NEGENDE HOOFDSTUK.

Een »kink in den kabel".

Eerst laat in den namiddag ontwaakte ik, gesterkt en opgefrischt.

Sherlock Holmes zat nog juist zooals ik hem gelaten had, behalve dat hij

thans in een boek verdiept was. Toen ik mij oprichtte, keek hij naar mij

op en merkte ik dat zijn gelaat droef en onrustig stond.

»Gij hebt vast geslapen," zei hij, »ik vreesde dat ons gesprek u wakker

zou maken."

»Ik heb niets gehoord," antwoordde ik; »hebt gij wat naders vernomen?"

»Ongelukkig niet. Ik beken dat ik verwonderd en teleurgesteld ben. Ik

verwachtte omstreeks dezen tijd iets bepaalds. Wiggins is juist hier

geweest, om rapport te brengen. Hij zegt dat er geen spoor van de

stoomboot te vinden is. Dat is een schok voor mij, want elk uur is van

het hoogste belang."

»Kan ik iets doen? Ik ben nu weder geheel in orde en volkomen tegen een

nieuwe nachtwake bestand."

»Neen, wij kunnen niets doen dan wachten. Indien wij van huis gaan, dan

zou de boodschap in onze afwezigheid kunnen komen, en de tijd verloopen.

Gij kunt doen wat gij wilt, doch ik moet hier op post blijven."

»Dan zal ik even naar Camberwell gaan en een bezoek brengen aan Mrs.

Cecil Forrester. Zij heeft het mij gister verzocht."

»Aan Mrs. Cecil Forrester?" vroeg Holmes lachend.

»Wel, het spreekt vanzelve, ook aan Miss Morstan. Zij waren verlangend

om het een of ander te vernemen."

»Ik zou hen niet te veel vertellen," zei Holmes, »vrouwen zijn nooit

volkomen te vertrouwen,--zelfs de beste niet!"

Ik achtte het beter op deze onbillijkheid niet te antwoorden.

»Over een uur of twee zal ik terug zijn," zei ik.

»In orde! Veel geluk! Maar wat ik zeggen wou, als gij toch de rivier

oversteekt, zoudt gij Toby wel terug kunnen brengen, want ik geloof niet

dat wij hem thans nog noodig zullen hebben."

Ik nam het mormeldier mede en bezorgde hem met een halven souverein

bij den ouden bontwerker in Pinchin Lane. In Camberwell trof ik Miss

Morstan, een weinig vermoeid door het nachtelijk avontuur, doch zeer

verlangend naar tijding. Ook Mrs. Forrester was zeer nieuwsgierig. Ik

verhaalde haar al wat wij gedaan hadden, hoewel ik de akeligheden van

het tooneel zooveel mogelijk verzweeg. Ofschoon ik dus den dood van Mr.

Sholto mededeelde, sprak ik geen woord omtrent de omstandigheden van

den moord. Dit verhinderde echter geenszins dat zij toch ten zeerste

verbaasd en verschrikt waren.

»Het lijkt een roman!" riep Mrs. Forrester, »een slecht behandelde lady,

een schat van een half millioen, een zwarte menscheneter en een roover

met een houten been. En zij verdwijnen door middel van een draak of een

betooverden arend."

»En twee dolende ridders die te hulp snellen," voegde Miss Morstan er

met een dankbaren blik aan toe.

»Gewis, Mary, uw fortuintje hangt van den uitslag dezer pogingen af. Ik

verbeeld mij dat gij lang niet opgewonden genoeg zijt. Bedenk eens wat

het moet wezen, om zoo rijk te zijn en de wereld aan je voeten te zien!"

Ik gevoelde een schok van vreugde in mijn hart, toen ik bemerkte hoe

weinig opgewondenheid zij bij dit vooruitzicht aan den dag legde.

Integendeel, zij wierp haar fier hoofd achterover met een gebaar alsof

de zaak haar geheel onverschillig liet.

