Sherlock Holmes maakt gevolgtrekkingen.
»En nu, Watson," zei Holmes in zijne handen wrijvende, »hebben wij een
half uur voor ons. Laat ons er een goed gebruik van maken. Het geval is,
zooals ik u reeds gezegd heb, voor mij reeds bijna compleet; maar wij
mogen niet te veel meer op ons zelve vertrouwen. Hoe eenvoudig de zaak
thans ook schijnt, kan er toch nog het een of ander achter schuilen."
»Eenvoudig?" riep ik.
»Gewis," antwoordde hij met het voorkomen van een professor in de
scheikunde, die voor zijn klas doceert, »zet u in gindschen hoek neder
opdat uwe voetstappen de dingen niet in de war brengen. En nu aan
het werk! In de eerste plaats: op welke wijze zijn die lieden hier
binnen gekomen en weder vertrokken? De deur is sedert den vorigen avond
niet geopend geworden.--Hoe staat het met het venster?" Dit zeggende
naderde hij dit met de lamp in zijn hand, terwijl hij onderwijl zijne
opmerkingen overluid herhaalde, doch eer tot zich zelve dan tegen mij:
»Het raam is aan de binnenzijde gegrendeld. Houtwerk zeer stevig. Geen
hengsels aan de zijden. Wij zullen het eens open maken. Geen regenpijp
in de nabijheid. De zoldering buiten alle bereik. Toch is een man langs
het raam opgeklommen. Het regende gisteravond een weinig. Hier is de
afdruk van een voet in slijk op het kozijn. En daar is een rond modderig
afdruksel, en hier weder, en ginds bij de tafel. Ziehier, Watson! Dit is
werkelijk een zeer aardige ontdekking." Ik zag overal duidelijke ronde
plekken op den vloer.
»Dat is geen voetstap," zeide ik.
»Het is iets van veel grooter waarde voor ons. Het is de afdruk van een
houten been. Hier op het kozijn ziet gij den afdruk van een grooten
schoen met breeden, beslagen hak, en daarnaast dien van een houten
been."
»Dat is de man met het houten been!" riep ik.
»Juist. Maar er is ook nog een ander geweest,--een zeer handig en
werkdadig bondgenoot. Zoudt gij dien muur kunnen overklimmen, dokter?"
Ik keek uit het geopend venster. De maan scheen nog helder op den hoek
van het gebouw. Wij stonden ruim zestig voet boven den beganen grond, en
waar ik mijn oog ook richtte, kon ik niet de minste holte in den steilen
muur ontdekken.
»Het is volstrekt onmogelijk," antwoordde ik.
»Zonder hulp zeker. Maar veronderstel eens dat zich hierboven een goed
vriend van u bevond, die u dit stevig touw, dat in gindschen hoek ligt,
omlaagliet, nadat hij het eene einde aan dezen stevigen haak in den
muur zou hebben vastgemaakt. Dan geloof ik wel dat gij, zoo gij een
ondernemend man waart, u met houten been en al naar boven zoudt werken.
Het spreekt vanzelve dat gij op dezelfde wijze zoudt heengaan; waarna
uw kameraad het touw omhoog zou halen, het van den haak zou losmaken,
het raam zou sluiten en van binnen grendelen, en vertrekken langs den
weg dien hij oorspronkelijk gekomen was. Als een punt van ondergeschikt
belang moge worden aangemerkt," vervolgde hij op het touw wijzende, »dat
onze vriend met het houten been, ofschoon een bekwaam klimmer zijnde,
geen volleerd zeeman was. Zijne handen waren verre van vereelt. Ik
bespeur door mijn lens, vooral aan het einde van het touw, meer dan één
bloedig teeken, waaruit ik opmaak dat hij zoo overhaast omlaag gleed,
dat hem de huid van zijn hand werd afgeschuurd."
»Dit is alles zeer goed," zeide ik, »maar de zaak wordt mij al meer en
meer onbegrijpelijk. Hoe dan met dien geheimzinnigen medeplichtige? Op
welke wijze kwam hij in de kamer?"
»Ja, de medeplichtige?" herhaalde Holmes nadenkend, »dat schijnt niet
van belang ontbloot te zijn. Ik veronderstel dat deze een nieuweling
is in de lijfstraffelijke geschiedenis van Engeland;--hoewel dusdanige
gevallen zich wel in Indië hebben voorgedaan en indien mijn geheugen mij
niet bedriegt, in het bizonder op Senegambië."
