Hoe geheel anders is echter de geneeswijze geworden, sedert

Willis met wiskundig inzicht den zetel van dit verschijnsel in

het netvlies en de oorzaak er van in de slagaderen gezocht en

Pitcairn dit vermoeden tot zekerheid gebracht heeft.

Zonder gebruikmaking van eenig uitwendig bijtmiddel wordt het kwaad door

aderlating en toediening van een oplossend middel op voor den patiënt

onschadelijke wijze weggenomen, terwijl somtijds ook elke behandeling

onnoodig geoordeeld wordt.

Welk een dwaasheid, een afwijking van het oog, bestaande in een

verkeerde breking der lichtstralen, met oogwaters of drankjes te willen

genezen!

Op hoe afdoende wijze worden daarentegen dergelijke gebreken verholpen

door brillen, welke naar de voorschriften van Huygens voor elke

afwijking in het bijzonder geschikt gemaakt kunnen worden.

Ik wenschte, dat zij, die alle toepassing der Mechanica van de praktijk

der Geneeskunde willen verre houden, maar eerst eens begonnen met

Huygens' werken over het opheffen der gezichtsstoringen te

leeren verstaan.

Deze beroemde Nederlander heeft immers, met gebruikmaking van hetgeen de

anatomie leert over de inrichting van het oog, overigens alleen lettend

op het bijzondere karakter der ziekte, die hij genezen wil, weldra door

louter wiskundige berekeningen een hulpmiddel ontdekt, dat slechts voor

die kwaal afdoende is, welker door het onderzoek aan het licht gebrachte

eigenaardigheid de kern van het probleem had uitgemaakt.

Zonder aan het oog te raken, heft hij de uitwerking der ziekte op en het

onherstelbaar gebrek van het oog zelve wordt door het aanbrengen van een

bijzonder gevormd glas onvoelbaar gemaakt.

Ziedaar schoone voorbeelden, die een zeer duidelijk beeld vertoonen van

de mechanistische methode, door de wiskundigen bij het behandelen van

geneeskundige vraagstukken toegepast, van het nut, dat zij oplevert en

het succes, dat er mede te bereiken valt.

Wanneer men volgens deze methode ook alle overige vraagstukken zal gaan

behandelen--en ik twijfel er niet aan, dat men het langzamerhand wel

zoover zal brengen--dan zullen wij eindelijk eens in het bezit komen van

eene geneeskundige wetenschap, die, op zekerder basis gegrondvest en

vrij van verzinselen, niet ten allen tijde veranderlijk, maar eeuwig

dezelfde zal zijn.

Men brenge nu niet hiertegen in, dat het nog niet bewezen is, dat op de

afwijkingen der vloeistoffen en dus op de oorzaken der inwendige ziekten

en hare leniging met aan de mechanica ontleende hulpmiddelen een

gunstige invloed geoefend kan worden.

Want met die opmerking wordt hetzij deze vraag bedoeld, of dit resultaat

wel ooit te bereiken valt, hetzij deze, hoe het komt, dat het nog niet

bereikt is.

Wordt dit laatste bedoeld, dan hebben wij onbillijke en lastige

beoordeelaars.

Is het niet ergerlijk, te hooren eischen, dat de weinige

Werktuigkundigen, die zich eerst sedert korten tijd op geneeskundig

gebied bewegen, een zoodanig werk reeds geheel volbracht zouden hebben,

waaraan alle anderen te zamen in een tijdsverloop van drieduizend jaren

met vereende krachten nog zelfs geen begin van uitvoering hebben kunnen

geven?

Wordt daarmede niet iets geheel onmogelijks verlangd? Daar immers de

eerste voorwaarde voor het toepassen der mechanica op de geneeskunde

deze is, dat daarbij van de kennis van den bouw der vaste deelen, van

den aard der vloeistoffen en van de verschijnselen, welke zij zoowel in

normalen als in ziekelijken toestand teweegbrengen, als van vaste

gegevens kan worden uitgegaan, is het dan niet ongerijmd, te eischen,

dat zulk een omvangrijke wetenschap, terwijl zij nog in het eerste

stadium harer ontwikkeling verkeert, reeds haar toppunt bereikt zal

hebben?