»Ik maak mij alleen bezorgd wegens Mr. Thaddeus Sholto," zeide zij,

»anders is er niets ernstigs in de geheele zaak; want volgens mijn

oordeel heeft hij zich uiterst vriendelijk en eervol gedragen. Wij zijn

verplicht om zijne onschuld aan dit verschrikkelijk feit te bewijzen."

Het was avond alvorens ik Camberwell verliet en volslagen donker toen

ik onze woning bereikte. Het boek en de pijp van mijn metgezel lagen

naast zijn stoel, maar hij was afwezig. Ik keek rond in de hoop een

briefje te vinden, doch er was er geen.

»Ik veronderstel dat Mr. Sherlock Holmes is uitgegaan," zei ik tot Mrs.

Hudson, toen zij naar boven kwam om de luiken te sluiten.

»Neen, sir. Hij is naar zijn kamer gegaan." En haar stem latende dalen,

vroeg zij ernstig: »Wilt u wel gelooven, sir, dat ik bang ben voor zijn

gezondheid?"

»Waarom, Mrs. Hudson?"

»Omdat hij zoo vreemd doet, sir. Nadat u vertrokken waart, liep hij

zoolang en onophoudelijk heen en weer, totdat ik vermoeid was door het

hooren van zijn voetstap. Daarna hoorde ik hem in zichzelven spreken en

grommen, en telkens wanneer er gescheld werd, kwam hij op den overloop

en riep: »Wat is dat, Mrs. Hudson?" En nu is hij naar zijn kamer

geslopen, maar ik hoor hem nog gestadig heen en weer loopen. Ik hoop dat

hij niet ziek zal worden, sir. Ik wilde hem iets zeggen omtrent een

afkoelend middel, maar hij draaide mij den rug toe, sir, met een paar

oogen, dat ik nog niet weet, hoe ik de kamer ben uitgekomen."

»Ik geloof niet dat gij u ernstig ongerust behoeft te maken, Mrs.

Hudson," antwoordde ik, »ik heb hem reeds meermalen zoo gezien. Dan

heeft hij iets in zijn hoofd dat hem onrustig maakt."

Ik trachtte op onverschilligen toon tegen onze brave huishoudster te

spreken, doch in waarheid was ik zelf niet op mijn gemak, toen ik

gedurende den ganschen stillen nacht van tijd tot tijd zijn doffen

voetstap vernam, en begreep hoe zijn arbeidzame geest zich tegen deze

ongewenschte werkeloosheid verzette. Aan het ontbijt zag hij er afgemat,

ontstemd en eenigszins koortsig uit.

»Gij tobt u te veel af, oude man," zeide ik, »ik heb u den ganschen

nacht hooren wandelen."

»Neen, ik kon niet slapen," antwoordde hij, »dit helsche vraagstuk

verteert mij. Het is te veel om door zulk een onbeduidenden hinderpaal

gedwarsboomd te worden; als alle andere overwonnen zijn. Ik ken de

mannen, de boot, alles: en toch kan ik geen nieuws vernemen. Ik heb

andere krachten aan het werk gezet en alle middelen die mij ten dienste

staan aangewend. De gansche rivier is aan beide zijden afgezocht, maar

er is geen nieuws, en evenmin heeft Mrs. Smith iets omtrent haren

echtgenoot vernomen. Ik zal weldra tot de conclusie komen dat zij de

plaat gepoetst hebben. Maar dat gaat zoo gemakkelijk niet."

»Of dat Mrs. Smith ons op een verkeerd spoor heeft gebracht."

»Neen, dat geloof ik niet. Ik heb een onderzoek laten instellen en er

bestaat werkelijk een zoodanige boot."

»Kan zij ook de rivier opwaarts zijn gegaan?"

