De regenpijp.
De politie had een rijtuig medegebracht en daarin geleidde ik Miss
Morstan naar hare woning. Zoolang zij in gezelschap was geweest van
iemand die zwakker was dan zij en die zij kon ter zijde staan, had zij
haar leed met kalmte gedragen en vond ik haar opgeruimd en bedaard bij
de beangstigde huishoudster. Maar zoodra zij in het rijtuig zat, viel
zij eerst in zwijm en barstte toen in een hartstochtelijk weenen uit,
zoo zwaar had haar dit nachtelijk avontuur getroffen. Later heeft zij
mij verhaald, dat zij mij gedurende dien rit koel en afgetrokken had
gevonden. Zij kon echter weinig gissen, welke strijd er in mijn
binnenste gevoerd werd, of met hoeveel kracht ik mij zelven beheerschte.
Het stuitte mij echter tegen de borst om haar op zulk een tijd en onder
zulke omstandigheden mijn liefde te bekennen. En wat nog erger was, zij
was rijk. Wanneer de nasporingen van Holmes tot een gewenscht resultaat
mochten leiden, zou zij een der rijkste meisjes van Engeland zijn.
Mocht ik dus van de toevallige omstandigheid, waardoor ik met haar in
kennis was gekomen, en mijne betrekkelijk bekrompen omstandigheden als
geneesheer, partij trachten te trekken? Deze Agra-schat scheen mij een
onoverkomelijke hinderpaal toe tusschen haar en mij.
Het was omstreeks twee uur toen wij het huis van Mrs. Cecil Forrester
bereikten. De dienstboden hadden zich reeds lang ter ruste begeven. Mrs.
Forrester had zooveel belang gesteld in de vreemdsoortige boodschap,
die Miss Morstan had ontvangen, dat zij hare terugkomst was blijven
afwachten. De beschaafde vrouw, van middelbaren leeftijd, opende zelve
de deur en het verheugde mij ten zeerste te zien, hoe teeder zij haar
arm om het middel van het meisje legde en op welk eene recht moederlijke
wijze zij haar begroette. Het was duidelijk waar te nemen dat zij meer
een vriendin, dan een loontrekkend huisgenoote was. Ik werd voorgesteld
en Mrs. Forrester verzocht mij dringend binnen te komen en haar onze
avonturen te verhalen. Ik wees haar echter op het gewicht mijner
volgende boodschap, doch beloofde haar op mijn woord, dat ik haar met
den geheelen loop der zaak op de hoogte zou houden. Hoe meer ik onder
het rijden over het gebeurde nadacht, des te onbegrijpelijker en
duisterder werd alles mij. Daar was b.v. het oorspronkelijk vraagstuk;
doch dit was mij nu volkomen duidelijk. De dood van kapitein Morstan,
het zenden der parelen, de advertentie, de brief; omtrent dit alles
hadden wij ophelderingen verkregen. Maar deze feiten hadden ons
gaandeweg voor een meer tragisch en dieper geheim geplaatst.
De Indische schat, de vreemdsoortige teekening onder Morstan's
bagage gevonden, het vreemd tooneel van majoor Sholto's dood; de
weder-ontdekking van den schat, onmiddellijk gevolgd door den moord op
den ontdekker, de zonderlinge omstandigheden waaronder de moord gepleegd
werd, de voetsporen, de merkwaardige wapens, de woorden op de kaart die
juist overeenkwamen met die op de teekening van kapitein Morstan; dit
alles vormde inderdaad een labyrinth, waarin een man met minder zeldzame
geestkracht dan mijn mede-bewoner gewis zou wanhopen een uitgang te
vinden.
Pinchin Lane bestond uit een rij van bouwvallige huizen van twee
verdiepingen in de lager gelegen wijk van Lambeth. Ik moest geruimen
tijd op de deur van No. 3 kloppen alvorens ik gehoor verkreeg.
Ten laatste echter verscheen er een zwak kaarslicht achter het luik, en
keek een gelaat uit het bovenste venster.
»Ga heen, dronken schavuit," sprak dat gelaat, »indien gij nog eenmaal
klopt, dan zal ik u met mijn bezem op het hoofd slaan."
»Maar, Mr. Sherlock Holmes," begon ik angstig. Deze woorden hadden
een tooverachtige uitwerking, want het raam werd onmiddellijk
dichtgeschoven, en binnen een minuut werd de deur ontgrendeld en
geopend.
