VIERDE HOOFDSTUK.

De geschiedenis van den kaalhoofdigen man.

Wij volgden den Indiaan door een morsige gang tot wij voor een deur ter

rechterzijde kwamen die hij openduwde. Een stroom geelachtig licht viel

ons tegemoet, en in het midden van dien schijn stond een kleine man met

een zeer groot hoofd, dat met een kring van rood, borstelig haar omgeven

was en overigens in een glimmend kale puntkruin uitliep. Hij wreef zijne

handen terwijl zijne gelaatstrekken in voortdurende beweging waren:--nu

eens grijnslachend, dan weder kauwend, maar geen enkel oogenblik in

rust. De Natuur had hem met een hanglip bedeeld en daardoor was de

rij zijner gele, onregelmatige tanden al te zichtbaar, iets wat hij

tevergeefs trachtte te verbergen door onophoudelijk met zijn hand

over zijn onderkaak te wrijven. Niettegenstaande zijne buitengewone

kaalhoofdigheid, was hij niet ouder dan dertig jaar.

»Uw dienaar, Miss Morstan," riep hij herhaaldelijk op schrillen toon,

»uw dienaar, mijne heeren. Ik bid u, treed mijn klein heiligdom binnen.

Een kleine woning, Miss, maar naar mijn eigen smaak ingericht. Een soort

oase in deze beklagenswaardige wildernis van Zuidelijk-Londen."

Wij waren allen verbaasd wegens het uiterlijk van het vertrek waarbinnen

hij ons uitnoodigde. Het geleek in dit onaanzienlijke huis als een

diamant van het zuiverst water in koper gevat. De rijkste en kostbaarste

gordijnen en tapijten bedekten de wanden, hier en daar teruggeschoven,

ten einde plaats te laten voor een schilderstuk of Oostersche vaas.

Het vloerkleed was amberkleurig, en zoo zacht en dik dat de voet erin

wegzonk als in een donzen bed. Twee groote tijgerhuiden, en een op een

standaard staande hookah (Oostersche tabakspijp) gaven het geheel het

voorkomen van Oostersche weelde. Een lamp, in den vorm van een zilveren

duif, hing aan een zeer dunne vergulde ketting in het midden der kamer.

Terwijl zij brandde vervulde zij de lucht met een zachten aromatischen

geur.

»Mr. Thaddeus Sholto," zei de kleine man, steeds kauwend en grimlachend,

»zoo is mijn naam. Gij zijt dus Miss Morstan. En deze heeren?"

»Deze is Mr. Sherlock Holmes, en deze Dr. Watson."

»Een dokter, hé?" riep hij opgewonden, »hebt gij uw stethoscoop bij u?

Zou ik u mogen verzoeken,--zoudt gij zoo vriendelijk willen zijn? Ik

twijfel ten zeerste aan mijn hart-klep; indien gij de goedheid zoudt

willen hebben. Ik ben er zeker van dat het in de hart-ader schuilt, maar

omtrent de klep zou ik uw oordeel zeer gaarne vernemen."

Ik luisterde naar zijn hart, doch kon niets afwijkends opmerken, behalve

dat hij zich in een angstigen toestand bevond, want hij rilde over zijn

gansche lichaam.

»Het schijnt normaal te wezen," zeide ik, »gij hebt geen reden u

ongerust te maken."

»Gij moet mijne angstigheid vergeven, Miss Morstan," merkte hij op,

»ik lijd zeer veel en vreesde altijd voor een hartader-breuk. Ik ben

verheugd te hooren dat daar geen gevaar voor bestaat. Indien uw vader

meer op zijn hart gelet had, Miss Morstan, dan ware hij misschien thans

nog in leven."

Ik zou den man wel in het gelaat hebben kunnen slaan, zoozeer verdroot

mij deze onhandige opmerking.

Miss Morstan zette zich neder en haar gelaat werd wit tot zelfs hare

lippen toe.

»Ik gevoelde in mijn hart dat hij overleden was," zeide zij.

»Ik kan u alle mogelijke inlichtingen verschaffen," vervolgde hij,

»en dat wil ik ook, wat mijn broeder Bartholomeus ook moge zeggen. Ik

ben zoo blijde dat gij vrienden bij u hebt, niet alleen als een geleide

voor u, maar tevens als getuigen bij hetgeen ik voornemens ben te doen

en te zeggen. Wij kunnen met ons drieën broeder Bartholomeus beter te

woord staan. Doch laat ons er noch politie noch andere ambtenaren in

mengen. Wij kunnen alles voldoende onderling regelen, zonder eenige

tusschenkomst van anderen. Niets zou broeder Bartholomeus meer hinderen

dan publiciteit."

