_Waarde Watson!_
"Zonder twijfel herinnert gij u nog wel "Tadpole" Phelps, die in de
vijfde klasse zat, toen gij leerling in de derde waart. Mogelijk
ook hebt gij vernomen, dat ik door mijn ooms invloed een goede
betrekking aan het ministerie van buitenlandsche zaken heb gekregen
en een post van vertrouwen bekleedde, tot mijn toekomst plotseling
door een noodlottig toeval vernietigd werd.
"Het dient nergens toe, u de bijzonderheden van deze vreeselijke
gebeurtenis te verhalen. Stemt gij in mijn verzoek toe, dan zal ik
ze u waarschijnlijk vertellen. Ik ben nauwelijks van een ziekte
hersteld; negen weken lang heb ik zenuwkoortsen gehad en nog ben ik
zeer zwak. Zoudt ge denken, dat uw vriend Sherlock Holmes genegen
is met u bij mij te komen? Ik zou gaarne van hem vernemen, wat hij
van de zaak denkt, ofschoon de autoriteiten mij verzekeren, dat er
niets meer aan te doen is. Doe uw best hem hier te brengen en
liefst zoo spoedig mogelijk. Iedere minuut schijnt mij een uur toe,
zoolang ik in deze vreeselijke onzekerheid leef. Deel hem mede, dat
niet geringschatting zijner talenten oorzaak is, dat ik zijn raad
niet eerder gevraagd heb, maar dat ik van 't oogenblik af, dat de
slag viel, mijn hoofd kwijt was. Nu is mijn hoofd weer helder,
ofschoon ik uit vrees voor een instorting niet te veel durf denken.
Ik ben nog zoo zwak, dat ik een ander dezen brief heb moeten
dicteeren. Doe uw best uw vriend mede te brengen.
"Uw oude schoolmakker,
"PERCY PHELPS."
[Illustratie: Holmes was druk bezig met scheikundige proeven.]
Toen ik dezen brief las, was ik eenigszins bewogen; er was iets roerends
in dat herhaalde verzoek, Holmes mede te brengen. Ik was zoo geroerd,
dat ik er mijn best toe gedaan zou hebben, al ware het zelfs een
moeilijke zaak geweest; doch natuurlijk wist ik wel, dat Holmes zijn
beroep te lief had, om niet altijd bereid te zijn hulp te bieden, waar
die door een cliënt gevraagd mocht worden. Mijn vrouw was het met mij
eens, dat ik geen minuut mocht laten verloren gaan, eer ik hem met de
zaak in kennis had gesteld en zoo was ik al binnen een uur na mijn
ontbijt in de bekende oude kamer in Baker-Street.
Holmes zat aan een zijtafel, gekleed in zijn huisjas en was druk bezig
met scheikundige proeven. In een lange gebogen retort kookte een
vloeistof boven de blauwachtige vlam van een Bunzenschen brander en het
gedistilleerde vocht bekoelde in een glas van een paar liter inhoud.
Mijn vriend keek bij mijn komst nauwelijks op. Ik trad binnen, en daar
ik zag, dat zijn proeven belangrijk waren, ging ik in een armstoel
zitten en wachtte. Hij doopte een glazen buisje, dat hij in de hand
hield, nu in de eene dan in de andere flesch, haalde er met zijn pipet
een paar droppels uit en legde ten slotte een met de oplossing gevuld
proefbuisje op de tafel. In zijn rechterhand had hij een stukje
lakmoespapier.
"Gij komt op het oogenblik van een crisis, Watson," zeide hij. "Als dit
papier blauw blijft, is alles goed; maar wordt het rood, dan staat een
leven van een mensch op het spel." Hij doopte het papier in het
proefbuisje en het werd op eens karmozijnrood. "Hum, ik dacht het wel,"
riep hij. "Ik ben onmiddellijk tot uw dienst, Watson. Als gij rooken
wilt, is er tabak in mijn Perzische muil." Hij ging daarna naar zijn
lessenaar en schreef vlug verscheidene telegrammen, die hij daarna aan
zijn bediende overhandigde. Toen ging hij tegenover mij zitten en trok
zijn knieën op, zoodat hij zijn vingers om zijn lange dunne schenen kon
slaan.
"Een heel gewone, kleine moordgeschiedenis," zeide hij. "Ik denk, dat
gij wel iets beters zult brengen. Uw komst kondigt de misdaad aan,
Watson, als de stormvogel den orkaan! Wat is het?"
Ik overhandigde hem den brief, dien hij met de grootste aandacht las.
"Veel zegt dat schrijven ons niet, vindt ge wel?" zeide hij, toen hij
mij den brief teruggaf.
"Zoo goed als niets."
"En toch is de inhoud van gewicht."
"Het is evenwel niet zijn eigen handschrift."
"Precies. Het is dat van een vrouw."
"Neen, ongetwijfeld dat van een man," zeide ik.
"Neen, dat van een vrouw; van een vrouw met een bijzonder karakter. Bij
het begin van een onderzoek is het van belang te weten, dat een cliënt
in nauwe betrekking staat tot iemand, die hetzij ten goede of ten kwade
ongewone karaktertrekken heeft. Mijn belangstelling is reeds gaande
gemaakt. Als gij gereed zijt, zullen we terstond naar Woking vertrekken
en den diplomaat, die zich in zulke moeilijke omstandigheden bevindt, en
de dame, wie hij zijn brieven dicteert, een bezoek brengen."
Wij waren zoo gelukkig den eersten trein naar Waterloo te halen en
binnen een uur waren wij te midden der dennenbosschen en der heidevelden
van Woking. Briarbrae was een groot op zich zelf staand gebouw, een paar
minuten gaans van het station. Nadat wij onze kaartjes hadden afgegeven,
werden wij in een fraai gemeubileerd salon binnengelaten, waar wij
onmiddellijk werden begroet door een forsch gebouwd man, die ons zeer
beleefd ontving. Hij scheen, wat zijn leeftijd aangaat, dichter bij de
veertig dan bij de dertig, maar zijn wangen waren zoo blozend, zijn
oogen stonden zoo vroolijk, dat hij den indruk maakte van een
welgedanen, ondeugenden knaap.
"Uw komst doet mij zeer veel genoegen," zeide hij, ons hartelijk de hand
schuddende. "Percy heeft den geheelen morgen naar u gevraagd. Ach, die
arme jongen, hij klampt zich aan een stroohalm vast. Zijn ouders
verzochten mij, u te spreken, want het is hun zelf hoogst pijnlijk de
zaak aan te roeren."
"Wij zijn nog in 't geheel niet met de bijzonderheden bekend,"
antwoordde Holmes. "Ik veronderstel, dat gij niet tot de familie
behoort."
Onze nieuwe bekende scheen verrast en voor zich ziende begon hij te
lachen.
"Natuurlijk hebt gij de initialen "J. H." op mijn medaillon gezien. Een
oogenblik dacht ik, dat gij hier een bewijs van groote schranderheid
hadt gegeven. Mijn naam is Joseph en daar Percy met mijn zuster Annie
gaat trouwen, zal ik ten minste door een huwelijk tot de familie
behooren. Gij zult mijn zuster in Percy's kamer vinden, want zij heeft
hem de verloopen twee maanden trouw verpleegd. Mogelijk doen wij het
beste, maar dadelijk naar binnen te gaan, want zij is zeer verlangend u
te zien."
De kamer, waarin wij thans werden binnengelaten, was op dezelfde
verdieping als het salon. Zij was half als woonkamer, half als
slaapkamer gestoffeerd; in alle hoeken waren met smaak bloemen
aangebracht. Op een sofa lag een jonge man, bleek en vermoeid, bij het
geopende venster, waardoor de geuren van den tuin en de verkwikkende
zomerlucht ongehinderd naar binnen stroomden. Naast hem zat een vrouw,
die opstond, toen wij binnenkwamen.
"Zal ik heengaan?" vroeg zij.
Hij greep haar hand vast, om haar terug te houden.
"Hoe gaat het u, Watson," sprak hij vriendschappelijk. "Ik zou u met
dien knevel niet herkend hebben en ik geloof, dat gij er ook geen eed op
hadt durven doen, dat ik het was. Deze heer is, naar ik vermoed, uw
beroemde vriend Sherlock Holmes?"
Ik stelde mijn vriend aan hem voor en wij gingen beiden zitten. De
forschgebouwde jonge man had de kamer verlaten, maar zijn zuster was
gebleven en liet haar hand nog rusten in die van den zieke. Zij was een
vrouw met veel uitdrukking in 't gelaat, kort en gezet van gestalte; zij
had een mooie bruine tint en groote, donkere oogen, als een
Italiaansche, en weelderig zwart haar. Haar donkere tint deed het bleeke
en afgematte in het voorkomen van haar verloofde des te scherper
uitkomen.
"Ik zal niet te veel van uw tijd vergen," zeide hij, zich op de sofa
oprichtende, "en zonder verdere inleiding u mededeelen, waarom ik u
wensch te spreken. Ik was een gelukkig en voorspoedig man, mijnheer
Holmes, en op het punt in den echt te treden, toen een ongelukkig
voorval al mijn schoone vooruitzichten den bodem insloeg.
"Zooals Watson u zal hebben medegedeeld, was ik werkzaam op het
ministerie van buitenlandsche zaken en door den invloed van mijn oom,
Lord Holdhurst, verkreeg ik weldra een aanzienlijke verantwoordelijke
betrekking. Toen mijn oom onder het tegenwoordige bewind minister van
buitenlandsche zaken werd, ontving ik meer dan eens een vertrouwelijke
opdracht en daar ik mij daarvan steeds tot zijn genoegen kweet, stelde
hij ten laatste een onbeperkt vertrouwen in mijn bekwaamheid en tact.
[Illustratie: "Ik zal niet te veel van uw tijd vergen," zeide hij.]
"Een week of tien geleden--of om mij juister uit te drukken, den 23en
Mei--riep hij mij in zijn spreekkamer en na mij een compliment over mijn
goed werk te hebben gemaakt, deelde hij mij mede, dat hij mij opnieuw
een gewichtigen arbeid had op te dragen.
"Hier heb ik," sprak hij--een rol grijs papier uit zijn schrijfbureau
nemende--"het origineel van het geheim tractaat tusschen Engeland en
Italië, waarvan tot mijn spijt het gerucht reeds tot de openbare pers is
doorgedrongen. Het Fransche of Russische gezantschap zou een
onnoemelijke som willen betalen om met den inhoud van deze papieren
bekend te worden. Ik zou ze dan ook niet uit handen geven, moest ik ze
niet noodzakelijk gecopiëerd hebben. Hebt gij een lessenaar op uw
kantoor?"
"Ja, mijnheer."
"Neem het tractaat dan en sluit het goed weg. Ik zal zorg dragen, dat
gij op uw bureau kunt blijven, als de andere ambtenaren naar huis gaan,
en gij het op uw gemak kunt afschrijven, zonder te vreezen, dat men u
bespiedt. Als gij er mee klaar zijt, sluit dan beide stukken, het
origineel en het afschrift, in uw lessenaar en stel ze mij morgen
ochtend ter hand."