Mr. Sherman was een lange, magere, oude man, met een blauwen bril op
zijn neus.
»Had u dat maar dadelijk gezegd," sprak hij, »een vriend van Mr.
Sherlock Holmes is altijd welkom. Kom binnen, doch neem u in acht voor
dien dashond, want hij bijt. U moet mij niet kwalijk nemen, dat ik eerst
een weinig ruw tegen u was. Wat wenscht Mr. Sherlock Holmes van mij?"
»Een hond."
»O, dat zal zeker Toby zijn."
»Ja, Toby heeft hij genoemd."
»Toby woont op No. 7 links."
Hij begaf zich voorzichtig tusschen den leelijken troep beesten om hem
heen. In de onzekere schaduw van het kaarslicht zag ik verscheidene
vurig glinsterende oogen dreigend op mij gericht. Zelfs de vele vogels
boven mijn hoofd schenen gebelgd dat zij in hunne rust gestoord werden.
Toby was een leelijk, langharig schepsel met hangende ooren, bruin en
wit van kleur, met een ruigen staart. Na eenige aarzeling nam het een
klontje suiker, dat de oude werkman mij overhandigde, van mij aan, en
nadat ik zooveel mogelijk vriendschap met hem gesloten had, volgde hij
mij naar het rijtuig, en liet er zich gewillig in plaatsen. Het had
juist drie uur geslagen toen ik mij op den terugweg naar Pondicherry
Lodge bevond. De voormalige prijsbokser Mc. Murdo was, naar ik vernam,
als medeplichtige gevangen genomen, en hij en Mr. Sholto waren naar
het station overgebracht. Twee constabels bewaakten het hek, doch zij
veroorloofden mij, nadat ik den naam van den detective genoemd had, naar
binnen te gaan.
Holmes stond met zijn handen in de zakken op de stoep zijn pijp te
rooken.
»Ha! Hebt gij hem daar?" riep hij, »een beste hond. Athelney Jones is
vertrokken. Hij is sedert uw vertrek vol ijver aan het werk geweest.
Hij heeft niet slechts vriend Thaddeus, maar ook den portier, de
huishoudster en den Indiaanschen bediende gevangen genomen. Behalve een
agent hier boven, hebben wij het ruim alleen. Laat den hond hier en kom
boven."
Wij bonden Toby aan de tafel, en gingen de trappen op. De kamer was nog
in denzelfden staat als wij haar verlaten hadden, behalve dat er een
laken over den doode gehangen was. Een vermoeid uitziend politie-agent
stond in den hoek.
»Leen mij uw dievenlantaarn, agent," zei mijn metgezel, »en bind nu deze
kaart om mijn hals, zoodat zij voor mij blijft hangen. Dank u. Nu moet
ik mijn schoenen en kousen uittrekken. Neem gij die mede naar beneden,
Watson. Ik ga een kleine klimpartij doen. En doop mijn zakdoek in de
creosoot. Dat gaat goed. Kom nu met mij naar de vliering."
Wij klommen door de opening. Holmes liet het licht nogmaals op de
voetstappen in het stof vallen.
»Ik verzoek u vooral goed nota te nemen van deze afdrukken," zeide hij,
»merkt ge er nog iets bijzonders aan op?"
»Zij zijn van een kind of een kleine vrouw," zeide ik.
»Is er niets anders behalve hun omvang?"
»Zij lijken niet op gewone voeten."
»In geen geval. Zie hier! Dit is de afdruk van een rechtervoet in het
stof. Nu maak ik er met mijn naakte voet één naast. Wat is nu het
voornaamste verschil?"
»Uwe teenen sluiten aaneen, terwijl deze bij den anderen afdruk elk op
zichzelve staan."
»Juist. Dat is het. Onthoud dit goed. Zoudt gij nu eens bij dat
vensterluik willen gaan, en ruiken aan den hoek van het houtwerk? Ik zal
hier blijven staan, met dezen zakdoek in mijn hand."
Ik deed wat hij mij verzocht en ontwaarde onmiddellijk een sterke
teer-lucht.
»Daar plaatste hij zijn voet bij het heengaan. Indien =gij= zijn spoor
kunt vinden, zal Toby er, naar ik denk, geen moeite meê hebben. Ga nu
spoedig naar beneden, maak den hond los, en zie uit naar Blondin."
