Slechts de Werktuigkundigen mogen het menschelijk lichaam al

Produced by Frank van Drogen and the Online Distributed Proofreading

Team.

REDEVOERING

VAN

HERMAN BOERHAAVE

OVER

HET NUT DER MECHANISTISCHE METHODE IN DE GENEESKUNDE,

DOOR HEM GEHOUDEN IN HET GROOT-AUDITORIUM DER RIJKS-UNIVERSITEIT TE

LEIDEN,

OP DEN 24STEN SEPTEMBER 1703,

BIJ DEN AANVANG VAN ZIJN DERDE AMBTSJAAR.

* * * * *

_Den Edel Groot Achtbaren Heeren_

Curatoren Der

Leidsche Universiteit,

Den Heere Jakob, baron van Wassenaer, heer van Obdam,

Hensbroek, Wochmeer, Spierdijk, Zuydwijk, Kernchem, Twikelo, Lage, enz.,

oudste lid van de ridderschap van Holland, ridder in de Deensche

koninklijke orde van den Olifant, kolonel van de ruiterij der Vereenigde

Nederlanden, gouverneur van 's Hertogenbosch, buitengewoon gezant bij

H.H. M.M. de Koningen van Polen en Pruisen, bij Z.H. den Keurvorst van

Hannover en bij onderscheidene Duitsche vorsten, enz. enz.

Den Heere Mr. Hubertus Rosenboom, heer van 's Grevelsregt,

voorzitter van den Hoogen Raad der Nederlanden, enz. enz.

Den Heere Mr. Herman van den Honaart, burgemeester van

Dordrecht en afgevaardigde dezer stad in de Staten van Holland,

dijkgraaf van Alblasserwaarde, enz. enz.

_Den Edel Achtbaren Heeren_

Den Heere Mr. Jan van den Berg, eersten burgemeester van Leiden

en secretaris van het college van Curatoren.

Den Heere Mr. Coenraad Ruysch,

Den Heere Mr. Abraham van Alphen,

Den Heere Pieter van Dorp,

draagt deze redevoering

met verschuldigden eerbied op

de hun toegewijde

HERMAN BOERHAAVE.

* * * * *

REDEVOERING

VAN

HERMAN BOERHAAVE

OVER

HET NUT DER MECHANISTISCHE METHODE IN DE GENEESKUNDE.

Zij, die de krachten der lichamen naar hun massa, vorm en snelheid,

hetzij na een korter of langer onderzoek vastgesteld of door directe

waarneming gevonden, mathematisch berekenen, worden Mechanisten genoemd.

Dezen hebben zich door de practische resultaten hunner wetenschap, welke

op schitterende wijze de waarheid hunner stellingen aantoonden, zoozeer

de achting der weldenkenden verworven, dat men niet licht eene andere

wetenschap zal vinden, die zich ten allen tijde in gelijke mate in

ieders toejuiching mocht verheugen. Is zij niet een wonderbaarlijk

gewrocht van den menschelijken geest, dat door zijne alle verwachting te

boven gaande uitkomsten aan het bovenmenschelijke grenst?

Het zijn immers slechts zeer weinige, algemeen verbreide, zij het dan

ook onbetwistbare, grondbeginselen, op welke haar meest subtiele en

ingewikkelde uitvindingen gebaseerd zijn.

Dit is dan ook de reden, waarom menschen, die gewoon zijn, de dingen op

het eerste gezicht, dus veelal verkeerd, te beoordeelen, of slechts

eerbied te hebben voor beweringen, die in een duister waas gehuld zijn,

voor de grondstellingen dezer wetenschap minachtend de schouders

ophalen. Wie echter op de resultaten van die strengste aller

wetenschappen let, acht haar de hoogste vereering waardig, omdat zij, op

zoo eenvoudigen grondslag opgebouwd, den mensen krachten verleend heeft,

die zijne eigene verre overtreffen. Aan haar immers hebben wij het te

danken, dat geen massa meer onbewegelijk is, hoe gering ook de

beweegkracht zij, waarover wij beschikken.

