De dood van Sherlock Holmes.
Met een zwaar hart neem ik de pen op om deze laatste woorden, waarin ik
de wonderbaarlijke geestesgaven boekstaaf, waardoor zich mijn vriend
Sherlock Holmes onderscheidde, neder te schrijven. Onsamenhangend en,
zooals ik maar al te wel gevoel, zeer onvolkomen heb ik een verhaal
gegeven van mijn vreemde ervaringen in zijn gezelschap--van het toeval
af, dat ons voor de eerste maal[A] samenbracht tot den tijd, toen hij in
de geschiedenis van het Scheepvaart-verdrag zijn tusschenkomst
verleende, een tusschenkomst, waardoor hij een reeks internationale
verwikkelingen voorkwam. Het lag aanvankelijk in mijn plan, daarmede
mijn "gedenkschriften" van Sherlock Holmes te besluiten en niets te
zeggen van de gebeurtenis, die een leegte in mijn leven heeft gebracht,
welke na een tijdsverloop van twee jaren nog niet is aangevuld. De
brieven, waardoor korten tijd geleden kolonel James Moriarty de
nagedachtenis van zijn broer van blaam trachtte te zuiveren, noodzaken
mij evenwel tot schrijven en mij blijft geen andere keus, dan de feiten
nauwkeurig aan het publiek mede te deelen. Ik alleen ken de ware
toedracht der zaak en het verheugt mij, dat de tijd gekomen is, dat het
tot niets meer dient, de waarheid te verzwijgen. Zoover ik weet, zijn
er slechts drie verhalen, op de geschiedenis betrekking hebbende, in de
pers verschenen, dat in het _Journal de Genève_ op den 6en Mei 1891, een
dépêche van Reuter in de Engelsche kranten op 7 Mei en ten slotte de
onlangs verschenen brieven, waarop ik zooeven zinspeelde. De eerste en
de tweede hiervan waren zeer beknopt, terwijl in den laatsten, zooals ik
zal aantoonen, de feiten geheel verkeerd zijn voorgesteld. Op mij rust
thans de plicht, voor de eerste maal te vertellen, wat er werkelijk
plaats vond tusschen professor Moriarty en Sherlock Holmes.
[Footnote A: Zie "Een Godsgericht".]
Ik moet hier even in herinnering brengen, dat na mijn huwelijk en mijn
daarop gevolgde werkzaamheid als geneesheer, in de nauwe betrekking,
waarin ik tot Holmes stond, wel eenige wijziging kwam. Van tijd tot tijd
kwam hij nog wel bij mij, als hij een metgezel in zijn nasporingen
zocht, maar zulks werd toch hoe langer hoe zeldzamer, zoodat ik b.v. in
1890 van slechts drie gevallen aanteekeningen bezit. In den winter van
dit jaar en de vroege lente van 1891 zag ik in de bladen, dat Holmes
voor een hoogst gewichtige aangelegenheid in dienst van de Fransche
regeering werkzaam was, en ik ontving twee brieven van Holmes, een uit
Narbonne en een uit Nimes, waaruit ik opmaakte, dat zijn verblijf in
Frankrijk waarschijnlijk van langen duur zou zijn. Ik was dus wel
verrast, toen ik hem in den avond van den 24sten April mijn spreekkamer
zag binnentreden en het trof mij, dat hij er nog bleeker en schraler
uitzag dan anders.
"Ja, ik heb wel wat veel van mijn krachten gevergd," zeide hij, meer in
antwoord op mijn blik dan op mijn woorden. "Men vervolgt mij den
laatsten tijd een weinig. Hebt gij er iets tegen, dat ik uw luiken
sluit?"
De kamer werd alleen verlicht door de lamp op de tafel, waarbij ik had
zitten lezen. Holmes liep langs de wanden der kamer naar de vensters,
sloeg de luiken dicht en sloot ze stevig.
"Zijt gij ergens bang voor?" vroeg ik.
"Ja, dat ben ik."
"Waarvoor vreest ge?"
"Voor windroeren."
"Mijn waarde vriend Holmes, wat bedoelt ge?"
"Ik geloof, dat gij mij goed genoeg kent, Watson, om te weten, dat ik
volstrekt geen zenuwachtig man ben. Het is intusschen meer een blijk van
domheid dan van moed, niet te willen erkennen, dat een dreigend gevaar
naakt. Mag ik u om een lucifer verzoeken?" Hij zoog den rook van zijn
cigarette op, en de kalmeerende invloed daarvan scheen hem weldadig aan
te doen.
"Ik moet u verschooning vragen, dat ik zoo laat bij u kom, en ik moet u
verder verzoeken u zoo weinig aan de vormen te storen, dat gij mij
toestaat uw huis te verlaten, door over den achtermuur van uw tuin te
klauteren."
"Maar wat heeft dit toch alles te beteekenen?" vroeg ik.
Hij strekte zijn hand uit, en nu zag ik bij het licht der lamp, dat twee
van zijn knokkels gewond waren en bloedden.
"Het is geen luchtig zaakje, zooals gij ziet," zeide hij glimlachend.
"Integendeel, ze is stevig genoeg, om er zijn hand tegen stuk te slaan.
Is mevrouw Watson te huis?"
"Zij is op bezoek."
"Inderdaad. Zijt gij alleen?"
"Geheel en al."
"Dat maakt het mij gemakkelijker, om u voor te stellen mij een week op
het vasteland te vergezellen."
"Waar zullen we heen gaan?"
"O, hier of daar. Het is mij onverschillig."
Deze voorslag kwam mij zeer vreemd voor. Het lag niet in Holmes' aard,
zonder doel zijn bezigheden er aan te geven en aan zijn bleek, afgemat
gelaat kon ik zien, dat zijn zenuwen in de hoogste mate overprikkeld
waren. Hij las in mijn oogen, wat ik hem wilde vragen en zijn
vingertoppen tegen elkaar drukkende en zijn ellebogen op zijn knieën
zettende, deelde hij mij mede, in welken toestand hij zich bevond.
"Gij hebt waarschijnlijk nooit van professor Moriarty gehoord?" zeide
hij.
"Nooit."
[Illustratie: Twee van zijn knokkels waren gewond en bloedden.]