In den tijd dat ik mij naar beneden begaf, was Sherlock Holmes op den
zolder, en zag ik hem als een glimworm zeer langzaam langs het latwerk
kruipen. Achter een schoorsteen-uitstek verloor ik hem uit het gezicht,
doch onmiddellijk daarna kwam hij weder te voorschijn en verdween toen
weder aan de tegenovergestelde zijde. Toen ik mij ook naar boven begaf
vond ik hem zittend op de hoek-balken.
»Gij daar, Watson?" riep hij.
»Ja."
»Dit is de plaats. Wat is dat zwarte ding daar beneden?"
»Een regenpijp."
»Een bak aan het einde?"
»Ja."
»Geen bewijs van een ladder?"
»Neen."
»Een verwenschte kerel! Het is een halsbrekend werk. Ik diende toch
in staat te zijn naar omlaag te komen waarlangs hij naar boven kon
klauteren. De regenpijp lijkt stevig. In elk geval, daar ga ik!"
Ik hoorde het geschuifel van voeten en de lantaarn begon langs den muur
omlaag te glijden. Daarop bereikte hij met een lichten zwaai de pijp en
gleed daarlangs op den grond.
»Het was gemakkelijk hem te volgen," zeide hij, terwijl hij zijn kousen
en schoenen weder aantrok, »langs den ganschen weg waren steenen
losgeraakt en in zijn haast heeft hij dit verloren. Het bevestigt mijn
diagnose, zooals gij doktoren het noemt."
Het voorwerp dat hij omhoog hief was een kleine zak of koker van
gekleurd gevlochten stroo met eenige waardelooze kralen versierd. Het
geleek veel op een cigaretten-koker. Daarin bevonden zich een half
dozijn splinters van donkerkleurig hout, aan een eind scherp puntig en
aan het andere afgerond, juist als die waarmede Bartholomeus Sholto
getroffen was.
»Dit zijn helsche dingen," zeide hij, »pas op dat gij er u niet mede
prikt. Ik ben blijde dat ik ze heb, want het is hoogstwaarschijnlijk dat
het zijn gansche voorraad is. Er is dus in langen tijd voor u noch voor
mij kans er een in onze huid te vinden. Ik voor mij zou nog liever met
een Martini-bom te doen hebben. Gevoelt ge u tot een wandeling van zes
mijlen in staat, Watson?"
»Zeker," antwoordde ik.
»Zijt gij daar, hondje. Goede oude Toby. Ruik dit, Toby, ruik!" Hij
hield de in de creosoot gedoopten zakdoek voor den neus van den hond,
terwijl het dier met een lachwekkenden hoofdknik evenals een kenner de
sterke lucht opsnoof. Daarop wierp Holmes den zakdoek een eind van zich
af, maakte een lang touw aan den halsband van den hond vast en bracht
hem bij den voet van de regenpijp. Het beest hief onmiddellijk een luid
en scherp geblaf aan, en liep toen zóó snel, met den neus op den grond
en opgeheven staart, heen, dat wij de grootste moeite hadden het te
volgen.
Het begon langzamerhand in het oosten te dagen, en wij konden thans
reeds op eenigen afstand door de grauwe lucht heenzien. Het groot
vierkant huis, met zijn donkere vensters en hooge, naakte muren, verhief
zich treurig en verlaten achter ons. Onze weg liep door de landerijen
over de smalle paden, waarmee die doorsneden waren. De geheele plaats,
met de verspreide puinhoopen en boomstronken, kwam ten zeerste overeen
met het duistere treurspel, dat er binnen was afgespeeld.
Toen wij den grensmuur bereikten, liep Toby luid blaffende in de schaduw
en bleef ten slotte stilstaan in een hoek die door een jongen beuk
begrensd was. Waar de twee muren ineen liepen waren verscheiden steenen
losgeraakt, en de spleten aan de benedenzijden afgerond, alsof zij kort
geleden als ladder gebruikt waren. Holmes klom naar boven en wierp den
hond er overheen aan de andere zijde.
»Daar is de afdruk van de hand van hem met het houten been," zeide hij
toen ik naast hem naar boven klom, »gij ziet de lichte bloedvlek op het
witte pleisterwerk. Wat is het gelukkig dat het sedert gisteren niet
geregend heeft. Hoewel zij ons achtentwintig uren voor zijn, zal hun
spoor nog zeer goed op den weg zijn waar te nemen."
Ik beken dat ik dit betwijfelde, toen ik dacht aan de vele voetgangers
die in dien tijd den weg naar Londen hadden afgelegd. Mijne vrees werd
echter spoedig gelogenstraft. Toby aarzelde geen enkelen keer doch liep
steeds snuffelend voort. Klaarblijkelijk was de reuk van de creosoot
duidelijk boven andere waar te nemen.