Hij zette zich op een langen zetel, en keek ons onderzoekend aan met

zijn doffe, waterige, blauwe oogen.

»Wat mij betreft," zei Holmes, »ik zal al wat gij ook mocht willen

spreken voor mij houden."

Ik boog mijn hoofd ten teeken van instemming.

»Dat is goed! dat is goed!" zei hij, »mag ik u een glas Chianti

aanbieden, Miss Morstan? Of Tokayer? Andere wijnen houd ik er niet op

na. Zal ik een flesch opentrekken? Neen? Welnu dan, ik vertrouw dat gij

geen hinder zult hebben van tabaks-rook, vooral niet van den balsamieken

geur van Oostersche tobacco? Ik ben een weinig zenuwachtig en daarvoor

is mijne hookah een onschatbaar geneesmiddel."

Hij hechtte een mondstuk aan den grooten bol, en de rook dwarrelde

onmiddellijk door het rozenwater. Wij zaten met ons drieën in een halven

cirkel met onze kinnen in de handen geleund, terwijl de vreemdsoortige,

dwergachtige snaak met zijn groot, glimmend hoofd in het midden zat te

dampen. »Toen ik het eerst het besluit nam om u deze mededeeling te

doen," sprak hij, »zou ik gaarne mijn adres gegeven hebben; ik vreesde

echter dat gij mijn verzoek niet zoudt vertrouwen en vreemd volk met u

zoudt brengen. Deswege nam ik de vrijheid de zaak zoodanig te regelen,

dat mijn bediende Williams u het eerst zoude zien. Ik stel het volste

vertrouwen in zijne discretie, en hij had in last om, zoo hij

onvoldaan mocht zijn, de zaak niet voort te zetten. Gij zult deze

voorzorgsmaatregelen wel willen excuseeren, maar ik ben een eenigszins

achterdochtig man, en ik durf er bijvoegen, van verfijnden smaak,

en er bestaat niets dat meer in strijd is met de aesthetica dan een

politieman. Ik heb een natuurlijken afkeer van alle vormen van het ruwe

materialisme. Ik kom dan ook zelden in aanraking met de ruwe menigte.

Ik leef, zooals gij ziet, in een eenigszins elegante atmosfeer. Ik mag

mij een beschermer der kunst noemen. Dat is nu eenmaal mijn zwak. Dit

landschap is een zeldzaam Corot, en hoewel een kenner wellicht eenigen

twijfel mocht opperen omtrent deze Salvator Rosa, zoo kan dit bij deze

Bouguereau geenszins het geval zijn. Ik behoor gedeeltelijk tot de

moderne Fransche school."

»Gij zult mij excuseeren, Mr. Sholto," zeide nu Miss Morstan, »maar ik

ben hier op uw verzoek om iets te vernemen wat gij mij wenscht mede te

deelen. Het is reeds zeer laat, en ik wenschte ons onderhoud zoo min

mogelijk te rekken."

»Er zal toch nog eenigen tijd toe noodig zijn," antwoordde hij, »want we

zullen gewis naar Norwood moeten gaan en broeder Bartholomeus bezoeken.

Wij zullen er gezamenlijk heengaan en zien wat wij uit broeder

Bartholomeus kunnen krijgen. Hij is zeer boos op mij wegens den weg

dien ik gekozen heb, doch die mij rechtvaardig toeschijnt. Ik had nog

gisteravond zeer hooge woorden met hem. O, gij kunt u niet voorstellen

wat een verschrikkelijke jongen hij is, als hij boos is."

»Indien wij nog naar Norwood moeten, was het wellicht beter als wij ons

onmiddellijk op weg begaven," waagde ik op te merken.

Hij lachte totdat zelfs zijn ooren vuurrood waren.