"Hé, dat is juist het wonderlijkste van de geschiedenis!" riep hij. "De
man beheerscht Londen en niemand kent hem. Dat is het, wat hem in de
kronieken der misdaad bovenaan plaatst. In allen ernst kan ik u zeggen,
Watson, dat zoo ik dien man kon slaan, indien ik de maatschappij van hem
kon verlossen, ik het hoogste punt in mijn loopbaan zou hebben bereikt
en ik bereid zou wezen, een rustiger, vreedzamer leven te beginnen.
Onder ons gezegd, door de laatste misdaden, waarin ik mijn hulp verleend
heb aan de koninklijke familie van Scandinavië en aan de Fransche
republiek, is mijn positie van dien aard geworden, dat ik verder rustig
voort kan leven, wat ook het meest met mijn aard overeenkomt en mij
geheel aan mijn scheikundige studiën zou kunnen wijden. Maar ik zou niet
kunnen rusten, Watson, ik zou niet bedaard op mijn stoel kunnen blijven
zitten bij de gedachte, dat zulk een man als professor Moriarty
ongehinderd door Londens straten wandelt."
"Wat heeft die man dan gedaan?"
"Hij heeft tot dusver een buitengewone carrière gehad. Het is een man
van goede geboorte en uitmuntende opvoeding, door de natuur begaafd met
zeldzamen aanleg voor wiskundige studie. Op een en twintigjarigen
leeftijd schreef hij een verhandeling over het Binomium van Newton,
waardoor hij zich een Europeeschen naam verwierf. De bekwaamheid,
waarvan hij hierin blijk gaf, deed hem een leerstoel in de wiskunde aan
een der kleinere hoogescholen verwerven en alles scheen hem een
schitterende loopbaan te voorspellen. Maar de man had overgeërfde
karaktertrekken van den meest duivelschen aard. Een neiging tot de
misdaad zat hem in 't bloed, die door zijn buitengewone intellectueele
begaafdheid niet vernietigd maar integendeel versterkt en veel
gevaarlijker werd. In de universiteitsstad kwamen kwade geruchten
omtrent hem in omloop en weldra was hij genoodzaakt zijn leerstoel te
laten varen en naar Londen te vertrekken, waar hij zijn praktijken
voortzette. Dit alles is bekend, maar wat ik u verder ga vertellen, weet
ik alleen dank zij eigen onderzoek.
Zooals gij weet, Watson, is er in Londen niemand, die de groote
misdadigerswereld zoo goed kent als ik. Al jaren lang was ik mij
voortdurend bewust, dat er een macht achter den boosdoener stond, een
organiseerende kracht, die steeds de wet in den weg staat en den
misdadiger met zijn schild dekt. Telkens en telkens weer, in gevallen
van het meest verschillende karakter--gevallen van inbraak, diefstal,
moord--heb ik de aanwezigheid van deze macht gevoeld en haar
werkzaamheid kunnen nagaan in vele van die verborgen gebleven misdaden,
waarin ik niet persoonlijk geraadpleegd werd. Al jaren lang heb ik
getracht den sluier op te lichten, welke deze geheimzinnige macht voor
mij verborgen hield, tot ik ten slotte den draad van 't geheim in handen
kreeg, en dien langs duizend listige bochten volgend, ontmoette ik den
ex-professor Moriarty, de wiskundige beroemdheid.
Deze Moriarty is de Napoleon van de misdaad, Watson. Hij is het
organiseerende talent van de helft der misdaden, die in deze groote stad
gepleegd worden en van bijna alle misdaden, wier bedrijvers niet worden
ontdekt. Hij is een genie, een wijsgeer, een diepzinnig denker. Hij
heeft een verstand van den eersten rang. Hij zit bewegingloos als een
spin in het midden van haar web; maar dat web heeft duizend stralen en
hij kent elke trilling daarvan. Hij zelf doet weinig. Hij smeedt alleen
plannen. Maar zijn agenten zijn talrijk en goed georganiseerd. Moet er
een misdaad worden gepleegd, b.v. een papier geroofd, een huis
geplunderd, een man uit den weg geruimd--men stelt den professor van dit
plan in kennis, en de zaak wordt op touw gezet en uitgevoerd. Wordt de
pleger der misdaad gesnapt, men heeft geld als borgtocht voor zijn
invrijheidstelling of zijn verdediging. Maar de centrale macht, die den
agent gebruikt--wordt nooit gesnapt, wordt zelfs niet verdacht. Dit is
de organisatie, Watson, door mij ontdekt en aan welker openbaarmaking en
vernietiging ik voornemens ben al mijn krachten te wijden.
Maar de professor is omringd door een aantal schildwachten, die zoo goed
op hun hoede waren en zoo schrander te werk gingen, dat het bijna
onmogelijk scheen bewijzen in handen te krijgen, om hem voor de
rechtbank te brengen. Gij kent mijn krachten, Watson, en toch na verloop
van drie maanden moest ik bekennen, dat ik een tegenstander had
gevonden, die verstandelijk mijn gelijke was. Mijn afgrijzen van zijn
misdaden werd op den achtergrond gedrongen door mijn bewondering voor
zijn schranderheid. Maar ten laatste beging hij een misslag,--slechts
een kleinen, kleinen misslag--maar daardoor gaf hij zich al te veel
bloot, toen ik hem reeds zoozeer in het nauw had gebracht. Ik nam mijn
kans waar en ik heb mijn net zoo goed om hem geweven, dat er bijna aan
geen ontkomen meer te denken is. Binnen drie dagen, dat is te zeggen
aanstaanden Maandag, is mijn plan uitgevoerd en zal de professor zich
met de voornaamste leden van zijn bende in handen der politie bevinden.
Dan zal het grootste misdadigersproces van de geheele eeuw beginnen;
meer dan veertig geheimen zullen worden ontsluierd en allen zullen
veroordeeld worden tot den dood aan de galg--maar als wij onzen tijd
niet afwachten, dan kunnen ze ons, zooals gij wel kunt begrijpen, nog
ontglippen, zelfs op het laatste oogenblik.