Is er echter iemand, die meent, dat langs dezen weg nooit ook maar iets

tot stand gebracht zal worden, dan moge hij wel bedenken, dat ziekten,

die door een der vloeistoffen veroorzaakt worden, in verreweg de

meerderheid der gevallen het gevolg zijn van een abnormale strooming

dier vloeistof door de vaten.

Dit leeren ons de waarnemingen van Hippocrates, vergeleken met

die van Sanctorius en met de dagelijks door ons waargenomen

verschijnselen.

En nu zal hij, die een vergelijkende studie gemaakt heeft van de

verschijnselen, welke het menschelijk lichaam zoowel bij het leven,

hetzij in gezonden of ziekelijken toestand, als bij en na den dood te

aanschouwen geeft, den innerlijken grond van zulk een stoornis in de

strooming in den regel zoeken in een verslapping der stuwkracht, een

krampachtige samentrekking der vaten of in afwijkingen der

vloeistoffen, wat betreft hare hoeveelheid, beweging en meer of minderen

graad van dichtheid.

Een aandachtige beschouwing doet ons inderdaad zien, dat de gunstige

werking der middelen, door welke wij de pijn onzer patiënten plegen te

stillen, voornamelijk daaraan te danken is, dat zij de zooeven genoemde

oorzaken der ziekten wegnemen.

Men vergelijke de gulden waarnemingen van Sydenham met de

verhandelingen van Bellini over de aderlating, de prikkels en

de samentrekbaarheid der vezels, en wanneer men daaruit zal geleerd

hebben, dat de heilzame werking der meest gewone geneesmiddelen op

volkomen mechanische wijze wordt voortgebracht, zal men wel de

verwachting durven koesteren, voor de werkingen dezer middelen en de

wijze hunner toepassing langzamerhand vaste regels te zullen zien

opstellen.

Nauwelijks kan ik mij bedwingen, wellicht al te voorbarig, het uit te

spreken, dat de oorzaken der oogenschijnlijk meest ingewikkelde ziekten

eenvoudiger en van meer mechanischen aard zijn dan eenig geneesheer

vermoedt.

Immers de minste en onbeduidenste beschadiging van één deel eener

machine is in staat, tengevolge van zijne beroering met de overige

deelen en den nauwen samenhang van het geheel, op eens de geheele

machine, hoe gaaf ze overigens ook moge zijn, in de war te sturen.

Laat eens in het meest gezonde lichaam een vezeltje eener pees of kleine

zenuw door een zeer fijne naald van het zuiverste staal geprikt worden.

Welk een gruwelijke opeenstapeling van kwalen ziet gij dan voortspruiten

uit een onbeduidend wondje van zoo'n klein deeltje.

Pijn, een roode, opgezwollen plek, gloeiing, klopping, koorts, dorst,

ijlhoofdigheid, stuiptrekkingen en de vreeselijke ontknooping der

tragedie, den dood!

Een doorn of fijne stroohalm verwekt, op een vliesachtige plaats

binnengedrongen, in korten tijd dezelfde verschijnselen.

Waarom zouden wij er ons dan over verwonderen, dat de stekels der

vergiften, de pijlen der besmetting of de prikkels der zouten een

gelijke uitwerking hebben?

Welke wonderlijke veranderingen zien wij in een gezond lichaam niet

plaats grijpen zelfs alleen ten gevolge eener uitwendige beweging!

Stelt U voor, dat iemand, zonder er gewoon aan te zijn, in een bootje

op zee door de golven in een kring rondgedreven of heen en weer

geslingerd wordt; welke verschijnselen doen zich daar niet voor!