Haar nut wordt dan ook door alle, zoowel burgerlijke als militaire,

wetenschappen erkend. Zóó algemeen wordt zij gevierd als eene voor

andere wetenschappen onmisbare hulpwetenschap, dat zelfs onkundigen,

als naar gewoonte zichzelf willende verheerlijken door het prijzen van

dingen, welke zij niet verstaan, den bevoegden beoordeelaars dien lof

nazeggen. De geneeskundigen alleen versmaden haar of zijn gemeenlijk,

opzettelijk verzuimend haar nader te bestudeeren, van oordeel, dat zij

niets goeds vermag tot stand te brengen.

Deze meening is nu echter mijns inziens zóó geheel en al bezijden de

waarheid en tevens zóó verderfelijk voor de geneeskunde, dat ik gemeend

heb, geen beter onderwerp te kunnen uitkiezen, om in dit uur voor U te

behandelen. En ik geloof, dat ik zoowel aan uwe verwachting als aan

mijnen wensch voldaan zal hebben, als ik in eenvoudige taal duidelijk

zal hebben aangetoond, _dat de Mechanica voor de Geneeskunde van

buitengewoon belang en ten eenenmale onontbeerlijk is_.

Door de uitgebreidheid van het onderwerp word ik wel genoodzaakt, elke

rhetorische verfraaiing der rede ter zijde te laten. Dat mij dit echter

niet behoeft te verontrusten, daarvoor staat mij de zoo welbekende

strikte eerlijkheid van uw oordeel borg, waarmede gij reeds lang de

vleitaal eener streelende inleiding door uwe afkeuring uit deze slechts

der waarheid gewijde plaats verbannen hebt. Ik ga dus terstond

onbeschroomd tot de behandeling van mijn onderwerp over, daar hij, die

strenge waarheid verkondigt, zich om geenerlei vooroordeel, het moge hem

gunstig of ongunstig zijn, bekommert; slechts geduld en aandacht vergt

hij van zijne hoorders.

Dat de beste algemeene bepaling van het begrip lichaam door de

Wiskundigen gegeven is, acht ik zóó evident, dat ik van niemand eenige

tegenwerping tegen deze bewering verwacht. Den individueelen aard echter

van elk lichaam in het bijzonder, zooals het zich in de natuur voordoet,

zal niemand alleen door logische redeneering uit deze algemeene

definitie der Wiskundigen kunnen afleiden. Daar deze immers

voortgesproten is uit de samenvatting van die eigenschappen, welke alle

lichamen gemeen hebben, met zorgvuldige uitsluiting van alles, wat het

eene lichaam van het andere onderscheidt, zal daaruit met nog zoo

logische redeneering geen enkele gevolgtrekking kunnen afgeleid worden,

die over den bijzonderen aard van eenig lichaam opheldering geeft. En

toch hangt juist van dezen in de eerste plaats de grootere of geringere

werkingskracht der verschillende lichamen af, zoodat de kennis van deze

laatste zonder de kennis van het eerstgenoemde onbestaanbaar is.

Wie derhalve tot de kennis hiervan wenscht te geraken, moet uit het te

bestudeeren voorwerp zelf de bijzondere voorwaarden putten, die zijn

anders onbeteugelde vrijheid van redeneering bij het opsporen van den

eigenaardigen aanleg van het gegeven object nauwkeurig omgrenzen. Deze

voorwaarden echter kunnen slechts door hem gekend worden, die de met de

zintuigen waarneembare werkingen van elk lichaam in het bijzonder heeft

nagegaan. Deze werkingen zijn namelijk het zichtbaar gevolg van de

bijzondere hoedanigheden, welke uit den eigen aard der te onderzoeken

zaak voortkomen; elke nu van deze afzonderlijk maakt ééne

eigenaardigheid dezer zaak uit, en alle te zamen genomen maken zij haar

geheele wezen uit, voor zooverre dat voor de zintuigen waarneembaar is.

Gaat men nu een stap verder door uit deze duidelijk waargenomen feiten

langs wiskundigen weg alles, wat daaruit klaarblijkelijk onafwijsbaar

voortvloeit, af te leiden, dan zal men veel meer ontdekken, dan met

behulp der zintuigen alleen ooit het geval geweest ware. En toch zullen

de op laatstgenoemde wijze verkregen uitkomsten niet minder waar, noch

minder bruikbaar zijn dan de vroeger verkregene.