»Verbeeld u niet," zei Holmes, »dat mijn succes in deze zaak alleen
afhangt van de omstandigheid dat een dezer kerels zijn voet in het
vocht gezet heeft. Ik weet nu genoeg dat mij in staat zou stellen, om
hun spoor op verscheiden andere wijzen te vinden. Dit is echter de
gemakkelijkste en daar de fortuin haar onder ons bereik heeft gesteld,
zou het ondankbaar wezen, indien ik er geen gebruik van maakte. Het
vraagstuk is er echter moeilijker door geworden, dan het zich eerst liet
aanzien. Zonder deze alledaagsche oplossing, zou er wellicht eenigen
roem bij te behalen zijn geweest."
»Dat is toch het geval," zeide ik, »ik verzeker u, Holmes, dat ik de
middelen, waardoor gij uwe resultaten in deze zaak verkrijgt, zelfs meer
bewonder, dan ik dit deed bij den moord door Jefferson Hope. Het geval
schijnt mij meer ingewikkeld en onverklaarbaar. Hoe kondet gij,
bijvoorbeeld, met zooveel vertrouwen den man met het houten been
beschrijven?"
»Och, beste jongen! dat was zoo eenvoudig mogelijk. Twee officieren, die
ergens een troep gevangenen te bewaken hebben, ontdekken een belangrijk
geheim betreffende een begraven schat. Er wordt een kaart voor hen
geteekend door een Engelschman, met name Jonathan Small. Gij herinnert
u dat wij dien naam zagen op de kaart in kapitein Morstan's bezit. Hij
had die voor zich en zijne landgenooten onderteekend met het teeken van
vier,--zooals hij het eenigszins dramatisch noemde. Door hulp van deze
kaart ontdekken de officieren,--of een hunner,--den schat en brengen
dien naar Engeland over, terwijl zij, naar wij willen veronderstellen,
een daarbij gestelde voorwaarde onvervuld lieten. Welnu, waarom behield
Jonathan Small den schat niet voor zich zelven? Het antwoord ligt voor
de hand. De kaart is gedateerd op een tijd toen Morstan in bijzondere
aanraking kwam met gevangenen. Jonathan Small behield den schat niet,
terwijl hij en zijne bondgenooten zelve gevangenen waren, en niet weg
konden komen."
»Maar, dit is slechts eene veronderstelling," zeide ik.
»Het is meer dan dit. Het is de eenige hypothese die de feiten bedekt.
Laat ons zien hoe zij bij het vervolg past. Majoor Sholto leeft
gedurende eenige jaren rustig voort, gelukkig in het bezit van zijn
schat. Dan ontvangt hij een brief uit Indië die hem grooten angst
veroorzaakt. Wat was dat?"
»Een brief die hem meldde, dat de lieden tegen wie hij zijne belofte
geschonden had, in vrijheid waren gesteld."
»Of ontsnapt waren. Dat is meer waarschijnlijk, want als hij den duur
hunner gevangenschap geweten had, dan zou het geene verrassing voor hem
geweest zijn. Wat doet hij toen? Hij neemt zich ten zeerste in acht voor
een man met een houten been,--een blanke, want hij ziet op zekeren tijd
een blanke voor =hem= aan en schiet een pistool op dezen af. Welnu, op
de kaart bevindt zich de naam van slechts één blanke. Deswege mogen wij
met vertrouwen beweren dat de man met het houten been en Jonathan Small
één en dezelfde persoon is. Komt u deze redeneering valsch voor?"
»Neen; zij is klaar en gegrond."
»Welnu, laten wij ons thans in de plaats van Jonathan Small stellen.
Laat ons de zaak van zijn standpunt beschouwen. Hij komt naar Engeland
met het dubbel idee om terug te krijgen wat hij als zijn rechtmatig
eigendom beschouwt, en zich te wreken op den man die hem slecht
behandeld heeft. Hij vond uit waar Sholto woonde en stelde zich hoogst
waarschijnlijk met een van diens huisgenooten in betrekking. Daar is
bijvoorbeeld die kelderknecht, Lal Rao, dien wij niet gezien hebben.
Mrs. Bernstone beschrijft hem verre van gunstig. Small kon echter niet
uitvinden waar de schat verborgen werd gehouden, want, behalve den
majoor en een trouw dienaar, die inmiddels overleden was, was dit aan
niemand bekend. Plotseling verneemt Small dat de majoor op sterven ligt.
