ZEVENDE HOOFDSTUK.

De regenpijp.

De politie had een rijtuig medegebracht en daarin geleidde ik Miss

Morstan naar hare woning. Zoolang zij in gezelschap was geweest van

iemand die zwakker was dan zij en die zij kon ter zijde staan, had zij

haar leed met kalmte gedragen en vond ik haar opgeruimd en bedaard bij

de beangstigde huishoudster. Maar zoodra zij in het rijtuig zat, viel

zij eerst in zwijm en barstte toen in een hartstochtelijk weenen uit,

zoo zwaar had haar dit nachtelijk avontuur getroffen. Later heeft zij

mij verhaald, dat zij mij gedurende dien rit koel en afgetrokken had

gevonden. Zij kon echter weinig gissen, welke strijd er in mijn

binnenste gevoerd werd, of met hoeveel kracht ik mij zelven beheerschte.

Het stuitte mij echter tegen de borst om haar op zulk een tijd en onder

zulke omstandigheden mijn liefde te bekennen. En wat nog erger was, zij

was rijk. Wanneer de nasporingen van Holmes tot een gewenscht resultaat

mochten leiden, zou zij een der rijkste meisjes van Engeland zijn.

Mocht ik dus van de toevallige omstandigheid, waardoor ik met haar in

kennis was gekomen, en mijne betrekkelijk bekrompen omstandigheden als

geneesheer, partij trachten te trekken? Deze Agra-schat scheen mij een

onoverkomelijke hinderpaal toe tusschen haar en mij.

Het was omstreeks twee uur toen wij het huis van Mrs. Cecil Forrester

bereikten. De dienstboden hadden zich reeds lang ter ruste begeven. Mrs.

Forrester had zooveel belang gesteld in de vreemdsoortige boodschap,

die Miss Morstan had ontvangen, dat zij hare terugkomst was blijven

afwachten. De beschaafde vrouw, van middelbaren leeftijd, opende zelve

de deur en het verheugde mij ten zeerste te zien, hoe teeder zij haar

arm om het middel van het meisje legde en op welk eene recht moederlijke

wijze zij haar begroette. Het was duidelijk waar te nemen dat zij meer

een vriendin, dan een loontrekkend huisgenoote was. Ik werd voorgesteld

en Mrs. Forrester verzocht mij dringend binnen te komen en haar onze

avonturen te verhalen. Ik wees haar echter op het gewicht mijner

volgende boodschap, doch beloofde haar op mijn woord, dat ik haar met

den geheelen loop der zaak op de hoogte zou houden. Hoe meer ik onder

het rijden over het gebeurde nadacht, des te onbegrijpelijker en

duisterder werd alles mij. Daar was b.v. het oorspronkelijk vraagstuk;

doch dit was mij nu volkomen duidelijk. De dood van kapitein Morstan,

het zenden der parelen, de advertentie, de brief; omtrent dit alles

hadden wij ophelderingen verkregen. Maar deze feiten hadden ons

gaandeweg voor een meer tragisch en dieper geheim geplaatst.

De Indische schat, de vreemdsoortige teekening onder Morstan's

bagage gevonden, het vreemd tooneel van majoor Sholto's dood; de

weder-ontdekking van den schat, onmiddellijk gevolgd door den moord op

den ontdekker, de zonderlinge omstandigheden waaronder de moord gepleegd

werd, de voetsporen, de merkwaardige wapens, de woorden op de kaart die

juist overeenkwamen met die op de teekening van kapitein Morstan; dit

alles vormde inderdaad een labyrinth, waarin een man met minder zeldzame

geestkracht dan mijn mede-bewoner gewis zou wanhopen een uitgang te

vinden.

Pinchin Lane bestond uit een rij van bouwvallige huizen van twee

verdiepingen in de lager gelegen wijk van Lambeth. Ik moest geruimen

tijd op de deur van No. 3 kloppen alvorens ik gehoor verkreeg.

Ten laatste echter verscheen er een zwak kaarslicht achter het luik, en

keek een gelaat uit het bovenste venster.

»Ga heen, dronken schavuit," sprak dat gelaat, »indien gij nog eenmaal

klopt, dan zal ik u met mijn bezem op het hoofd slaan."

»Maar, Mr. Sherlock Holmes," begon ik angstig. Deze woorden hadden

een tooverachtige uitwerking, want het raam werd onmiddellijk

dichtgeschoven, en binnen een minuut werd de deur ontgrendeld en

geopend.