"Ik nam de papieren, en--"
"Met uw verlof," zeide Holmes. "Was er iemand bij dit gesprek
tegenwoordig?"
"Volstrekt niemand."
"Waart gij in een groote kamer?"
"De kamer was dertig voet in 't vierkant."
"Stondt gij in 't midden?"
"Ja, ongeveer."
"En spraakt gij zacht?"
"Mijn oom spreekt steeds opmerkelijk zacht, ik zelf zeide nauwelijks een
woord."
"Dank u," zeide Holmes, zijn oogen sluitende, "ga voort, als 't u
blieft."
"Ik deed precies, zooals mij was gezegd, en wachtte op het bureau tot de
andere ambtenaren vertrokken waren. Een van hen in mijn kantoor, Charles
Gorot, had nog eenig werk af te maken; daarom liet ik hem daar blijven
en ging eerst eten. Toen ik terugkwam, was hij vertrokken. Ik haastte
mij met mijn werk, want ik wist, dat Joseph Harrison, dien gij zooeven
gezien hebt, in de stad was, en dat hij met den trein van elven naar
Woking zon reizen; en ik wilde hem zoo mogelijk van den trein halen.
[Illustratie: "Neem het tractaat dan en sluit het goed weg."]
"Toen ik het tractaat inzag, bemerkte ik terstond, dat mijn oom het
gewicht daarvan niet overdreven had. Zonder in bijzonderheden te treden,
kan ik u zeggen, dat er de verhouding van Groot-Britannië tot de Triple
Alliantie in was omschreven en de politieke gedragslijn van het genoemde
land vaststelde, voor 't geval de Fransche vloot een volkomen overwicht
over die van Italië in de Middellandsche Zee verkreeg. De quaestiën, in
dit tractaat behandeld, waren van uitsluitend maritiemen aard. Aan 't
slot stonden de namen van de hooge dignitarissen, die het hadden
onderteekend. Ik zag het vluchtig door en begon het toen af te
schrijven.
"Het tractaat was een lang document, geschreven in de Fransche taal en
bevatte zes en twintig artikels. Ik schreef zoo vlug als ik kon, maar om
negen uur had ik toch nog slechts negen artikelen afgeschreven en ik
begon het hard te betwijfelen, of ik nog den trein zou kunnen halen. Ik
gevoelde mij slaperig en suf, deels een gevolg van mijn diner, deels van
mijn lange dagtaak. Een kop koffie, dacht ik, zou mijn geest
opfrisschen. In een klein kamertje, aan den voet van de trap, houdt alle
nachten een bode de wacht en die zet gewoonlijk op zijn spirituslamp
koffie voor de beambten, die na den gewonen kantoortijd op het bureau
blijven werken. Ik trok daarom aan de schel, om hem te roepen.
"Tot mijn verbazing kwam er een groote, eenigszins bejaarde vrouw met
een ruw gezicht en een schort voor. Zij zeide, dat zij de vrouw was en
dat zij schoonmaakte; daarna gaf ik haar order koffie te zetten.
"Ik schreef nog twee artikelen af en mij toen nog veel slaperiger
gevoelende, stond ik op en wandelde de kamer op en neer om mijn beenen
eens uit te rekken. Mijn koffie was nog niet gekomen en ik werd
nieuwsgierig, wat de oorzaak van dit uitstel kon zijn. De kamer, waarin
ik had zitten werken, kwam uit op een rechte, flauw verlichte gang, de
eenige weg, waarlangs men zich uit de kamer kon verwijderen. De gang
liep uit op een wenteltrap aan welker voet het kamertje van den bode
was. Halfweegs deze trap is een kleine rustplaats, waarop een andere
gang met een rechthoek uitkomt. Deze tweede gang leidt langs een tweede
kleine trap naar een zijdeur, die door de knechts wordt gebruikt en ook
als een kortere weg naar hun bureaux door de klerken, die uit
Charles-Street komen. Hier hebt gij in ruwe omtrekken den platten grond
van de plaats."
"Dank u. Ik volg uw verhaal met groote aandacht," zeide Sherlock Holmes.
[Illustratie: Ik vond den bode in diepen slaap.]
"Het is van het hoogste belang, dat gij hierop let. Ik liep langs de
trap naar beneden en kwam in de vestibule, waar ik den bode in zijn
kamertje in diepen slaap vond, terwijl op tafel het water zoo hard
boven de spiritusvlam kookte, dat het over den vloer spatte. Ik stak
mijn hand uit, om den man wakker te schudden, toen de schel, die boven
zijn hoofd hing, luid overging en hij verschrikt ontwaakte.
"Mijnheer Phelps!" zeide hij, mij verbijsterd aanziende.
"Ik kwam naar beneden, om eens te zien of mijn koffie al klaar is."
"Onder het koken van het water ben ik in slaap gevallen, mijnheer." Hij
keek mij aan en zag toen naar het nog trillende schellekoord, met een
steeds sterkere uitdrukking van verbazing op zijn gelaat.
"Wie kan daar, terwijl u hier waart, aan de schel getrokken hebben?"
vroeg hij.
"De schel!" zeide ik. "Welke schel was het?"
"Het was de schel in de kamer, waarin u hebt zitten werken."
"Ik kreeg een gevoel, of een ijskoude hand mijn hart in elkaar kneep. Er
was dus iemand in de kamer, waar mijn kostbaar tractaat op tafel lag.
Als krankzinnig van angst liep ik naar boven en de gang door. Er was
niemand in de corridors, mijnheer Holmes; er was ook niemand in de
kamer. Alles in de kamer was precies, als toen ik ze verlaten had,
behalve dat de papieren, die aan mijn zorgen waren toevertrouwd, van
mijn lessenaar waren genomen. Het afschrift lag er nog, maar het
origineel was verdwenen."
Holmes ging recht overeind zitten en wreef zich in de handen. Ik kon
zien, dat de zaak een kolfje naar zijn handen was. "Vertel mij
alsjeblieft, wat ge toen deedt," zei hij.
"Terstond was het mij duidelijk, dat de dief door de zijdeur de trap op
moest gekomen zijn, want natuurlijk zou ik hem ontmoet hebben, als hij
van den anderen kant was gekomen!"
"Waart gij er zeker van, dat hij zich niet al dien tijd in de kamer
verborgen kon hebben of in de gang, die volgens uw zeggen zoo flauw
verlicht was?"
"Het is volstrekt onmogelijk. Zelfs geen rat had zich in de kamer of de
gang kunnen verbergen."
"Dank u, vertel verder, alsjeblieft."
"De bode, die aan mijn bleek gezicht zag, dat er iets ernstigs moest
gebeurd zijn, was mij naar boven gevolgd. Nu snelden wij de gang door en
de stoep af, die op de Charles-Street uitkomt, de deur beneden was dicht
maar niet op slot. Wij stieten de deur open en snelden naar buiten. Zeer
duidelijk herinner ik mij, dat de klok van een naburige kerk speelde.
Het was kwart voor tien."
"Deze mededeeling is van groot gewicht," zeide Holmes, een aanteekening
op de manchet van zijn overhemd makende.
"Het was zeer donker en er viel een warme motregen. In Charles-Street
liep geen mensch, maar in Whitehall op het andere eind was het als
gewoonlijk zeer druk. Wij liepen blootshoofds door de straat en zagen op
den hoek een politieagent staan.
"Er heeft een diefstal plaats gehad," hijgde ik. "Uit het ministerie van
buitenlandsche zaken is een document van onschatbare waarde gestolen. Is
hier iemand langs gekomen?"
"Ik heb hier een kwartier lang gestaan," zeide hij; "in dien tijd is
hier slechts één persoon gepasseerd--een vrouw, lang en van gevorderden
leeftijd, met een wollen doek om."
"Ha, ha, dat is mijn vrouw," riep de bode. "Is hier niemand anders langs
gekomen?"
"Niemand."
"Dan moet de dief den anderen weg gekozen hebben," riep de vent, mij aan
mijn mouw trekkende.
"Ik was evenwel niet gerustgesteld en zijn pogingen mij mede te trekken,
vermeerderden mijn wantrouwen.
"Welken weg heeft de vrouw genomen?" riep ik.
"Ik weet het niet, mijnheer. Ik zag haar loopen, maar had geen reden
haar te volgen. Zij scheen veel haast te hebben," zeide de agent.
"Hoe lang is het geleden?"
"O, nog maar eenige minuten."
"Nog niet langer dan vijf?"
"Langer dan vijf minuten kan het niet geleden zijn."
"Gij verspilt hier uw tijd en elke minuut is nu kostbaar," zeide de
bode. "Geloof mij op mijn woord, dat mijn vrouw er niets mede te maken
heeft en volg mij naar het andere eind der straat. Als gij niet wilt,
dan ga ik alleen," en dit zeggende liep hij den anderen kant uit.
"Ik volgde hem onmiddellijk en greep hem bij den arm.
"Waar woont gij?" vroeg ik.
"No. 16, Ivy Lane Brixton," was het antwoord; "maar laat u niet op een
dwaalspoor brengen, mijnheer Phelps. Kom mee naar het andere eind der
straat en laten wij zien, of wij iets kunnen vernemen."
"Door zijn raad te volgen, was er niets te verliezen. Wij snelden dus
beiden met den politieagent de straat door, waar het zeer druk was en
een menigte lieden passeerden, allen verlangende, in dezen regenachtigen
avond veilig onder dak te komen. Geen enkele wandelaar, die ons zeggen
kon, wie er langs was gekomen.
"Wij keerden naar het ministerie terug en zochten op de trap en in de
corridors, doch zonder eenig resultaat. De gang, die naar de kamers
voerde, was met een soort roomkleurig linoleum bedekt, waarop
gemakkelijk indrukken achterblijven. Wij onderzochten deze
vloerbedekking nauwkeurig, maar vonden geen spoor van eenigen voetstap."
"Had het den ganschen avond geregend?"
"Sedert ongeveer zeven uur."
"Hoe is het dan mogelijk, dat de vrouw, die te ongeveer negen uur in de
kamer kwam, met haar modderige laarzen, geen voetsporen achterliet?"
"Ik ben blij, dat gij dit punt te berde brengt. Wat gij daar zegt, trok
ook mijn aandacht. De werkvrouwen hebben de gewoonte haar laarzen op de
bureaux der ambtenaren uit te doen en zachte muilen aan te trekken."
"Dat is dus zeer duidelijk. Er waren geen voetsporen van iemand te zien,
ofschoon het buiten modderig was. De feiten zijn ongetwijfeld
buitengewoon belangwekkend. Wat deedt gij daarna?"