Duizeligheid, bleekheid, misselijkheid, braking, angst, allerlei

ziekteleed, tallooze ongelooflijke afwijkingen van het levensvocht, en

dat alles uitsluitend gevolg der beweging!

Wie derhalve weet, dat de vochten ongedeerd blijven, zoolang zij door

den druk, dien de vaten er op uitoefenen, worden voortgedreven, dat zij

echter door stil te staan op een warme en vochtige plaats terstond in

een ziekelijken toestand geraken en ook gezonde deelen aantasten, wie

waargenomen heeft, dat van één enkele onbeduidende afwijking tallooze

andere afwijkingen het onmiddellijk gevolg zijn, zal gemakkelijk inzien,

dat eerst van den mechanistischen geneesheer afdoende middelen hiertegen

te verwachten zijn; wat al ontdekkingen zullen haar ontstaan te danken

hebben aan het in verband brengen der ziekteverschijnselen met de

oorzaken der stoornissen in den bloedsomloop en de regels voor het

overwinnen van den weerstand, het herstellen der veerkrachtige beweging

en het versterken der hartwerking!

Maar, zoo werpt men mij tegen, de macht van onzen geest over ons lichaam

doet ons toch duidelijk zien, dat leven, ziekte en gezondheid uit

niet-mechanische beginselen voortvloeien. Tevergeefsch derhalve is uwe

inspanning, vergeefsch uwe pogingen! IJdel zijn de verwachtingen, die

gij van uwe nuttelooze mechanistische studie koestert!

Het ware te wenschen, dat hij, die dergelijke tegenwerpingen maakte,

zich slechts een onschuldig genoegen daarmede verschafte en dat in zijne

schertsend geuite klacht niet tevens de beklagenswaardige ramp van ons

aller onwetendheid tot uiting gebracht werd!

Want wie heeft ooit in een der samenstellende deelen van onzen geest of

van ons lichaam ook maar iets kunnen ontdekken, dat voor het

wonderbaarlijk samengaan van beide een verklaring oplevert?

Men houde echter wel in het oog, dat alle werkingen, die onze geest in

ons lichaam teweegbrengt, van uitsluitend lichamelijken aard zijn en dat

_deze_ dan toch aan de wetten der Mechanica gehoorzamen.

Wat doet het er toe, dat de eerste oorzaak der verandering _niet_

mechanisch is, als het toch den mechanistischen geneesheer gegeven is,

zonder daarmede rekening te houden, van hare werkingen, die van

_lichamelijken_ aard zijn, kennis te nemen, ze grondig te onderzoeken en

zelfs te besturen, wat toch het eenige doel is, dat hij bereiken wil.

Maar ik bemerk, dat mijne rede, hoewel slechts enkele punten

oppervlakkig behandelend, al te zeer in omvang toeneemt.

Toch komt het mij voor, dat ik op één punt, waaraan mijn tegenstanders

hun krachtigst argument ontleenen, de beweringen van dezen niet

onwederlegd mag laten; ik wil namelijk niet de verdenking op mij laden,

dit punt, door het opzettelijk niet ter sprake te brengen, listiglijk

ontweken te hebben.

Is het niet waar, zoo roepen zij triomfantelijk uit, dat alle

philosophen en Mechanisten, die zich tot nog toe aan de uitoefening der

geneeskunde hebben gewaagd, steeds jammerlijk fiasco gemaakt hebben?

Alle verdere redetwist is dus overbodig, daar het feitelijk en

proefondervindelijk bewezen is, dat hunne wetenschap der geneeskunde

slechts schaadt!

Ik geef toe, dat deze redeneering volkomen juist is, zoolang zij slechts

gericht blijft tegen hen, die tot de scholen behooren, welker aanhangers

zich den weidschen naam van philosoof hebben aangematigd; dit leert ons

de geschiedenis, dit toonen de werken, die deze lieden over

geneeskundige onderwerpen geschreven hebben.

