Het drama in Pondicherry Lodge.
Het was omstreeks elf uur toen wij dit einddoel van ons nachtelijk
avontuur bereikten. Wij hadden den vochtigen mist van de groote stad
achter ons gelaten en de avond was zeer schoon. Er woei een zoele wind
uit het Westen en de wolken dreven snel langs het uitspansel, terwijl de
halve maan van tijd tot tijd daartusschen zichtbaar was. Het was helder
genoeg om tot op eenigen afstand te zien, maar toch nam Thaddeus Sholto
een der rijtuig-lantarens ten einde ons beter voor te lichten.
Pondicherry Lodge stond op eigen grond en was omgeven door een zeer
hoogen steenen muur, die van boven met glasscherven voorzien was. Een
enkele, kleine met ijzer beslagen deur vormde den eenigen ingang. Op
deze klopte onze gids op eigenaardige wijze.
»Wie is daar?" riep een grove stem van binnen.
»Ik ben het, Mc. Murdo. Gij kent mijn teeken toch wel." Men vernam een
grommend geluid en het rammelen van sleutels. De deur ging krakend open
en een klein, ineengedrongen man stond in de opening, terwijl het gele
licht van de lantaarn op zijn terugstootend gelaat en gluipende,
wantrouwige oogen viel.
»Gij hier, Mr. Thaddeus? Maar wie zijn de anderen? Ik heb omtrent hen
geene orders van mijn meester ontvangen."
»Niet, Mc. Murdo? Gij verbaast mij! Ik zeide toch gisteravond aan mijn
broeder, dat ik eenige vrienden mede zou brengen."
»Hij is heden nog niet uit zijn kamer geweest, Mr. Thaddeus, en ik heb
dus geene orders. Gij weet immers zeer goed dat ik mij stipt daarnaar te
gedragen heb. Ik kan u binnen laten, maar uwe vrienden moeten blijven
waar zij zijn." Dit was een onverwachte hinderpaal. Thaddeus Sholto
keek hulpeloos om zich heen.
»Dat is toch te erg van u, Mc. Murdo!" zeide hij, »wanneer ik voor hen
insta, is dit voldoende voor u. Hier is de jonge lady ook. Zij kan op
dit uur toch niet buiten wachten."
»Het spijt mij zeer, Mr. Thaddeus," zeide de portier onverbiddelijk,
»deze lieden kunnen =uwe= vrienden zijn, maar daarom nog niet van mijn
meester, hij betaalt mij goed om mijn plicht te betrachten en dat zal ik
dus ook doen. Ik ken geen uwer vrienden."
»O ja, dat doet gij wel, Mc. Murdo," riep nu Sherlock Holmes, »ik kan
niet denken dat ge mij vergeten hebt. Herinnert gij u den amateur die
drie rondes met u vocht bij den wedstrijd te Alison nu vier jaren
geleden?"
»Wel, Mr. Sherlock Holmes!" riep nu de prijsvechter, »hoe is het
mogelijk dat ik u niet herkende? Indien gij in plaats van daar te
blijven staan, vooruitgekomen waart en mij dien kaakslag van u gegeven
hadt, dan zou ik u ongetwijfeld terstond herkend hebben. Gij hebt u toen
kranig gehouden! Gij hadt het ver kunnen brengen, indien gij u op het
boksen hadt toegelegd."
»Gij ziet, Watson, dat ik, als alles mij mocht tegenslaan nog een ander
beroep kan kiezen," zei Holmes lachend, »ik ben er zeker van dat onze
vriend ons nu niet in de kou zal laten staan."
»Zeker, komt gij binnen, sir; gij met uwe vrienden," antwoordde de
portier, »het spijt mij wel, Mr. Thaddeus maar mijne orders zijn strikt.
Ik moest eerst weten wie uwe vrienden zijn, eer ik hen binnenliet."
Van binnen voerde een met kiezel bestrooid pad door een eenzaam veld
naar een hoog, lomp gebouw, dat geheel in de schaduw lag.
De groote omvang van het gebouw gevoegd bij zijn duister voorkomen en de
doodelijke stilte die er heerschte, sloeg ons koud om het hart. Zelfs
Thaddeus Sholto scheen niet op zijn gemak te zijn en de lantaarn beefde
in zijn hand.
