De ongeregelde politie uit de Baker-Street.
»Wat nu?" vroeg ik, »Toby heeft zijne onfeilbaarheid verloren."
»Hij handelde naar zijne gegevens," zeide Holmes, den hond van het vat
tillende en hem buiten den timmertuin brengend, »als gij in aanmerking
neemt, hoeveel creosoot er op één dag om Londen vervoerd wordt dan
is het geen wonder dat ons spoor gekruisd is. Het wordt thans veel
gebruikt, vooral voor het conserveeren van hout. Toby heeft dus geen
schuld."
»Wij moeten dus weer naar denzelfden reuk gaan zoeken, naar ik
veronderstel?"
»Ja. En gelukkig behoeven wij niet ver te gaan. Waarschijnlijk was de
hond op den hoek van Knight's Place in de war geraakt, omdat er twee
sporen waren in tegenovergestelde richtingen. Wij volgden het verkeerde;
dus rest ons thans niets anders dan het andere te kiezen."
Dit was niet moeilijk. Toen wij Toby terugbrachten op de plaats waar hij
zich vergist had, liep hij weder in een cirkel rond en snelde eindelijk
in een nieuwe richting voort.
»Thans moeten wij oppassen dat hij ons niet brengt naar de plaats
vanwaar het vat met creosoot gebracht werd," merkte ik op.
»Daar had ik reeds aan gedacht. Gij ziet echter dat hij den straatweg
houdt, terwijl het vat langs het zandpad vervoerd werd. Nu zijn wij op
het rechte spoor."
Dit liep naar den rivierkant uit, door Belmont Place en Prince's Street.
Aan het einde van Broad Street liep het regelrecht naar het water,
waarbij een kleine werf stond. Toby bracht ons naar den hoek daarvan, en
bleef daar luid jankend staan, terwijl hij in den stroom staarde.
»Dat valt tegen," zei Holmes, »hier hebben ze een boot genomen."
Er lagen verscheidene kleine aken en schuiten op het water en aan den
hoek van de werf. Wij brachten Toby beurtelings daarbij, doch, hoewel
hij ze allen besnuffelde, gaf hij niet het minste teeken.
Vlak bij de aanlegplaats stond een steenen huisje, met een houten
uithangbord. »Marc Smith, Booten te huur bij het uur of per dag," stond
er op. Een tweede opschrift berichtte ons dat er ook een stoombootje te
verkrijgen was, iets wat door een grooten hoop cokes op de binnenplaats
nader bevestigd werd. Sherlock Holmes keek oplettend rond, en zijn
gelaat nam een hoogst ernstige uitdrukking aan.
»Dat ziet er slecht uit," sprak hij, »die kerels zijn listiger dan ik
dacht. Zij schijnen hun spoor vernietigd te hebben. Ik vrees dat hier
met voorbedachten rade gewerkt is."
Juist naderde hij de deur van het huis, toen deze geopend werd, en een
kleine krullekop van zesjarigen leeftijd naar buiten stormde, gevolgd
door een forsch gebouwde vrouw, met vuurrood gelaat, en een groote spons
in haar hand.
»Wil je wel eens hier komen, en je laten wasschen, Jack!" schreeuwde
zij, »hier, zeg ik, jij kleine deugniet; want als je vader thuis komt en
je zoo vuil ziet, dan komt er wat kijken!"
»Wat een lieve jongen!" zei Holmes, »wat een rood-wangige wildzang! Zeg
Jack, zou je wel iets willen hebben?"
De knaap dacht een oogenblik na.
»Ik wil een shilling," zei hij toen.
»Wil je niet iets beters?"
»Ik wil liever twee shillings," antwoordde de kleine vluchteling, na
eenig nadenken.
»Nu heb ik je, meteen!--Een mooi kind, Mrs. Smith!"
»Ja, zeg dat wel, mijnheer. Hij is mij bijna de baas, vooral als mijn
man dagen achtereen van huis blijft."