"Wij onderzochten eveneens de kamer. Er kon onmogelijk een geheime deur
aanwezig zijn en de vensters bevinden zich wel dertig voet boven den
grond. Beide waren aan de binnenzijde gesloten. Door de aanwezigheid
van een vloerkleed is het ondenkbaar, dat er een valluik kan zijn en de
kamer heeft een gewoon plafond. Ik durf er mijn leven op verwedden, dat
wie ook mijn papieren gestolen moge hebben, door de deur binnengekomen
moet zijn."
"Hoe is de haard gebouwd?"
"Er is geen haard aanwezig. Er brandt een kachel. Het schellekoord hangt
van den schelledraad tot aan de rechterzijde van mijn lessenaar. Wie aan
het koord trok, moet dus tot voor den lessenaar gekomen zijn. Het blijft
een onoplosbaar geheim."
"Zeker was 't een ongewoon geval. Wat deedt gij nu in de eerste plaats?
Naar ik vermoed, onderzocht gij de kamer om te zien, of de inbreker
eenige sporen van zijn verblijf daarin had achtergelaten--een eindje
sigaar, een handschoen, een haarspeld of een ander voorwerp?"
"Ik vond niets van dien aard."
"Was er ook geen bijzondere reuk in het vertrek?"
"Wel, daaraan dachten wij volstrekt niet."
"Een beetje tabakslucht zou bij een onderzoek als dit van veel belang
voor ons zijn."
"Ik zelf rook nooit en daarom denk ik, dat ik het wel gemerkt zou
hebben, als er een tabaksreuk in de kamer ware geweest. Er was volstrekt
niets aanwezig, dat ons eenige aanwijzing kon geven. Alleen stond het
vast, dat de vrouw van den bode--haar naam is Mrs. Tangey--het gebouw
haastig had verlaten. Haar man kon als eenige reden daarvoor opgeven,
dat het de tijd was, waarop de vrouw gewoonlijk naar huis gaat. De
politieagent en ik waren het met elkaar eens, dat we moesten trachten de
vrouw in handen te krijgen, aleer zij zich van de papieren kon ontdoen,
aangenomen dat zij die in bezit had.
"Het gerucht van het ongeval was reeds tot Scotland Yard doorgedrongen
en de heer Forbes, de detective, kwam onmiddellijk en begon met kracht
het onderzoek. Wij huurden een _hansom_ en binnen een half uur waren wij
aan het ons opgegeven adres. De deur werd geopend door een jonge vrouw,
die Mrs. Tangey's oudste dochter bleek te zijn. Haar moeder was nog
niet thuis gekomen en het meisje liet ons in de voorkamer en verzocht
ons daar op de komst van haar moeder te wachten.
"Ongeveer tien minuten later hoorden wij aan de deur kloppen en nu
begingen wij een ernstigen misslag. In plaats van zelf de deur te
openen, lieten wij het meisje dit doen. Wij hoorden haar zeggen:
"moeder, er zijn hier twee heeren, die op u wachten om u te spreken," en
een oogenblik later hoorden wij het geluid van voetstappen door de gang.
Forbes stiet de deur open en allebei liepen we naar de achterkamer of
keuken, maar de vrouw was er eerder dan wij. Zij staarde ons met
tartende blikken aan, en toen zij mij plotseling herkende, kwam er een
uitdrukking van verbazing op haar gelaat.
"Hé, als dat niet mijnheer Phelps van het ministerie is!" riep zij.
"Kom, kom, wie dacht gij dan wel dat wij waren, toen gij voor ons
wegliept?" vroeg mijn metgezel.
"Ik dacht, dat gij de deurwaarders waart. Wij hebben eenige
moeilijkheden met een leverancier."
"Die verklaring komt ons niet waarschijnlijk voor. Wij hebben reden te
gelooven, dat gij een papier van groot gewicht uit het ministerie van
buitenlandsche zaken hebt gestolen en dat het uw plan was, dit hier te
verbergen. Gij moet ons naar Scotland Yard volgen om gefouilleerd te
worden."
"Haar protesteeren en tegenstribbelen hielp niets. Er kwam een rijtuig
voor en met ons drieën reden we weg. Eerst hadden wij de keuken en in 't
bijzonder het keukenvuur onderzocht, om te zien waar zij de papieren kon
hebben gelaten in de oogenblikken, dat zij alleen was. Er was geen spoor
van asch of snippers te zien. Toen wij te Scotland Yard waren
aangekomen, werd zij dadelijk door een vrouwelijke beambte gefouilleerd.
"In angstige spanning wachtte ik de terugkomst van deze af. Er was zelfs
geen spoor van de papieren bij de vrouw gevonden.
[Illustratie: "Hé, als dat niet mijnheer Phelps is!"]
"Voor de eerste maal stond nu al het verschrikkelijke van mijn toestand
mij klaar voor de oogen. Tot dusverre had ik gehandeld en de handeling
had mij geen tijd tot nadenken gelaten. Ik had er zoo vast op gerekend,
het tractaat terug te krijgen, dat ik er niet aan had gedacht, wat de
gevolgen zouden zijn van het tegendeel. Maar nu was er niets meer aan te
doen en ik had overvloed van tijd, mij in mijn toestand in te denken.
Het was verschrikkelijk. Watson weet ook, dat ik een zenuwachtige,
gevoelige jongen op school was. Mijn aard is zoo. Ik dacht aan mijn oom
en aan zijn ambtgenooten in 't ministerie; aan de schande, die ik over
hem had gebracht, over mij zelf en over iedereen, die tot mij in
betrekking stond. Wel is waar was ik het slachtoffer van een
buitengewoon ongelukkig toeval! Maar bij ongevallen, waarbij
diplomatieke belangen op het spel staan, wordt geen toegevendheid
gebruikt. Ik was geruïneerd, schandelijk, hopeloos geruïneerd. Ik weet
niet, wat ik deed. Ik geloof, dat ik een scène veroorzaakte. Ik heb nog
een flauwe herinnering van een groep beambten, die om mij heen stonden
en hun best deden om mij tot bedaren te brengen. Een van hen reed met
mij naar het Waterloo-station en bracht mij naar den trein voor Woking.
Hij zou mij, geloof ik, tot aan huis begeleid hebben, was Dr. Ferrier,
die naast mij woont, niet met denzelfden trein naar huis gereisd. De
dokter was zoo vriendelijk zich met de zorg voor mij te belasten, en hij
deed daar wel aan, want in het station kreeg ik een zenuwtoeval en voor
ik nog te huis was aangekomen, was ik razend krankzinnig.
"Gij kunt u voorstellen, hoe ze hier te moede waren, toen de dokter hen
wakker schelde en zij mij in zoo beklagenswaardigen toestand vonden. De
arme Annie en mijn moeder waren geheel verslagen. Dokter Ferrier had aan
het station genoeg van den detective gehoord, om haar in 't kort mede te
kunnen deelen, wat er gebeurd was. Daar het duidelijk was, dat ik langen
tijd ziek zou blijven, moest Joseph deze mooie slaapkamer afstaan, die
voor mij als ziekenkamer werd ingericht. Hier, mijnheer Holmes, heb ik
langer dan negen weken gelegen, zonder bewustzijn, ten prooi aan
sloopende zenuwkoortsen. Hadden mejuffrouw Harrison en de dokter mij
niet goed verzorgd, ik zou nu niet met u kunnen spreken. Annie heeft mij
overdag verpleegd en een ziekenverpleegster paste mij bij nacht op, want
in vlagen van verstandsverbijstering was ik tot alles in staat.
Langzamerhand kreeg ik mijn verstand terug, maar eerst de laatste drie
dagen is mijn geheugen volkomen teruggekeerd. Somwijlen komt de wensch
bij mij op, dat dit niet zoo ware. Het eerste wat ik deed was te
telegrafeeren naar mijnheer Forbes, die de zaak in handen had. Hij kwam
over en verzekerde mij, dat men, ofschoon alles in 't werk was gesteld,
niets had gevonden, wat tot ontdekking van de bedrijvers van den
diefstal kon leiden. De bode en zijn vrouw waren nauwkeurig
gefouilleerd, zonder dat iets aan 't licht kwam. Toen viel het
vermoeden der politie op den jongen Gorot, die, zooals gij u herinneren
zult, op den bewusten avond langer dan gewoonlijk op het bureau bleef.
Dit en de omstandigheid, dat hij een Franschen naam draagt, waren
inderdaad de eenige redenen, die de op hem rustende verdenking konden
wettigen. Ik was echter nog niet met mijn werk begonnen, eer hij vertrok
en zijn familie behoort, wat de afkomst betreft, wel tot de Hugenooten,
maar in sympathieën en traditiën even goed tot de Engelsche natie als
gij en ik. Er werd niets ontdekt, dat hem in de zaak kon betrekken. En
zoo is nu de stand van zaken. Op u, mijnheer Holmes, is mijn laatste
hoop gevestigd. Stelt gij mijn hoop teleur, dan is mijn eer en mijn
positie voor altijd verloren."
De zieke zonk, vermoeid door zijn lang verhaal, in zijn kussens terug,
terwijl zijn verpleegster hem een glas van een opwekkenden drank
inschonk. Holmes bleef stil zitten, het hoofd achterover en zijn oogen
gesloten, een houding, welke iemand, die hem niet kende, zeer
onverschillig mocht toeschijnen, maar die mij aanduidde, dat hij in
gepeins was verdiept.
"Uw mededeelingen zijn zoo duidelijk," zeide hij ten laatste, "dat mij
zeer weinig te vragen overblijft. Daar is evenwel een zeer gewichtige
vraag. Hadt gij iemand verteld, dat u die bijzondere taak was
opgedragen?"
"Niemand."
"Ook niet aan Miss Harrison, bijvoorbeeld?"
"Neen, ik ben niet te Woking geweest in den tijd, die er verliep
tusschen het oogenblik, dat mij de papieren werden ter hand gesteld, en
dat, waarop ik met het werk begon."
"En heeft u ook niemand van uw familie bij toeval gezien?"
"Niemand."
"Was iemand van hen te huis op het bureau?"
"O ja, allen waren er wel eens geweest."
"Indien gij evenwel met niemand van hen over het tractaat hebt
gesproken, bewijst dit natuurlijk niets."
"Ik zeide niets."
"Weet gij iets van den portier?"
[Illustratie: Hoe heerlijk schoon is toch een roos.]
"Niets, behalve dat hij een oud-soldaat is."
"Van welk regiment?"
"Ik heb gehoord van de Colstream-garde."
"Dank u. Ik twijfel er niet aan, of Forbes zal mij nadere bijzonderheden
kunnen mededeelen. De autoriteiten munten uit in het vermelden van
gegevens, ofschoon zij daarvan niet altijd een goed gebruik weten te
maken. Hoe heerlijk schoon is toch een roos!"
Hij liep de sofa voorbij naar het geopende raam en hield den steel van
een mosroos in de hand, met welgevallen neerziende op de liefelijke
roode en groene kleurenschakeering. Hij openbaarde hier een nieuwen trek
in zijn karakter, want ik had vroeger nooit opgemerkt, dat hij veel
belang stelde in voorwerpen uit de natuur.