»Ik kan het niet begrijpen," zeide hij, »er moet eene vergissing
plaatshebben. Ik deelde Bartholomeus duidelijk mede, dat wij hier zouden
komen en toch is er geen licht aan zijn venster. Ik weet niet wat ik
ervan denken moet."
»Houdt hij altijd zoo zijne beloften?" vroeg Holmes.
»Ja; hij heeft de gewoonten mijns vaders overgenomen. Hij was de
bevoorrechte zoon, en somwijlen denk ik dat mijn vader hem meer
geopenbaard heeft dan mij. Daar waar nu de maan op schijnt, is
Bartholomeus' venster. Ik geloof niet dat er binnen licht brandt."
»Neen," zei Holmes, »maar wel zie ik den schijn van een licht door dat
kleine venster naast de deur."
»O, dat is de kamer waar de oude huishoudster, Mrs. Bernstone, zit. Zij
kan ons er alles van vertellen.--Doch stil, wat is dat?"
Hij hield de lantaarn omhoog, en zijn hand beefde zoodanig dat wij als
het ware te midden der flikkerende lichtstralen stonden. Miss Morstan
greep mijn hand en wij bleven allen met kloppend hart staan luisteren.
Uit het groote, donkere huis klonk ons het afgebroken angstgeschrei
eener vrouw tegen.
»Dat is Mrs. Bernstone," zei Sholto, »zij is de eenige vrouw in huis.
Wacht hier, ik zal in een oogenblik terug zijn."
Hij snelde op de deur toe en klopte op zijn bizondere wijze. Wij zagen
dat een oude vrouw hem binnen liet en van vreugde opsprong toen zij hem
zag.
»O, Mr. Thaddeus, wat ben ik blijde dat gij gekomen zijt!" riep zij
herhaaldelijk.
Wij hoorden haar gebabbel totdat de deur gesloten was en haar stem in
een verwijderd gegons wegstierf.
Onze gids had de lantaarn in ons bezit gelaten. Holmes onderzocht bij
het licht ervan het huis en de groote puinhoopen die er omheen lagen.
Miss Morstan en ik stonden naast elkander en haar hand rustte in de
mijne. De liefde is toch een wonderlijk iets; want hier stonden wij,
die elkander vóór dezen dag nog nooit gezien hadden, tusschen wie nog
nimmer een woord of blik van genegenheid gewisseld was, en toch zochten
zich in dit uur van ongerustheid ons beider handen. Later heb ik mij
erover verwonderd, maar toen scheen het mij de natuurlijkste zaak der
wereld, en zooals zij mij dikwijls verhaalde, gevoelde ook zij zich
instinctmatig ertoe gedreven om bij mij bescherming te zoeken. Zoo
stonden wij dus hand in hand als twee kinderen, en ondanks al de
duistere zaken die ons omringden, heerschte er vrede in onze harten.
»Wat vreemdsoortige plaats!" zeide zij, om zich heen ziende.
»Het schijnt alsof al de mollen van Engeland hier losgelaten werden.
Ik heb eens iets soortgelijks gezien in den omtrek van Ballarat, waar
de ontginners aan het werk waren geweest."
»En om dezelfde reden," zei Holmes. »Dit zijn de sporen der
schatzoekers. Gij moet bedenken dat zij er gedurende zes jaren naar
gezocht hebben. Geen wonder dus dat de bodem er uitziet als een
grindgroeve."
Op dit oogenblik vloog de huisdeur open en kwam Thaddeus Sholto met
uitgestrekte handen en met het voorkomen van den grootsten angst en
ontsteltenis op ons toeloopen.
»Er is iets niet in den haak met Bartholomeus!" riep hij, »ik ben bang.
Mijne zenuwen kunnen dat niet doorstaan."
Hij was inderdaad half dood van angst en zijn zwak gelaat, dat even uit
den grooten Astrakan-kraag te voorschijn kwam, geleek volkomen op dat
van een banggemaakt kind.
»Komaan, naar binnen," zei Holmes op zijn korten, gebiedenden toon.
»Ja, doe dat," smeekte Thaddeus Sholto, »ik gevoel mij werkelijk niet
instaat om maatregelen te nemen."
Wij volgden hem gezamenlijk in de kamer der huishoudster, die ter
linkerzijde van de gang was gelegen. De oude vrouw liep op en neer, met
een onrustigen blik, maar de verschijning van Miss Morstan had een
kalmeerende uitwerking op haar.