Indien ik dit alles had kunnen doen, zonder dat professor Moriarty
daarvan iets bekend werd, zou alles in orde zijn geweest. Maar deze was
daarvoor te uitgeslapen. Hij zag elken stap, dien ik deed om mijn net om
hem te spannen. Telkens trachtte hij te ontsnappen, maar even dikwijls
verhinderde ik het hem. Ik durf u verzekeren, mijn vriend, dat indien er
een uitvoerig verhaal van deze stille worsteling geschreven kon worden,
dit verhaal het schitterendste voorbeeld van aanval en verweer uit de
kronieken der geheime politie zou zijn. Nooit heb ik mij bekwamer
betoond en nooit werd ik door een tegenstander zoo in 't nauw gebracht.
Hij legde zijn mijnen diep aan en ik groef nog juist dieper dan hij.
Dezen morgen deed ik de laatste stappen en nog slechts drie dagen waren
noodig om de zaak tot een goed einde te brengen. Ik zat in mijn kamer en
overdacht de zaak nog eens, toen de deur geopend werd en professor
Moriarty voor mij stond.
Mijn zenuwen zijn nog al tegen iets bestand, maar ik moet toch bekennen,
dat ik schrok, toen ik den man, met wien zich mijn gedachten zoozeer
bezighielden, daar op den drempel zag staan. Zijn voorkomen heeft
overeenkomst met het mijne. Hij is buitengewoon lang en schraal, zijn
voorhoofd is blank en gewelfd en zijn oogen liggen diep in zijn hoofd.
Hij is glad geschoren, bleek en heeft in zijn uiterlijk nog iets van een
professor. Zijn rug is krom door veel studie en zijn gelaat steekt
vooruit en beweegt zich langzaam van de eene naar de andere zijde op een
wonderlijke manier, die aan de bewegingen van een kruipend dier doet
denken. Nieuwsgierig gluurde hij mij aan van onder zijn gefronste
wenkbrauwen.
[Illustratie: Professor Moriarty stond voor mij.]
"Uw voorhoofd is minder sterk ontwikkeld, dan ik mij heb voorgesteld,"
zeide hij, na mij eenigen tijd aangekeken te hebben.
"Het is een gevaarlijke gewoonte een geladen vuurwapen in den zak van
de huisjas met de vingers te betasten."
De waarheid was, dat ik, toen hij de kamer binnentrad, terstond had
bemerkt, in welk persoonlijk gevaar ik mij bevond. In een oogenblik had
ik mijn revolver uit de lade genomen, in mijn zak gestoken en met een
doek bedekt. Bij zijn woorden haalde ik het wapen voor den dag en legde
het met gespannen haan op tafel. Hij glimlachte nog en knipoogde, maar
daar was iets in zijn oogen, dat mij heel blijde deed zijn, dat ik mijn
wapen onder mijn bereik had.
"Gij kent mij klaarblijkelijk niet," zeide hij.
"Integendeel," gaf ik ten antwoord. "Het is nog al duidelijk, dat ik u
wel ken. Ga als 't u blieft zitten. Ik heb vijf minuten tijd, als gij
mij iets hebt te zeggen."
"Al wat ik u heb te zeggen, weet gij reeds," zeide hij.
"Dan weet gij mogelijk ook mijn antwoord al," gaf ik ten antwoord.
"Staat uw besluit vast?"
"Onwrikbaar."
Hij stak zijn hand in zijn zak en ik hief den revolver van de tafel. Hij
haalde evenwel slechts een notitieboekje voor den dag, waarin hij eenige
datums had opgeteekend.
"Op den 4den Januari hebt gij mij ontmoet," zeide hij. "Op den 23sten
dier maand zijt gij mij lastig gevallen; in het midden van Februari
bracht gij mij ernstig in ongelegenheid; op het einde van Maart werd ik
in mijn plannen gedwarsboomd, en nu op het einde van April verkeer ik
door uw aanhoudende vervolging in gevaar mijn vrijheid te verliezen.
Mijn toestand wordt onhoudbaar."
"Hebt gij mij eenigen voorslag te doen?" vroeg ik.
"Gij moet er mee ophouden, mijnheer Holmes," zeide hij, zijn hoofd
opheffende. "Gij moet dit werkelijk, weet gij."
"Na Maandag a.s."
"Tut, tut. Ik weet zeker, dat een man, zoo schrander als ge zelf, zal
inzien, dat er maar één kans bestaat om u uit deze zaak te redden. Het
is noodzakelijk, dat gij terugtrekt. Gij hebt ons beiden nu in zulke
omstandigheden gebracht, dat er slechts één uitkomst denkbaar is. Het
heeft mij inderdaad geestelijk genot verschaft, u in deze zaak te zien
worstelen en ik zeg het zonder vleierij, dat het mij leed zou doen,
indien ik gedwongen werd tot een uitersten maatregel mijn toevlucht te
nemen. Gij glimlacht, mijnheer, maar ik verzeker u, dat ik het inderdaad
zou doen."
"Gevaar behoort bij mijn beroep," merkte ik op.
"Dit is meer dan gevaar. Het is uw onvermijdelijke ondergang. Gij staat
niet tegenover één persoon, maar tegenover een machtige organisatie,
waarvan gij den omvang met al uw schranderheid nog niet beseft. Gij moet
zeer vast staan, mijnheer Holmes, of gij wordt onder den voet getreden."
"Ik vrees," zeide ik, overeind staande, "dat ik door het genoegen van
dit gesprek bezigheden, die mij elders wachten, verzuim."
Hij stond eveneens overeind en zag mij zwijgend aan, treurig het hoofd
schuddend.
"Wel, wel. Het is jammer, maar ik heb gedaan wat ik kon," zeide hij ten
laatste. "Ik ken elken zet van uw spel. Gij kunt voor Maandag niets
doen. Het was een duel tusschen ons beiden, mijnheer Holmes. Gij hoopt
mij in de bank der beschuldigden te brengen. Doch ik zeg u, dat ik nooit
in de bank der beschuldigden zal staan. Gij hoopt mij te slaan, ik zeg
u, dat gij mij nooit zult slaan. Zijt gij schrander genoeg om mij in het
verderf te storten, houd u verzekerd, dat ik u een gelijk lot zal
bezorgen."