Daar zij zich immers onledig houden met het louter uit eigen verbeelding

opstellen van de beginselen aller dingen, om vervolgens uit de

hoedanigheden, die zij met groote scherpzinnigheid aan die beginselen

hebben toegedicht, den bijzonderen aard van elk lichaam te verklaren,

blijken zij natuurlijk op alle punten gedwaald te hebben; en nu is het

juist de door mij zoo warm aangeprezen mechanistische methode, die dat

duidelijk aangetoond heeft.

De gevolgtrekkingen, waartoe zij langs logischen weg gekomen zijn,

kunnen niet op de werkelijkheid toegepast worden, tenzij eerst is

uitgemaakt, dat die dingen, welke zij als een zeker uitgangspunt voor

hunne redeneeringen hebben aangemerkt, identiek zijn met de beginselen

van de afzonderlijke voorwerpen, die de natuur ons te aanschouwen geeft.

Daar deze beginselen nu echter misschien wel oneindig in aantal en alle

onderling verschillend zijn, zoo blijkt het, dat de waarheid hieromtrent

onmogelijk bij toeval, zooals zij zich inbeelden te kunnen doen, ontdekt

kan worden.

Indien dit zoowel door de zoogenaamde scholastieken als door een groep

van Mechanisten, die tot de school van Cartesius behooren,

ernstig in het oog gehouden ware, dan zouden zij niet in den waan

verkeerd hebben, dat het hun tot taak gesteld was, het menschelijk

lichaam te richten naar voorschriften, die op verdichte beginselen

berusten, maar zij zouden begrepen hebben, dat de elementen der door hen

beoefende wetenschap met behulp der Mechanica door hen opgebouwd moesten

worden uit datgene, wat de waarneming ons omtrent de samenstelling van

den mensch leert.

Indien men echter dit verwijt den mechanistischen Geneeskundige, zooals

ik U dien beschreven heb, naar het hoofd slingert, dan vraag ik bewijzen

voor dien laster.

Natuurlijk zal niemand, men versta mij wel, zoo dwaas zijn te beweren,

dat de meest nauwgezette Wiskundige niet een allerjammerlijkst figuur

als geneesheer kan maken.

Wat zou zulk een bewering wel te beteekenen hebben!

Ik verlang ook niet, dat de Mechanist verstand hebbe van de Geneeskunde,

maar omgekeerd eisen ik van den Geneeskundige kennis der Mechanica.

Het zou allerdwaast zijn, een practisch ervaren Geneesheer ten opzichte

van het genezen van ziekten te willen achterstellen bij een

Werktuigkundige, die ganschelijk onbedreven is in de geneeskunde.

Slechts dit verklaar ik, slechts dit wilde ik door mijne redevoering

duidelijk in het licht stellen, dat van twee geneeskundigen, die gelijke

ervaring in hun vak hebben opgedaan, hij het meest geschikt is om zijne

wetenschap vooruit te brengen, die meer dan de ander met de regelen der

Mechanica vertrouwd is.

Opdat nu echter aan mijne woorden geen scheeve uitlegging gegeven worde,

wat tot mijn grooten spijt reeds zoo dikwijls is voorgekomen, zal ik U

een korte schets geven van den Geneesheer, zooals die mij steeds als een

ideaal voor oogen zweeft.

Stelt hem U voor, bezig met het leggen van den eersten grond voor zijne

geneeskundige studiën, geheel en al verdiept in de wiskundige

beschouwing van figuren en lichamen, gewicht en snelheid, de inrichting

van werktuigen en de werkingen, die daarmede op andere voorwerpen kunnen

uitgeoefend worden.

Terwijl hij door deze studiën zijnen geest oefent, kunnen hem deze

tevens tot nauwkeurig richtsnoer dienen, om duidelijke van onduidelijke,

ware van onware voorstellingen te onderscheiden; tegelijkertijd zal hij,

gedwongen tot langzaamheid in het oordeelen, zich de zoo hoog noodige

voorzichtigheid eigen maken.