»God zegene uw lief, kalm gelaat!" riep zij, zenuwachtig snikkend, »het
doet mij goed u te zien. O, want ik heb heden een dag vol angst
doorgebracht."
Onze metgezel greep hare magere, door het werk vereelte hand en sprak op
zachten, liefderijken toon, bemoedigende woorden tot de oude vrouw.
»Mijn meester heeft zich opgesloten, en wil mij geen antwoord geven,"
verklaarde zij. »Den ganschen dag heb ik gewacht, of ik ook iets van
hem zou vernemen, want hij is gewoon zeer dikwijls alleen te blijven;
maar een uur geleden maakte ik mij zoodanig ongerust, dat ik het waagde
naar boven te gaan, en door het sleutelgat te kijken. Gij moet naar
boven gaan, Mr. Thaddeus,--gij moet u zelf gaan overtuigen. Ik heb Mr.
Bartholomeus Sholto gedurende tien jaren in vreugde en leed gezien, maar
ik zag hem nog nooit met een gelaat als straks."
Sherlock Holmes nam de lamp en ging ons voor, want Thaddeus Sholto's
tanden klapperden hoorbaar. Hij was zoozeer geschokt dat ik mijn hand
door zijn arm moest steken toen hij de trap opstrompelde, want zijn
knieën beefden. Tweemalen haalde Holmes op de trap zijn lens uit zijn
zak en onderzocht nauwkeurig enkele vlekken, die mij niet anders dan
stof toeleken op den kokosnoten traplooper. Hij stapte langzaam van de
eene trede op de andere, terwijl hij de lamp in de laagte hield en
oplettend naar links en rechts keek. Miss Morstan was beneden bij de
angstige huishoudster gebleven.
De derde trap voerde naar een tamelijk lange gang, waarin rechts een
groot Indiaansch-geweven schilderstuk hing, en links drie deuren
zichtbaar waren. Holmes liep die door met denzelfden langzamen en
onhoorbaren stap, terwijl wij hem op den voet volgden. De derde deur was
degene, die wij zochten. Holmes klopte aan, zonder eenig antwoord te
ontvangen, en trachtte toen de kruk om te draaien en haar open te
duwen. Zij was echter aan de binnenzijde met een zeer zwaren grendel
gesloten, iets wat wij konden zien, toen wij de lamp er vlak voor
hielden. Daar de sleutel achter uit het slot genomen was, was het
sleutelgat niet geheel dicht. Sherlock Holmes legde zijn oog er tegen,
en richtte zich onmiddellijk met ingehouden adem overeind.
»Hier schuilt iets duivelachtigs achter, Watson," zeide hij meer
opgewonden dan ik hem nog ooit gezien had.
»Wat maakt gij eruit op?"
Ik keek door de opening en deinsde ontzet terug. De maneschijn viel in
de kamer, zoodat deze schemerachtig verlicht was. Mij aanstarende en als
het ware in de lucht zwevende, doordien beneden alles in de schaduw lag,
hing daar een gelaat,--hetzelfde als dat van onzen metgezel Thaddeus.
Hetzelfde groote glimmende hoofd, dezelfde kring van rood, borstelig
haar, en hetzelfde bloedlooze gelaat. Maar de trekken ervan waren tot
een afschuwelijken grimlach verwrongen, die het geheel op een lachend
doodshoofd deden gelijken. Het gezicht geleek echter zoo sprekend op
dat van onzen vriend, dat ik naar hem omkeek om mij te overtuigen of hij
inderdaad nog bij ons was. Toen herinnerde ik mij plotseling dat hij ons
gezegd had, dat hij en zijn broeder tweelingen waren.
»Dat is verschrikkelijk!" zeide ik tot Holmes, »wat staat ons te doen?"
»De deur moet geopend worden," antwoordde hij en dit zeggende wierp hij
zich met al zijn kracht er tegen. Zij kraakte en dreunde, doch week
niet. Nu duwden wij haar te zamen met alle inspanning naar binnen, en
ten slotte vloog zij open en stonden wij in de kamer van Bartholomeus
Sholto.
