neem.
»Het is geheel buiten den regel, maar, »een man een man, een woord een
woord!" Mijn dienst verplicht mij echter om u een inspecteur mede te
geven, wijl gij zulke groote waarden bij u hebt. Gij zult zeker rijden?"
»Ja, ik zal een rijtuig nemen."
»Het is jammer dat er geen sleutel bij is, om eerst inventaris op te
maken. Gij zult de kist dus moeten openbreken. Waar is de sleutel, beste
man?"
»Op den bodem van de rivier," antwoordde Small kortaf.
»Hm! Gij hadt ons deze onnoodige moeite kunnen besparen. Wij hebben
reeds genoeg werk door u gehad. Evenwel acht ik het niet overbodig u te
waarschuwen, om voorzichtig te zijn, dokter. Breng de kist weder terug
op onze kamers in de Baker-Street. Als gij u naar het bureau begeeft
zult ge ons dáár kunnen vinden!"
Zij zetten mij met mijn zware ijzeren kist, in gezelschap van een
inspecteur van politie, op Vauxhall aan wal; en een kwartier later
stapten wij voor de woning van Mrs. Cecil Forrester uit ons rijtuig. De
dienstbode scheen wegens een zóó laat bezoek ten zeerste verbaasd. Zij
deelde ons mede dat Mrs. Cecil Forrester den avond elders doorbracht en
eerst zeer laat zoude tehuiskomen. Maar, Miss Morstan bevond zich in de
huiskamer; ik begaf mij dus mèt de kist naar de huiskamer, terwijl ik
den beleefden inspecteur in het rijtuig achterliet.
Zij zat bij het open venster in een wit-met-rood-afgezet avondkleed,
terwijl het getemperd licht haar kalm gelaat bescheen. Toen zij echter
mijnen--haar reeds bekenden--voetstap vernam, richtte zij zich ijlings
overeind, terwijl een hoog rood hare anders zoo bleeke wangen kleurde.
»Ik hoorde een rijtuig aankomen," zeide zij, »en dacht dat Mrs.
Forrester veel vroeger thuis kwam dan ik haar verwachtte, maar ik kon
nooit denken dat u het zoudt zijn. Welk nieuws brengt u mij?"
»Ik breng iets oneindig beters dan nieuws," antwoordde ik, de kist op
tafel zettende, op vroolijken toon, hoewel mijn hart beklemd was; »ik
breng u iets dat tegen alle nieuwstijdingen ter wereld opweegt. Ik breng
u een fortuin."
Zij keek naar de ijzeren kist.
»Is dat dan de schat?" vroeg zij kalm.
»Ja, dat is de groote Agra-schat. De eene helft ervan behoort u en de
andere aan Thaddeus Sholto. Voor beiden zullen er eenige honderdduizende
ponden zijn. Denk eens! Een jaarlijksche rente van tienduizend pond
sterling! Er zullen niet veel zulke rijke dames in Engeland te vinden
zijn. Is dat niet prachtig?"
Ik geloof dat ik mijne blijdschap overdreef, en dat zij een
vreemdsoortigen klank in mijn stem ontdekte, want zij hief hare oogen op
en keek mij verwonderd aan.
»Als ik het bezit, ben ik het aan u verschuldigd," zeide zij.
»Neen, neen," hernam ik, »niet aan mij, maar aan mijn vriend Sherlock
Holmes. Met den besten wil ter wereld zoude ik dit raadsel niet hebben
kunnen oplossen, dat zelfs zijn genie op een zware proef stelde."
»Neem plaats, en wees zoo goed mij alles ervan te vertellen, Dr.
Watson," zeide zij.
Ik verhaalde haar in 't kort alles wat er sedert ik haar het laatst
gezien had was voorgevallen. Holmes' methode van onderzoek, de
ontdekking van de =Aurora=, de verschijning van Athelney Jones,
onzen nachtelijken tocht, en de jacht langs de Theems. Zij luisterde
met gespannen aandacht en glinsterende oogen naar het verhaal onzer
avonturen. Toen ik melding maakte van den doren, die ons bijna getroffen
had, werd zij zoo wit, dat ik vreesde dat zij in zwijm zou vallen.
»Het is niets," zeide zij, toen ik mij haastte haar een glas water in te
schenken, »ik ben weder beter. Het schokte mij te vernemen dat ik mijne
vrienden in zulk gevaar gebracht had."
»Het is immers goed afgeloopen," antwoordde ik, »en ik zal u in 't
vervolg geen akeligheden meer verhalen. Laat ons tot iets vroolijkers
overgaan. Daar staat de schat. Ik haastte mij om hem hier te brengen,
omdat ik dacht dat gij er belang in zoudt stellen hem het eerst te
zien."
»Zeker zou ik daar grooten prijs op stellen," zeide zij. Er heerschte
echter niet de minste opgewondenheid in hare stem. Het scheen dat zij
zich niet onverschillig wilde betoonen omtrent een zaak, die met zooveel
inspanning verkregen was.
»Wat een aardige kist!" zeide zij, zich er over heenbuigende, »het is
zeker Indisch maaksel?"
»Ja, het is Benarisch fabrikaat."
»En hoe zwaar!" riep zij, terwijl zij beproefde haar op te beuren, »de
kist alleen moet ook waarde hebben. Waar is de sleutel?"
»Die werd door Small in de Theems geworpen," antwoordde ik, »ik zal
even gebruik moeten maken van Mrs. Forrester's pook."
Aan de voorzijde bevond zich een groote kram in de gedaante van een
zittenden Buddah. Daaronder stak ik de punt van het pookijzer en boog
dit toen omlaag. De kram sprong met een zwaren slag open. Met bevende
vingers opende ik het deksel. Wij stonden beiden als verbijsterd. De
kist was ledig! Geen wonder dat zij zwaar was. Het ijzerwerk was twee
duim dik. Zij was massief en solide gemaakt, als bergplaats voor zaken
van groote waarde, doch zij was geheel ledig.
»De schat is verloren geraakt," zei Miss Morstan op kalmen toon.
Terwijl ik deze woorden vernam en de bedoeling ervan begreep, scheen er
een dikke nevel voor mijn geest op te klaren. Ik wist niet hoezeer deze
Agra-schat mij terneder had gedrukt tot op dit oogenblik, waarop hij
verdwenen was. Dit was ongetwijfeld zelfzuchtig en slecht, doch ik
gevoelde niets anders dan dat de gouden hinderpaal tusschen ons
verwijderd was.
»Goddank!" riep ik uit den grond mijns harten.
Zij keek mij glimlachend aan, terwijl zij vroeg:
»Waarom zegt gij dit?"
»Omdat gij thans weder in mijn bereik zijt," antwoordde ik, hare hand
nemende. Zij trok die niet terug.
»Omdat ik u bemin, Mary, zoo waarachtig als ooit een man eene vrouw
beminde. Omdat deze schat, deze rijkdom mij tot zwijgen dwong. Nu die
verdwenen zijn kan ik u mijne liefde verklaren. Dààrom zeide ik:
»Goddank!""
»Dan zeg ook ik: »Goddank!"" fluisterde zij, toen ik haar in mijne armen
sloot.
Wie ooit een schat verloren had, ik wist dat ik er dien avond een had
verkregen.