Buiten deze twee is er geen derde methode, welke de bijzondere

inrichting van het een of andere mechanisme kan helpen opsporen.

Beide methoden nu leiden onveranderlijk tot dit resultaat, dat het

menschelijk lichaam in aanleg volkomen overeenstemt met de geheele ons

omringende natuur.

Zoowel zinnelijke waarneming als verstandelijk overleg leeren ons, dat

het menschelijk lichaam voor hem, die zijne samenstellende deelen met

wetenschappelijken ernst bestudeert, geen enkele afwijking vertoont in

vergelijking met andere lichamen, tenzij dan dat het samengesteld is uit

verscheidene mechanismen van verschillenden vorm, die door er doorheen

stroomende vochten in beweging gebracht worden.

Ons lichaam is nu zoo ingericht, dat zijne vereenigde deelen het

vermogen bezitten, verscheidene en wel zeer verschillende bewegingen

voort te brengen, welke, geheel overeenkomstig de regelen der mechanica,

bepaald worden door de massa, den vorm, de vastheid en de onderlinge

verbinding der deelen. Dit blijkt reeds terstond hieruit, dat, wanneer

een dezer deelen louter ten gevolge der mechanische beweging vernield

of ook slechts de stevigheid der verbinding verminderd is, de vroeger

waargenomen werking stellig uitblijft. Het menschelijk lichaam is dus

een zuiver mechanisch lichaam en vertoont er derhalve alle eigenschappen

van.

Op dezelfde wijze dus als de door de mathematici bestudeerde lichamen

zal ook het menschelijk mechanisme een object van wiskundige behandeling

kunnen zijn, indien men slechts zijne bijzondere door zinnelijke

waarneming behoorlijk vastgestelde eigenschappen als vaste gegevens aan

het onderzoek ten grondslag legt, niet echter zulke eigenschappen, die

geheel willekeurig er aan toegekend en uit eene oneindige

verscheidenheid van mogelijkheden zonder eenigen positieven grond

uitgekozen zijn.

Zeer vele eigenaardigheden nu van het menschelijk lichaam heeft de

ontleedkunde langs verschillende wegen aan het licht gebracht, door den

bepaalden bouw van de grootere deelen, welke het samenstellen, na te

gaan. De kennis van verscheidene eigenschappen der kleinere deelen

hebben wij te danken aan de schoone uitvinding van het microscoop,

hetwelk aantoonde, dat de grootere en de kleinere deelen in aanleg

overeenkomen. Doch ook de leer der vloeistoffen heeft ons vele factoren

doen kennen, door welke de geaardheid, de stuwkracht en de richting der

door onze vaten rondgevoerde vochten bepaald worden. Derhalve zal aan

geen andere wetenschap dan aan de werktuigkunde de voorrang moeten

worden toegekend bij het onder zoeken, ja zelfs ook bij het naar onzen

wil besturen van het menschelijk lichaam, tenzij men misschien mocht

willen aannemen, dat uit de genoemde dingen langs wetenschappelijken weg

niets valt af te leiden.

Doch wie zal gelooven, wie beweren, dat uit zoovele duidelijk

waargenomen feiten, hetzij men elk afzonderlijk behoorlijk overweegt of

ze alle te zamen op de meest oordeelkundige wijze onderling met elkaar

in verband brengt, niets waars, niets zekers, niets bruikbaars kan

worden afgeleid?

Hij, die zoo spreekt, openbaart hierdoor slechts een al te groote

traagheid en sufheid van geest en een allerondankbaarste geringschatting

voor de schoonste uitvindingen, welke wij bezitten.

Het is immers een eigenschap van den arbeidschuwe, uit wanhoop aan den

goeden uitslag niets te durven ondernemen of datgene als onbereikbaar

voor te stellen, waartoe misschien _zijne_ krachten alleen te kort

schieten.