Mr. Sherman was een lange, magere, oude man, met een blauwen bril op

zijn neus.

»Had u dat maar dadelijk gezegd," sprak hij, »een vriend van Mr.

Sherlock Holmes is altijd welkom. Kom binnen, doch neem u in acht voor

dien dashond, want hij bijt. U moet mij niet kwalijk nemen, dat ik eerst

een weinig ruw tegen u was. Wat wenscht Mr. Sherlock Holmes van mij?"

»Een hond."

»O, dat zal zeker Toby zijn."

»Ja, Toby heeft hij genoemd."

»Toby woont op No. 7 links."

Hij begaf zich voorzichtig tusschen den leelijken troep beesten om hem

heen. In de onzekere schaduw van het kaarslicht zag ik verscheidene

vurig glinsterende oogen dreigend op mij gericht. Zelfs de vele vogels

boven mijn hoofd schenen gebelgd dat zij in hunne rust gestoord werden.

Toby was een leelijk, langharig schepsel met hangende ooren, bruin en

wit van kleur, met een ruigen staart. Na eenige aarzeling nam het een

klontje suiker, dat de oude werkman mij overhandigde, van mij aan, en

nadat ik zooveel mogelijk vriendschap met hem gesloten had, volgde hij

mij naar het rijtuig, en liet er zich gewillig in plaatsen. Het had

juist drie uur geslagen toen ik mij op den terugweg naar Pondicherry

Lodge bevond. De voormalige prijsbokser Mc. Murdo was, naar ik vernam,

als medeplichtige gevangen genomen, en hij en Mr. Sholto waren naar

het station overgebracht. Twee constabels bewaakten het hek, doch zij

veroorloofden mij, nadat ik den naam van den detective genoemd had, naar

binnen te gaan.

Holmes stond met zijn handen in de zakken op de stoep zijn pijp te

rooken.

»Ha! Hebt gij hem daar?" riep hij, »een beste hond. Athelney Jones is

vertrokken. Hij is sedert uw vertrek vol ijver aan het werk geweest.

Hij heeft niet slechts vriend Thaddeus, maar ook den portier, de

huishoudster en den Indiaanschen bediende gevangen genomen. Behalve een

agent hier boven, hebben wij het ruim alleen. Laat den hond hier en kom

boven."

Wij bonden Toby aan de tafel, en gingen de trappen op. De kamer was nog

in denzelfden staat als wij haar verlaten hadden, behalve dat er een

laken over den doode gehangen was. Een vermoeid uitziend politie-agent

stond in den hoek.

»Leen mij uw dievenlantaarn, agent," zei mijn metgezel, »en bind nu deze

kaart om mijn hals, zoodat zij voor mij blijft hangen. Dank u. Nu moet

ik mijn schoenen en kousen uittrekken. Neem gij die mede naar beneden,

Watson. Ik ga een kleine klimpartij doen. En doop mijn zakdoek in de

creosoot. Dat gaat goed. Kom nu met mij naar de vliering."

Wij klommen door de opening. Holmes liet het licht nogmaals op de

voetstappen in het stof vallen.

»Ik verzoek u vooral goed nota te nemen van deze afdrukken," zeide hij,

»merkt ge er nog iets bijzonders aan op?"

»Zij zijn van een kind of een kleine vrouw," zeide ik.

»Is er niets anders behalve hun omvang?"

»Zij lijken niet op gewone voeten."

»In geen geval. Zie hier! Dit is de afdruk van een rechtervoet in het

stof. Nu maak ik er met mijn naakte voet één naast. Wat is nu het

voornaamste verschil?"

»Uwe teenen sluiten aaneen, terwijl deze bij den anderen afdruk elk op

zichzelve staan."

»Juist. Dat is het. Onthoud dit goed. Zoudt gij nu eens bij dat

vensterluik willen gaan, en ruiken aan den hoek van het houtwerk? Ik zal

hier blijven staan, met dezen zakdoek in mijn hand."

Ik deed wat hij mij verzocht en ontwaarde onmiddellijk een sterke

teer-lucht.

»Daar plaatste hij zijn voet bij het heengaan. Indien =gij= zijn spoor

kunt vinden, zal Toby er, naar ik denk, geen moeite meê hebben. Ga nu

spoedig naar beneden, maak den hond los, en zie uit naar Blondin."