»Aan deze mogelijkheid heb ik ook gedacht en er wordt reeds gezocht tot

Richmond. Indien er vandaag geen bericht komt, dan ga ik er morgen zelf

op uit, en wel: meer om de mannen dan om de boot. Maar, zeker, zeker:

wij zullen wel wat vernemen."--

Dit gebeurde echter niet. Wij vernamen geen woord evenmin van Wiggins

als van andere zijden. De meeste bladen bevatten berichten omtrent het

drama te Norwood. Zij schenen het allen op den ongelukkigen Thaddeus

Sholto gemunt te hebben. Er werden echter geen nieuwe bizonderheden

geopenbaard, behalve dat den volgenden dag een verhoor zou plaats

vinden. Ik wandelde tegen den avond naar Camberwell om onzen tegenspoed

aan de dames te berichten en bij mijne terugkomst vond ik Holmes zeer

afgetrokken en ontstemd. Hij antwoordde nauwelijks op mijne vragen

en hield zich den ganschen avond met een scheikundige analyse bezig,

waarbij zooveel rook en damp ontwikkeld werd, dat ik ten slotte

genoodzaakt was de kamer te verlaten. Tegen den morgen kon ik duidelijk

hooren dat hij nog steeds druk met zijne retorten en flesschen bezig

was.

Plotseling ontwaakte ik met schrik en was verbaasd toen ik hem voor mijn

ledikant zag staan, gekleed als een matroos met een geoliede jas en muts

en een lossen rooden doek om den hals.

»Ik ga de rivier af, Watson," zeide hij, »ik heb alles opnieuw

overwogen, en kan slechts één enkelen uitweg vinden. Het is in elk geval

waard om te beproeven."

»Ik kan u toch zeker vergezellen?" vroeg ik.

»Neen; gij kunt van oneindig meer nut zijn, zoo gij hier wilt blijven

als mijn vertegenwoordiger. Ik verzoek u alle brieven en telegrammen,

die in den loop van den dag mochten aankomen, te openen, en zoo zich

iets nieuws mocht voordoen, volgens uw eigen oordeel te behandelen. Kan

ik op u rekenen?"

»Zeer zeker."

»Ik weet dat gij mij geen boodschap zult kunnen doen weten, want ik weet

bijna zelf niet waar ik wezen zal. Indien het mij echter meeloopt, dan

zal ik zoo erg lang niet wegblijven. Doch vóór ik terugkom zal ik eenig

nieuws, van welken aard dan ook, vernomen hebben."

Op het uur van het ontbijt had ik nog niets van hem vernomen. Toen ik

echter de =Standard= inkeek, bevond ik dat er een nieuw gezichtspunt

omtrent de zaak geopend was.--»Met betrekking tot het drama van Upper

Norwood," stond er, »hebben wij reden om te gelooven dat de zaak meer

ingewikkeld en geheimzinnig belooft te worden dan oorspronkelijk

verwacht werd. Nieuwe omstandigheden hebben aan het licht gebracht dat

het totaal onmogelijk is, dat Mr. Thaddeus Sholto op eenige wijze in het

geval betrokken zoude zijn geweest. Hij en de huishoudster, Mrs.

Bernstone, werden beiden gisteravond op vrije voeten gesteld.

»Men gelooft echter dat de politie een nieuwe aanwijzing omtrent de ware

schuldigen heeft ontvangen en dat die verschaft zijn door Mr. Athelney

Jones, van Scotland Yard, met al diens alom bekende geestkracht en

doorzicht. Men kan elk oogenblik andere inhechtenisnemingen verwachten."

»Dat is in zooverre in orde," dacht ik, »vriend Sholto is ten minste in

vrijheid. Ik ben benieuwd te weten waarin die nieuwe aanwijzingen kunnen

bestaan, hoewel dit een stereotype uitdrukking schijnt te wezen, wanneer

de politie een flater heeft gemaakt."

Ik legde het blad op de tafel, doch op hetzelfde oogenblik viel mijn oog

op een advertentie, van den volgenden inhoud:

»Vermist:--Marc. Smith, schipper en diens zoon Jim verlieten de Werf

van Smith, omstreeks drie uur laatstleden Woensdagmorgen per stoomboot

=Aurora=, zwart, met twee roode strepen, zwarten schoorsteen, met een

witten band; hij, die eenige inlichting desbetreffende kan geven aan

Mrs. Smith, op de werf van Smith of in Baker-Street No. 221b, wordt bij

dezen opgeroepen."