"In niets is het maken van gevolgtrekkingen zoo noodzakelijk als in den
godsdienst," sprak hij, met zijn rug tegen de vensterblinden leunend.
"De godsdienst kan als een nauwkeurige wetenschap door de redeneering
worden opgebouwd. Het hoogste bewijs van de goedheid der Voorzienigheid
schijnt mij uit de bloemen te blijken. Alle andere dingen, onze
krachten, onze verlangens, ons voedsel, zijn in de eerste plaats voor
ons bestaan werkelijk noodzakelijk. Maar deze roos is iets overvloedigs.
Haar geur en kleuren zijn een veraangenaming van het leven, niet een
voorwaarde daarvoor. Het is alleen goedheid, die iets extra's geeft, en
zoo zeg ik nogmaals, dat wij veel met het oog op de bloemen te hopen
hebben."
Percy Phelps en zijn verpleegster zagen Holmes onder dit betoog met
verbazing en met een uitdrukking van teleurstelling op 't gelaat aan.
Holmes was weer in gepeins verzonken, nog steeds de roos tusschen zijn
vingers houdend. Het duurde verscheiden minuten, eer de jonge dame het
stilzwijgen verbrak.
"Ziet gij eenige kans, dit raadsel op te lossen?" vroeg zij, met iets
scherps in haar stem.
"O, het geheim!" antwoordde Holmes, opeens tot het werkelijke leven
terugkeerende. "Het zou dwaas wezen, te ontkennen, dat het geval zeer
duister en ingewikkeld is, maar ik durf u beloven, dat ik zal trachten
er achter te komen en u van elk opvallend feit in kennis zal stellen."
"Ziet gij reeds eenigen draad?"
"Gij hebt mij er zeven verschaft; maar natuurlijk moet ik ze op de proef
stellen, voor ik over hun waarde een oordeel kan uitspreken."
"Verdenkt gij iemand?"
"Ik verdenk mij zelf--"
"Hoe?"
"Van te snel tot een gevolgtrekking te komen."
"Ga dan naar Londen en onderzoek de juistheid uwer conclusiën."
"Uw raad is uitstekend, Miss Harrison," zeide Holmes, van zijn stoel
opstaande. "Ik geloof inderdaad, Watson, dat wij niets beters kunnen
doen. Vlei u niet met ijdele hoop, mijnheer Phelps. De zaak is zeer
ingewikkeld."
"Ik verkeer, zoolang gij niet terug zijt, in koortsachtige spanning!"
riep de diplomatieke ambtenaar.
"Ik kom u zoo spoedig mogelijk den uitslag mijner nasporingen
mededeelen," zeide Holmes.
"God zegene u er voor, dat gij belooft te komen," riep onze cliënt. "De
gedachte, dat er iets gedaan wordt, schenkt mij nieuwen levensmoed. Ik
moet u ook nog vertellen, dat ik een brief van Lord Holdhurst heb
ontvangen."
"Ha, wat schreef hij u?"
"Zijn brief was koel, maar niet barsch. Ik denk, dat mijn ernstige
ziekte hem weerhield barsch te wezen. Hij herhaalde, dat de zaak van het
hoogste gewicht was en voegde er bij, dat omtrent mijn toekomst (hij
bedoelde mijn ontslag) geen stappen gedaan zouden worden, aleer ik weer
gezond en in de gelegenheid zou wezen, het mij overkomen ongeluk te
herstellen."
"Dat was verstandig en toegeeflijk," zeide Holmes.
"Kom, Watson, wij hebben zooveel in de stad te doen, dat we blij mogen
wezen, als we vandaag met ons werk gereed kunnen komen."
De heer Joseph Harrison reed ons naar het station en weldra zaten wij in
den trein van Portsmouth naar Londen. Holmes was in gedachten verdiept
en deed, eer wij Clapham Junction voorbij waren, ternauwernood zijn mond
open.
"Het is toch aangenaam in Londen te komen langs een van deze lijnen, die
over de stad loopen en u vergunnen op de huizen neer te zien."
Ik meende, dat hij schertste, want ik vond het gezicht vrij treurig,
maar hij verklaarde zich dra nader.
"Zie naar die alleenstaande massieve gebouwen, die boven de leien daken
der omringende huizen uitsteken als eilanden van baksteen boven een
loodkleurige zee."
"De stadsscholen."
"Vuurtorens, mijn vriend! Bakens van de toekomst! Capsules, ieder met
honderden heldere, kleine zaadjes er in, waaruit het wijzere, betere
Engeland der toekomst zal voortkomen. Ik mag toch niet aannemen, dat
Phelps drinkt?"
"Ik zou het niet denken."
"Ik evenmin. Maar wij zijn verplicht, met elke mogelijkheid rekening te
houden. De arme drommel heeft zich ongetwijfeld zelf in moeilijkheden
gewikkeld en 't is de vraag, of wij in staat zullen zijn hem er uit te
redden. Wat denkt gij van Miss Harrison?"
"Een meisje van een vast karakter."
[Illustratie: Want ik vond het gezicht vrij treurig.]
"Ja, maar zij is ook een goede vrouw, of ik vergis mij zeer. Zij en haar
broer zijn de eenige kinderen van een ijzergieter ergens in
Northumberland. Op zijn reis in den voorgaanden winter werd Phelps met
haar verloofd en daarna kwam zij hier om aan zijn familie voorgesteld te
worden. Toen kwam de bekende ramp en zij bleef om haar beminde op te
passen, terwijl haar broer Joseph, die het tegenwoordig leventje lekker
vindt, ook bleef. Gij ziet, dat ik al op eigen hand enkele dingen
gevraagd heb. Maar de dag van heden moet geheel aan het onderzoek
besteed worden."
"Mijn praktijk--" begon ik.
"O, als gij uw eigen zaken van meer belang vindt dan de mijne--" zei
Holmes op scherpen toon.
"Ik wilde zeggen, dat ik wel een dag of twee mijn praktijk kon laten
varen, daar het de slapste tijd van 't jaar was."
"Uitmuntend," riep Holmes, weer goed gehumeurd. "Dan zullen wij
gezamenlijk een onderzoek instellen; ik denk, dat wij moeten beginnen
met een bezoek aan Forbes te brengen. Hij kan ons waarschijnlijk de
bijzonderheden mededeelen, welke wij noodig hebben, tot wij weten, hoe
wij ons licht in de zaak kunnen verschaffen."
"Gij zeidet, dat gij een draad in handen hadt."
"Wel, wij hebben er verscheidene, maar alleen door een verder onderzoek
kunnen we nagaan, of ze eenige waarde hebben. Geen misdaad is moeilijker
op 't spoor te komen dan die, van welke men het doel niet weet. Wie is
in dit geval de persoon, die van den diefstal voordeel kan hebben? De
Fransche gezant, de Russische gezant, iedereen, die het tractaat aan een
van beiden zou kunnen verkoopen; en dan Lord Holdhurst."
"Lord Holdhurst!"
"Het is te begrijpen, dat een staatsman in omstandigheden kan komen,
waarin hij er volstrekt niet rouwig om zou wezen, als zulk een document
bij toeval was zoekgeraakt."
"Geen staatsman met een eervolle loopbaan als Lord Holdhurst."
"Het geval blijft altijd denkbaar, en wij mogen het niet over het hoofd
zien. Wij zullen vandaag den edelen Lord een bezoek brengen en zien, of
hij ons iets kan vertellen. Middelerwijl ben ik reeds met mijn
nasporingen begonnen."
"Nu reeds?"
"Ja, ik heb in het station te Woking aan alle avondbladen in Londen een
telegram gezonden. In al deze bladen zal de volgende bekendmaking
voorkomen."
Hij reikte mij een uit een zakboek gescheurd blad papier over, waarop
met potlood het volgende was geschreven:
"Tien pond sterling belooning voor dengene, die het nommer kan zeggen
van het rijtuig, dat op den avond van den 23en Mei om kwart voor tien
vóór of ongeveer bij de deur van het ministerie van buitenlandsche zaken
iemand uitliet. Adres 221B Baker-Street."
"Gij rekent er dus op, dat de dief in een cab gekomen is?"
"Zoo niet dan kan deze bekendmaking nog geen kwaad. Indien Mr. Phelps'
verklaring, dat er noch in de kamer, noch in de corridors een plaats is,
waar iemand zich kan verschuilen, waarheid behelst, dan moet de dief van
buiten zijn gekomen. Als hij op zulk een regenachtigen avond van buiten
kwam en toch geen spoor van modder op het linoleum achterliet, dan is
het zeer waarschijnlijk, dat hij in een rijtuig kwam. Ja, ik geloof, dat
wij gerust mogen aannemen, dat hij in een huurrijtuig is gekomen."
"Het klinkt waarschijnlijk."
"Dat is een van de draden, waarover ik sprak. Misschien leidt hij ons
tot iets. En dan natuurlijk hebben wij nog het gebeurde met de schel,
het meest eigenaardige van het geval. Waarom zou er aan de schel
getrokken wezen? Zou de dief het uit louter vermetelheid gedaan hebben?
Of deed het iemand, die bij den dief was, ten einde de misdaad te
beletten? Of was het--?" Hij verzonk opnieuw in diep gepeins, doch mij,
die met elk zijner eigenaardigheden bekend was, scheen het toe, dat hem
plotseling iets anders in de gedachte was gekomen.
Om twintig minuten over drie stapten wij uit den trein en na haastig
geluncht te hebben, vertrokken wij onmiddellijk naar Scotland Yard.
Holmes had reeds aan Forbes een telegram gezonden en bij onze aankomst
vonden wij dezen op ons wachten. Forbes was een kleine, schrandere man,
met een scherp geteekend, maar eenigszins vriendelijk gelaat. In zijn
houding tegenover ons was hij beslist koel, vooral toen hij de reden van
onze komst vernam.
"Ik heb al vroeger van uw methodes gehoord, mijnheer Holmes," zeide hij
scherp. "Gij zijt handig genoeg, om van al de gegevens, die de politie
te uwer beschikking stelt, gebruik te maken en dan tracht gij de zaak
tot een goed einde en de politie in discrediet te brengen."
[Illustratie: "Ik heb al vroeger van uw methodes gehoord, mijnheer
Holmes."]
"Integendeel," zeide Holmes. "Onder de laatste drie en vijftig gevallen,
waarin ik een onderzoek heb ingesteld, komen er slechts vier voor,
waarin mijn naam genoemd wordt; van de negen en veertig andere heeft de
politie de eer. Ik neem het u niet kwalijk, dat gij dit niet weet, want
gij zijt nog jong en onervaren; maar indien gij in uw nieuwe betrekking
wenscht vooruit te komen, moet gij mij niet tegen- maar in de hand
werken."
"Ik zou gaarne een paar wenken ontvangen," zeide de detective, van toon
veranderende.