»Dat zou bezwaarlijk gaan," riep hij, »ik weet niet wat hij zou zeggen

als ik u zoo plotseling bij hem bracht. Neen, ik moet u voorbereiden

door u te toonen op welken voet wij met elkander staan. In de eerste

plaats moet ik u zeggen dat er verscheidene punten in de geschiedenis

zijn, die mij zelf onbekend zijn. Ik kan u dus de feiten slechts

mededeelen voor zooverre ik ermede vertrouwd ben:

»Mijn vader was, zooals gij zeker reeds gegist hebt, Majoor John Sholto,

vroeger in Indischen dienst. Hij nam ongeveer elf jaar geleden zijn

ontslag en vestigde zich op Pondicherry Lodge te Upper Norwood. Hij

had fortuin gemaakt in Indië en bracht een aanzienlijke som gelds,

eene groote verzameling kostbare zeldzaamheden en een gansch gevolg van

Inlandsche bedienden mede. Onder deze omstandigheden kocht hij zich een

huis en leefde in groote weelde. Mijn tweeling-broeder Bartholomeus en

ik waren zijn eenige kinderen. Ik herinner mij nog zeer goed de sensatie

die de verdwijning van kapitein Morstan veroorzaakte. Wij lazen de

bizonderheden ervan in de bladen, en wetende dat hij een vriend van

onzen vader was geweest, bespraken wij het geval openlijk in zijne

tegenwoordigheid. Dan was hij gewoon met ons over hetgeen er met hem

gebeurd kon zijn, te redeneeren. Nooit veronderstelden wij voor één

oogenblik dat hij het geheele geheim in zijn eigen hart verborgen hield,

dat van alle menschen, hem alléén het lot van Arthur Morstan bekend was.

Wèl wisten wij, dat eenig geheim, eenig bepaald gevaar onzen vader

bezwaarde. Hij was steeds zeer beangst om alleen uit te gaan, en hij

hield altijd twee prijs-vechters als portiers van Pondicherry Lodge.

Williams, die u hedenavond gereden heeft, was een hunner. Hij was eens

de kampioen-athleet van Engeland. Onze vader wilde ons nimmer zeggen

wat het was dat hem zoo beangstigde, maar hij legde altijd een grooten

afkeer aan den dag voor mannen met houten beenen. Bij zekere gelegenheid

vuurde hij eens zijn revolver op zulk een gebrekkige af, die niets

anders bleek te zijn dan een rustig besteller die een boodschap kwam

verrichten. Het kostte ons een aanzienlijke som, om de zaak te sussen.

Mijn broeder en ik beschouwden dit enkel als een gril van mijn vader;

maar latere voorvallen hebben ons oordeel daaromtrent ten zeerste

gewijzigd.

In het begin van 1882 ontving mijn vader een brief uit Indië, waardoor

hij zwaar geschokt werd. Hij bezwijmde bijna aan de ontbijttafel toen

hij hem opende en vanaf dien dag bleef hij sukkelend tot aan zijn dood.

Wat die brief behelsde, werden wij nimmer gewaar, maar toen hij hem

in de hand hield merkte ik op dat hij kort, en met krabbelend schrift

geschreven was. Hij had reeds sedert jaren aan toenemende »spleen"

geleden, maar nu werd hij snel minder en tegen het einde van April werd

ons meegedeeld dat hij hopeloos was en hij een laatste onderhoud met

ons wenschte te hebben.

Toen wij zijn kamer binnentraden, werd hij door kussens overeind

gehouden, en ademde hij zwaar. Hij verzocht ons de deur te sluiten,

en ons elk aan eene zijde van het bed te plaatsen. Toen greep hij

onze handen, en deed ons een merkwaardige bekentenis, met een stem,

die evenzeer afgebroken werd door ontroering, als door zijn lijden.

Ik zal trachten u die met zijn eigen woorden weêr te geven:

»Ik heb slechts éen zaak," zeide hij, »die mij in dit uiterste

oogenblik bezwaart. Dat is mijne behandeling van Morstan's arme weeze.

De verwenschte gelddorst, die mijn gemoed gedurende mijn gansche leven

beheerscht heeft, onthield haar den schat, waarvan minstens de helft

haar toebehoorde. En toch heb ik er voor mij zelven geen gebruik van

gemaakt, zoo verblind en onzinnig is de gierigheid. Het enkel bewustzijn

van het bezit was mij zoo dierbaar, dat ik er niet toe kon besluiten dit

met een ander te deelen. Ziet dezen krans met paarlen bezet, naast de

kinine-flesch. Zelfs daarvan kon ik niet scheiden, hoewel ik hem had

achtergehouden om hem aan haar te zenden. Gij, mijn zoons, zult haar een

eerlijk deel geven van den Agra-schat. Doch, zendt haar niets,--zelfs

niet dezen krans,--alvorens ik zal gestorven zijn. Er zijn wel menschen

even ziek geweest als ik thans, die toch weder hersteld zijn.

