ontvonken, dat ik, die mij volkomen bewust ben, wat natuurlijken aanleg
en geleerdheid betreft, bij zeer velen achtergesteld te moeten worden,
in ijver tenminste voor niemand zal behoeven onder te doen.
De hoogste belooning voor mijnen arbeid echter zal ik _dan_ meenen
deelachtig te worden, wanneer het door uwe toejuiching der wereld zal
blijken, dat de door mij betoonde vlijt U ten goede gekomen is, wanneer
de roep van den voorspoed uwer studiën aan deze hoogeschool meerderen
zal verlokken, onder hare leerlingen plaats te nemen.
Slechts als deze mijn wensch in vervulling getreden zal zijn, zal ik,
Edel Groot Achtbare Heeren Curatoren, Edel Achtbare Heeren
Burgemeesters[8], de resultaten van mijn onderwijs, onder uwe
bescherming aan uwe hoogeschool gegeven, met vertrouwen aan uw oordeel
mogen onderwerpen.
Dit beschouw ik als het eenige waardige geschenk, waarin uw verheven
geest behagen zal kunnen scheppen.
Op deze wijze hoop ik, zonder eenige valsche vleierij maar met niet
minder oprechtheid van zin U den dank, waartoe ik mij jegens U verplicht
gevoel, metterdaad te toonen!
Gij toch hebt mij, na mij tot het leeraarsambt te hebben geroepen en
gedurende de twee jaren, waarin ik dit ambt bekleedde, mijne
werkzaamheden aandachtig gadegeslagen te hebben, onverwacht door hoogst
vereerende beloften en nieuwe bewijzen uwer mildheid tot nog meer ijver
geprikkeld.
Onder de vele deugden, die ik in U vereer, is er ééne, die volgens het
mij ter oore gekomen oordeel van wijze mannen hooger dan alle andere
gesteld moet worden: het is de strikte onpartijdigheid, waarmede gij bij
het betoonen van uwe gunst te werk gaat.
Eene voortreffelijke en der wetenschappelijke wereld het allermeest ten
goede komende eigenschap noem ik haar; U door haar latende leiden, hebt
gij slechts belooningen voor werkelijke verdiensten over; alle
gunstbejag stuit op haar af.
Wanneer ik dan ook naar uwe hoogheid van karakter de waarde afmeet van
de onderscheiding, welke gij mij verleend hebt, dan voel ik eenen
onweerstaanbaren drang in mij, om, aangevuurd door zulk een eervol
getuigenis, onverwijld op den ingeslagen weg met frisschen moed voort te
gaan!
Met terzijdelating derhalve van allen ijdelen woordenpraal, die bij
eene dankbetuiging het teeken van onoprechtheid pleegt te zijn en
volstrekt geen genade kan vinden in de oogen van wijze mannen, wil ik U
slechts het volgende plechtig beloven!
Ik zal mij steeds bevlijtigen, uwe waardigheid door het betoonen van den
diepsten eerbied en de uiterste dienstwilligheid hoog te houden!
Ik zal zorg dragen, mijnen ijver tot zulk een hoogte op te voeren, dat
het blijke, dat ik uwe gunst op den hoogsten prijs stel en mij haar door
gepaste middelen steeds in meerdere mate wil trachten te verwerven.
Ik zal er naar streven, de juistheid van het welwillend oordeel, dat gij
over mij geveld hebt, der geheele wereld door mijne daden te doen
blijken!
IK HEB GEZEGD.
VOETNOTEN:
[Voetnoot 1: Met "geest", de vertaling van het Latijnsche "spiritus", is
bedoeld een zeer vluchtige vloeistof, die volgens Boerhaave en
andere oude geneeskundigen in spieren en zenuwen gevonden wordt
(Vertaler).]
[Voetnoot 2: Hermes Trismegistus is de patroon der alchimisten.
In dezen tijd wordt er geen streng onderscheid gemaakt tusschen chemie
en alchimie. (Vertaler).]
[Voetnoot 3: Een bij de Ouden gerenommeerde wijnsoort. (Vertaler).]
[Voetnoot 4: Een van Baco's werken draagt den titel: "Historia
vitae et mortis". (Vertaler).]
[Voetnoot 5: Panacea ("Alheelster") is de naam van een der
dochters van Aesculapius. (Vertaler).]
[Voetnoot 6: Op de zuilen van den Aesculapius-tempel te Epidaurus en op
de wanden van dien te Cnidus stonden opschriften, die melding maakten
van verschillende ziektegevallen en de wijze hunner genezing.
(Vertaler).]
[Voetnoot 7: Bedoeld zijn de werken van Galenus van Pergamum en
Hippocrates van Cos. (Vertaler).]
[Voetnoot 8: Hiermede worden de vier burgemeesters van Leiden
toegesproken. (Vertaler).]