Vol angst dat het geheim van den schat met hem ten grave mocht dalen,
verschalkt hij de waakzaamheid der wachters, baant zich een weg naar
het venster der sterfkamer, en wordt alleen teruggehouden om naar binnen
te klimmen door de tegenwoordigheid der beide zonen. Maar, als
waanzinnig door haat tegen den doode, klimt hij dien nacht de kamer
binnen, onderzoekt zijne bizondere papieren, in de hoop eenige
aanteekeningen betreffende den schat te ontdekken, en laat ten slotte
een herinnering aan zijn bezoek achter, in den vorm van het korte
opschrift op de kaart. Hij had ongetwijfeld vooraf het plan beraamd, om,
in geval hij den majoor doodde, hij een of ander bewijs op het lichaam
zoude achterlaten, ten teeken dat het geen alledaagsche moord was; maar,
van het standpunt der vier bondgenooten beschouwd, een zekere daad van
gerechtigheid. Dusdanige zotte grillen zijn in de jaarboeken der
lijfstraffelijke rechtspleging volstrekt niets ongewoons, en zijn
gewoonlijk van onberekenbaar nut voor de ontdekking van den misdadiger.
Is u dit alles duidelijk?"
»Volkomen."
»Welnu, wat kan Jonathan Small thans doen? Niets anders dan een wakend
oog houden op de pogingen die worden aangewend om den schat te vinden.
Waarschijnlijk verlaat hij Engeland en komt slechts bij tusschenpoozen
terug. Daar wordt het vliering-kamertje ontdekt en onmiddellijk wordt
hij ervan in kennis gesteld. En opnieuw bespeuren wij de aanwezigheid
van den een of anderen bondgenoot onder de huisgenooten. Jonathan is
met zijn houten been niet in staat om de kamer van Bartholomeus Sholto
te bereiken. Hij neemt echter een bondgenoot met zich, die deze
moeielijkheid overwint, doch deze stapt met zijn eenen voet in de
creosoot, waarop Toby ten tooneele verschijnt en een slecht betaald
ambtenaar, benevens een half kreupelen geneesheer, zes mijlen ver met
zich voorttrekt."
»Maar, de geheime bondgenoot en niet Jonathan pleegde de misdaad."
»Juist. En niet met Jonathan's instemming, te oordeelen naar de wijze
waarop hij door de kamer rondsprong. Hij droeg Bartholomeus Sholto geen
wrok toe en zou er de voorkeur aan gegeven hebben dezen slechts te
binden en hem het roepen onmogelijk te maken. Hij wenschte zijn hoofd
niet aan den strop te wagen. Er was echter niets meer aan te doen; de
wilde hartstocht van zijn metgezel was losgebroken en het vergif had
zijn werk gedaan; daarom liet Jonathan Small zijn teeken achter, liet de
kist met den schat naar omlaag zakken en volgde haar langs denzelfden
weg. Dit was, in zooverre ik het ontraadselen kan, de loop der
gebeurtenissen. Het spreekt vanzelve dat hij, wat zijne persoonlijkheid
betreft, van middelbaren leeftijd en door de zon gebruind moet wezen,
daar hij zijn tijd in een oven als de Andaman-eilanden heeft uitgediend.
Zijne lengte is gemakkelijk te berekenen naar de lengte van zijn voet,
en wij weten dat hij een baard draagt. Zijn harig gelaat werd door
Thaddeus Sholto immers met schrik opgemerkt, toen het zich voor het
venster vertoonde. Meer is er niet, naar ik geloof?"
»En de medeplichtige?"
»O, dat is een lastig geheim. Maar spoedig genoeg zult ge ook daar alles
van weten. Wat een heerlijke morgen is het! Zie hoe die kleine wolk daar
drijft als een gespikkelde veder van den een of anderen reusachtigen
flamingo. Thans dringt de roode zonne-gloed door de Londensche
ochtend-schemering. Zij beschijnt zeer vele menschen, maar ik durf
wedden, dat niet één hunner op een vreemdsoortiger wandeling is dan gij
en ik. Hoe nietig gevoelen wij ons met al onze eerzucht en begeerten bij
het aanschouwen van de groote elementaire krachten der Natuur! Zijt gij
goed op de hoogte met Jean Paul?"
»Dat gaat nogal. Ik werkte hem door aan de hand van Carlyle."