»Ik zal u zeggen op welke wijze Morstan overleden is," vervolgde

hij. »Hij had reeds gedurende vele jaren aan een hartkwaal geleden,

doch die zorgvuldig geheim gehouden. Ik alleen wist het. Toen wij te

zamen in Indië waren, kwamen wij door een merkwaardigen samenloop van

omstandigheden in het bezit van een onmetelijken schat. Ik bracht dien

naar Engeland en op den avond van Morstan's aankomst kwam hij terstond

hierheen om zijn aandeel op te eischen. Hij kwam van het station en werd

binnengelaten door mijn trouwen Lal Chowdar, die nu dood is. Morstan en

ik kregen verschil omtrent de verdeeling van den schat en wij kregen

hooge woorden. Morstan was in een opwellenden toorn uit zijn stoel

overeind gesprongen, toen hij plotseling zijn hand op zijn zijde drukte;

zijn gelaat werd donkerrood en hij viel achterover met zijn hoofd tegen

de kist, waarin de schat geborgen was. Toen ik mij over hem heenboog,

zag ik tot mijne ontzetting dat hij dood was.

Langen tijd zat ik half verbijsterd te bedenken wat ik zou aanvangen.

Het spreekt van zelve dat mijn eerste gedachte was om hulp te roepen:

maar ik kon niet anders verwachten dan dat men mij zoude beschuldigen

hem vermoord te hebben. De aan zijn dood voorafgegane twist, en de

wonde aan zijn hoofd, zouden ten ergste tegen mij getuigen. Daarbij

kwam, dat een gerechtelijk onderzoek noodzakelijk eenige feiten omtrent

den schat moest aan het licht brengen, dien ik ten koste van alles

geheim wilde houden. Hij had mij gezegd dat geen sterveling wist

waarheen hij zich begeven had. Het kwam mij dus onwaarschijnlijk voor

dat iemand dit dan ooit gewaar zoude worden. Terwijl ik nog over de zaak

zat te peinzen zag ik, toen ik mijn hoofd ophief, mijn bediende Lal

Chowdar op den drempel der kamer staan. Hij sloop naar binnen en

grendelde de deur.

»Vrees niets, Sahib," fluisterde hij, »geen levend wezen behoeft te

weten dat gij hem gedood hebt. Laat ons hem verbergen, en wie zal hem

vinden? Ik hoorde het reeds, Sahib," vervolgde hij, »dat gij twist

met hem hadt en evenzeer hoorde ik den slag. Maar mijne lippen zijn

gezegeld. Allen slapen. Laat ons hem te zamen wegbrengen." Dat was

voldoende om mij een besluit te doen nemen. Indien mijn eigen bediende

niet aan mijn onschuld kon gelooven, hoe kon ik dan hopen aan de

uitspraak eener jury te ontkomen? Lal Chowdar en ik, wij begroeven dien

nacht het lijk en binnen weinige dagen waren de Londensche bladen vol

van de geheimzinnige verdwijning van kapitein Morstan. Naar mijne

bekentenis kunt gij oordeelen dat men mij nauwelijks omtrent dit geval

kan hard vallen. Mijn fout ligt in het feit dat wij niet slechts het

lijk verborgen, maar tevens den schat en dat ik evenzeer Morstan's

aandeel als het mijne heb achtergehouden. Daarom wil ik thans beiden

uitkeeren. Brengt uwe ooren dicht bij mijn mond. De schat is verborgen

in --"

Op dit oogenblik kwam er een verschrikkelijke verandering op zijn

gelaat; hij staarde woest voor zich uit, zijne tanden klapperden en hij

gilde met een stem, die ik nimmer vergeten zal: »Houdt hem buiten! Om

's Hemels wil, houdt hem buiten!" Wij keken naar het raam achter ons

waarop zijn blik gevestigd was. Daar staarde ons een gelaat aan van uit

de duisternis. Wij konden den neus tegen het glas gedrukt zien. Het was

een gebaard, harig gelaat, met woeste, wreede oogen en een misdadig

uiterlijk. Mijn broeder en ik snelden naar het venster, maar de man was

verdwenen. Toen wij tot onzen vader terugkeerden, was zijn hoofd op de

borst gezonken en stond zijn pols stil.