Het was duidelijk dat dit Holmes' werk was. Het adres: Baker-Street was

bewijs genoeg, dat het van zijn hand kwam, omdat de vluchtelingen het

konden lezen, zonder er meer in te ontdekken dan den angst van eene

vrouw wegens de afwezigheid van haren echtgenoot.

De dag duurde mij zeer lang. Telkens als er op de deur werd geklopt, of

een zware stap werd vernomen, verbeeldde ik mij dat het Holmes was die

terugkwam, of dat er een antwoord op de advertentie gebracht werd. Ik

trachtte den tijd met lezen te verdrijven, maar mijn geestvermogens

bepaalden zich alleen tot ons vreemdsoortig vraagstuk en het niet minder

raadselachtig paar dat wij achtervolgden. Zou mijn vriend zich niet in

zijne gevolgtrekkingen hebben kunnen vergissen? Zou zijn ondernemende

geest deze gewaagde theorie niet op valsche gegevens hebben kunnen

vestigen? Volgens mijne meening dwaalde hij af door de overdrijving

zijner logica, en het zoeken naar meer ingewikkelde en vreemdsoortige

verklaringen, dààr, waar de oplossing voor de hand ligt. En toch had ik

zijn gedachtengang gevolgd. Als ik terugdacht aan de lange keten der

buitengewone omstandigheden, die oogenschijnlijk met elkander in strijd

waren, doch allen in dezelfde richting uitliepen, kon ik mij niet

verhelen dat, mocht Holmes ook falen in zijne theorie, hij toch de

eenige man was die het vraagstuk practisch zou kunnen oplossen.

Om drie uur na den middag werd er met geweld gescheld, klonk er een

gebiedende stem in het voorhuis en werd, tot mijne verbazing, niemand

minder bij mij binnengelaten dan Mr. Athelney Jones. Hij verschilde

echter ten zeerste van den volleerden menschenkenner, die zoo spoedig

het geval van Upper Norwood begrepen had. Hij zag er terneergeslagen en

teleurgesteld uit.

»Goeden dag, sir, goeden dag," zeide hij, »ik begrijp dat Mr. Sherlock

Holmes uit is."

»Ja, en ik kan u niet met zekerheid zeggen wanneer hij terugkomt. Maar,

misschien wilt u op hem wachten. Neem dan plaats en steek een sigaar

op."

»Dank u; het zal mij hoop ik niet hinderen."

»En een whisky met soda?"

»Welnu, een half glas. Het is zeer heet voor den tijd van het jaar; en

ik heb het aardig druk gehad. Gij kent mijne theorie omtrent dat geval

te Norwood?"

»Ik herinner mij, u er een te hebben hooren verklaren."

»Welnu, ik ben verplicht geweest daarop terug te komen. Ik had mijn

web dicht om Mr. Sholto gesponnen, sir, toen hij flap! door de

mazen heenwipte. Hij was in staat een alibi te bewijzen, dat niet

gelogenstraft kon worden. Vanaf het oogenblik dat hij de kamer van

zijn broeder verliet, had men hem niet uit het gezicht verloren.

Bijgevolg kon hij het niet zijn die over daken en door trapdeuren was

binnengekomen. Het is een zeer duister geval, en mijn roem staat er bij

op het spel. Een weinig bijstand zou mij niet ongevallig wezen."

»Daaraan hebben wij allen van tijd tot tijd behoefte," zeide ik.

»Uw vriend, Mr. Sherlock Holmes, is een bewonderenswaardig man, sir,"

zeide hij op vertrouwelijken toon, »hij laat zich niet gemakkelijk

beetnemen. Ik heb dien jongen man verscheidene zaken zien ondernemen,

maar ik ken er niet een die hij niet aan het licht kon brengen.

»Zijn methode is onregelmatig, en zijn theorie wellicht wat te

overhaast, maar over het algemeen geloof ik dat hij een veelbelovend

ambtenaar zou hebben kunnen worden. Ik heb hedenmorgen een telegram van

hem ontvangen waaruit ik opmaak, dat hij de een of andere aanwijzing in

de Sholto-zaak gevonden heeft.--Zie hier."