»Hoe kwam hij dan binnen?" hernam ik, »de deur is gesloten en het raam
is ontoegankelijk. Wat denkt gij van den schoorsteen?"
»De opening is te klein," antwoordde hij, »aan deze mogelijkheid had ik
reeds gedacht."
»Zeg dan op?" drong ik aan.
»Gij wilt mijn voorschrift niet opvolgen," zeide hij zijn hoofd
schuddende; »hoe dikwijls heb ik niet gezegd, dat, wanneer gij de
onmogelijkheid van iets hebt vastgesteld, hetgeen er alsdan overblijft,
hoe onwaarschijnlijk ook, de waarheid moet wezen? Wij weten dat hij
noch door de deur, noch door den schoorsteen, noch door het raam is
binnengekomen. Tevens weten wij dat hij niet in de kamer verborgen kan
zijn geweest, omdat daartoe geen gelegenheid bestaat. Waar kwam hij dan
vandaan?"
»Door de opening in het plafond!" riep ik.
»Wel zeker; dat moet! Indien gij zoo goed wilt wezen om de lamp voor mij
vast te houden, dan zullen wij nu ons onderzoek voortzetten in het
geheim vertrek hierboven, waar de schat gevonden werd."
Hij liep de treden op en met elke hand een lat grijpende, haalde hij
zich door de opening omhoog. Toen legde hij zich voorover, waarop ik hem
de lamp overreikte en hem volgde.
De kamer, waarin wij ons thans bevonden, was omstreeks tien voet lang en
zes voet breed. De vloer bestond uit de latten van het plafond met een
dunne laag pleister er tusschen in, zoodat men, als men liep, van den
eenen balk op den andere moest overstappen.
De zoldering liep driehoekig omhoog en was blijkbaar de binnenzijde van
het dak. Er stond niet het minst meubilair, en het stof lag zeer dik op
den vloer.
»Hier ziet gij," zei Sherlock Holmes, terwijl hij zijn hand tegen den
schuinoploopenden muur bracht, »een trapdeur die naar de vliering voert.
Ik kan haar openduwen. En hier is de vliering zelve. Dit is dus de weg,
dien nommer één genomen heeft om binnen te komen. Laat ons zien of wij
eenig spoor omtrent zijne persoonlijkheid kunnen vinden."
Hij hield de lamp omlaag en toen hij den vloer ermede verlichtte, zag
ik wederom dien van verbazing getuigenden blik in zijne oogen. Doch
toen ik dien blik volgde, werd ik koud tot op mijn gebeente toe. De
vloer vertoonde overal het spoor van een naakten voet, zeer duidelijk
afgedrukt, van volmaakten vorm, doch nauwelijks de halve afmeting
hebbende van dien van een gewoon man.
»Holmes," fluisterde ik, »een kind heeft deze afschuwelijke daad
verricht."
In een oogenblik had hij zijne zelfbeheersching herwonnen.
»Ik was voor een oogenblik in de war," zeide hij, »maar de zaak is zeer
natuurlijk. Mijn geheugen liet mij in den steek, anders zou ik het
terstond begrepen hebben. Hier valt voor ons niets meer te leeren. Laat
ons omlaag gaan."
»Welke is dan uwe theorie omtrent deze voetstappen?" vroeg ik
nieuwsgierig toen wij weder in de benedenkamer waren.
»Mijn beste Watson, tracht uw eigen analyse te maken," antwoordde hij
ongeduldig, »gij kent mijne methode. Breng ze in toepassing, en het zal
leerzaam voor u zijn om de uitkomsten te vergelijken."
»Ik kan geen veronderstelling maken, die de feiten met elkander in
verband brengt," zeide ik.
»Het zal u weldra duidelijk genoeg zijn," sprak hij ontwijkend. »Ik denk
dat hier niets belangrijks meer te vinden is; doch ik zal eens
rondzien."
Hij nam zijn lens en een maatstok, en kroop op zijn knieën de kamer
rond, al metende, vergelijkende en onderzoekende, met zijn langen
smallen neus slechts een paar duim van de planken verwijderd, terwijl
zijne oogen er met buitengewone scherpte op gevestigd waren als die van
een vogel, die naar voedsel zoekt. Zijne bewegingen waren zoo vlug en
onhoorbaar en geleken zoozeer op die van een afgerichten bloedhond, die
een spoor moet ontdekken, dat ik onwillekeurig de gedachte in mij voelde
opkomen, wat een verschrikkelijk misdadiger hij zou hebben kunnen
worden, indien hij zijn geestkracht en moed tegen de Wet gekeerd had,
inplaats van ze ter harer verdediging aan te wenden. Terwijl hij zoo
voortwipte, prevelde hij gestadig in zich zelven en slaakte ten slotte
een blijden uitroep.