»Is hij weg?" vroeg Holmes op teleurgestelden toon, »dat spijt me, want
ik had Mr. Smith willen spreken."
»Hij is sedert gistermorgen weg, sir, en om u de waarheid te zeggen,
begin ik mij ongerust over hem te maken. Maar als het betreffende een
boot was, sir, zou ik u even goed kunnen helpen."
»Ik wenschte zijn stoomboot te huren."
»Wel, hij is juist met de stoomboot vertrokken, sir. Dat beangstigt mij
het meest, omdat ik weet dat zij niet meer kolen in heeft dan om naar
Woolwich en terug te varen. Indien hij met de bark vertrokken was, zou
ik er niet over denken, want vaak moest hij wel heel naar Gravesend, en
dan bleef hij ook meestal over nacht uit. Maar wat moet er worden van
een stoomboot zonder kolen?"
»Hij kan er wat aan de een of andere werf langs de rivier hebben
gekocht."
»Dat kon wel, sir, maar dat doet hij nooit. Ik heb hem dikwijls hooren
klagen over de buitengewoon hooge prijzen, die zij daar voor wat slechte
kolen vragen. Bovendien, die man met het houten been met zijn leelijk
gezicht en vreemde spraak stond mij niets aan. Waarom zwierf hij altijd
hier in den omtrek rond?"
»Een man met een houten been?" vroeg Holmes verbaasd.
»Ja, sir; een bruine kerel met een gemeene tronie kwam dikwijls bij mijn
man. Hij was het die hem gisternacht opklopte, en wat meer zegt: mijn
man wist dat hij zou komen, want hij had stoom op in de boot. Ik zeg u
eerlijk, sir, ik gevoel mij lang niet op mijn gemak."
»Maar, mijn beste Mrs. Smith," zei Holmes, zijn schouders optrekkend,
»gij maakt u onnoodig ongerust. Hoe kondet gij met mogelijkheid zeggen
dat het die man met het houten been was die in den nacht gekomen is? Ik
begrijp ten minste niet hoe gij er zoo zeker van kunt zijn."
»Zijn stem, sir. Zoo een zwaar en schor geluid heb ik nooit meer
gehoord.
»Hij klopte op het venster, het zal omstreeks drie uur geweest zijn.
»Kom voor den dag, maat!" riep hij. »Het is tijd om op wacht te gaan
staan!" Mijn oude man wekte Jim,--dat is mijn oudste,--en voort gingen
zij, zonder zelfs een enkel woord tot mij te spreken. Ik kon het houten
been op de steenen hooren stampen."
»En was die man met het houten been alleen?"
»Dat zou ik niet met zekerheid kunnen zeggen, sir. Maar ik hoorde er
anders geen."
»Het spijt mij, Mrs. Smith; want ik had een stoomboot noodig; en heb
goede geruchten vernomen omtrent de .... Laat mij eens bedenken, hoe
heet zij ook weer?"
»De =Aurora=, sir."
»Ha juist. Is het niet die oude, groene boot met een gele streep, zeer
breed gebouwd?"
»Neen, dat niet, er is geen slankere en kleinere boot op de gansche
rivier. Zij is pas geschilderd, zwart met twee roode strepen."
»Ik dank u. Ik hoop dat gij spoedig iets van Mr. Smith zult vernemen. Ik
ga verder de rivier af, en als ik iets van de =Aurora= mocht zien, zal
ik hem laten weten dat gij ongerust zijt. Een zwarte pijp, zegt ge?"
»Neen, sir. Zwart met een witten band."
»O, juist. De zijden waren zwart. Goeden morgen, Mrs. Smith. Ginds ligt
een schipper met een roeiboot, Watson. Die zullen wij nemen en de rivier
oversteken."
»Het is het verstandigst," zei Holmes toen wij op de bank in de schuit
gezeten waren, »om dat soort volk nimmer te laten merken, dat hunne
inlichtingen voor u van het minste belang kunnen zijn. Als gij dit wel
doet, sluiten zij zich onmiddellijk gelijk een oesterschelp. Indien gij
hen uithoort, verneemt gij meestal wat gij verlangt te weten."