"Gij hebt mij verscheidene loftuitingen toegezwaaid, mijnheer Moriarty,"
zeide ik. "Laat ik op mijn beurt zeggen, dat ik gaarne in 't algemeen
belang de kans op het laatste zou aannemen, als ik de zekerheid had, dat
het eerste zou gebeuren."
"Het eene kan ik u beloven, maar niet het andere," meesmuilde hij en bij
deze woorden keerde hij mij zijn gebogen rug toe en verliet glurende en
knipoogende de kamer.
[Illustratie: Hij keerde mij zijn gebogen rug toe.]
Van dien aard was mijn zonderling onderhoud met professor Moriarty. Ik
beken het u eerlijk, dat het een onaangenamen indruk bij mij achterliet.
De bedaarde toon, waarop hij sprak, schenkt mij meer de overtuiging, dat
hij meent, wat hij zegt, dan grootspraak zou doen. Natuurlijk zult gij
zeggen: "Waarom neemt gij geen politie-voorzorgen tegen hem?" Daarom
niet, wijl ik overtuigd ben, dat van den kant zijner agenten het gevaar
dreigt. Mij zijn al de bewijzen er voor gegeven, dat het zoo zal
wezen."
"Zijt gij reeds aangevallen?"
"Mijn waarde Watson, professor Moriarty is niet een man, die er gras
over laat groeien. Heden middag ging ik voor eenige zaken naar
Oxford-Street. Toen ik den hoek passeerde, waar de Bentinck-Street en de
Welbeck-Street elkaar kruisen, kwam een met twee paarden bespannen
huifkar in woeste vaart op mij af. Ik sprong ter zijde op het trottoir;
een seconde later en ik zou verpletterd zijn geworden. De huifkar snelde
Marylebone-Lane in en was een oogenblik later uit het gezicht verdwenen.
Ik nam hierna den weg voor voetgangers, doch in de Vere-Street kwam een
baksteen van een der huizen naar beneden en viel aan mijn voeten aan
stukken. Ik riep de politie en stelde een onderzoek in. Op het dak lagen
pannen en baksteenen voor een reparatie opgestapeld, en men wilde mij
doen gelooven, dat de wind een daarvan naar beneden had doen tuimelen.
Natuurlijk wist ik wel beter, doch kon niets bewijzen. Daarna nam ik een
rijtuig en bereikte de woning van mijn broer in Pall Mall, waar ik werd
aangevallen door een ruwen kerel met een knots gewapend. Ik sloeg hem
neer en de politie heeft hem in hechtenis genomen, maar ik durf met het
volste vertrouwen verzekeren, dat men er nooit achter zal komen, dat er
eenige betrekking bestaat tusschen het heerschap op wiens snijtanden ik
mijn knokkels heb stuk geslagen en den mathematicus Moriarty, die tien
mijlen van de plek, waar de aanval geschiedde, vraagstukken op het
zwarte bord uitwerkt. Het zal u zeker niet meer verwonderen, dat ik na
uw kamer te zijn binnengetreden, terstond de luiken heb gesloten en u
verlof moest vragen uw huis door een minder zichtbaren uitgang dan de
voordeur te verlaten."
Dikwijls had ik den moed van mijn vriend bewonderd, maar nooit meer dan
nu, toen hij daar kalm een reeks van gebeurtenissen verhaalde, die samen
den dag tot een verschrikking voor hem hadden gemaakt.
"Wilt gij hier den nacht doorbrengen?" zeide ik.
"Neen vriend, gij zoudt mij een te gevaarlijken gast kunnen vinden. Ik
heb mijn plannen gevormd en alles zal goed afloopen. De zaken zijn nu
zoover gevorderd, dat men hen zonder mijn hulp wel kan in hechtenis
nemen, ofschoon mijn tegenwoordigheid vereischt wordt voor hun
veroordeeling. Het is daarom duidelijk, dat ik niets beters kan doen,
dan mij gedurende de weinige dagen, die er nog verloopen, aleer de
politie vrijheid tot handelen heeft, te verwijderen, en het zou mij zeer
veel genoegen doen, indien gij mij naar het vasteland wildet
vergezellen."
"Het is tegenwoordig stil met mijn praktijk en ik heb een gedienstigen
buurman. Ik zal gaarne met u op reis gaan."
"En morgen vroeg vertrekken?"
"Als het noodzakelijk is."
"O ja, het is noodzakelijk. En dan zal ik u eenige instructiën geven met
het dringend verzoek, Watson, ze letterlijk op te volgen, want gij
speelt nu met mij een gevaarlijk spel tegen den meest geslepen schurk en
de machtigste misdadigersbende van gansch Europa. Luister nu!
"Al de bagage, die gij voornemens zijt mede te nemen, zendt gij met een
vertrouwden kruier dezen avond zonder adres naar het Victoria-station.
Morgen vroeg moet gij een _hansom_ bestellen en uw bediende last geven
noch het eerste, noch het tweede rijtuig, dat voorkomt, te nemen. Gij
moet dan in de _hansom_ springen en naar het Strand-einde van de Lowther
Arcade rijden, terwijl gij het adres van uw koffers aan den koetsier op
een strookje papier overhandigt met verzoek dit niet weg te werpen.
Houdt de vracht klaar en dadelijk nadat het rijtuig stilstaat, moet gij
door de Arcade snellen en u haasten om de andere zijde te kwart over
negen te bereiken. Dicht bij het trottoir wacht u een _brougham_, met
een man in een dikken zwarten mantel, de kraag met rood afgezet als
koetsier. Gij stapt die _brougham_ binnen en zult vroeg genoeg aan 't
Victoria-station komen om den sneltrein naar het vasteland te halen."
"Waar zal ik u ontmoeten?"
"Aan het station. De tweede wagon 1ste klasse van voren af gerekend zal
voor ons gereserveerd worden."
"Is dat spoorwegrijtuig dan de plaats, waar wij bij elkaar komen?"
"Ja."
Vruchteloos verzocht ik Holmes, dien avond bij mij te blijven. Blijkbaar
was hij bevreesd, dat het huis, onder welks dak hij vertoefde, ongeluk
zou aanbrengen, en dit was het, wat hem tot vertrekken drong. Na een
paar haastige woorden over onze plannen voor den volgenden dag, stond
hij op, ging met mij in den tuin, klauterde over den muur, die aan de
Mortimer-Street grenst, en riep terstond een rijtuig aan, waarin ik hem
hoorde wegrijden.