"Welke stappen hebt gij gedaan?"
"Tangey, de portier, is bespied geworden. Wij kunnen niets vinden, dat
tegen hem getuigt. Zijn vrouw is evenwel een slecht perceel. Ik geloof,
dat zij meer van de zaak weet, dan zij laat blijken."
"Hebt gij haar laten bespieden?"
"Wij hebben een van onze vrouwelijke beambten opgedragen op haar toe te
zien; Mrs. Tangey drinkt en onze beambte is tweemaal bij haar geweest,
toen zij goed dronken was, maar zij kon niets uit haar krijgen."
"Ik heb gehoord, dat de deurwaarders bij hen zijn geweest."
"Ja, maar die hebben betaling ontvangen."
"Waar kwam het geld vandaan?"
"Dat was in orde. Hij had zijn pensioen ontvangen. Zij hebben niet het
minste bewijs gegeven, ruim bij kas te zijn."
"Welke verklaring heeft zij gegeven voor het feit, dat zij antwoord gaf,
toen mijnheer Phelps om koffie schelde?"
"Zij zeide, dat haar man zeer vermoeid was en zij hem een beetje
wenschte te helpen."
"Dat stemt overeen met het feit, dat hij een oogenblik later in zijn
stoel zat te slapen. Er is dus niets, dat tegen hem getuigt, behalve het
gedrag van de vrouw. Hebt gij haar gevraagd, waarom zij dien avond zoo
haastig wegliep? Haar haast trok de aandacht van den politieagent."
"Zij was later dan gewoonlijk en wilde graag naar huis."
"Hebt gij er haar op gewezen, dat gij en de heer Phelps, die ten minste
twintig minuten na haar vertrokken, nog voor haar thuis kwamen?"
"Zij verklaart dat uit het verschil in snelheid tusschen een omnibus en
een rijtuig."
"Heeft zij opgehelderd, waarom zij bij haar thuiskomst onmiddellijk naar
de keuken liep?"
"Zij zeide, omdat zij daar het geld had, waarmede zij de deurwaarders
wilde betalen."
"Zij heeft ten minste, zie ik, een antwoord voor alles. Hebt gij haar
gevraagd, of zij bij het naar huis gaan iemand ontmoette of nabij
Charles-Street zag slenteren?"
"Zij zag niemand behalve den politieagent."
"Wel, gij schijnt haar goed ondervraagd te hebben. Wat hebt gij nog meer
gedaan?"
"Ik heb den klerk Gorot de laatste negen weken laten bespieden, maar
zonder eenig resultaat. Wij hebben geen enkel vermoeden tegen hem."
"Nog iets anders?"
"Wij hebben niets meer, dat ons tot uitgangspunt kan dienen; geenerlei
bewijs."
"Hebt gij u eenig oordeel gevormd aangaande de oorzaak van het luiden
der schel?"
"Ik moet bekennen, dat het ook mijn aandacht getrokken heeft. Het moet
een vermetel persoon geweest zijn, die brutaal genoeg was bij het
heengaan zulk een alarm te maken."
"Ja, het was wonderlijk. Mijn vriendelijken dank voor hetgeen gij mij
verteld hebt. Als ik u den schuldige kan overleveren, zult gij wel van
mij hooren. Komaan, Watson!"
"Waar gaan wij nu heen?" vroeg ik, toen wij het bureau verlieten.
"Nu gaan wij Lord Holdhurst, minister van buitenlandsche zaken en
toekomstig eerste minister van Engeland interviewen."
Wij waren zoo gelukkig Lord Holdhurst nog in Downing-Street thuis te
vinden; nadat wij onze kaartjes hadden afgegeven, werden wij dadelijk
bij hem toegelaten. De staatsman ontving ons met deftige beleefdheid,
waarvoor hij bekend is, en wees ons elk een crapaud aan ter weerszijden
van den haard. Op het haardkleedje tusschen ons staande, scheen hij met
zijn lange, tengere gestalte, zijn krullend, vroeg grijzend haar, de
type van een niet alledaagsch gentleman; een edelman, die in waarheid
edel is.
"Uw naam is mij zeer bekend, mijnheer Holmes," zeide hij glimlachend,
"en natuurlijk kan ik aangaande het doel van uw bezoek geen onwetendheid
voorwenden. Er is in de bureaux slechts één zaak gebeurd, die op uw
belangstelling aanspraak maakt. Mag ik u vragen in wiens belang gij
optreedt?"
[Illustratie: Een edelman, die in waarheid edel is.]
"In dat van den heer Percy Phelps," antwoordde Holmes.
"Ha, mijn ongelukkige neef! Ge begrijpt, dat onze bloedverwantschap het
mij onmogelijk maakt, hem op eenigerlei wijze te beschermen. Ik vrees,
dat het gebeurde zeer nadeelige gevolgen voor zijn toekomst zal hebben."
"Maar als het document gevonden wordt?"
"Dat zou de zaak natuurlijk veranderen."
"Ik zou u gaarne een paar vragen doen, Lord Holdhurst."
"Zeer gaarne zal ik u alle mogelijke inlichtingen geven."
"Droeg u hem in deze kamer op, het staatsstuk af te schrijven?"
"Zoo was het."
"Dan kunt ge moeilijk beluisterd zijn."
"Dat is geheel onmogelijk."
"Hebt u er nooit over gesproken, dat het uw plan was, het document te
laten afschrijven?"
"Nooit."
"Weet u dat zeker?"
"Volkomen zeker."
"Wel, indien u daar nooit over gesproken hebt en de heer Phelps evenmin
en niemand anders iets van de zaak wist, dan was de dief slechts
toevallig in het vertrek aanwezig, en zijn kans ziende nam hij die
gelegenheid waar."
De staatsman glimlachte. "Gij toont u hier een echte diplomaat," zeide
hij.
Holmes dacht een oogenblik na. "Er is nog een ander belangrijk punt,
waarover ik u wensch te spreken," zeide hij. "Als ik goed heb verstaan,
was u bevreesd, dat het bekend worden van de bijzonderheden van het
verdrag ernstige gevolgen zou hebben."
Er vertoonde zich een trek van misnoegen op het gelaat van den
staatsman. "Zeer ernstige gevolgen inderdaad."
"En zijn ze reeds gekomen?"
"Nog niet."
"Als het verdrag b.v. bij het Fransche of Russische ministerie van
buitenlandsche zaken bekend was geworden, zoudt u daar dan niets van
hooren?"
"Dat zou ik zeker," zei Lord Holdhurst wrevelig.
"Er zijn nu bijna tien weken verloopen en u hebt er niets van gehoord;
wij mogen derhalve aannemen, dat door de een of andere omstandigheid het
tractaat hun niet in handen is gekomen."
Lord Holdhurst haalde de schouders op.
"Wij kunnen zeer moeilijk onderstellen, mijnheer Holmes, dat de dief het
tractaat heeft weggenomen, om het in een lijstje te zetten en op te
hangen."
"Misschien wacht hij, tot hij er een beteren prijs voor kan bedingen."
"Als hij nog eenigen tijd wacht, zal hij er in 't geheel niets voor
krijgen. Binnen weinige maanden zal het verdrag geen geheim meer zijn."
"Dat is van zeer veel belang," zeide Holmes. "Het is natuurlijk
mogelijk, dat de dief plotseling ziek is geworden--"
"Dat hij b.v. een aanval van hersenziekte heeft gekregen," zeide de
staatsman, Holmes een veelbeteekenenden blik toewerpende.
"Dat zei ik niet," zeide Holmes onverstoorbaar kalm. "En nu, Lord
Holdhurst, wij hebben reeds te veel van uw kostbaren tijd in beslag
genomen en wenschen u goeden dag."
"Veel geluk met uw nasporingen, om 't even wie de misdadiger zij,"
antwoordde de edelman, ons naar de deur geleidende.
"Het is een deftig heer," zeide Holmes, toen wij in Whitehall kwamen,
"maar hij heeft moeite zijn stand op te houden. Hij is verre van rijk en
heeft vele uitgaven te bestrijden. Gij hebt natuurlijk ook opgemerkt,
dat zijn laarzen opnieuw gezoold zijn geworden. Nu wil ik u niet langer
van uw beroepsbezigheden afhouden, Watson. Vandaag zal ik niets meer
doen, eer ik antwoord heb op mijn advertentie. Maar gij zoudt mij zeer
veel genoegen doen, als gij morgen met mij naar Woking zoudt willen
gaan, met denzelfden trein als vandaag."
Overeenkomstig onze afspraak kwamen wij den volgenden morgen weer bij
elkaar en samen reisden wij naar Woking. Holmes had geen antwoord op
zijn advertentie gekregen en de zaak was hem nog even duister als te
voren. Als hij wilde, kon hij wat er in hem omging volkomen verbergen,
en aan zijn uiterlijk kon ik dan ook volstrekt niet bemerken, of hij al
dan niet tevreden was over den stand van zaken.
Onze cliënt werd bij onze komst nog steeds door zijn trouwe verpleegster
verzorgd, maar hij zag er nu toch veel beter uit dan den vorigen dag.
Hij stond van zijn sofa op en groette ons, toen wij binnenkwamen, zonder
dat dit hem moeite kostte.
[Illustratie: "Wat nieuws?" vroeg hij.]
"Wat nieuws?" vroeg hij, begeerig iets te vernemen.
"Mijn antwoord moet, zooals ik verwachtte, ontkennend luiden," zeide
Holmes. "Ik heb Forbes gesproken, en ik heb uw oom gesproken en ik heb
een paar maatregelen genomen, die mogelijk tot iets kunnen leiden."
"Gij geeft dus den moed nog niet verloren?"
"In geenen deele."
"God zegene u voor dit antwoord!" riep Miss Harrison. "Als wij moed
houden en geduld hebben, moet de waarheid aan 't licht komen."
"Wij hebben u meer te vertellen dan gij ons," zei Phelps, weer op de
sofa plaats nemende.
"Ik had hoop, dat gij iets zoudt hebben mede te deelen."
"Ja, er is van nacht iets gebeurd, dat wel eens van zeer ernstigen aard
kon blijken te zijn." Bij deze woorden nam zijn gelaat een sombere
uitdrukking aan en was in zijn oogen angst te lezen. "Zoudt gij wel
denken, dat ik begin te gelooven, dat ik het middelpunt ben van een
monsterachtige samenzwering en dat men het zoowel op mijn leven als op
mijn eer gemunt heeft?"
"Ha!" riep Holmes.
"Het klinkt ongelooflijk, want zoover ik weet, heb ik geen enkelen
vijand in de wereld. Zelfs na de ervaring van den afgeloopen nacht kan
ik niet anders zeggen."
"Vertel mij alles, als ik het u verzoeken mag."