Nadat hij aldus geleerd heeft, de enkelvoudige werkingen der niet

samengestelde lichamen na te gaan en deze uit haar ware en ontwijfelbare

oorzaken af te leiden, is zijn geest rijp geworden, om de verschillende

eigenschappen der vloeistoffen, te weten haar vloeibaarheid,

elasticiteit, ijlheid en gewicht, die de hydrostatiek uitvoerig

behandelt, nader te bestudeeren.

Daarna ga hij, zijn denkvermogen aldus gescherpt hebbende, er toe over,

de werkingen, die vloeistoffen op werktuigen en die deze op gene

uitoefenen, volgens streng mathematische methode te onderzoeken,

versterke de op die wijze opgedane kennis door hydraulische,

mechanistische en chemische proeven, terwijl hij de geaardheid en de

werkingen van het vuur, het water, de lucht, de verschillende zouten en

andere dergelijke stoffen nauwkeurig gadeslaat.

Een tweede tafereel vertoont hem ons, zich reeds bevindend binnen de

gewijde ruimte, waar de Geneeskunde zelve beoefend wordt.

Daar zien wij hem zijne oogen, gescherpt en verhelderd door wiskundige

onderzoekingen, zwijgend richten op geopende lijken en op lichamen van

levend geopende dieren.

Aanstonds beschouwt hij met aandacht den bouw, de vormen, de vastheid,

de begin- en eindpunten, de verbindingen en krommingen, de buigzaamheid

en veerkrachtigheid der vaten.

Door dit wonderlijk schouwspel geprikkeld, past hij weldra op de door

hem waargenomen verschijnselen de wetten der Mechanica, welke hem reeds

van vroeger bekend zijn, toe en ontdekt zoodoende de verborgen

eigenschappen der aanschouwde lichaamsdeelen.

Van hoe verschillende, schoone en nuttige hulpmiddelen, waarmede de

vlijt der jongere geleerden de grenzen der ontleedkunde heeft

uitgebreid, zien wij hem gebruik maken.

Terwijl hij zich de door anderen eerst na zeer veel inspanning gedane

ontdekkingen ten nutte maakt, vormt hij zich een duidelijk beeld van den

bouw van het menschelijk lichaam.

Vervolgens zet hij zich aan de bestudeering der levensvochten, welke hij

zoowel in als buiten het levend lichaam met alle middelen, die hem

Anatomie, Chemie en Hydrostatiek ten dienste stellen, alsook met behulp

van het microscoop aan een grondig onderzoek onderwerpt. Eindelijk zal

hij zich dan door zijne van alle kanten bijeenverzamelde gegevens een

volledig overzicht kunnen verschaffen van alle verschijnselen, die het

lichaam in gezonden toestand te aanschouwen geeft.

Ziedaar iemand, die uitsluitend door de gegevens, welke hij zich zelf

verschaft heeft, in staat gesteld is tot het schrijven eener Leer van

den normalen lichaamstoestand!

Met behulp van deze gegevens nu brengt hij, na eerst elk afzonderlijk

nauwkeurig onderzocht en overwogen en ze vervolgens in hun onderlingen

samenhang bestudeerd te hebben, met toepassing van de wetten der

Mechanica en met streng wiskundige regelmaat en behoedzaamheid te werk

gaande, langzaam maar zeker waarheden aan het licht, die, hoewel in die

gegevens opgesloten liggend, niet door zinnelijke waarneming daarin

ontdekt, doch slechts door logische redeneering daaruit afgeleid kunnen

worden.

Aldus worden de naaste oorzaken van iedere werking opgespoord; deze

maakt hij namelijk op uit den hem reeds bekenden aard der

verschijnselen, welke hij bijeenverzameld, onderzocht en onderling

vergeleken heeft, zoodat hij zich langzamerhand, als vrucht van al deze

onderzoekingen, een duidelijk en volledig beeld van het wezen dier

oorzaken zal kunnen vormen.