»Thans schijnt onze koers tamelijk zeker," zeide ik.
»Wat zoudt gij dan doen?"
»Ik zou een stoomboot nemen en het spoor van de =Aurora= volgen."
»Beste jongen, dat zou een kolossale taak wezen. Zij kan bij een of
andere werf langs de rivier tusschen hier en Greenwich hebben aangelegd.
Voorbij de brug bevindt zich mijlen ver een doolhof van aanlegplaatsen.
Als gij die allen zoudt willen aandoen, zou u dit dagen en dagen
bezighouden."
»Neem dan de politie te hulp."
»Neen. Ik zal waarschijnlijk Athelney Jones eerst op het laatste
oogenblik te hulp roepen. Hij is geen kwade kerel, en ik zou niet gaarne
iets doen waardoor ik hem in zijn beroep zou kunnen beleedigen. Maar, nu
wij zóóver gegaan zijn, ben ik er op gesteld om de zaak zelf uit te
werken."
»Zouden wij dan ook kunnen adverteeren, en om informaties van eigenaars
van werven vragen?"
»Al erger en erger! Dan zouden onze mannen gewaar worden dat men hen op
de hielen zit en spoedig het land uit zijn; zooals het nu is zullen zij
dit zeker ook willen doen, maar zoolang zij zich veilig wanen, zullen
zij daar geen haast mede maken. Daarbij zal de ijver van Jones ons te
stade komen, want volgens zijne opvatting van de zaak zal hij haar in de
dagbladen laten vermelden, waardoor de vluchtelingen zullen denken, dat
elkeen op het verkeerde spoor is."
»Wat moeten wij dan doen?" vroeg ik, toen wij in de nabijheid van het
klooster van Millbank landden.
»Dit huurrijtuig nemen, naar huis rijden, ontbijten en een uur gaan
slapen. Want hoogstwaarschijnlijk zullen wij vannacht wederom op de been
zijn. Koetsier, leg bij het eerst telegraaf-kantoor aan! Wij zullen Toby
bij ons houden, want hij kan ons nog van dienst zijn."
Wij hielden voor het postkantoor in de Great Peter-Street stil, en
Holmes verzond zijn telegram.
»Aan wien denkt gij dat het gericht was?" vroeg hij, toen wij verder
reden.
[Illustratie: »Ik wenschte zijn stoomboot te huren." Blz. 74.]
»Ik kan het niet bedenken."
»Herinnert gij u de afdeeling der detective-politie in de Baker-Street,
waarvan ik mij bij de zaak Jefferson Hope bediende?"
»Welnu?" vroeg ik lachend.
»Dit is juist een geval waarbij zij hoogst nuttig zoude kunnen zijn.
Indien zij falen heb ik nog andere hulpbronnen; maar ik zal het eerst
met hen beproeven. Dat telegram was aan mijn slimmen kleinen luitenant
Wiggins, en ik vertrouw dat hij met zijn troep bij ons zal zijn, nog eer
wij ons ontbijt geëindigd zullen hebben."
Het was nu tusschen acht en negen uur en ik gevoelde een groote réactie
na de vermoeienissen van den afgeloopen nacht. Ik was loom en afgemat;
beneveld van geest en vermoeid van lichaam. Ik bezat niet dien
beroeps-ijver en geestdrift, die mijn metgezel staande hield, noch kon
ik de zaak anders dan als een abstract vraagstuk beschouwen. Wat den
overleden Bartholomeus Sholto betreft, ik had weinig goeds van hem
vernomen, en kon geen genoegzame antipathie tegen zijne moordenaars
gevoelen. De schat was echter geheel iets anders. Deze, of een deel
ervan, behoorde aan Miss Morstan. Zoolang er eenige kans zou bestaan om
dien te ontdekken, was ik bereid er mijn leven voor op te offeren. Wel
is waar zou zij, indien ik hem ontdekte, voor mij verloren zijn. Maar
het zou gewis een zelfzuchtige liefde wezen, die zich door een dusdanige
gedachte liet influenceeren. Indien Holmes werkzaam kon zijn om de
misdadigers uit te vinden, had ik een tienvoudig gewichtiger reden om
den schat te ontdekken.