Mocht er echter iemand gevonden worden, die wel toegeeft, dat uit

genoemde feiten langs den weg der redeneering onbekende zaken kunnen

opgehelderd worden, doch slechts den werktuigkundigen het recht hiertoe

ontzegt, laat hij ons dan buiten de mechanica eene andere wetenschap

aanwijzen, die ons beter in staat stelt, de eigenschappen der lichamen

uit te vorschen. Wie dat poogt te doen, moet zich in het hoofd gezet

hebben, dat de aard der dingen het best kan worden opgespoord door van

zulke grondbeginselen uit te gaan, die daar het meest tegen indruischen,

en door zoodanige personen, die het sterkst afwijken van de

onderzoekingsmethode, die door alle weldenkenden als de eenige, welke

ware resultaten oplevert, erkend wordt. Alleen reeds daardoor echter zou

hij zich in zulk een warnet van ongerijmdheden verstrikken, dat ik,

zonder verder, rekening met hem te houden, mijne stelling bewezen mag

achten.

Maar deze bewijsvoering klinkt wat al te nuchter en moet wel, al te zeer

afwijkend van den gebruikelijken betoogtrant, weinigen tot instemming

nopen! En dat is zeer zeker het geval, indien men de kracht van een

betoog afmeet naar het bevattingsvermogen van de meerderheid der

menschen.

Waarom zou ik dan niet, al was het slechts om dezen te voldoen, U de

zaak in het helderste licht voor oogen stellen, van welk licht alle

beoefenaren der geneeskunst, als men hen gelooven mag, een ruim gebruik

maken.

Terwijl ik nu daartoe overga, zie ik mij wel, hoezeer ook tegen mijnen

zin, genoodzaakt, het een en ander uit de anatomie ter sprake te

brengen, dat, daar een dergelijk onderwerp nooit door rhetorische

schrijvers behandeld is, in minder zuiver en gekuischt Latijn moet

worden weergegeven, dat ik echter voor het goed begrip van de zaak zelve

meen niet achterwege te mogen laten.

Dat het grootste gedeelte van ons lichaam met slagaderen doorweven is en

door deze in stand gehouden wordt, is te duidelijk, om betoog te

behoeven. Dat dit de kanalen zijn, die het bloed inhouden en in zijnen

loop richten, en dat hun omvang, in den omtrek van het hart het grootst,

langzamerhand afneemt en ten slotte zóó klein wordt, dat hij niet meer

voor het bloote oog waarneembaar is, dat weten zelfs de slagers. Niet

minder algemeen bekend is het, dat één hoofdstam van deze kanalen, van

het hart uitgaande, zich in zijtakken splitst, die met den hoofdstam

gelijkvormig zijn en op dezelfde wijze als deze zich op hun beurt

splitsen en langzamerhand in omvang afnemen, waarbij echter deze

eigenaardigheid valt op te merken, dat de recht doorloopende hoofdstam

ter plaatse, waar hij zich vertakt, gewoonlijk een wijder opening

vertoont dan de aan dezen driesprong ontspringende zijtakken. Dat echter

al deze vaten zoodanige krommingen beschrijven, dat de zich zijdelings

vertakkende buizen op een oneindig aantal plaatsen wijde hoeken vormen

en dat deze windingen een buitengewonen invloed uitoefenen op de

doorstrooming van het bloed, is eerst voor weinige jaren ontdekt door

hen, die de scherpzinnig gevonden stellingen der wiskunde op

geneeskundige vraagstukken hebben toegepast.

Met welk een bewonderenswaardige, met welk een doeltreffende

kunstvaardigheid heeft de aanbiddelijke Bouwmeester van ons mechanisme

deze buigzame kanalen gevormd!

Hij wilde, dat zij door het tegen hunne wanden drukkende vocht zonder

gevaar voor scheuring zouden kunnen uitgezet worden en verleende hun

tevens het vermogen, tot hun vroegeren omvang vanzelf weder terug te

keeren en het vocht met een krachtigen stoot voort te stuwen, zoodra dit

opgehouden heeft ze uit te zetten.

Malpighi was echter de eerste, die zag, dat de laatste

uiteinden der slagader, in zeer dunne buisjes vertakt, in een vlies, als

in een stevig omhulsel, zijn samengevoegd en daar door middel van nauwe

kanalen wederkeerig met elkander in gemeenschap staan. Hij heeft ons het

eerst den weg leeren vinden in het labyrint der tallooze dwaalwegen,

welke de vloeistoffen, langs deze kronkelpaden voortgedreven, te

doorloopen hebben.