Hij nam het telegram uit zijn zak en reikte het mij over. Het was

gedateerd van Poplar, twaalf uur, en luidde: »Ga terstond naar

Baker-Street; indien ik nog niet terug ben, wacht mij dan. Ik ben op

het spoor van de Sholto-zaak. Zoo gij het einde ervan wilt bijwonen,

kunt gij ons hedenavond vergezellen."

»Dat klinkt goed. Waarschijnlijk heeft hij de creosoot weder geroken,"

zeide ik.

»O, dan is hij ook op een dwaalspoor," riep Jones met zichtbare

voldoening, »zelfs de besten van ons worden soms uit den koers gebracht.

Het spreekt van zelf dat ook dit zal blijken een valsch alarm te zijn;

maar als ambtenaar der Wet ben ik verplicht geen kans te laten glippen.

Doch, er is iemand aan de deur. Misschien is hij het wel."

Er werd een zware, strompelende stap op de trap vernomen, als die van

iemand, die van tijd tot tijd naar zijn adem hijgde. Eenige keeren stond

hij stil alsof het klimmen hem te zwaar viel, doch ten laatste bereikte

hij de deur en stapte hij naar binnen. Zijne verschijning stemde

volkomen met de aankondiging van zijn bezoek overeen. Hij was een man op

leeftijd, als zeeman gekleed en met een tot aan den hals dichtgeknoopte

»jekker." Zijn rug was gebogen, zijn knieën knikten en hij scheen ten

zeerste aamechtig te wezen. Hij leunde zwaar op een stevigen stok, en

hijgde naar zijn adem. Ik kon slechts weinig van zijn gelaat zien,

behalve een paar heldere, donkere oogen, overschaduwd door witte

wenkbrauwen en oogharen van dezelfde kleur. Zijn geheele voorkomen gaf

mij den indruk van een achtenswaardig zeevaarder, die oud en behoeftig

geworden was.

»Wat wenscht gij, man?" vroeg ik.

Hij keek als kindsch om zich heen.

»Is Mr. Holmes hier?" zeide hij.

»Neen. Maar ik ben zijn vertegenwoordiger. Als gij een boodschap voor

hem hebt, kunt gij mij die gerustelijk toevertrouwen."

»Ik wou het aan hem zelf zeggen," antwoordde hij.

»Maar het is hetzelfde, vriend. Is het iets omtrent de boot van Marc

Smith?"

»Ja; ik weet wel waar die is. En ik weet ook waar de mannen zijn. En ik

weet ook waar de schat is. Ik weet er alles van."

»Zeg het mij dan, dan zal ik het hem laten weten."

»Ik wou het aan hem zelf zeggen," herhaalde hij met stijfhoofdigheid,

zeer oude menschen eigen.

»Welnu, dan moet ge op hem wachten."

»Neen, neen; ik wil ten pleiziere van een ander geen ganschen dag

opofferen. Als Mr. Holmes niet hier is, dan moet Mr. Holmes het zelf

maar uitvinden. Ik geef niets om jullie beiden, en wil geen woord

zeggen."

Hij strompelde naar de deur, maar Athelney Jones trad hem in den weg.

»Wacht even, mijn vriend," zei hij, »gij hebt belangrijke berichten en

moogt dus niet heengaan. Wij zullen u hier houden of gij wilt of niet,

totdat onze vriend terugkomt."

Nu liep de oude man zoo snel hij kon naar de deur, doch toen Athelney

Jones zijn breeden rug daartegen plaatste, zag hij dat alle weerstand

nutteloos was.

»Een nette behandeling!" riep hij, met zijn stok op den vloer stampend,

»ik kom hier om een heer te spreken, en gij beiden, die ik nog nooit in

mijn leven gezien heb, houden mij vast en behandelen mij op zulk een

wijze."

»Gij zult er niet te erger om af zijn," zeide ik, »wij zullen u uw

tijdverlies vergoeden. Zet u hier op de sofa en gij zult niet lang

behoeven te wachten."

Hij keerde schoorvoetend en grommend terug, en zette zich neder met

zijn gelaat in de handen; Jones en ik staken onze sigaren weder op en

hervatten ons gesprek. Plotseling vernamen wij echter Holmes' stem.