Wij doorzochten den ganschen nacht den tuin, doch vonden geen ander

teeken van den indringer, dan één voetstap in het bloembed onder het

raam. Spoedig echter kregen wij een ander meer treffend bewijs, dat

geheime machten om ons heen aan het werk waren. Des morgens werd het

venster van onzen vader open gevonden, zijne kasten en kisten doorzocht,

en op zijn borst was een stuk papier bevestigd, met de woorden: »Het

teeken der vier". Nimmer werden wij gewaar wat deze volzin beteekende,

noch wie de geheime bezoeker geweest was. Zoover wij kunnen oordeelen,

was er niets gestolen geworden, hoewel alles doorzocht was. Mijn broeder

en ik brachten dit vreemdsoortig geval natuurlijk in verband met den

angst die mijn vader gedurende zijn leven vervolgd had, maar het is nog

steeds een geheim voor ons."

Hier zweeg de kleine man om zijn hookah weder aan te steken en bleef

toen een poos in diep gepeins verzonken doorrooken. Wij hadden allen met

de grootste belangstelling naar zijn zeldzaam verhaal geluisterd. Bij

het kort verhaal van haar vader's dood was Miss Morstan doodsbleek

geworden, en vreesde ik een oogenblik dat zij in zwijm zou vallen.

Zij herstelde echter toen ik haar een glas water te drinken gaf.

[Illustratie: »Om 's Hemels wil, houdt hem buiten!" Blz. 34.]

Sherlock Holmes leunde achterover in zijn stoel, met afgetrokken

voorkomen en halfgesloten oogleden. Toen ik mijn oog op hem vestigde,

dacht ik er onwillekeurig aan, hoe hij nog dienzelfden nacht geklaagd

had over de eentonigheid des levens. Hier ten minste was een vraagstuk

waartoe hij zijne bedrevenheid zou noodig hebben. Mr. Thaddeus Sholto

keek ons beurtelings aan met welgevallen, wegens den indruk dien zijn

verhaal op ons gemaakt had, en hulde zich voortdurend in de rookwolken

uit zijn pijp.

»Mijn broeder en ik," zeide hij, »waren, zooals gij wel denken kunt, ten

zeerste nieuwsgierig naar den schat waarvan mijn vader gesproken had.

Weken en maanden groeven wij den ganschen tuin om zonder echter iets te

ontdekken. Het was om er waanzinnig van te worden, te moeten denken dat

mijn vader juist gestorven was op het oogenblik dat hij de schuilplaats

wilde noemen. Wij konden den omvang van den vermisten schat beoordeelen

naar het snoer dat hij ervan afgenomen had. Over dit snoer spraken mijn

broeder Bartholomeus en ik herhaaldelijk. De parels waren van zeer

groote waarde en hij kon er niet van scheiden, want mijn broeder was

wel eenigszins met de gebreken mijns vaders behept. Daarbij dacht hij,

dat als wij afstand deden van het snoer, dit ons ten laatste nog in

ongelegenheid zou kunnen brengen. Alles waartoe ik hem bewegen kon was,

dat hij mij toestond Miss Morstan's adres uit te vorschen en haar op

vaste datums een losgemaakte parel toe te zenden, opdat zij ten minste

nimmer gebrek zou behoeven te lijden."

»Dat was zeer braaf van u," merkte zij op.

De kleine man maakte een afwerend gebaar met de hand.

»Wij waren uwe schuldenaars," zeide hij, »zoo beschouwde ik het

tenminste, hoewel broeder Bartholomeus het niet uit dit oogpunt

beschouwde. Wij waren zelf rijk genoeg. Ik begeerde niet meer. Bovendien

zou het ongevoelig geweest zijn om een jong meisje zoo te behandelen.

»Le mauvais gôut mène au crime," zegt de Fransche spreekwijze terecht.

Het verschil in onze meening omtrent deze aangelegenheid ging zoo ver,

dat ik het 't raadzaamst vond, om kamers voor mij zelve te huren: en

zoo verliet ik Pondicherry Lodge, terwijl ik den ouden Khitmutgar en

Williams met mij nam. Gisteren echter vernam ik dat er een hoogst

belangrijke gebeurtenis had plaats gehad. De schat was ontdekt geworden.