»Wij hebben waarlijk geluk," zeide hij, »wij zullen nu zeer weinig
moeite hebben. Nommer één heeft het ongeluk gehad om in de creosoot te
stappen. Gij kunt hier den uitersten omtrek van zijn kleinen voet zien,
ter zijde van dit kwalijk riekend vocht. De kruik is gebarsten, en de
inhoud is er uitgelekt."
»En wat dan?" vroeg ik.
»Wel, wij hebben hem, dat is alles," zeide hij, »ik ken een hond die
dezen reuk zou volgen tot aan het einde der wereld. Indien een
haringvisscher den haring op een afstand kan ruiken, hoe ver kan dan een
bizonder afgerichten hond een zoo doordringenden reuk als dezen volgen?
Het lijkt wel wat op een som uit den regel van drieën. Het antwoord zou
ons de.... Maar, hallo! daar zijn de vertegenwoordigers der Wet."
Zware voetstappen en de klank van luide stemmen werden van beneden
vernomen en de buitendeur werd met een zwaren slag dichtgeworpen.
»Voor zij boven komen," zei Holmes, »kunt ge nog even met uw hand den
arm en het been van dezen armen kerel aanraken."
»De spieren zijn zoo hard als ijzer," antwoordde ik.
»Juist. Zij zijn in een staat der zwaarste verstijving, veel erger dan
de gewone =rigor mortis=. Wanneer gij daarbij let op de vreemdsoortige
verwrongenheid van het gelaat en dezen Hippocratischen glimlach, of
»=risus sardonicus=", zooals de oude schrijvers dien noemen, welke
gevolgtrekking zoudt gij dan uit deze verschijnselen maken?"
»Gestorven tengevolge van een uiterst vergiftige plant," antwoordde ik,
»een of andere op strychnine gelijkende stof, die =tetanos= (doodskramp)
veroorzaakt."
»Dit was het eerste idee dat bij mij opkwam, zoodra ik de verwrongen
gelaatsspieren zag. Toen ik de kamer binnenkwam, keek ik onmiddellijk
naar het lijk, om te zien op welke wijze hem het vergif was toegediend.
Gij zaagt mij immers een doorn van achter zijn oor verwijderen.
Onderzoek nu dezen doorn."
Ik nam hem voorzichtig op en beschouwde hem bij het licht der lantaarn.
Hij was lang, scherp en zwart en glasachtig aan de punt, alsof er eene
gomachtige zelfstandigheid op gedroogd was. Het stompe einde was met een
mes afgerond.
»Is dit een Engelsche doorn?" vroeg hij.
»In geen geval."
»Met al deze gegevens zoudt gij in staat zijn een juist oordeel omtrent
de zaak te vellen.--Maar, daar zijn de bevoegde machten, dus moeten de
onbevoegden het veld ruimen."
Terwijl hij dit zeide klonken zware voetstappen in de gang, en terstond
daarop stapte een zeer zwaar gebouwd man, met trotsch uiterlijk, in een
grijs kostuum gekleed, het vertrek binnen. Hij had een hoogrood, vet en
volbloedig gelaat, met een paar zeer kleine, beweeglijke oogen. Hij werd
op den voet gevolgd door een inspecteur in uniform en door den nog
bevenden Thaddeus Sholto.
»Hier is aardig wat te doen!" riep hij met een heeschen neusklank, »maar
wie zijn dit? Wel, het huis schijnt even vol te wezen als een
konijnenhok!"
»Mij dunkt dat gij u mij wel moet herinneren, Mr. Athelney Jones,"
zeide Holmes kalm.
»Wel, dat spreekt van zelve!" schreeuwde hij, »het is Mr. Sherlock
Holmes, de theorist. Herinner je eens! Ik zal nooit vergeten hoe gij ons
allen een lesje gaaft omtrent oorzaken, bijkomende omstandigheden en
gevolgen, in het geval van de juweelen van Bishopsgate. Het is waar, gij
bracht ons op het juiste spoor, maar gij zult thans zelf toestemmen dat
het meer aan goed geluk, dan aan uwen leiddraad te danken was."
»Het was niets dan een eenvoudige redeneering."
»Och kom, kom! Niet àl te nederig zijn! Maar wat is dit alles hier?