Welke schoone resultaten zal hij niet kunnen bereiken, die bij zijne

studiën dezen weg volgt!

En zal de wetenschap, op deze wijze verkregen, niet onveranderlijk

vaststaan en even duurzaam zijn als de menschelijke natuur zelve, uit

welker innerlijk wezen zij immers is opgedolven en welke haar eenigen

grondslag uitmaakt?

Zullen de resultaten van zulk een wetenschap niet onbetwistbaar zijn,

die, slechts steunend op wat allen met gelijke beslistheid als waar

erkennen, met de strengste nauwgezetheid behoedzaam voortschrijdt?

Zal die wetenschap niet genoegzaam betrouwbaar en ook voor de praktijk

nuttig zijn, welke bij haar grondig en met toepassing eener onfeilbare

methode ingesteld onderzoek naar de naaste en onder ons bereik vallende

oorzaken slechts van die eigenschappen van het menschelijk lichaam

uitgaat, die stellig vaststaan en duidelijk voor onze zintuigen

waarneembaar zijn?

Ik erken, dat zij op die wijze slechts uiterst langzaam en nauw merkbaar

zal groeien en opwassen; daartegenover staat echter dit belangrijke

voordeel, dat elke, ook zelfs de geringste, vordering, die zij maakt,

een vaste schrede voorwaarts beteekent en een hechten grondslag vormt,

waarop verder voortgebouwd kan worden.

Het laatste tafereel mijner schets eindelijk vertoont U onzen

geneesheer, al dit werk reeds volbracht hebbend en naar den eindpaal

strevend.

Nu dringt hij door tot het allerheilige, tot het binnenste van den

tempel van Aesculapius!

Thans doorvorscht hij de Tafelen van Hippocrates en de zoo

betrouwbare geschriften der Grieken!

Ziet hem uit den overvloedigen schat der geneeskundige schrijvers

vlijtig bijeenverzamelen, wat er overal in hunne werken aan kostelijke

gegevens te vinden is!

Nu eens opent hij, ten einde ze te onderzoeken, lijken, waaraan hij

pathologische afwijkingen ontdekt heeft, dan weer neemt hij bij dieren

ziekten waar, die hij kunstmatig bij deze heeft verwekt; nu eens

verzamelt hij uit eigen ervaring allerlei gegevens omtrent de

uitwerkingen van ziekten en geneesmiddelen, dan weer vult hij de aldus

opgedane kennis aan door het raadplegen van de beste schrijvers op dat

gebied; eindelijk schikt hij al deze gegevens samen, terwijl hij ze

regelt en nauwkeurig overweegt, en vergelijkt de aldus gevonden

resultaten met wat de Theorie hem geleerd heeft, zoodat hij ten slotte

een degelijk inzicht krijgt in den loop en de geneeswijze der

verschillende ziekten.

En hiermede heb ik de laatste hand gelegd aan het voor u geschetste

beeld van den volmaakten geneesheer!

Dat deze hoogte onmogelijk bereikt kan worden zonder de studie der

Mechanica, meen ik thans genoegzaam te hebben aangetoond.

Sinds ik mij op de studie der geneeskunde toelegde, heb ik getracht, dat

beeld te evenaren, mij daarnaar te richten.

Naar dat model den geest te vormen van hen, die zich aan mijne leiding

toevertrouwen, daartoe, Heeren Curatoren, heb ik steeds al mijne

krachten ingespannen, zoolang ik op uw gezag aan deze hoogeschool de

geneeskunde onderwees.

Dat ideaal zal ik, zoolang God mij het leven schenkt, niet ophouden

ijverig na te streven.

Niet door partij te trekken van de dwaze lichtgeloovigheid en de domme

verbazing der onkundige menigte, niet door een verblindenden

woordenvloed, maar door duidelijke en onbetwistbare resultaten zal ik

voor de wetenschap, waaraan wij allen ons leven toevertrouwen, eerbied

trachten af te dwingen.