In de Baker-Street aangekomen, frischte mij een bad en het verwisselen
mijner kleederen geheel op. Toen ik naar beneden in onze kamer kwam,
stond het ontbijt gereed en schonk Holmes de koffie in.
»Hier is het reeds," zei hij lachend, op een geopend nieuwsblad wijzend,
»de volijverige Jones en de goedgeloovige reporters hebben het samen
geregeld. Maar gij hebt er zeker genoeg van. Het is beter dat ge eerst
wat ham en eieren gebruikt."
Ik nam het blad van hem aan en las het kort bericht dat het opschrift
droeg: »Geheimzinnig voorval te Upper Norwood."
»Gisteravond omstreeks twaalf uur," zoo schreef de =Standard=, »werd
Mr. Bartholomeus Sholto, van Pondicherry Lodge, te Upper Norwood dood
in zijn kamer gevonden, onder omstandigheden die van kwaadwilligheid
getuigden. Zoover wij vernemen, werden er geen sporen van geweldpleging
op het lichaam van Mr. Sholto gevonden, maar een verzameling Indische
edelgesteenten van aanzienlijke waarde, die de overleden heer Sholto van
zijn vader geërfd had, is ontvreemd. De zaak werd het eerst ontdekt
door Mr. Sherlock Holmes en Dr. Watson, die het huis bezocht hadden met
Mr. Thaddeus Sholto, broeder van den overledene. Door een gelukkigen
samenloop van omstandigheden bevond zich Mr. Athelney Jones, de
wèlbekende detective, juist aan het Norwoodsche politiebureau, en
was reeds binnen een half uur na het eerste alarm ter plaatse. Zijn
geoefendheid, ondervinding en bekwaamheid brachten hem onmiddellijk op
het spoor der misdadigers, met het gunstig resultaat dat de broeder
Thaddeus Sholto reeds is gevangen genomen, evenals de huishoudster Mrs.
Bernstone, een Indiaansche huisknecht, Lal Rao, en een portier met name
Mc. Murdo. Het is volkomen zeker dat de dief of dieven ten zeerste met
de inrichting van het huis bekend waren, want Mr. Jones' wèlbekende
bouwkundige kennis en zijn snel waarnemingsvermogen hebben hem in staat
gesteld om te bewijzen, dat de misdadigers niet door de deur of het
venster konden zijn binnengekomen, maar hun weg moesten genomen hebben
over het dak van het gebouw en zoo door een trapdeur naar de kamer, die
in gemeenschap stond met die, waarin het lijk gevonden werd. Dit feit,
dat ten duidelijkste is vastgesteld, bewijst dat het geen toevallige
waarneming was. Het spoedig en energiek optreden van de ambtenaren der
Wet bewijst opnieuw het groot voordeel der tegenwoordigheid van één
enkel helder brein bij dusdanige gelegenheden."
»Is dat bluf of niet?" vroeg Holmes lachend. »Wat dunkt u daarvan?"
»Ik denk dat het weinig gescheeld had, of hij had ons ook als verdacht
van de misdaad gevangen genomen."
»Ik ook. Ik zou zelfs thans nog niet voor onze veiligheid durven
instaan, als hij opnieuw zulk een aanval van energie kreeg!"
Op dit oogenblik werd er zeer hard gescheld en hoorde ik onze
huishoudster, Mrs. Hudson, luid hare verontwaardiging te kennen geven.
»Bij den Hemel, Holmes," zei ik half opstaande, »ik geloof dat zij ons
al komen halen!"
»Neen, zoo erg is het niet. Het is mijn garde, de onbetaalde politie van
Baker-Street."