In den tijd dat ik mij naar beneden begaf, was Sherlock Holmes op den

zolder, en zag ik hem als een glimworm zeer langzaam langs het latwerk

kruipen. Achter een schoorsteen-uitstek verloor ik hem uit het gezicht,

doch onmiddellijk daarna kwam hij weder te voorschijn en verdween toen

weder aan de tegenovergestelde zijde. Toen ik mij ook naar boven begaf

vond ik hem zittend op de hoek-balken.

»Gij daar, Watson?" riep hij.

»Ja."

»Dit is de plaats. Wat is dat zwarte ding daar beneden?"

»Een regenpijp."

»Een bak aan het einde?"

»Ja."

»Geen bewijs van een ladder?"

»Neen."

»Een verwenschte kerel! Het is een halsbrekend werk. Ik diende toch

in staat te zijn naar omlaag te komen waarlangs hij naar boven kon

klauteren. De regenpijp lijkt stevig. In elk geval, daar ga ik!"

Ik hoorde het geschuifel van voeten en de lantaarn begon langs den muur

omlaag te glijden. Daarop bereikte hij met een lichten zwaai de pijp en

gleed daarlangs op den grond.

»Het was gemakkelijk hem te volgen," zeide hij, terwijl hij zijn kousen

en schoenen weder aantrok, »langs den ganschen weg waren steenen

losgeraakt en in zijn haast heeft hij dit verloren. Het bevestigt mijn

diagnose, zooals gij doktoren het noemt."

Het voorwerp dat hij omhoog hief was een kleine zak of koker van

gekleurd gevlochten stroo met eenige waardelooze kralen versierd. Het

geleek veel op een cigaretten-koker. Daarin bevonden zich een half

dozijn splinters van donkerkleurig hout, aan een eind scherp puntig en

aan het andere afgerond, juist als die waarmede Bartholomeus Sholto

getroffen was.

»Dit zijn helsche dingen," zeide hij, »pas op dat gij er u niet mede

prikt. Ik ben blijde dat ik ze heb, want het is hoogstwaarschijnlijk dat

het zijn gansche voorraad is. Er is dus in langen tijd voor u noch voor

mij kans er een in onze huid te vinden. Ik voor mij zou nog liever met

een Martini-bom te doen hebben. Gevoelt ge u tot een wandeling van zes

mijlen in staat, Watson?"

»Zeker," antwoordde ik.

»Zijt gij daar, hondje. Goede oude Toby. Ruik dit, Toby, ruik!" Hij

hield de in de creosoot gedoopten zakdoek voor den neus van den hond,

terwijl het dier met een lachwekkenden hoofdknik evenals een kenner de

sterke lucht opsnoof. Daarop wierp Holmes den zakdoek een eind van zich

af, maakte een lang touw aan den halsband van den hond vast en bracht

hem bij den voet van de regenpijp. Het beest hief onmiddellijk een luid

en scherp geblaf aan, en liep toen zóó snel, met den neus op den grond

en opgeheven staart, heen, dat wij de grootste moeite hadden het te

volgen.

Het begon langzamerhand in het oosten te dagen, en wij konden thans

reeds op eenigen afstand door de grauwe lucht heenzien. Het groot

vierkant huis, met zijn donkere vensters en hooge, naakte muren, verhief

zich treurig en verlaten achter ons. Onze weg liep door de landerijen

over de smalle paden, waarmee die doorsneden waren. De geheele plaats,

met de verspreide puinhoopen en boomstronken, kwam ten zeerste overeen

met het duistere treurspel, dat er binnen was afgespeeld.

Toen wij den grensmuur bereikten, liep Toby luid blaffende in de schaduw

en bleef ten slotte stilstaan in een hoek die door een jongen beuk

begrensd was. Waar de twee muren ineen liepen waren verscheiden steenen

losgeraakt, en de spleten aan de benedenzijden afgerond, alsof zij kort

geleden als ladder gebruikt waren. Holmes klom naar boven en wierp den

hond er overheen aan de andere zijde.

»Daar is de afdruk van de hand van hem met het houten been," zeide hij

toen ik naast hem naar boven klom, »gij ziet de lichte bloedvlek op het

witte pleisterwerk. Wat is het gelukkig dat het sedert gisteren niet

geregend heeft. Hoewel zij ons achtentwintig uren voor zijn, zal hun

spoor nog zeer goed op den weg zijn waar te nemen."

Ik beken dat ik dit betwijfelde, toen ik dacht aan de vele voetgangers

die in dien tijd den weg naar Londen hadden afgelegd. Mijne vrees werd

echter spoedig gelogenstraft. Toby aarzelde geen enkelen keer doch liep

steeds snuffelend voort. Klaarblijkelijk was de reuk van de creosoot

duidelijk boven andere waar te nemen.