Ik stelde mij onmiddellijk in gemeenschap met Miss Morstan en thans rest

ons nog slechts naar Norwood te rijden en ons aandeel te vragen. Ik

stelde broeder Bartholomeus gisteravond met mijne zienswijze in kennis,

dus zullen wij zooal geen welkome, dan toch verwachte bezoekers zijn."

Mr. Thaddeus Sholto zweeg, terwijl ook wij nadachten over den nieuwen

loop dien de geheimzinnige zaak thans genomen had. Holmes was de eerste

die overeind sprong.

»Gij hebt van begin tot einde goed gehandeld, sir," zeide hij, »en het

is wel mogelijk dat wij instaat zullen zijn eenigen dienst te bewijzen,

door eenig licht te verspreiden over datgene wat u nog duister is. Maar

zooals Miss Morstan zooeven terecht opmerkte, het is reeds laat en het

ware het best de zaak zonder uitstel door te zetten."

Onze nieuwe kennis rolde de slang van zijn hookah op en haalde

van achter een gordijn een zeer langen gevoerden kapmantel met

Astrakan-kraag en belegsels te voorschijn. Dezen knoopte hij tot boven

dicht niettegenstaande het weder zeer zacht was, en voltooide zijn

toilet door een muts van konijnenvel op te zetten, welker afhangende

kleppen zijn ooren bedekten, zoodat er niets van hem te zien was dan

zijn beweeglijk en scherpgeteekend gelaat.

»Mijn gezondheid is eenigszins zwak," zeide hij, terwijl hij ons in de

gang vooruitliep, »ik ben genoodzaakt mij ten zeerste in acht te nemen."

Ons rijtuig wachtte voor de deur, en de koetsier,--die vooraf verwittigd

scheen te zijn,--reed terstond zoo snel de paarden draven konden heen.

Thaddeus Sholto praatte onophoudelijk met een stem die boven het geratel

der wielen uitklonk.

»Bartholomeus is een vernuftige jongen," zeide hij, »hoe denkt gij wel

dat hij er achter kwam, waar de schat zich bevond? Hij was tot de

conclusie gekomen dat hij binnenshuis moest wezen; en daarom mat en

berekende hij de kubieke afmeting van het huis. Onder andere zaken

bevond hij dat de hoogte van het gebouw vier-en-zeventig voet bedroeg;

maar, toen hij de hoogte van alle vertrekken afzonderlijk bijeen telde

en de dikte der zolderingen door middel van een boor berekende en die

van de verkregen som aftrok, leverde deze niet meer dan zeventig voet

op. Er kwamen dus vier voet te kort, en deze konden zich bijgevolg

slechts in den top van het gebouw bevinden. Hij sloeg dus eene opening

in het plafond van de bovenste kamer en daardoor kwam hij op een

daarboven gelegen kleine vliering, die verzegeld--en aan niemand bekend

was. In het midden daarvan stond de kist waarin zich de schat bevond, op

twee schragen. Hij liet die door de opening omlaag, en daar staat zij

thans. Hij schat de waarde der juweelen op niet minder dan een half

millioen pond sterling."

Bij het vernemen van dit reusachtig bedrag, keken wij elkaar met

wijdgeopende oogen aan. Miss Morstan zou dus, indien wij hare rechten

konden bewijzen, van eene behoeftige gouvernante een der rijkste

erfdochters van Engeland worden. Het was gewis de plicht van een

welmeenend vriend om zich over zulk een tijding te verheugen; en toch

schaam ik mij te bekennen, dat ik door zelfzucht bevangen werd en mijn

hart zoo zwaar werd als lood. Ik stamelde eenige onsamenhangende woorden

van gelukwenschen en zat toen zwijgend met gebogen hoofd, doof voor het

gebabbel van onzen nieuwen kennis, en ik was ten zeerste verheugd toen

ons rijtuig met een schok stilstond en de koetsier van den bok sprong om

het portier te openen.

»Dit is Pondicherry Lodge, Miss Morstan," zei Mr. Thaddeus Sholto,

terwijl hij haar bij het uitstijgen behulpzaam was.

Sherlock Holmes: De Agra-Schat · 第 9 / 21 题