Terwijl hij dit zeide, vernam ik het geklik-klak van naakte voeten op
de trap, en onder luid getier stormde er een dozijn kleine, morsige
straatjongens het vertrek binnen. Doch zoodra zij binnen waren, kon men
zien dat zij aan eenige tucht gewend waren, want zij plaatsten zich
onmiddellijk in een gelid en bleven in afwachtende houding voor ons
staan. Een hunner, slanker en ouder dan de anderen, trad voorwaarts met
een zeker gezaghebbend voorkomen, waardoor ik mijn lachen nauwelijks kon
bedwingen.
»Ik heb uwe boodschap ontvangen, sir," zeide hij, »en ze dadelijk bij
elkaâr geroepen. Drie zitten er in de doos en een staat met
tramkaartjes."
»Gij zijt nu eenmaal hier," zei Holmes, hem eenig zilvergeld gevende,
»maar in het vervolg kunnen zij het met u afmaken en dan onderhandelt
gij met mij, Wiggins. Ik kan het huis niet zoo laten bestormen. Maar
het is nu wel zoo goed dat gij allen mijn instructies verneemt. Ik moet
weten waar zich een stoomboot bevindt, met name =Aurora=, eigenaar Marc
Smith; kleur zwart met twee roode lijnen, zwarte pijp met witten band.
Zij is ergens de rivier afgevaren. Een der jongens moet de wacht houden
bij de aanlegplaats van Smith, tegenover Millbank om kennis te geven als
de boot terugkomt. Gij moet dat maar onder u zelve uitmaken, en allen
flink uw best doen. Zoodra gij iets verneemt, laat ge het mij weten.
Goed begrepen?"
»Best, Overste," antwoordde Wiggins.
»Het gewone loon en een guinea voor den jongen die de boot vindt.
Ziehier een dag loon vooruit. En nu... ingerukt, marsch!"
Hij gaf hun elk een shilling, en weg vlogen zij de trappen af en een
oogenblik later zag ik ze de straat uit hollen.
»Indien de boot boven water is, zullen zij haar vinden," zei Holmes,
terwijl hij van tafel opstond en zijn pijp opstak, »zij kunnen overal
heenkomen, alles zien en alles hooren. Ik verwacht nog vóór hedenavond
te vernemen dat zij haar hebben opgespoord. Wij kunnen inmiddels niets
doen dan dààrop wachten. Wij kunnen het afgebroken spoor niet volgen
vóórdat wij òf de =Aurora=, òf Smith gevonden hebben."
»Toby zal dit restje wel lusten. Gaat gij slapen, Holmes?"
»Neen. Ik ben niet vermoeid. Ik heb een zeldzaam gestel. Ik gevoel mij
zoolang ik werken kan nimmer moe, terwijl ledigheid mij afmat. Ik ga
rooken en over deze vreemdsoortige zaak nadenken, waarin mijn schoone
cliënt ons gewikkeld heeft.
»Wanneer iemand ooit een makkelijke taak had, dan is deze er zeker een.
Mannen met houten beenen zijn niet zoo alledaagsch, maar daarentegen
moet de andere man volstrekt zeldzaam zijn."
»Toch weer die andere man?"
»Ik verlang u omtrent hem niet in het onzekere te laten. Maar gij hebt
gewis ook uw eigen oordeel gevormd. Welnu, denk dan eens aan den data.
Buitengewoon kleine afdruk van de voetzool, teenen die nimmer door
schoenen werden bijeengehouden, naakte voeten, een knots met steenen
handvat, groote vlugheid, kleine vergiftigde dorens. Wat maakt gij uit
dit alles op?"
»Een wilde!" riep ik, »wellicht een dier Indianen die tot de
bondgenooten van Jonathan Small behoorde."
»Dat is bijna onmogelijk," zeide hij, »toen ik voor het eerst teekens
van vreemde wapens zag, was ik ook genegen zoo te denken; maar de
merkwaardige vorm der voetsporen noopte mij van meening te veranderen.