»Dat was even alsof men een sloot voor een meer aanziet. Hij maakt één
zonderlinge doch diepzinnige opmerking, en wel: dat het voornaamste
bewijs voor iemands waarlijke grootheid gelegen is in de overtuiging van
zijn eigen nietigheid. Dat bedoelt een kracht van vergelijking en
erkenning, die op zich zelve reeds edel te noemen is. Er ligt zeer veel
geestes-voedsel in Richter.--Gij hebt geen pistool bij u, wel?"
»Ik heb mijn stok."
»Het is waarschijnlijk dat wij iets soortgelijks zullen noodig hebben
als wij hun schuilplaats ontdekken. Jonathan zal ik u overlaten, maar
als de ander lastig wordt, zal ik hem neerschieten."
Terwijl hij dit zeide, haalde hij zijn revolver te voorschijn en na twee
kamers ervan geladen te hebben, stak hij hem in zijn rechter jaszak.
Gedurende al dien tijd hadden wij Toby gevolgd over den half-landelijken
langs villa's loopenden weg, die naar de wereldstad voerde. Thans echter
kwamen wij in lange straten, waar arbeiders en dokwerkers reeds bezig
waren en onzindelijke vrouwen luiken en deuren openden. Op den hoek
begonnen de public-houses (tapperijen) reeds volk te krijgen en zag
men ruw-uitziende kerels naar buiten komen, die met hunne mouwen hunne
monden afveegden. Groote honden staarden ons verwonderd aan terwijl
wij voorbijgingen, doch onze ongeëvenaarde Toby keek noch rechts noch
links, maar liep voort met zijn neus op den grond, van tijd tot tijd
met voldoening blaffende, als om ons te overtuigen dat hij de creosoot
nog rook. Wij hadden Streatham, Brixton en Camberwell doorgeloopen en
bevonden ons nu in Kennington Lane, terwijl wij ons door zijstraten
naar het oostelijk gedeelte van den omtrek van Londen begeven hadden.
De mannen die wij achtervolgden, schenen een vreemdsoortigen, in
zigzagloopenden weg genomen te hebben, gewis met het idee om aan elke
nasporing te ontsnappen. Zij waren geen enkelen keer rechtuitgeloopen,
wanneer zich een zijstraat of steeg aan hen vertoond had. Aan het einde
van Kennington Lane waren zij links afgeslagen door Bond-Street en
Miles-Street. Waar laatstgenoemde straat naar Knight's Place afloopt,
bleef Toby stilstaan en begon toen voorwaarts en weer terug te
loopen, met een hangend en een opstaand oor, waaruit duidelijk zijne
besluiteloosheid bleek. Daarop begon hij een cirkel om ons heen te
loopen, terwijl hij ons van tijd tot tijd aankeek alsof hij ons om
raad in zijne verlegenheid vroeg.
»Wat drommel is er te doen met den hond?" bromde Holmes; »zij zullen
toch gewis geen rijtuig of luchtballon gebruikt hebben."
»Misschien zijn zij hier eenigen tijd blijven stilstaan," merkte ik op.
»Ha! 't is al in orde. Daar gaat hij weer," zei mijn metgezel, met een
zucht van verlichting. Het was ook zoo, want na rondgesnuffeld te
hebben, scheen hij plotseling een besluit te nemen, en liep hij nog
vlugger en met meer vastberadenheid dan tot nu toe voort. Ik kon aan
Holmes' gelaat zien, dat hij dacht dat wij nu spoedig het einde van
onzen tocht zouden bereiken.
Onzen weg liep nu Nine Elms af tot wij bij de groote timmerwerf van
Boderick en Nelson kwamen, juist voorbij de herberg De witte Arend. Hier
liep de hond, zichtbaar opgewonden, het zijhek in en de werf op, waar
de zagers reeds aan het werk waren. Hier draafde de hond door zaagmeel
en krullen heen de laan in tusschen twee houtstapels door en sprong ten
slotte met vroolijk geblaf op een groot vat, dat nog op den handwagen
stond, waarmede het was binnengebracht. Met uit den bek hangende tong en
schitterende oogen stond Toby op het deksel, terwijl hij ons beurtelings
aankeek, om een teeken van goedkeuring vragende. De naden van het vat en
de wielen van den wagen waren met een donkerkleurig vocht besmeerd, en
de lucht was vol met den reuk van creosoot.
Sherlock Holmes en ik, wij keken elkander als verbijsterd aan en
begonnen toen luidkeels te lachen.