Kwaad werk! Ernstige feiten hier, geen gelegenheid voor theorieën. Hoe
gelukkig dat ik juist te Norwood aanwezig was voor een ander geval! Ik
was juist aan het station toen de boodschap aankwam. Waaraan denkt ge
dat de man gestorven is?"
»Och, het is nauwelijks een geval voor mij om er theorie over te
houden," zei Holmes droog.
»Neen, neen. Wij kunnen niet loochenen dat gij somwijlen den spijker op
den kop slaat. Wel, wel! Deur gesloten, dat begrijp ik. Voor een half
millioen aan juweelen vermist. Hoe stond het met het venster?"
»Gegrendeld; doch er zijn voetstappen op het kozijn."
»Wel, wel; als het gesloten was, dan konden de voetstappen niets met
de zaak te maken hebben. Dat is elk met mij eens. De man zou aan een
beroerte gestorven kunnen zijn; maar dan, de vermiste juweelen. Ha!
ik heb een theorie. Ik heb zoo van tijd tot tijd van die plotselinge
ingevingen.--Ga eens naar buiten, sergeant, en gij ook, Mr. Sholto. Uw
vriend kan hier blijven.--Wat denkt gij hiervan, Holmes? Sholto was
volgens zijn eigen bekentenis, gisteravond bij zijn broeder. De broeder
bleef in een beroerte, waarop Sholto zich met den schat uit de voeten
maakte? Hoe vindt ge dat?"
»Waarop de doode man zonder bedenken opstond, de deur sloot en
grendelde."
»Hum! Dat is mis. Laat ons de zaak in algemeenen zin beschouwen. Deze
Thaddeus Sholto was bij zijn broeder; er ontstond een twist; voor zoover
wij weten. De broeder is dood en de juweelen zijn heen. Dat ook zoover
wij weten. Niemand zag den broer sedert Thaddeus hem verliet. Zijn bed
is niet beslapen. Thaddeus is blijkbaar zeer onrustig. Zijn persoon
is--welnu: niet aantrekkelijk. Gij ziet dat ik mijn web om Thaddeus
spin. Het net sluit hem al meer en meer in."
»En toch zijt gij nog niet op de hoogte der feiten," zei Holmes, »deze
houtsplinter, die, naar ik alle reden heb te gelooven, vergiftigd is,
stak achter het oor van den man, zooals gij daar nog zien kunt, deze
kaart zooals gij haar thans ziet, lag op de tafel en daarnaast lag dit
vreemdsoortig instrument met steenen knop. Hoe past dit alles in uwe
theorie?"
»Dat ben ik volkomen met u eens," zei de dikke detective op blufferigen
toon, »het huis is vol Indische curiositeiten. Thaddeus bracht die
hierheen, en indien de splinter vergiftigd is, dan kan Thaddeus er
evengoed een moorddadig gebruik van hebben gemaakt als eenig ander. De
kaart is een soort hocus-pocus--een nietsbeteekenend fopmiddel. De
eenige vraag is, langs welken weg ging hij heen? Ha, dat spreekt van
zelve, hier is een opening in het plafond."
Met groote vlugheid, in aanmerking genomen zijn zwaarlijvigheid, sprong
hij de treden op, wrong zich op de vliering en onmiddellijk daarop
hoorden wij hem met opgewonden stem naar beneden roepen, dat hij de
trapdeur gevonden had.
»Hij kan wel iets vinden," merkte Holmes op, terwijl hij zijne schouders
optrok, »want hij heeft somwijlen aanvallen van verstand! =Il n'y-a pas
de sots si incommodes que ceux qui ont de l'esprit!="
»Ziet gij nu wel!" riep Athelney Jones, de ladder weder afdalende,
»alles wel beschouwd zijn feiten toch beter dan theorieën. Mijn
gezichtspunt omtrent de zaak staat vast. Daar is een trapdeur die met
den zolder in verbinding staat en deze staat gedeeltelijk open."
»Ik heb haar opengemaakt."
»Zoo? Inderdaad? Merktet gij dit dan ook op?"
Hij scheen door deze mededeeling een weinig teleurgesteld. »Wie het
echter ook opmerkte, het bewijst hoe onze gentleman de plaat poetste.
Inspecteur!"
»Ja sir," klonk het uit de gang.
»Vraag Mr. Sholto hierheen te komen.--Mr. Sholto, het is mijn plicht
u mede te deelen, dat elk woord dat gij zoudt spreken tegen u zal
getuigen. Ik arresteer u in naam der Koningin als betrokken te zijn in
den dood van uwen broeder."