Den volgenden morgen hield ik mij letterlijk aan Holmes' instructiën. Ik
nam de voorzorg niet in het rijtuig te stappen, dat voor ons was klaar
gezet en reed onmiddellijk na het ontbijt naar de Lowther Arcade, die ik
zoo snel mogelijk doorliep. Aan het eind daarvan wachtte een _brougham_
met een stevigen koetsier in een donkeren mantel gehuld en die, zoodra
ik in het rijtuig zat, de zweep over het paard legde en snel naar het
Victoria-station reed. Toen ik was uitgestapt, keerde hij terstond om
en reed weer terug, zonder zelfs naar mij om te zien.
[Illustratie: Mijn afgeleefde Italiaansche vriend.]
Zoover was alles wonderlijk goed gegaan. Mijn bagage was aanwezig en
ik had volstrekt geen moeite het door Holmes aangeduide spoorwegrijtuig
te vinden, dit te minder, omdat het de eenige wagon in den trein was,
waarop stond: "Besproken." De eenige reden tot bezorgdheid was nu het
niet verschijnen van Holmes. De stationsklok wees nog slechts zeven
minuten aan vóór het oogenblik, dat de trein zou vertrekken. Vruchteloos
zocht ik onder de groepen reizigers en personen, die even den trein
verlieten, naar de slanke gestalte van mijn vriend. Er was geen spoor
van hem. Een paar minuten gingen voorbij, waarin ik luisterde naar een
eerwaardig Italiaansch priester, die in zijn gebroken Engelsch een
conducteur trachtte aan 't verstand te brengen, dat zijn bagage naar
Parijs moest worden doorgezonden. Na vervolgens nog eens rondgekeken te
hebben, keerde ik naar mijn coupé terug, waar ik tot de ontdekking kwam,
dat de conducteur in weerwil van het opschrift "besproken" mij mijn
afgeleefden Italiaanschen vriend tot reismakker had gegeven. Vergeefs
trachtte ik hem te beduiden, dat hij een indringer was, want mijn kennis
van het Italiaansch was nog geringer dan de zijne van het Engelsch, en
zoo haalde ik de schouders op en keek weer bezorgd naar mijn vriend uit.
Ik beefde van angst bij de gedachte, dat hem in den afgeloopen nacht een
ongeluk kon zijn overkomen. Reeds waren al de portieren gesloten; de
stoomfluit gilde, toen--
"Beste Watson, gij hebt u zelfs niet verwaardigd mij goeden morgen te
wenschen," zeide een stem.
Ik keerde mij om, mijn verbazing geen, meester. De oude geestelijke had
zijn gelaat naar mij toe gewend. Voor een oogenblik waren de rimpels
gladgestreken, de neus en de kin verwijderd; de onderlip stak niet meer
vooruit, de mond mompelde niet meer; de doffe oogen schitterden weer; de
in elkaar gebogen gestalte richtte zich op. Het volgende oogenblik
stortte het beeld in elkaar en Holmes was weer verdwenen, even snel als
hij gekomen was.
"Goede hemel! Hoe verschrikt gij mij!" riep ik.
"Alle mogelijke voorzorgen zijn nog noodig," fluisterde hij. "Ik heb
redenen te gelooven, dat zij ons dicht op de hielen zitten. Ha, daar is
Moriarty zelf."
Terwijl Holmes sprak, had de trein zich reeds in beweging gezet.
Terugziende bemerkte ik een langen man, die zich met geweld een weg door
de menigte baande en met de hand wuifde, alsof hij verlangde, dat de
trein stil bleef staan. Het was evenwel te laat, en een oogenblik daarna
lag het station een eind achter ons.
"Met al onze voorzorgen zijn wij nog net den dans ontsprongen, zooals
gij ziet," zeide Holmes lachende. Hij stond overeind en ontdeed zich van
zijn zwart kleed en hoed, die zijn vermomming vormden, en borg deze
kleedingstukken weg in zijn handvalies.
"Hebt gij het ochtendblad gelezen, Watson?"
"Neen."
"Dus hebt gij ook niet gelezen, wat er in Baker-Street gebeurd is?"
"Baker-Street?"
"Zij hebben van nacht in onze kamers brand gesticht. De schade is niet
groot."
"Genadige hemel, Holmes, dat gaat toch alle perken te buiten."
"Zij moeten mijn spoor na de inhechtenisneming van den knotsman geheel
en al zijn bijster geworden. Anders zouden zij niet in de meening
verkeerd hebben, dat ik naar mijn woning was teruggekeerd. Zij hebben
evenwel de voorzorg genomen, u te bespieden, en dat is het, wat Moriarty
naar het Victoria-station heeft gebracht. Gij hadt bij uw komst niet de
minste fout begaan."
"Ik heb in alles uw raad opgevolgd."
"Vondt gij uw _brougham_?"
"Ja, zij wachtte op mij."
"Hebt gij uw koetsier herkend?"
"Neen."
"Het was mijn broer Mycroft. Het is in zulke omstandigheden een
voordeel, dat men geen huurling in vertrouwen behoeft te nemen. Doch wij
moeten nu overleggen, hoe wij ten opzichte van Moriarty moeten
handelen."
"Wijl dit een sneltrein is en de boot er op correspondeert, zou ik
denken, dat wij in 't geheel geen last meer van hem zullen hebben."
"Mijn beste Watson, gij hebt klaarblijkelijk mijn bedoeling niet gevat,
toen ik zeide, dat die man in intellectueele ontwikkeling met mij op één
lijn gesteld mag worden. Gij verbeeldt u toch niet, dat indien ik de
vervolger was, ik mij door zulk een geringen hinderpaal uit het veld zou
laten slaan? Waarom zouden wij dan zulk een lagen dunk van hem hebben?"
"Wat zal hij doen?"
"Wat ik in dit geval zou doen."
"En wat zoudt gij dan doen?"
"Een extra-trein huren."
"Maar het moet nu al te laat zijn."
"In geenen deele. Deze trein stopt te Canterbury; en daar wordt altijd
wel een kwartier op de boot gewacht. Hij zal ons daar inhalen."