Deze kamer scheen tot een chemisch laboratorium te zijn ingericht. Er
stond een dubbele rij van gesloten glazen, flesschen en potten op een
plank tegenover de deur en de tafel was beladen met spiritus-lampen,
toetssteenen en retorten. In een hoek stonden omvlochten kruiken met
scherpe zuren. Een daarvan scheen gebarsten of gebroken te zijn, want er
was een donkerkleurig vocht uitgelekt en de lucht was vervuld met een
buitengewoon scherpen, teerachtigen reuk. Aan eene zijde der kamer waren
eenige treden aangebracht voor een ladder en daarboven bevond zich een
opening in de zoldering, groot genoeg om een man door te laten. Aan den
voet van deze treden lag een lang touw, blijkbaar op onverschillige
wijze weggeworpen.
Bij de tafel zat de eigenaar van het huis ineengedoken in een houten
armstoel, met zijn hoofd op den rechterschouder gezonken, en dien
spookachtigen, afschuwelijken lach op zijn gelaat. Hij was stijf en
koud en was blijkbaar reeds sedert verscheidene uren gestorven. Het
scheen mij toe dat niet slechts zijn gelaat, maar ook al zijne ledematen
verwrongen en verdraaid waren. Naast zijn hand op de tafel lag een
vreemdsoortig instrument:--een bruine, knoestige stok met een steenen
knop in den vorm van een hamer, die er op ruwe wijze met bamboesstrooken
aan verbonden was. Daarneven lag een stuk papier waarop eenige woorden
gekrabbeld waren. Holmes wierp er een blik op en reikte het toen aan mij
over.
»Gij ziet," zeide hij met een veelbeteekenenden oogopslag.
Bij het licht van de lantaarn las ik, met een schok van ontzetting: »Het
teeken der vier."
»In 's Hemelsnaam, wat beteekent dit?" vroeg ik.
»Het beteekent moord," antwoordde hij, den doode naderende. »Ha! ik
verwachtte het. Zie hier!"
Hij wees naar een donkerkleurigen doorn, die juist achter het oor uit de
huid stak.
»Het schijnt wel een doorn te zijn," zeide ik.
»Dat is het ook. Gij moogt er hem vrij uithalen. Doch wees voorzichtig,
want hij is vergiftig."
Ik nam het voorwerp tusschen vinger en duim. Het liet zoo gemakkelijk
los dat er nauwelijks een teeken achterbleef. Een kleine droppel bloed
toonde aan waar de punt was doorgedrongen.
»Dit is alles een onbegrijpelijk geheim voor mij," zeide ik, »het wordt
mij hoe langer hoe meer onverklaarbaar."
»Integendeel," antwoordde hij, »het heldert elk oogenblik al meer op. Er
ontbreken mij slechts eenige aanwijzingen om een volkomen samenhangend
geval vast te stellen."
Wij hadden sedert wij de kamer waren binnengedrongen bijna de
tegenwoordigheid van onzen metgezel vergeten. Hij stond nog op den
drempel als de verpersoonlijkte ontzetting, zijn handen wringende en in
zich zelve klagende. Plotseling echter schreeuwde hij met een door merg
en been dringende stem:
»De schat is weg! Zij hebben hem den schat ontroofd! Daar is de opening
waardoor wij hem omlaag lieten. Ik was hem daarbij behulpzaam! Ik heb
hem het laatst gezien! Ik verliet hem hier gisteravond, en toen ik de
trap afging, hoorde ik hem de deur sluiten."
»Op welk uur was dat?"
»Om tien uur. En nu is hij dood, en zal de politie geroepen worden, en
zal men mij verdenken er de hand in gehad te hebben. O ja, daar ben ik
zeker van. Maar gij denkt toch zoo niet, heeren? Neen, gewis? gij denkt
niet dat ik het geweest ben? Zou ik u dan wel hierheen gebracht hebben?
O wee! o wee! ik weet zeker dat ik krankzinnig wordt!"
Hij zwaaide met zijne armen, en stampte met zijne voeten in de grootste
overspanning.
»Gij hebt niets te vreezen, Mr. Sholto," zei Holmes, hem vriendelijk
de hand op den schouder leggende, »volg mijn raad, rijd snel naar het
station om de zaak aan de politie mede te deelen. Bied hen aan om hen in
alles ten dienste te zijn. Wij zullen hier uwe terugkomst afwachten."
[Illustratie: »Het is het teeken der vier!" Blz. 46.]