"Gij moet weten, dat ik in den afgeloopen nacht sedert het begin van
mijn ziekte voor de eerste maal sliep, zonder dat er een verpleegster in
de kamer was. Ik gevoelde mij zooveel beter, dat ik dacht haar nu wel te
kunnen missen. Op de tafel brandde evenwel een nachtlamp. Te ongeveer
twee uur in den morgen, terwijl ik sluimerde, werd ik door een licht
geraas gewekt. Het was als het geluid van een muis, die aan een plank
knaagt en ik luisterde er eenigen tijd naar, in de meening verkeerende,
dat het inderdaad iets dergelijks moest zijn.
"Toen werd het geluid duidelijker. Plotseling hoorde ik van den kant van
het raam een scherpen metaalklank. Verwonderd ging ik in mijn bed
overeind zitten; er bleef geen twijfel meer aangaande de oorzaak van 't
geraas. Het flauwe geluid was veroorzaakt, doordien iemand een werktuig
door de spleet tusschen het raam en het kozijn dreef en het hardere
knarsen door het met geweld achteruitspringen van de venstersluiting.
"Toen vernam ik niets meer gedurende een tien minuten, alsof de inbreker
wilde wachten, of ik ook wakker was geworden. Daarna vernam ik een zacht
gekraak, alsof het venster langzaam werd geopend. Ik kon mij niet langer
stilhouden, want mijn zenuwen zijn niet meer, wat zij vroeger waren. Ik
sprong uit mijn bed en trok het luik open. Er kroop een man onder het
raam. Ik zag weinig van hem, want hij verdween snel. Hij was in een
soort mantel gehuld, die het benedenste deel van zijn gezicht bedekte.
Van één ding ben ik evenwel zeker; daarvan namelijk, dat hij een wapen
in de hand hield. Het leek mij een lang mes te zijn. Ik zag het
duidelijk glinsteren, toen hij zich omkeerde en wegliep.
"Ik zou hem, als ik sterker was geweest, door het open venster gevolgd
hebben. Nu evenwel trok ik aan de schel om mijn huisgenooten te wekken.
Het duurde nog al eenigen tijd, want de schel hangt in de keuken en de
bedienden slapen allen boven. Nu begon ik evenwel luid te schreeuwen en
daarop kwam Joseph naar beneden en die riep de anderen wakker. Joseph en
de stalknecht vonden indrukken van voetstappen op het bloembed voor het
raam, maar het weer was de laatste dagen zoo droog geweest, dat het een
hopeloos werk was, het spoor over het gras te volgen. Er is evenwel een
plaats op het houten hek aan den weg, waaraan, naar sommigen zeggen, zou
te zien wezen, dat er iemand is overgeklommen; het bovenste deel van het
hek moet daar beschadigd zijn. Ik heb er de politie van Woking nog geen
kennis van gegeven, want ik wilde eerst uw meening weten."
Dit verhaal van onzen cliënt scheen een buitengewonen indruk op Holmes
te maken. Hij stond van zijn stoel op en liep in opgewonden stemming
door de kamer.
"Ongelukken komen nooit alleen," zeide Phelps glimlachend, ofschoon het
duidelijk aan hem was te zien, dat het voorval hem eenigszins geschokt
had.
"Gij hebt zeker uw portie gehad," zeide Holmes. "Denkt gij met mij om
het huis te kunnen wandelen?"
"O ja, ik zou wel van een beetje zonneschijn houden, Joseph zal ook
komen."
"En ik," zeide Miss Harrison, terwijl zij reeds opstond.
"Ik vrees van niet," zeide Holmes, hoofdschuddend. "Ik moet u verzoeken
te blijven zitten, precies waar gij nu zit."
De jonge dame ging zichtbaar misnoegd weer zitten. Haar broeder evenwel
voegde zich bij ons en met ons vieren gingen wij naar buiten. Wij liepen
om het grasperk onder het raam der kamer van den jongen ambtenaar.
Zooals hij had gezegd, waren op het bloembed voetsporen zichtbaar, maar
zij waren voor een deel uitgewischt en zeer onduidelijk geworden, Holmes
bukte zich, om ze een oogenblik goed te bezien, stond toen overeind en
haalde zijn schouders op.
"Ik geloof niet, dat iemand hier veel van zou kunnen maken. Laten wij om
het huis loopen en zien, waarom de inbreker juist deze kamer heeft
uitgekozen. Ik zou denken, dat die lage vensters van de ontvangkamer en
eetzaal hem meer moesten hebben aangetrokken."
"Die zijn van den weg af beter zichtbaar," zeide Joseph Harrison.
"O ja, natuurlijk. Hier is een deur, die hij zou kunnen hebben
opengebroken. Waarvoor dient die deur?"
"Het is de zijdeur voor de dienstboden. Het spreekt vanzelf, dat zij bij
nacht op slot is."
"Hebt gij vroeger ook wel eens zoo'n gerucht gehoord?"
"Nooit," zeide onze cliënt.
"Hebt gij zilverwerk in huis of iets anders, dat de dieven aantrekt?"
"Niets van waarde."
Holmes wandelde rondom het huis met zijn handen in de zakken en een
onverschillig voorkomen, zooals men niet van hem gewoon was.
"A propos," zeide hij tot Joseph Harrison, "gij hebt, geloof ik, een
plek gevonden, waar de kerel over het hek is geklommen. Laten wij daar
eens naar kijken."
De forsche jonge man leidde ons naar een plaats, waar de bovenkant van
het hek was stuk gebroken, een klein stuk hout hing naar beneden. Holmes
scheurde het los en bekeek het nauwkeurig.
"Denkt gij, dat dit in den afgeloopen nacht gebeurd is? Het schijnt al
tamelijk lang geleden, dat dit stuk hout er afgebroken is, vindt ge ook
niet?"
[Illustratie: Holmes bekeek het nauwkeurig.]
"Het is wel mogelijk."
"Aan de andere zijde is niet te zien, dat er iemand naar beneden is
geklommen. Neen, ik geloof, dat wij hier niets wijzer zullen worden.
Laten wij naar de slaapkamer gaan en over de zaak spreken."
Percy Phelps liep zeer langzaam, leunende op den arm van zijn
toekomstigen schoonbroer. Holmes liep vlug over het grasperk, wij beiden
waren lang voor de anderen aan het open venster van de slaapkamer.
"Miss Harrison," zeide Holmes op uiterst beslisten toon, "gij moet
vandaag blijven, waar gij op dit oogenblik zijt. Laat niets u daarvan
terughouden. Het is van het hoogste belang."
"Zeker, als gij het wenscht, mijnheer Holmes," zeide het meisje
verbaasd.
"Als gij naar bed gaat, moet gij de deur van deze kamer aan de
buitenzijde sluiten en den sleutel bewaren."
"Maar Percy?"
"Hij zal met ons naar Londen gaan."
"En moet ik hier blijven?"
"Het is in zijn belang. Gij kunt hem van dienst zijn. Spoedig. Beloof
het!"
Zij knikte toestemmend, juist toen de beide anderen binnenkwamen.
"Waarom blijft gij daar zitten suffen, Annie?" riep haar broer. "Kom
naar buiten in den zonneschijn."
"Neen, dank je, Joseph. Ik heb een beetje hoofdpijn en in deze kamer is
het heerlijk koel en stil."
"Wat zijt ge nu voornemens te doen, mijnheer Holmes?" vroeg onze cliënt.
"Wel, door onze nasporingen betreffende deze minder beteekenende zaak
mogen wij ons gewichtiger onderzoek niet uit het oog verliezen. Het zou
mij van grooten dienst zijn, als gij met ons naar Londen wildet gaan."
"Nu dadelijk?"
"Zoo spoedig, als gij met schik kunt gaan. Zeg b.v. over een uur."
"Ik gevoel mij al sterk genoeg; indien ik inderdaad van eenig nut kan
wezen...."
"Van het grootst mogelijk nut."
"Misschien wenscht gij wel, dat ik daar van nacht blijf."
"Ik was juist van plan, het u voor te stellen."
"Als dan mijn vriend van heden nacht terugkomt, om opnieuw een bezoek te
brengen, vindt hij den vogel gevlogen. Ons aller lot is in uw handen,
mijnheer Holmes, en gij moet ons maar precies zeggen, wat gij wenscht,
dat wij zullen doen. Mogelijk verkiest gij wel, dat ook Joseph met ons
gaat, om bijvoorbeeld op mij te passen."
"O, dat is niet noodig. Mijn vriend Watson is, zooals gij weet,
geneesheer en die zal wel zorg voor u dragen. Wij zullen, als gij er
niets tegen hebt, hier onze lunch gebruiken en dan zullen wij om drie
uur gezamenlijk naar de stad vertrekken."
Zijn voorstel werd goedgevonden, en Miss Harrison vroeg excuus, dat zij
de slaapkamer niet verliet, zooals Holmes haar had aangeraden. Wat mijn
vriend bedoelde, begreep ik niet, tenzij het in zijn plan mocht liggen,
Miss Harrison verwijderd te houden van Phelps, die verheugd over den
terugkeer van zijn gezondheid en over het vooruitzicht, dat er iets
gedaan zou worden, met ons in de eetzaal de lunch gebruikte.
Holmes bereidde ons intusschen nog grooter verrassing, want toen hij ons
naar het station had vergezeld en in een wagon zag zitten, zeide hij
kalm, dat hij niet voornemens was Woking te verlaten.
"Voor ik u verlaat, zou ik u gaarne een paar punten willen ophelderen,"
zeide hij. "Uw afwezigheid, mijnheer Phelps, zal mij in sommige
opzichten eenigszins helpen. Als gij te Londen aankomt, Watson, zoudt
gij mij verplichten terstond met onzen vriend naar Baker-Street te
rijden en daar met hem te blijven, tot ik terugkom. Het treft gelukkig,
dat gij oude schoolkameraads zijt, zoodat gij elkaar wel veel te
vertellen zult hebben. Mijnheer Phelps kan van nacht de logeerkamer
krijgen; ik zal bijtijds voor het ontbijt bij u wezen, want er rijdt een
trein, waarmede ik tegen acht uur aan 't Waterloo-station kan zijn."
"Maar wat wordt er nu van ons onderzoek te Londen?" vroeg Phelps
neerslachtig.
"Daarmede kunnen wij ons morgen bezighouden. Ik geloof, dat ik juist nu
hier van meer onmiddellijk nut kan zijn."
"Gij kunt op Briarbrae zeggen, dat ik morgen avond hoop terug te zijn,"
riep Phelps, toen de trein zich in beweging zette.
[Illustratie: Ik denk niet naar Briarbrae terug te gaan.]
"Ik denk niet naar Briarbrae terug te gaan," antwoordde Holmes, ons een
vriendelijk vaarwel toewuivende, toen wij van uit 't station vertrokken.
Phelps en ik praatten op onze reis over 't geval, maar geen van ons kon
een voldoende reden voor Holmes' nieuwe handelwijze vinden.
"Ik onderstel, dat hij eenigen draad wenscht te vinden, die hem den
inbreker van gisteren nacht kan doen ontdekken, als er althans een
inbreker was," zei Phelps. "Wat mij aangaat, ik geloof niet, dat het een
gewone dief was."