»Daar hebt ge het al! Heb ik het u niet gezegd!" schreide het arme
mannetje, zijne handen uitstrekkende en elk onzer beurtelings in het
gelaat ziende.
»Maak u er niet ongerust over, Mr. Sholto," zei Holmes, »ik denk dat ik
in staat zal zijn uwe onschuld te bewijzen."
»Beloof niet te veel, mijnheer Theorist!" herhaalde de detective, »het
zou u bezwaarlijker vallen dan gij denkt."
»Ik zal niet alleen bewijzen dat hij aan deze zaak part noch deel heeft,
Mr. Jones, maar ik zal u een geschenk aanbieden, bestaande in den naam
en de beschrijving van een der twee personen, die in den afgeloopen
nacht in deze kamer zijn geweest. Ik heb alle reden te gelooven dat
zijn naam Jonathan Small is. Hij is een arm opgevoed man, klein en
onbeweeglijk; hij mist zijn rechterbeen en draagt daardoor een houten
stomp, die aan de binnenzijde is afgesleten. Zijn linkerschoen heeft een
grove, vierkante zool en een hoefijzer onder den hak. Hij is een man van
middelbaren leeftijd, zeer door de zon gebruind en is een ontvlucht
veroordeelde. Deze weinige gegevens zouden u van eenigen dienst kunnen
zijn, gevoegd bij het feit dat een groote lap vel van zijn hand is
afgeschaafd. De andere man...."
»Ha! de andere man?" vroeg Athelney Jones met snerpende stem, maar,
zooals ik duidelijk zien kon, niet het minst onder den indruk van de
zekerheid in het voorkomen van Holmes.
»Is een meer vreemdsoortige persoon," antwoordde Sherlock Holmes, zich
op zijn hiel omdraaiende, »ik hoop u binnen kort met beiden in kennis te
brengen. Een woord tot u, Watson."
Hij geleidde mij naar de trap.
»Deze onverwachte loop der zaak," zeide hij, »is oorzaak dat wij het
eigenlijke doel van onze reis moeten missen."
»Dat dacht ik juist ook," antwoordde ik, »het is niet goed dat Miss
Morstan langer in dit akelig huis blijft."
»Neen. Gij moet haar naar huis brengen. Zij woont bij Mrs. Cecil
Forrester, in Lower Camberwell, dus niet zeer ver van hier. Indien gij
terug wilt komen, zal ik u hier wachten. Of misschien zijt ge te
vermoeid?"
»In geen geval. Ik geloof niet dat ik zou kunnen rusten, alvorens ik
meer omtrent deze onbegrijpelijke aangelegenheid vernomen zal hebben. Ik
heb wel iets van de ruwe zijde des levens gezien, maar ik moet u eerlijk
bekennen, dat deze snelle opvolging van vreemdsoortige verrassingen van
heden avond mijne zenuwen ten zeerste geschokt heeft. Nu ik zoover
gegaan ben, zou ik de zaak wel geheel met u willen mede maken."
»Uwe tegenwoordigheid zal mij van grooten dienst zijn," antwoordde
hij, »wij zullen het geval onafhankelijk behandelen, en laten dezen
Jones zijn gang gaan. Als gij Miss Morstan zult hebben thuis gebracht,
wenschte ik dat gij u naar No. 3 Pinchin Lane zoudt begeven, dichtbij
den waterkant te Lambeth. In het derde huis aan de rechterhand woont een
opzetter van gevogelte, met name Sherman. Gij zult een opgezette wezel,
die een jong konijn vasthoudt, voor het raam zien staan. Klop den ouden
Sherman op en zeg hem, uit mijn naam, dat ik onmiddellijk behoefte heb
aan Toby. Breng Toby dan met u mede terug in het rijtuig."
»Een hond, naar ik veronderstel."
»Ja, een leelijk mormel, met een verbazingwekkend reukvermogen. Ik stel
meer prijs op Toby's hulp dan op die van al de detectiven van Londen."
»Ik zal hem medebrengen," zeide ik. »Het is nu één uur. Indien ik een
versch paard kan krijgen, denk ik nog voor drieën terug te zijn."
»En ik," zei Holmes, »zal inmiddels zien wat ik van Mrs. Bernstone
gewaar kan worden, en van den Indiaanschen bediende, die, zooals Mr.
Thaddeus mij gezegd heeft, op de vliering slaapt. Vervolgens zal ik de
methode van den grooten Jones bestudeeren, en naar zijne niet al te
beschaafde sarcasmen luisteren. »=Wir sind gewohn dass die Menschen
verhöhen was sie nicht verstehen.="