»Verbeeld u niet," zei Holmes, »dat mijn succes in deze zaak alleen

afhangt van de omstandigheid dat een dezer kerels zijn voet in het

vocht gezet heeft. Ik weet nu genoeg dat mij in staat zou stellen, om

hun spoor op verscheiden andere wijzen te vinden. Dit is echter de

gemakkelijkste en daar de fortuin haar onder ons bereik heeft gesteld,

zou het ondankbaar wezen, indien ik er geen gebruik van maakte. Het

vraagstuk is er echter moeilijker door geworden, dan het zich eerst liet

aanzien. Zonder deze alledaagsche oplossing, zou er wellicht eenigen

roem bij te behalen zijn geweest."

»Dat is toch het geval," zeide ik, »ik verzeker u, Holmes, dat ik de

middelen, waardoor gij uwe resultaten in deze zaak verkrijgt, zelfs meer

bewonder, dan ik dit deed bij den moord door Jefferson Hope. Het geval

schijnt mij meer ingewikkeld en onverklaarbaar. Hoe kondet gij,

bijvoorbeeld, met zooveel vertrouwen den man met het houten been

beschrijven?"

»Och, beste jongen! dat was zoo eenvoudig mogelijk. Twee officieren, die

ergens een troep gevangenen te bewaken hebben, ontdekken een belangrijk

geheim betreffende een begraven schat. Er wordt een kaart voor hen

geteekend door een Engelschman, met name Jonathan Small. Gij herinnert

u dat wij dien naam zagen op de kaart in kapitein Morstan's bezit. Hij

had die voor zich en zijne landgenooten onderteekend met het teeken van

vier,--zooals hij het eenigszins dramatisch noemde. Door hulp van deze

kaart ontdekken de officieren,--of een hunner,--den schat en brengen

dien naar Engeland over, terwijl zij, naar wij willen veronderstellen,

een daarbij gestelde voorwaarde onvervuld lieten. Welnu, waarom behield

Jonathan Small den schat niet voor zich zelven? Het antwoord ligt voor

de hand. De kaart is gedateerd op een tijd toen Morstan in bijzondere

aanraking kwam met gevangenen. Jonathan Small behield den schat niet,

terwijl hij en zijne bondgenooten zelve gevangenen waren, en niet weg

konden komen."

»Maar, dit is slechts eene veronderstelling," zeide ik.

»Het is meer dan dit. Het is de eenige hypothese die de feiten bedekt.

Laat ons zien hoe zij bij het vervolg past. Majoor Sholto leeft

gedurende eenige jaren rustig voort, gelukkig in het bezit van zijn

schat. Dan ontvangt hij een brief uit Indië die hem grooten angst

veroorzaakt. Wat was dat?"

»Een brief die hem meldde, dat de lieden tegen wie hij zijne belofte

geschonden had, in vrijheid waren gesteld."

»Of ontsnapt waren. Dat is meer waarschijnlijk, want als hij den duur

hunner gevangenschap geweten had, dan zou het geene verrassing voor hem

geweest zijn. Wat doet hij toen? Hij neemt zich ten zeerste in acht voor

een man met een houten been,--een blanke, want hij ziet op zekeren tijd

een blanke voor =hem= aan en schiet een pistool op dezen af. Welnu, op

de kaart bevindt zich de naam van slechts één blanke. Deswege mogen wij

met vertrouwen beweren dat de man met het houten been en Jonathan Small

één en dezelfde persoon is. Komt u deze redeneering valsch voor?"

»Neen; zij is klaar en gegrond."

»Welnu, laten wij ons thans in de plaats van Jonathan Small stellen.

Laat ons de zaak van zijn standpunt beschouwen. Hij komt naar Engeland

met het dubbel idee om terug te krijgen wat hij als zijn rechtmatig

eigendom beschouwt, en zich te wreken op den man die hem slecht

behandeld heeft. Hij vond uit waar Sholto woonde en stelde zich hoogst

waarschijnlijk met een van diens huisgenooten in betrekking. Daar is

bijvoorbeeld die kelderknecht, Lal Rao, dien wij niet gezien hebben.

Mrs. Bernstone beschrijft hem verre van gunstig. Small kon echter niet

uitvinden waar de schat verborgen werd gehouden, want, behalve den

majoor en een trouw dienaar, die inmiddels overleden was, was dit aan

niemand bekend. Plotseling verneemt Small dat de majoor op sterven ligt.