Doch het wonderbaarlijkste, waarbij zich de vinger Gods waarlijk in Zijn

werk openbaart, is wel het volgende.

De takjes, welker loop met zoo groote zorgvuldigheid geregeld is en die

zich hier alle langs banen van gelijke breedte in rechte richting,

zonder zijdelingsche vertakkingen, voortbewegen, vormen, van gedaante

veranderend, de eerste beginselen der aderen en lymphvaten met hunne

boezems.

Dat is het, wat de waarneming met het bloote oog en met het microscoop,

het afbinden der vaten bij levenden, de inspuiting der lijken met

kwikzilver, de beschouwing van het lichaam in ziekelijken toestand en

eindelijk de vergelijking met dieren, visschen, insecten en planten aan

het licht gebracht heeft.

Buiten de genoemde verschijnselen vertoonen de slagaderen er geen enkel;

al wat er verder van verteld wordt, berust op louter verdichting.

Een zeer groot deel van het lichaam derhalve en wel dat deel, hetwelk

voor de instandhouding van het leven van het grootste belang is,

bestaat, werktuigkundig uitgedrukt, uit een kegelvormig, veerkrachtig en

gebogen kanaal, waaruit op verschillende punten kleinere kanalen van

denzelfden vorm ontspringen, die ten laatste door middel van

cylindervormige buisjes wederkeerig in elkaar uitmonden, zoodat het

geheel er als een net uitziet.

Indien het nu waar is--en niets is meer waar dan dat--volgt daar dan

niet uit, dat alle werkingen van de slagaderen op het bloed slechts

bepaald worden door hare zooeven beschreven inrichting?

En ligt het voorts niet ook voor de hand, dat uit dien hoofde al deze

werkingen slechts daaruit af te leiden en te verklaren zijn?

Nu vraag ik U, die als onpartijdige rechters geroepen zijt, in deze zaak

uitspraak te doen! Wie is in staat, de gevolgtrekkingen, die alleen

reeds uit de genoemde verschijnselen afgeleid kunnen worden,

systematisch uiteen te zetten?

Ongetwijfeld slechts hij, die, vertrouwd met de nauwkeurige beschouwing

van figuren en de berekening der veranderlijke kracht, de kunst

verstaat, alleen reeds uit de boven beschreven feiten een menigte

belangrijke besluiten te trekken. En dat is toch geen ander dan de

Werktuigkundige.

Maar laten wij ons nog een weinig verdiepen in de beschouwing van de zoo

uiterst merkwaardige slagader; niet minder dan de kennis van bijna het

geheele menschelijk lichaam zal het loon zijn voor een korte en geringe

inspanning van onzen geest.

Zoodra de groote slagader het hierboven beschreven net gevormd heeft,

zendt zij cylindervormige buizen uit, die zóó nauw zijn, dat zij de

roode bloedlichaampjes niet doorlaten, doch slechts het dunnere,

kleurlooze bloed in zich kunnen opnemen.

Daar hebt ge nu de juiste voorstelling van een lymphvat! Ter zelfder

plaatse zendt de slagader ook een recht doorloopenden stam uit, die,

van grooter omvang dan de lymphvaten, bestemd is, het dikkere, roode,

van het helderder serum ontdane bloed te vervoeren.

Ziedaar den waren oorsprong der aderen!

Deze, die in het begin zeer eng zijn, nemen allengs in omvang toe door

het van alle kanten nieuw toestroomend aderlijk en lymphvocht, zoodat er

ten laatste een nieuwe kegel, gelijk aan dien der slagader, maar zóó dat

de beide kegels elkaar met hunne toppen raken, gevormd wordt.

De vaten, die ik slechts oppervlakkig behandelen kon, ach, hoeveel

schoons bergen zij niet in zich.