Moogt gij, voortreffelijke jongelingen, die u met de borst op deze

wetenschap toelegt, door welke het menschelijk geslacht zijn ongestoord

welzijn hoopt verzekerd te zien, het door mij ontworpen beeld van den

idealen geneesheer reeds van uwe eerste studiejaren af aandachtig

beschouwen en er bewondering voor opvatten.

Kwijt u zóó van uwe taak, dat gij u, getooid met de trekken en tinten

van dit beeld, den naam van reddende engelen der menschheid verwerft!

Er is geen wetenschap, die haren beoefenaren schoonere belooningen voor

hunnen arbeid ten deel doet vallen dan de Geneeskunde.

Geen andere is er, die u aangenamer, nuttiger en onmisbaarder voor uwe

medemenschen kan maken.

Geraakt in geestdrift, edelaardige geesten, geraakt in geestdrift voor

de schoonheid dezer kunst, zonder welker hulp voor niemand hier op aarde

het geluk bestaanbaar is!

Dat toch nooit de moeielijkheid dezer studie de onstuimigheid van uwen

vurigen geest beteugele!

Hoogst bezwaarlijk, ik erken het, is de weg, die tot het heiligdom van

Panacea[5] voert.

Doch anderen hebben dezen door hunnen onvermoeiden arbeid geëffend; met

groote dapperheid wisten zij, alle moeilijkheden overwinnend, het

einddoel van hunnen tocht te bereiken; volgt gij nu moedig hun

voorbeeld!

Gij vindt in deze hoogeschool zoodanige leidslieden op het gebied der

geneeskunde, die u veel rijker schatten kunnen toonen dan weleer de

Epidaurische zuilen[6], de Pergameensche boekrollen[7], de Cnidische

wanden[6] en de Coische bladen[7] opleverden.

Gij vindt hier iemand, die de kunst verstaat, met een ongelooflijk gemak

in duidelijke taal de meest verborgen geheimenissen der Wiskunde bloot

te leggen en die u zal leeren, deze op geneeskundige vraagstukken toe te

passen.

Het is Volder, een man, die naar het oordeel der besten onder

ons geboren schijnt voor deze gewijde taak, een man, die verre boven

onzen lof verheven is!

Met een van dankbaarheid vervuld gemoed spreek ik het hier gaarne

openlijk uit, dat ik aan zijne milde voorlichting oneindig veel

verschuldigd ben en steeds, ten minste zoolang ik nog helder van hoofd

ben, zal ik mij mijne groote verplichtingen jegens hem eerlijk en

oprecht voor oogen houden.

Indien gij nu van oordeel zijt, dat ik U tot eenigen steun bij uwe

studiën kan dienen, dan zal ik gaarne, het voetspoor dezer groote mannen

volgend, er met alle macht naar streven, metterdaad het bewijs te

leveren, dat ik mijn belang slechts in het uwe zoek.

Zoolang God mij de kracht verleent, dit ambt naar behooren te vervullen,

zal ik niet ophouden, met U de uitspraken der Ouden en de waarnemingen

der jongeren met onverdroten ijver van alle kanten bijeen te verzamelen,

waarbij ik dan nog de resultaten mijner eigen onderzoekingen, die ik

geef voor wat ze zijn, zal voegen, ten einde, toegerust met al deze

gegevens, met behulp van de door mij zoo uitbundig geprezen Mechanica,

het onze bij te dragen tot den opbouw der medische wetenschap!

Welaan dan, wakkere studiegenooten, laat ons het werk, waartoe mijne

gansche redevoering U aanspoorde, onder de zegenrijke begunstiging van

het thans aangebroken academisch jaar als om strijd aanvatten en het zoo

mogelijk voleinden!

Het Nut der Mechanistische Methode in de Geneeskunde · 第 2 / 3 段