"Men zou denken, dat wij de misdadigers zijn. Laten wij hem bij zijn
aankomst in hechtenis nemen."
"Dat zou mijn werk van drie maanden nutteloos maken. Wij zouden de
groote visch hebben, maar de kleinere zouden rechts en links uit het net
springen. Als wij tot Maandag geduld hebben, vangen wij hen allen. Neen,
zijn arrestatie mag nu niet geschieden."
"Wat dan?"
"Wij zullen te Canterbury uit den trein stappen."
"En dan?"
"Wel, dan moeten wij zuidwaarts naar Newhaven reizen en dan de reis over
Dieppe vervolgen. Moriarty zal alweer doen, wat ik zou doen. Hij zal
naar Parijs reizen, onze bagage in 't oog houden en twee dagen bij het
goederendepôt op ons wachten. In dien tijd zullen wij ons voorzien van
een paar reiszakken, en verder in de streken, waardoor wij reizen, onze
verdere benoodigdheden aanschaffen en op ons gemak via Luxemburg en
Bazel onzen weg naar Zwitserland vervolgen."
Te Canterbury verlieten wij dus den trein en vernamen daar, dat wij een
uur moesten wachten, aleer er een trein naar Newhaven ging.
Ik keek nog met een gevoel van spijt den snel verdwijnenden bagagewagen
na, die mijn garderobe bevatte, toen Holmes mij aan den arm trok en
langs de spoorlijn wees.
Heel in de verte, boven de bosschen van Kent, spreidde zich een dunne
rook uit. Een minuut later kwam een door een enkelen wagon gevolgde
locomotief de kromming langs vliegen, die naar het station geleidde. Wij
hadden nauwelijks den tijd achter een stapel bagage de wijk te nemen,
toen zij ons snuivend en ratelend voorbijsnelde, ons een golf heete
lucht in het gelaat blazende.
"Daar gaat hij," zeide Holmes, terwijl wij de rijtuigen naoogden, die
schommelend en slingerend in duizelingwekkende vaart over de rails
voortrolden. "Gij ziet, dat de schranderheid van onzen vriend haar
grenzen heeft. Het zou een meesterstuk van hem geweest zijn, had hij
dezelfde gevolgtrekking gemaakt, die ik in zijn geval zou maken en
dienovereenkomstig had gehandeld."
"En wat zou hij gedaan hebben, als hij ons had overvallen?"
[Illustratie: zij snelde snuivend en ratelend voorbij.]
"Men behoeft er niet 't minst aan te twijfelen, dat hij een
moorddadigen aanval op mij zou gewaagd hebben. Dat is evenwel een
spelletje, waarbij twee behooren. De vraag is nu, zullen wij hier vroeg
een lunch nemen, of kans loopen te verhongeren voor wij te Newhaven
komen?"
* * * * *
Wij reisden dien dag tot Brussel en bleven daar twee dagen, terwijl wij
den derden dag Straatsburg bereikten. Des Maandagsmorgens zond Holmes
een telegram aan de Londensche politie en dien avond vonden wij een
antwoord in ons hotel. Holmes scheurde het telegram open, las het en
wierp het met een bitteren vloek op het vuur.
"Ik had dit kunnen weten," gromde hij. "Hij is ontsnapt."
"Moriarty?"
"Zij hebben de gansche bende behalve hem in handen. Hij heeft hen beet
gehad. Natuurlijk, toen ik was vertrokken, was er niemand in Londen, die
het tegen hem kon opnemen. Maar ik dacht, dat ik hun het spel in handen
had gegeven. Mijns inziens deedt gij nu maar het beste met naar Engeland
terug te keeren, Watson."
"Waarom?"
"Omdat ik nu een gevaarlijk reisgezel voor u zal wezen. Met Moriarty's
bedrijf is het nu gedaan. Als hij naar Londen terugkeert, is hij een
verloren man. Heb ik mij niet in zijn karakter vergist, dan zal hij nu
al zijn geestkracht aanwenden, om zich op mij te wreken. Bij het korte
onderhoud, dat wij met elkaar hadden, gaf hij mij dit te kennen en ik
geloof, dat hij het meende. Ik moet u bepaald aanraden naar uw patiënten
terug te keeren."
Het was moeilijk te verwachten, dat hij met een dergelijken voorslag
succes zou hebben bij iemand, die zoowel een oud soldaat als een oud
vriend van hem was. In de eetzaal te Straatsburg zaten wij de zaak te
bespreken, maar nog denzelfden avond hervatten wij gezamenlijk onze reis
en bevonden ons thans op weg naar Genève.
We brachten een aangename week in het Rhônedal door en daarna bij Leuk
een zijweg inslaande, trokken wij den Gemmipas over, die nog met een
dikke sneeuwlaag was bedekt, en bereikten zoo over Interlaken het schoon
gelegen Meiringen. Het was een verrukkelijk uitstapje; beneden het
liefelijke groen der lente, boven het maagdelijk wit van den winter;
maar ook in deze schoone omgeving vergat Holmes geen oogenblik de
schaduw, die zijn weg verduisterde. In de eenvoudige Alpendorpen of in
de eenzame bergpassen kon ik aan het snelle flikkeren van zijn oogen en
uit den vorschenden blik, waarmede hij de enkele wandelaars, die ons
voorbijkwamen, gadesloeg, bemerken, dat hij wel overtuigd was, dat waar
onze weg ons ook mocht heenvoeren, wij ons niet konden onttrekken aan
het ons dreigende gevaar.
Eens, ik herinner het mij nog goed, toen wij den Gemmi overtrokken en
langs den oever van het sombere Daubenmeer gingen, rolde een groot
rotsblok, dat van den bergwand was losgeraakt, naar beneden en stortte
met donderend geluid in het meer achter ons. Oogenblikkelijk snelde
Holmes tegen den berg op en na op een rotspunt plaats genomen te hebben,
tuurde hij naar alle richtingen. Vergeefs verzekerde onze gids hem, dat
een steenenval in de lente op die plaats een zeer gewoon verschijnsel
was. Holmes zeide niets, maar hij glimlachte tegen mij als een man, die
de vervulling ziet van de droeve gebeurtenis, die hij verwacht.