»Mij dunkt dat ge mij ook wel een sigaar mocht presenteeren," zeide hij.

Wij sprongen beiden overeind. Daar zat Holmes tegenover ons te lachen.

»Holmes!" riep ik, »gij hier? Maar waar is die oude man?"

»Hier is hij," antwoordde hij, een handvol wit haar omhoog houdende;

»hier is de oude man:--pruik, oogharen, wenkbrauwen en al wat er bij

behoort. Ik dacht wel dat ik goed vermomd was, maar ik verwachtte niet

dat de vermomming deze proef zou doorstaan."

»O, gij guit!" riep Jones opgetogen, »wat zoudt gij een goed acteur

geworden zijn. Gij zaagt er uit alsof gij zóó uit het werkhuis kwaamt,

en die knikkende knieën van je waren onbetaalbaar. Maar toch meende ik

je oogopslag te herkennen. Ge ziet wel dat gij zoo makkelijk niet bij

ons weg kwaamt!"

»In deze vermomming heb ik den ganschen dag gewerkt," zeide hij zijn

sigaar opstekende. »Vele misdadigers beginnen mij reeds te

kennen,--vooral sedert onze vriend hier, eenige der door mij behandelde

gevallen openbaar maakte, daarom moet ik mij van tijd tot tijd wel een

weinig vermommen.--Hebt ge mijn telegram ontvangen?"

»Ja, deswege ben ik hierheen gekomen."

»Hoe ver zijt gij met de zaak gevorderd?"

»Alles is op niets uitgeloopen. Ik heb twee mijner gevangenen weder

moeten vrij laten, en tegen twee der overigen bestaat geen bewijs."

»Dat hindert niet. Wij zullen u er twee andere voor in de plaats geven.

Maar gij moet u onder mijne bevelen stellen. Al de officieele roem is u

gegund, maar gij moet de richting volgen die ik u zal aanduiden. Is dat

afgesproken?"

»Als ge mij de mannen bezorgd, volgaarne."

»Welnu, dan zal ik in de eerste plaats een politie-stoomboot noodig

hebben, die moet te zeven uur aan de Westminster-kade zijn."

»Dat is geen bezwaar. Er ligt daar altijd een gereed, maar ik zal voor

de zekerheid telefoneeren."

»Vervolgens verlang ik twee sterke mannen, ingeval van verzet."

»Er zullen er twee of drie in de boot zijn. Wat meer?"

»Als wij de mannen gevangen nemen, zullen wij tevens den schat machtig

worden. Ik denk dat het voor mijn vriend hier een genoegen zou zijn, om

de kist naar een jonge dame te brengen, wie de helft van den inhoud

rechtmachtig toekomt. Laat zij haar het eerst openen. Niet waar,

Watson?"

»Ja, dat zal mij groot genoegen zijn."

»Dat is niet volgens de letter der Wet," zei Jones, zijn hoofd

schuddend; »maar de gansche zaak is onregelmatig.--Daarna moet de schat

tot na het officieel onderzoek bij de autoriteiten worden gedeponeerd."

»Gewis.--Ik zou echter gaarne eenige bijzonderheden omtrent de zaak uit

den mond van Jonathan Small zelve vernemen. Niets belet u mij toe te

staan een onderhoud met hem te hebben, tenzij hier in mijn kamer of

elders onder getuigen der politie. Gij weet, dat ik de gevallen, die in

mijn practijk voorkomen, te boek stel."

»Wel, gij zijt meester van den toestand. Ik voor mij heb echter nog

geen bewijs gehad van het bestaan van dien Jonathan Small. Maar, als gij

hem gevangen kunt nemen, zie ik niet in waarom ik u een onderhoud met

hem zou weigeren."

»Dat is dus begrepen?"

»Volkomen. Is er nog iets?"

»Alleen dat ik er op aandring dat gij met ons blijft dineeren. Het zal

binnen een half uur gereed zijn."

Sherlock Holmes: De Agra-Schat · 第 15 / 21 题