Sommige der bewoners van het Indische Schiereiland zijn wel klein
van gestalte, maar niet een hunner zou zulk een voetspoor hebben
achtergelaten. De Hindoes hebben lange en dunne voeten. De
sandaal-dragende Mohammedaan heeft den grooten teen wel van de anderen
gescheiden, omdat de riem er veel tusschen door gebonden wordt. Deze
kleine dorens zijn van geen ander dan van Spaansch riet. Welnu, waar
kunnen wij dan onzen wilde vinden?"
»Zuid-Amerika," antwoordde ik.
Hij nam een dik boek uit het rek.
»Dit is het eerste deel van een woordenboek dat pas wordt uitgegeven.
Het mag als de laatste autoriteit beschouwd worden. Wat hebben we hier?
»Andaman-eilanden, gelegen op 340 mijlen ten Noorden van Sumatra, in de
golf van Bengalen."--Hum! Hum! Wat beteekent dit alles? Zacht klimaat,
koraalriffen, Port Blair, barakken voor bannelingen, Rutland-eiland,
katoenboomen.--Ha, hier hebben wij het: »De inboorlingen der
Andaman-eilanden mogen wellicht bogen op het voorrecht van het kleinste
menschenras ter wereld te zijn, hoewel sommige anthropologen de
Boschnegers van Afrika, de Digger Indianen van Amerika en de Terra
del Fuegians boven hen stellen. Hun gemiddelde lengte is vier voet,
hoewel er vele volwassenen onder hen gevonden worden die zelfs nog
veel kleiner zijn. Het is een woest, valsch en onhandelbaar ras, doch
wanneer zij eenmaal hunne vriendschap geschonken hebben, zeer gehecht en
vertrouwbaar."--Let daar op, Watson. En luister nog verder: »Zij zijn
afschuwelijk leelijk; hebben groote, misvormde hoofden, kleine, woeste
oogen en verwrongen gelaatstrekken. Maar hunne voeten en handen zijn
daarentegen opmerkelijk klein. Zij zijn zóó woest en onhandelbaar, dat
alle pogingen van de Britsche ambtenaren om hen eenigszins aan het gezag
te onderwerpen, mislukt zijn. Zij zijn altijd een verschrikking geweest
voor schipbreukelingen, daar zij de overlevenden met hunne knotsen met
steenen knoppen de hersenen inslaan, of hen met hunne vergiftigde pijlen
dooden. Dusdanige moorden worden steeds gevolgd door een feestmaal, want
zij zijn menscheneters."
»Een fraai, beminnelijk volkje, Watson! Indien deze knaap zijn eigen zin
had kunnen volgen, dan had onze zaak nog een ellendiger wending genomen.
En toch stel ik mij voor, dat Jonathan Small er heel iets voor zoude
willen geven, zoo hij zijne hulp niet had ingeroepen."
»Maar hoe kwam hij aan zulk een zeldzaam metgezel?"
»O, dat is meer dan ik kan zeggen. Maar sedert wij tot de wetenschap
zijn gekomen dat Small van de Andamans gekomen was, is het niet zoo
wonderbaarlijk dat deze inboorling hem gevolgd is. Maar gij lijkt geheel
uitgeput, Watson. Komaan, leg u hier op de sofa, en zie eens of ik u in
slaap kan krijgen."
Hij nam zijn viool, en terwijl ik mij uitstrekte begon hij een zachte,
droomerige, melodieuse aria te spelen, ongetwijfeld door hem zelve
geïmproviseerd. Ik heb nog een vage herinnering van zijn doorschijnende
handen, zijn ernstig gelaat, en het op- en nedergaan van zijn
strijkstok. Toen was het alsof ik vreedzaam op een zee van zachte,
harmonische tonen werd voortgeschommeld, totdat ik mij in het land der
droomen bevond, terwijl het lieftallig gelaat van Mary Morstan op mij
nederzag.