En toch, niettegenstaande al zijn waakzaamheid, was hij nooit
neerslachtig. Integendeel, ik herinner mij niet, hem ooit zoo geestig
gezien te hebben. Telkens weer herhaalde hij, dat hij welgemoed tot het
ambtelooze leven zou terugkeeren, als hij de samenleving van professor
Moriarty kon bevrijden.
"Ik geloof, Watson, dat ik vrij kon zeggen niet vergeefs geleefd te
hebben," zeide hij. "Ook als heden aan mijn werk een einde kwam, ik zou
het met gelatenheid overleven. De Londensche lucht zou mij te zoeter
zijn om in te ademen. Ik ben mij niet bewust, ook maar in een van de
meer dan duizend gevallen, waarin ik hulp verleende, mijn macht tot een
verkeerd doel gebruikt te hebben. In den laatsten tijd had het voor mij
een bijzondere bekoring mij bezig te houden met de problemen door de
natuur zelve aan de hand gedaan; liever dan met die, waarvoor onze
kunstmatige samenleving verantwoordelijk is. Uw mémoires, Watson, zullen
ten einde loopen op den dag, dat ik de kroon op mijn werk zet door de
gevangenneming of den dood van den gevaarlijksten en bekwaamsten
misdadiger van Europa."
[Illustratie: Een groot rotsblok stortte naar beneden.]
Ik zal kort en toch nauwkeurig zijn in het weinige, dat mij nog te
verhalen blijft. Het is geen onderwerp, waarbij ik gaarne met mijn
gedachten verwijl en toch gevoel ik, dat op mij de plicht rust, geen
enkele bijzonderheid weg te laten.
Op den 3den Mei kwamen wij aan in het kleine dorpje Meiringen en namen
onzen intrek in het _Engelsche Hof_, waar toen de oude Peter Steiler
kastelein was. Onze waard was een ontwikkeld man, die uitmuntend
Engelsch sprak, daar hij drie jaren als kellner in het Grovesnor Hotel
te Londen had gediend. Gevolg gevende aan zijn raad, vertrokken wij
gezamenlijk in den namiddag van den 4den Mei met het voornemen de
heuvelstreek door te trekken en den daaropvolgenden nacht in het gehucht
Rosenlani te vertoeven. Men had ons vooral op 't hart gedrukt in geen
geval te verzuimen een kleinen omweg te maken om de watervallen van
Reichenbach, die halfweegs den heuvel zijn, te gaan zien.
Het is inderdaad een vreeselijke plek. De stroom, gezwollen door de
smeltende sneeuw, stort zich in een diepen afgrond, waaruit het schuim
in wolken opstijgt als de rook uit een brandend huis. Stel u voor de
onmetelijk diepe kloof, omlijnd door glinsterende koolzwarte rotsen,
zich aan het einde vernauwende tot een kokenden afgrond van onpeilbare
diepte, over welks gezaagden rand de rivier met duizelingwekkende vaart
voortschiet. Het groene, glinsterende water stroomt eindeloos ver,
bruisende, schuimende en razende, en er boven hangt steeds een dik
gordijn van damp, en wie aan den rand der kloof staande naar beneden
ziet, moet wel duizelig worden door het eeuwig geraas en gewarrel en
gedraai van den glinsterenden maalstroom beneden. Wij stonden nabij den
rand en staarden op de glinstering van het water, ver beneden ons
brekende tegen de zwarte rotsen, en luisterden naar het geheimzinnig
geraas, dat tegelijk met het fijn verdeelde schuim opsteeg.
Ter halverwege van den waterval was een pad uitgehouwen, waardoor men
een goed gezicht had op het verheven natuurtafereel, maar dit pad loopt
plotseling dood tegen den bergwand, zoodat een reiziger op zijn schreden
moet terugkeeren. Ook wij wilden dat doen, toen wij een Zwitserschen
knaap langs het pad zagen komen met een brief in zijn hand. De brief
droeg het adres van het hotel, dat wij zooeven verlaten hadden en was
aan mij door den waard geadresseerd. Hij meldde mij, dat eenige minuten
na ons vertrek een Engelsche dame was aangekomen, die in de laatste
periode van de tering was.
[Illustratie: Beiden stortten in den afgrond (blz. 158).]
Zij had den winter in Davos Platz doorgebracht en was nu op reis naar
haar vriendin te Lucern, toen zij plotseling een bloedspuwing kreeg. Men
dacht, dat zij ternauwernood nog een paar uren te leven had, doch het
zou haar zeer tot troost strekken, een Engelschen dokter te zien, en als
ik slechts terug wilde keeren enz. enz. De goede Steiler verzekerde mij,
dat hij mijn komst als een zeer groote gunst zou beschouwen, daar de
dame volstrekt de hulp van een Zwitserschen geneesheer weigerde en hij
voelde, dat op hem een groote verantwoordelijkheid rustte.
Ik kon het beroep op mijn hulp niet afslaan. Het was mij onmogelijk het
verzoek te weigeren van een landgenoote, die stervende was in een vreemd
land. Toch maakte ik bezwaar, Holmes te verlaten. Wij kwamen echter
overeen, dat hij den jongen Zwitser als gezelschap bij zich zou houden,
terwijl ik naar Meiringen terugkeerde. Mijn vriend wilde eenigen tijd
bij den waterval blijven en dan langzaam over den heuvelrug naar
Rosenlani wandelen, waar ik mij in den avond bij hem zou voegen. Toen ik
heenging, stond Holmes met den rug tegen den rotswand, met de armen over
elkaar geslagen, naar beneden ziende op den waterval. Het was de laatste
maal, dat ik hem op deze wereld zou zien.
Toen ik nabij den voet van de helling was aangekomen, zag ik om. Het was
nu onmogelijk den waterval te zien, maar ik ging het smalle voetpad
over, dat er heen leidde. Langs het pad zag ik een man snel voortloopen.
Zijn zwarte gestalte teekende zich scherp af tegen den groenen
achtergrond. Ik merkte de vastheid van zijn gang; doch terwijl ik
voortsnelde, verloor ik hem uit de gedachte.
Het duurde mogelijk iets langer dan een uur, eer ik Meiringen bereikte.
De oude Steiler stond in het portaal van zijn hotel.