"Hoe denkt gij er dan over?" vroeg ik.
"Op mijn woord van eer, gij moogt het aan mijn zwakke zenuwen wijten of
niet, maar ik geloof, dat er rondom mij een politieke intrige wordt
afgesponnen, en dat om een of andere reden, die ik thans niet inzie, de
samenzweerders het op mijn leven gemunt hebben. Dit klinkt wel
hoogdravend en ongerijmd, maar let op de feiten! Waarom zou een dief
trachten in te breken door het venster van een slaapkamer, waar hij geen
kans heeft om te plunderen en waarom zou hij komen met een lang mes in
de hand?"
"Zijt gij er zeker van, dat het geen inbrekersbeitel was?"
"O neen, het was een mes; ik zag zeer duidelijk de flikkering van het
lemmet."
"Doch om welke reden zoudt gij met zoo vijandige bedoelingen vervolgd
worden?"
"Dat is juist de quaestie."
"Wel, indien Holmes de zaak evenzoo inziet als gij, dan zou dit ons zijn
handelwijze verklaren, dunkt u ook niet? Aannemende, dat uw redeneering
juist is, dan zou hij door den man, die u in den afgeloopen nacht
bedreigde, in hechtenis te nemen, een heel eind op weg wezen om ook den
persoon te vinden, die het scheepvaart-verdrag wegnam. Het is ongerijmd
te veronderstellen, dat gij twee vijanden hebt, waarvan de een u
berooft, terwijl de ander uw leven bedreigt."
"Maar de heer Holmes zei, dat hij niet naar Briarbrae ging."
"Ik ken hem al vrij lang," zeide ik, "en weet, dat hij nooit iets doet
zonder daarvoor een zeer goede reden te hebben," en na deze woorden nam
ons gesprek een andere wending.
Het was voor mij evenwel een vervelende dag. Phelps was na zijn lange
ziekte nog zwak en zijn ongeluk maakte hem klaagziek en zenuwachtig.
Vruchteloos poogde ik zijn belangstelling op te wekken voor de
Afghaansche quaestie, voor de zaken in Indië, voor vraagstukken van
socialen aard, voor alles, wat zijn gedachtenloop eenige afleiding kon
geven. Hij kwam altijd weer terug op zijn verloren tractaat, radende
naar en beschouwingen houdende over hetgeen Holmes zou verrichten, de
stappen die Lord Holdhurst zou doen, de tijdingen die wij den volgenden
morgen zouden vernemen. Bij het aanbreken van den avond werd zijn
opgewondenheid zelfs pijnlijk.
"Stelt gij een blind vertrouwen in Holmes?" vroeg hij.
"Ik heb hem eenige merkwaardige dingen zien doen."
"Maar bracht hij ooit licht in zulk een duistere geschiedenis als deze
is?"
"Jawel; ik heb hem vraagstukken zien oplossen, die nog ingewikkelder
waren dan het uwe."
"Maar geene, waarbij zulke belangen op 't spel staan?"
"Dat kan ik niet zeggen. Wel weet ik met zekerheid, dat hij zijn
diensten heeft verleend aan drie regeerende huizen van Europa in hoogst
belangrijke aangelegenheden."
"Maar gij kent hem wel, Watson; hij is zulk een ondoorgrondelijk man,
dat ik nooit geheel weet, wat ik van hem moet denken. Meent gij, dat hij
veel hoop heeft? Gelooft gij, dat hij verwacht, deze zaak tot een goed
einde te zullen brengen?"
"Hij heeft niets gezegd."
"Dat is een slecht teeken."
"Integendeel. Ik heb opgemerkt, dat als hij het spoor bijster is, hij
dit gewoonlijk zegt. Wanneer hij daarentegen iets op het spoor is, maar
nog niet geheel zeker is van zijn zaak, is hij meest stilzwijgend. En
nu, mijn beste vriend, daar wij in deze aangelegenheid niets verder
komen door ons zenuwachtig te maken, verzoek ik u dringend naar bed te
gaan, opdat gij met frissche krachten de dingen van morgen kunt
afwachten."
Het gelukte mij ten laatste mijn metgezel te overreden mijn raad op te
volgen, ofschoon ik uit zijn opgewonden gedrag kon zien, dat er voor hem
weinig hoop op een verkwikkenden slaap bestond. Inderdaad was zijn
stemming aanstekelijk, want ik zelf lag den halven nacht te hoesten,
peinzende over dat vreemde probleem en daaromtrent honderd
onderstellingen opbouwende, waarvan ten slotte de een mij nog
onmogelijker voorkwam dan de ander. Waarom was Holmes te Woking
gebleven? Waarom had hij Miss Harrison gevraagd den geheelen dag in de
ziekenkamer te willen blijven? Waarom had hij er zoo goed voor gezorgd,
dat de bewoners van Briarbrae onkundig waren van zijn plan, in hun
nabijheid te blijven? Ik kwelde mijn hersens, tot ik bij de pogingen,
voor al deze feiten een verklaring te vinden, in diepen slaap viel.
Om zeven uur werd ik wakker. Terstond begaf ik mij naar Phelps' kamer en
vond mijn reisgenoot van den vorigen dag in zeer opgewonden stemming.
Zijn eerste vraag was, of Holmes reeds was aangekomen.
"Hij zal hier op den door hem bepaalden tijd wezen en geen oogenblik
vroeger of later," zeide ik.
Ik sprak de waarheid, want even over acht hield een _hansom_ voor de
deur stil en sprong onze vriend er uit. Voor het raam staande, zagen
wij, dat hij een zwachtel om zijn linkerhand had, en dat zijn gelaat
zeer barsch en bleek was. Hij trad het huis binnen en ging onmiddellijk
daarna de trap op.
"Hij ziet er uit, alsof hij een nederlaag heeft geleden," riep Phelps.
Ik moest bekennen, dat hij gelijk had. "Enfin," zeide ik, "de sleutel
van het geheim moet waarschijnlijk in de stad gezocht worden."
Phelps zuchtte. "Ik weet niet, hoe het komt," sprak hij, "ik verwachtte
zooveel van zijn terugkomst. Maar gisteren was zijn hand toch niet
verbonden. Wat zou er toch gebeurd zijn?"
"Gij zijt toch niet gewond, Holmes?" vroeg ik, toen mijn vriend de kamer
binnentrad.
"Tut. 't Is niets dan een schram door mijn eigen onhandigheid,"
antwoordde hij, ons goeden morgen knikkende. "Uw zaak, mijnheer Phelps,
is zeker een van de geheimzinnigste, die ik ooit heb nagespoord."
"Ik was bang, dat gij ze beneden u zoudt achten."
"Het is een hoogst merkwaardig onderzoek geweest."
"Dat verband getuigt van avonturen. Zoudt gij ons willen vertellen, wat
er gebeurd is?"
"Na het ontbijt, mijn waarde Watson. Bedenk wel, dat ik van morgen al op
'n wandeling van dertig mijlen de Surreylucht heb ingeademd. Ik denk wel
niet, dat er een antwoord op mijn cab-advertentie gekomen is? Wel, wel,
men mag ook niet verwachten, altijd geluk te hebben."
De tafel was gedekt en juist toen ik wilde schellen, kwam juffrouw
Hudson met de thee en koffie binnen. Een paar minuten later bracht zij
drie couverts; wij schoven alle drie aan tafel, Holmes begeerig wat te
eten, ik nieuwsgierig en Phelps in een stemming van doffe
neerslachtigheid.
"Juffrouw Hudson is voor deze gelegenheid vroeg opgestaan," zeide
Holmes, het deksel van een schotel gebraden kuikens afnemend. "Haar
keuken is een beetje beperkt, maar zij weet even goed wat tot een
uitstekend ontbijt behoort als een Schotsche huisvrouw. Wat hebt gij
daar, Watson?"
"Ham en eieren," antwoordde ik.
"Goed! Wat wilt gij eten, mijnheer Phelps, gebraden vogel of eieren, of
wilt gij u zelf bedienen?"
"Dank u, ik kan niets eten," zeide Phelps.
"Och, komaan! Zie eens, wat op dien schotel daar voor u ligt."
"Dank u, ik zou wezenlijk liever niet eten."
"Nu dan," zeide Holmes, terwijl hij Phelps ondeugend aanzag, "gij zult
er dan toch niet tegen hebben, mij te helpen?"
Phelps tilde het deksel op, gaf een gil en zat daar met een gezicht even
wit als de schotel, waarop hij in de grootste verbazing staarde. Op het
midden van het bord lag een kleine cylinder van blauwgrijs papier. Hij
nam hem op, bekeek hem van alle kanten en danste toen als een gek door
de kamer, drukte den papieren cylinder tegen zijn borst en schreeuwde
het uit van blijdschap. Toen liet hij zich weer in zijn armstoel vallen,
zoo slap en uitgeput door zijn gemoedsbeweging, dat wij hem brandewijn
in de keel moesten gieten, om te voorkomen, dat hij in zwijm viel.
[Illustratie: Phelps tilde het deksel op.]
"Wees bedaard!" zeide Holmes, hem zacht op den schouder kloppend, "het
was verkeerd, u er zoo plotseling mede te verrassen; maar Watson weet,
dat het dramatische iets aantrekkelijks voor mij heeft, waaraan ik nooit
weerstand kan bieden."
Phelps greep zijn hand en kuste die.
"God zegene u! Gij hebt mijn eer gered!" riep hij.
"Wel, mijn eigen eer stond op het spel, bedenk dat ook," zeide Holmes.
"Ik verzeker u, dat het even onaangenaam voor mij is, in een mij
opgedragen onderzoek te falen, als voor u een misslag in een opdracht te
begaan."
Phelps borg het kostbare document in den binnenzak van zijn jas weg.
"Ik heb den moed niet u verder in uw ontbijt te storen, en toch brand ik
van verlangen, om te weten, hoe gij het in handen hebt gekregen en waar
het was."
Sherlock Holmes dronk haastig een kop koffie en wijdde daarna zijn
aandacht aan de ham en de eieren. Toen stond hij op, stak zijn pijp aan
en ging weer in zijn stoel zitten.
"Eerst zal ik u vertellen, wat ik deed en daarna, hoe ik er toe kwam zoo
te handelen," zeide hij.
"Na u aan het station verlaten te hebben, deed ik een wandeling door een
mooie streek van het graafschap Surrey naar een aardig dorpje, Ripley
genaamd, waar ik in een herberg een kop thee dronk en de voorzorg nam,
mijn brandewijnflesch te vullen en een papier met sandwiches in mijn zak
te doen. Daar bleef ik tot het avond was geworden; toen wandelde ik naar
Woking terug, en juist nadat de zon was ondergegaan, bevond ik mij weer
op den grooten weg tegenover Briarbrae.
"Ik wachtte, tot zich niemand meer op den weg bevond--er zijn nooit veel
menschen, geloof ik--en klom toen over het hek, dat den grond der villa
omgeeft."