Vol angst dat het geheim van den schat met hem ten grave mocht dalen,

verschalkt hij de waakzaamheid der wachters, baant zich een weg naar

het venster der sterfkamer, en wordt alleen teruggehouden om naar binnen

te klimmen door de tegenwoordigheid der beide zonen. Maar, als

waanzinnig door haat tegen den doode, klimt hij dien nacht de kamer

binnen, onderzoekt zijne bizondere papieren, in de hoop eenige

aanteekeningen betreffende den schat te ontdekken, en laat ten slotte

een herinnering aan zijn bezoek achter, in den vorm van het korte

opschrift op de kaart. Hij had ongetwijfeld vooraf het plan beraamd, om,

in geval hij den majoor doodde, hij een of ander bewijs op het lichaam

zoude achterlaten, ten teeken dat het geen alledaagsche moord was; maar,

van het standpunt der vier bondgenooten beschouwd, een zekere daad van

gerechtigheid. Dusdanige zotte grillen zijn in de jaarboeken der

lijfstraffelijke rechtspleging volstrekt niets ongewoons, en zijn

gewoonlijk van onberekenbaar nut voor de ontdekking van den misdadiger.

Is u dit alles duidelijk?"

»Volkomen."

»Welnu, wat kan Jonathan Small thans doen? Niets anders dan een wakend

oog houden op de pogingen die worden aangewend om den schat te vinden.

Waarschijnlijk verlaat hij Engeland en komt slechts bij tusschenpoozen

terug. Daar wordt het vliering-kamertje ontdekt en onmiddellijk wordt

hij ervan in kennis gesteld. En opnieuw bespeuren wij de aanwezigheid

van den een of anderen bondgenoot onder de huisgenooten. Jonathan is

met zijn houten been niet in staat om de kamer van Bartholomeus Sholto

te bereiken. Hij neemt echter een bondgenoot met zich, die deze

moeielijkheid overwint, doch deze stapt met zijn eenen voet in de

creosoot, waarop Toby ten tooneele verschijnt en een slecht betaald

ambtenaar, benevens een half kreupelen geneesheer, zes mijlen ver met

zich voorttrekt."

»Maar, de geheime bondgenoot en niet Jonathan pleegde de misdaad."

»Juist. En niet met Jonathan's instemming, te oordeelen naar de wijze

waarop hij door de kamer rondsprong. Hij droeg Bartholomeus Sholto geen

wrok toe en zou er de voorkeur aan gegeven hebben dezen slechts te

binden en hem het roepen onmogelijk te maken. Hij wenschte zijn hoofd

niet aan den strop te wagen. Er was echter niets meer aan te doen; de

wilde hartstocht van zijn metgezel was losgebroken en het vergif had

zijn werk gedaan; daarom liet Jonathan Small zijn teeken achter, liet de

kist met den schat naar omlaag zakken en volgde haar langs denzelfden

weg. Dit was, in zooverre ik het ontraadselen kan, de loop der

gebeurtenissen. Het spreekt vanzelve dat hij, wat zijne persoonlijkheid

betreft, van middelbaren leeftijd en door de zon gebruind moet wezen,

daar hij zijn tijd in een oven als de Andaman-eilanden heeft uitgediend.

Zijne lengte is gemakkelijk te berekenen naar de lengte van zijn voet,

en wij weten dat hij een baard draagt. Zijn harig gelaat werd door

Thaddeus Sholto immers met schrik opgemerkt, toen het zich voor het

venster vertoonde. Meer is er niet, naar ik geloof?"

»En de medeplichtige?"

»O, dat is een lastig geheim. Maar spoedig genoeg zult ge ook daar alles

van weten. Wat een heerlijke morgen is het! Zie hoe die kleine wolk daar

drijft als een gespikkelde veder van den een of anderen reusachtigen

flamingo. Thans dringt de roode zonne-gloed door de Londensche

ochtend-schemering. Zij beschijnt zeer vele menschen, maar ik durf

wedden, dat niet één hunner op een vreemdsoortiger wandeling is dan gij

en ik. Hoe nietig gevoelen wij ons met al onze eerzucht en begeerten bij

het aanschouwen van de groote elementaire krachten der Natuur! Zijt gij

goed op de hoogte met Jean Paul?"

»Dat gaat nogal. Ik werkte hem door aan de hand van Carlyle."