"Wel, het is toch niet erger met haar geworden?" zeide ik,
binnenkomende.
Zijn gelaat nam een uitdrukking van verbazing aan en bij de eerste
trilling zijner wenkbrauwen was het, of mij het hart omdraaide.
"Hebt gij dit dan niet geschreven?" vroeg ik, den brief uit mijn zak
nemende. "Is er geen zieke Engelsche dame in het hotel?"
"In 't geheel niet," riep hij, "maar deze brief draagt den stempel van
het hotel. Ha, dan moet hij geschreven zijn door dien langen
Engelschman, die hier binnenkwam, nadat gij vertrokken waart. Hij
zeide...."
Ik wachtte geen verdere verklaringen van den waard af. In een duizeling
van angst liep ik de dorpsstraat langs en snelde terug naar het pad, dat
ik zoo pas afgedaald was. Ik had een uur noodig gehad, om in het dorp te
komen. Trots alle inspanning, verliepen er nog eens twee uren, voor ik
weer aan de watervallen van Reichenbach kwam. Daar stond nog de
Alpenstok van Holmes tegen den rotswand, waarbij ik mijn vriend verlaten
had. Maar er was nu geen spoor meer van hem te zien en het was
tevergeefs, dat ik hem luid bij zijn naam riep. Mijn eenig antwoord was
mijn eigen stem, in honderdvoudige echo door de omringende rotsen
teruggekaatst.
Het gezicht van dien Alpenstok deed mij huiveren. Holmes was dus niet
naar Rosenlani gegaan. Hij was op dat drie voet breede pad gebleven met
een steilen rotswand aan de eene zijde en een steilen afgrond aan de
andere, tot hij door zijn vijand overrompeld was. De jonge Zwitser was
ook verdwenen. Hij was waarschijnlijk bij Moriarty in dienst geweest en
had de beide mannen alleen gelaten. En wat was er toen gebeurd? Wie kon
zeggen, wat er toen was voorgevallen?
Ik stond een paar minuten verbijsterd, trachtende mijn gedachten te
verzamelen, want de schrik had mij overmand. Toen begon ik aan Holmes'
eigen methode te denken en trachtte ze in praktijk te brengen, om het
treurspel te ontsluieren. Het was helaas slechts al te gemakkelijk. Wij
waren niet tot het eind van het bergpad gegaan; de Alpenstok wees de
plaats aan, waar wij onze wandeling gestaakt hadden en staan waren
gebleven. De zwarte grond wordt hier altijd vochtig gehouden door het
onophoudelijk neerspattende schuim; de tred van een vogel zou hier zelfs
zijn spoor achterlaten. Langs het verdere einde van het pad liepen twee
rijen voetstappen; zij liepen van mij af; geen kwam terug. Op eenige
ellen afstand van de plek, waar het pad eindigde, was de grond geheel en
al omgewoeld en modderig en de braamstruiken en varenkruiden waren
afgescheurd en met slijk bedekt. Ik ging voorover liggen en bezag den
grond nauwkeurig, terwijl het schuim over en rond mij spatte. Het was de
laatste uren donker geworden en nu zag ik slechts hier en daar op de
zwarte wanden het vocht glinsteren, en ver weg naar beneden aan 't eind
der kloof den glans van den gebroken waterstroom. Ik riep met luider
stem, maar het klagende en bruisende, eentonig rollende geluid van den
waterval, veel overeenkomst hebbende met de kreten van een menschelijke
stem, was het eenig antwoord.
Maar het was de wil der Voorzienigheid, dat ik toch nog een laatsten
groet zou hebben van mijn vriend en makker. Ik heb reeds gezegd, dat
zijn Alpenstok nog tegen den op het smalle voetpad vooruitspringenden
rotswand stond. Op den top van deze rots staande, zag ik iets
schitterends en mijn hand boven de oogen houdende om beter te zien,
bemerkte ik, dat die schittering afkomstig was van den zilveren
sigarenkoker, dien Holmes gewoonlijk bij zich had. Toen ik hem opnam,
dwarrelde een klein vierkant stukje papier, waarop de koker had gelegen,
op den grond neer. Het papier ontvouwende, zag ik, dat het bestond uit
drie bladzijden uit zijn zakboek gescheurd en aan mij geadresseerd. Het
was kenmerkend voor het karakter van Holmes, dat het adres juist en het
schrijven vast en helder was, alsof hij het in zijn studeerkamer had
geschreven.
[Illustratie: Een klein vierkant stukje papier dwarrelde neer.]
* * * * *
"Waarde Watson," zoo luidde het schrijven. "Dat ik u deze weinige
regelen kan schrijven, heb ik te danken aan de hoffelijkheid van
Moriarty, die de bespreking van ons geschil wel een oogenblik wilde
uitstellen. Hij heeft mij verteld, op welke wijze hij aan de handen der
Engelsche politie is ontsnapt en van onze bewegingen op de hoogte bleef.
Zijn methode van handelen heeft het hooge denkbeeld, dat ik van zijn
bekwaamheden had, versterkt. De gedachte, dat ik in staat zal zijn te
voorkomen, dat de maatschappij verder door zijn tegenwoordigheid
geschaad wordt, doet mij genoegen, ofschoon ik vrees tot een prijs, die
mijn vrienden veel verdriet zal veroorzaken, in 't bijzonder u, mijn
waarde Watson. Ik heb u reeds gezegd, dat mijn loopbaan haar eind heeft
bereikt en dat het onmogelijk op een voor mij meer passende wijze kan
geschieden dan nu het geval is. Om u de waarheid te zeggen, ik was
dadelijk overtuigd, dat die brief van Meiringen een valstrik was en liet
toe, dat gij vertrokt, ofschoon het bij mij vaststond, dat er een
ontknooping als deze zou volgen. Zeg den inspecteur Patterson, dat de
papieren, die hij noodig heeft voor de veroordeeling van de bende, in
het geheime laadje M zijn en zich bevinden in een enveloppe met het
opschrift Moriarty. Ik heb, voor ik Engeland verliet, mijn testament
gemaakt en dit mijn broer Mycroft ter hand gesteld. Breng mijn groeten
aan mevrouw Watson over en geloof mij, waarde vriend, dat ik steeds ben