"De poort was toch zeker open?" riep Phelps.
"Ja; maar ik heb in dergelijke zaken een bijzonderen smaak. Ik koos de
plek uit, waar de drie denneboomen staan en, daarachter verscholen, klom
ik over het hek, zonder de minste kans te loopen door iemand in het huis
gezien te worden. Ik hurkte neer tusschen de struiken van de andere
zijde en kroop van den eenen naar den anderen struik--getuige de
schandelijke toestand van de knieën mijner broek--tot ik het groepje
rhododendrons juist tegenover het raam van uw slaapkamer had bereikt.
Daar hurkte ik neer en wachtte af, wat er verder zou gebeuren.
"In uw kamer waren de jaloezieën niet omlaag en ik zag Miss Harrison
bij de tafel zitten lezen. Kwart over tien deed zij haar boek dicht,
sloot de luiken en verliet de kamer. Ik hoorde haar de deur sluiten en
was er zeker van, dat zij den sleutel in het slot had omgedraaid."
"Den sleutel?" riep Phelps uit.
"Ja, ik had Miss Harrison gezegd, de deur van buiten te sluiten en als
zij naar bed ging, den sleutel mede te nemen. Zij hield zich letterlijk
aan mijn instructiën en zeer zeker zoudt gij, had zij niet goed
medegewerkt, het papier niet in uw jaszak hebben. Toen vertrok zij, de
lichten gingen uit en ik bleef buiten in de duisternis nedergehurkt in
het boschje rhododendrons.
"Het was een schoone nacht, toch viel mij het wachten lang. Men heeft
bij zoo'n avontuur hetzelfde gevoel, dat de jager ondervindt, als hij
aan den oever van een rivier op een wild zwijn ligt te wachten. Dat
wachten viel mij evenwel lang, bijna even lang, Watson, als toen gij en
ik in die benauwde kamer de wacht hielden in het avontuur van "de
gespikkelde band". Te Woking is een klok, die de kwartieren slaat, en
meer dan eens scheen het mij toe, dat die klok stilstond. Nadat mijn
geduld evenwel lang op de proef was gesteld, hoorde ik te twee uur in
den morgen plotseling zacht een grendel terugschuiven en het geknars van
een sleutel in het sleutelgat. Een oogenblik later kwam Joseph Harrison
naar buiten in den maneschijn."
"Joseph?" riep Phelps verbaasd uit.
"Hij was blootshoofds, maar droeg een zwarten schoudermantel, zoodat hij
oogenblikkelijk zijn gezicht kon verbergen, zoodra hij eenig verdacht
gerucht hoorde. Hij liep op zijn teenen naar de schaduw tegen den muur,
en toen hij het venster had bereikt, dreef hij een mes met een lang
lemmet onder het raam en stiet de knip terug. Hij schoof nu het venster
omhoog, dreef zijn mes door de spleet tusschen de luiken, lichtte een
bout op en stiet de luiken open.
"Van de plek, waar ik lag, had ik een uitmuntend gezicht in de kamer en
op elk van zijn bewegingen. Hij stak de beide kaarsen aan, die op den
schoorsteenmantel stonden, en keerde toen terug naar een hoek van de
kamer nabij de deur. Hier bukte hij zich en nam een vierkant stuk plank
uit den vloer, zooals men dikwijls los in den vloer laat om de
loodgieters in staat te stellen, de einden van de gaspijpen aan elkaar
te soldeeren. Dit stukje plank bedekte de plek, waar de pijp zich
vertakt om de keuken beneden van gas te voorzien. Uit deze bergplaats
haalde hij het kleine papieren cylindertje voor den dag, legde toen het
stukje plank weer neer, schoof het vloerkleed terecht, blies de kaarsen
uit en liep mij, die hem buiten het venster stond af te wachten,
regelrecht in de armen.
[Illustratie: Joseph Harrison kwam naar buiten.]
"Wel, hij is ondeugender, dan ik mij dien mijnheer Joseph voorstelde.
Hij sprong met zijn mes op mij toe, en ik moest hem twee keer aangrijpen
en kreeg een snede over de knokkels, voor ik hem de baas werd. Hij wierp
mij moorddadige blikken toe uit het eene oog, waarmede hij nog zien kon,
toen onze strijd geëindigd was; doch hij wilde nu naar rede luisteren en
gaf de papieren over. Toen ik die had, liet ik mijn man los, maar nog
dezen morgen zond ik een uitvoerig telegram aan Forbes. Is deze vlug
genoeg den vogel te vangen, dan is het mij goed! Maar zoo hij, wat ik
wel vermoed, het nest ledig vindt, zooveel te beter voor het
gouvernement. Ik geloof, dat zoowel Lord Holdhurst als mijnheer Percy
Phelps het liefst hebben, dat de zaak nooit voor het gerecht komt."
"Mijn God!" hijgde onze cliënt, "is het inderdaad waar, dat gedurende de
tien lange weken, waarin ik met den dood worstelde, de papieren steeds
zoo nabij mij in de kamer waren?"
"Zoo was het."
"En Joseph! Is Joseph een schurk en een dief?"
"Hum! Ik geloof, dat het karakter van Joseph ondoorgrondelijker en
gevaarlijker is, dan men, op zijn voorkomen afgaande, zou vermoeden. Uit
hetgeen ik dezen morgen van hem gehoord heb, maak ik op, dat hij veel
verloren heeft door speculeeren in effecten en dat hij in staat is tot
alles, wat zijn financieele omstandigheden kan verbeteren. Daar hij een
buitengewoon zelfzuchtig man is, liet hij zich zelfs niet door het geluk
van zijn zuster of uw goeden naam weerhouden diefstal te plegen."
Percy Phelps zonk in zijn stoel terug. "Mijn hoofd duizelt, uw woorden
hebben mij geheel verslagen," zeide hij.
"De voornaamste moeilijkheid in uw zaak," vervolgde Holmes op zijn
gewone onderwijzende manier, "ligt in het feit, dat er te veel
waarschijnlijks was. Wat ons dienen kon tot ontsluiering van het geheim,
was weer bedekt en verborgen door andere feiten, die niets bewijzen. Uit
al de feiten, die zich aan ons voordeden, zochten wij die uit, welke ons
inderdaad waar voorkwamen en toen voegden wij ze in hun rangorde bijeen,
om de keten van gebeurtenissen te vormen. Ik was Joseph al begonnen te
verdenken, toen ik van u vernam, dat gij voornemens waart dien avond in
zijn gezelschap naar huis terug te keeren, het voor waarschijnlijk
houdende, dat hij daarom alleen met u die terugreis maakte, wijl hij wel
wist, dat het ministerie van buitenlandsche zaken dan op zijn weg lag.
Toen ik vernam, dat iemand de slaapkamer had getracht binnen te dringen,
waarin niemand anders dan Joseph iets had kunnen verbergen--gij deeldet
ons bij uw verhaal mede, hoe Joseph u die kamer moest inruimen, toen
gij met den dokter aankwaamt--werd mijn vermoeden zekerheid, daar de
poging tot inbraak geschiedde in den eersten nacht, dat de verpleegster
afwezig was, wat mij bewees, dat de inbreker wel op de hoogte was van
het doen en laten in het huis."
"Hoe blind ben ik toch geweest."
"Het geval heeft zich, voor zoover ik mij overtuigen kon, volgenderwijs
toegedragen:
"Joseph Harrison kwam het bureau binnen door de deur aan de
Charles-Street en daarbij den weg goed kennend, liep hij regelrecht naar
uw kamer, onmiddellijk nadat gij die hadt verlaten. Daar niemand
vindende, trok hij terstond aan de schel, op hetzelfde oogenblik kreeg
hij het op tafel liggende papier in het oog. Een enkele blik overtuigde
hem, dat het toeval hem daar een staatsstuk van onschatbare waarde in
handen speelde, en zonder zich verder te bedenken, stak hij het bij zich
en vertrok. Zooals gij u zult herinneren, verliepen er een paar minuten
aleer de slaperige portier uw aandacht op de schel vestigde en in dezen
tijd kon de dief zich uit de voeten maken.
"Hij reisde met den eersten trein naar Woking en na het gestolen
document met aandacht doorgelezen te hebben, waarbij hij inderdaad zag,
dat het ontzaglijk veel waard was, verborg hij het op een veilige plaats
met het voornemen, het binnen een of twee dagen weer te voorschijn te
halen en naar het Fransche gezantschap te brengen, of ergens anders,
waar hij kon veronderstellen er een flinken prijs voor te erlangen. Toen
kwaamt gij plotseling te huis. Zonder vooraf gewaarschuwd te zijn, moest
hij u zijn kamer afstaan en sedert waren er altijd twee of drie personen
in de kamer aanwezig, wat hem belette zijn schat weer in handen te
krijgen. Zijn toestand was inderdaad hoogst onaangenaam. Maar eindelijk
dacht hij zijn kans schoon te zien. Hij probeerde naar binnen te
sluipen, doch zijn plan werd door uw waakzaamheid verijdeld. Gij zult u
herinneren, dat gij dien avond uw gewonen drank niet naamt en dat
Harrison geheel en al er op vertrouwde, dat gij buiten bewustzijn zoudt
wezen. Ik rekende er natuurlijk op, dat hij zijn poging zou herhalen,
zoodra hij maar dacht, dat het veilig kon geschieden. Doordien gij de
kamer verliet, kreeg hij de gelegenheid, waarop hij wachtte. Ik zorgde
er voor, dat Miss Harrison den ganschen dag in de kamer bleef, zoodat
hij ons niet voor kon zijn. En terwijl ik hem nu in den waan bracht, dat
het veilig op de kust was, hield ik de wacht, zooals ik u zooeven heb
verteld. Ik wist reeds, dat de papieren waarschijnlijk in de kamer
waren, maar ik verlangde er volstrekt niet naar den geheelen vloer en de
paneelen op te breken om ze te zoeken. Daarom liet ik ze hem zelf uit
het verborgen hoekje nemen en bespaarde mij zoo ontzaglijke moeite. Is
er nog iets op te helderen?"
[Illustratie: Is er nog iets op te helderen?]
"Waarom trachtte hij den eersten keer door het venster in te breken,
terwijl hij door de deur binnen kon komen?" vroeg ik.
"Om bij de deur te komen moest hij zeven slaapkamers voorbij. Bovendien
kon hij gemakkelijk weer door het venster op het grasperk komen. Is er
nog iets?"
"Denkt gij niet," vroeg Phelps, "dat hij van plan was mij te vermoorden?
Hij wilde zeker zijn mes alleen als gereedschap gebruiken."
"Dat kan wel zoo wezen," antwoordde Holmes, zijn schouders ophalende.
"Dit alleen kan ik u met zekerheid zeggen, dat Joseph Harrison een
persoon is, aan wiens genade ik niet gaarne zou willen zijn
overgeleverd."