»Dat was even alsof men een sloot voor een meer aanziet. Hij maakt één

zonderlinge doch diepzinnige opmerking, en wel: dat het voornaamste

bewijs voor iemands waarlijke grootheid gelegen is in de overtuiging van

zijn eigen nietigheid. Dat bedoelt een kracht van vergelijking en

erkenning, die op zich zelve reeds edel te noemen is. Er ligt zeer veel

geestes-voedsel in Richter.--Gij hebt geen pistool bij u, wel?"

»Ik heb mijn stok."

»Het is waarschijnlijk dat wij iets soortgelijks zullen noodig hebben

als wij hun schuilplaats ontdekken. Jonathan zal ik u overlaten, maar

als de ander lastig wordt, zal ik hem neerschieten."

Terwijl hij dit zeide, haalde hij zijn revolver te voorschijn en na twee

kamers ervan geladen te hebben, stak hij hem in zijn rechter jaszak.

Gedurende al dien tijd hadden wij Toby gevolgd over den half-landelijken

langs villa's loopenden weg, die naar de wereldstad voerde. Thans echter

kwamen wij in lange straten, waar arbeiders en dokwerkers reeds bezig

waren en onzindelijke vrouwen luiken en deuren openden. Op den hoek

begonnen de public-houses (tapperijen) reeds volk te krijgen en zag

men ruw-uitziende kerels naar buiten komen, die met hunne mouwen hunne

monden afveegden. Groote honden staarden ons verwonderd aan terwijl

wij voorbijgingen, doch onze ongeëvenaarde Toby keek noch rechts noch

links, maar liep voort met zijn neus op den grond, van tijd tot tijd

met voldoening blaffende, als om ons te overtuigen dat hij de creosoot

nog rook. Wij hadden Streatham, Brixton en Camberwell doorgeloopen en

bevonden ons nu in Kennington Lane, terwijl wij ons door zijstraten

naar het oostelijk gedeelte van den omtrek van Londen begeven hadden.

De mannen die wij achtervolgden, schenen een vreemdsoortigen, in

zigzagloopenden weg genomen te hebben, gewis met het idee om aan elke

nasporing te ontsnappen. Zij waren geen enkelen keer rechtuitgeloopen,

wanneer zich een zijstraat of steeg aan hen vertoond had. Aan het einde

van Kennington Lane waren zij links afgeslagen door Bond-Street en

Miles-Street. Waar laatstgenoemde straat naar Knight's Place afloopt,

bleef Toby stilstaan en begon toen voorwaarts en weer terug te

loopen, met een hangend en een opstaand oor, waaruit duidelijk zijne

besluiteloosheid bleek. Daarop begon hij een cirkel om ons heen te

loopen, terwijl hij ons van tijd tot tijd aankeek alsof hij ons om

raad in zijne verlegenheid vroeg.

»Wat drommel is er te doen met den hond?" bromde Holmes; »zij zullen

toch gewis geen rijtuig of luchtballon gebruikt hebben."

»Misschien zijn zij hier eenigen tijd blijven stilstaan," merkte ik op.

»Ha! 't is al in orde. Daar gaat hij weer," zei mijn metgezel, met een

zucht van verlichting. Het was ook zoo, want na rondgesnuffeld te

hebben, scheen hij plotseling een besluit te nemen, en liep hij nog

vlugger en met meer vastberadenheid dan tot nu toe voort. Ik kon aan

Holmes' gelaat zien, dat hij dacht dat wij nu spoedig het einde van

onzen tocht zouden bereiken.

Onzen weg liep nu Nine Elms af tot wij bij de groote timmerwerf van

Boderick en Nelson kwamen, juist voorbij de herberg De witte Arend. Hier

liep de hond, zichtbaar opgewonden, het zijhek in en de werf op, waar

de zagers reeds aan het werk waren. Hier draafde de hond door zaagmeel

en krullen heen de laan in tusschen twee houtstapels door en sprong ten

slotte met vroolijk geblaf op een groot vat, dat nog op den handwagen

stond, waarmede het was binnengebracht. Met uit den bek hangende tong en

schitterende oogen stond Toby op het deksel, terwijl hij ons beurtelings

aankeek, om een teeken van goedkeuring vragende. De naden van het vat en

de wielen van den wagen waren met een donkerkleurig vocht besmeerd, en

de lucht was vol met den reuk van creosoot.

Sherlock Holmes en ik, wij keken elkander als verbijsterd aan en

begonnen toen luidkeels te lachen.

Sherlock Holmes: De Agra-Schat · 第 13 / 21 题