Hecht slagaderen, aderen en lymphvaten, op de boven beschreven wijze tot

één geheel vereenigd, aan een vliesachtig oppervlak vast, vlecht daar

zenuwen in en breng hier en daar veerkrachtige vezels aan, rol dit alles

vervolgens tot een kluwen op en ge hebt de inrichting van een klier voor

U.

Zoo dikwijls ik hieraan denk, verdiep ik mij in de beschouwing van het

orgaan, dat zoovele wonderbaarlijke werkingen teweegbrengt, waaraan

echter ook zoovele dwaselijk verzonnen eigenschappen zijn toegeschreven.

U echter, groote Malpighi, die alle hersenschimmen voorgoed

verjaagd hebt, is het door bovenmenschelijken ijver, door ongelooflijke

inspanning en schrander doorzicht gelukt, onwederlegbaar aan te toonen,

dat de schijnbaar zoo ingewikkelde bouw eener klier slechts door de

boven beschreven eenvoudige inrichting tot stand komt!

En hoe belangrijk is deze ontdekking niet! Het geheele lichaam bestaat

immers uit schier niets anders dan uit een samenstel van klieren!

De hersenen, die reeds Hippocrates een klier had genoemd,

worden ons nu door het penseel van Malpighi geschilderd als een

massa, bestaande uit slagaderen, aderen en nerveuze reservoirs en

afvoerkanalen. Lever, milt en nieren zijn slechts uit klieren opgebouwd.

Ook de kweekplaats van het voortplantingsvocht is een kunstig kluwen van

cylindervormige kanalen. Ja, zelfs de verblijfplaats van het embryo, de

woning der ongeboren vrucht, de voorraadkamer des witten nectars, dien

de jonggeborenen drinken, vertoonen zich door hare

afscheidingsprocessen als echte klieren. Dat ook de beenderen en de

vliezen ongeveer op dezelfde wijze gebouwd zijn, wie twijfelt er aan

behalve hij, die nog geen kennis genomen heeft van de onsterfelijke

geschriften van Malpighi, Kerkring en Havers?

Laat mij ten slotte nog uwe aandacht mogen vragen voor eene oplettende

beschouwing der spieren! Wie zich die moeite getroost, zal in haar de

meest doelmatige instrumenten van allerfijnste mechanistische kunst zeer

duidelijk terugvinden! Is immers niet de spier in haar geheel uit

kleinere spieren van gelijken vorm samengesteld? En wat is nu eigenlijk

haar laatste bestanddeel, de vezel? Stellig niets anders dan een ruim

maar tevens zeer dun vlies, dat tot omhulsel dient voor een uiterst nauw

nerveus kanaal, een grooteren omvang heeft dan dat kanaal, waaruit het

voorkomt en slechts met geest[1] gevuld is.

Hoe reusachtig echter de kracht van dit werktuig is, leert men eerst

recht inzien, indien men de hydraulische proeven van Mariotte

bestudeerd heeft in verband met de werktuigkundige verhandelingen van

Cartesius.

Beschouwt aandachtig de longen, die in bouw van de overige organen

verschillen, en ge hebt voor u veerkrachtige, bolvormige zakken, die

afhangen van het afgeknotte uiteinde der luchtpijp; hunne oppervlakte

wordt in den vorm van een net door bloedvaten doorsneden, zij zijn

echter--en dit is een onoplosbaar raadsel--bijna geheel verstoken van

lymphvaten.

Wordt derhalve, zoo hoor ik u vragen, de zoo wonderbaarlijke, de zoo

kunstige bouw van het menschelijk lichaam slechts door een zoo

eenvoudige inrichting tot stand gebracht?

Het is stellig niet anders.

Moge, wie wil, er met minachting wegens zijnen eenvoud op neerzien!

De Werktuigkundige heeft hieromtrent een geheel tegenovergestelde

opvatting: _hij_ heeft juist den hoogsten lof over voor het vernuft van

_hem_, die een werktuig weet te vervaardigen, dat tot het voortbrengen

der verlangde werking het meest geschikt en tegelijkertijd onder alle,

die deze kunnen voortbrengen, het eenvoudigst is.

Welk besluit kunnen wij nu uit dit alles trekken?

Het is dit, dat het menschelijk lichaam een werktuig is, van welks

vaste deelen er sommige bestaan uit vaten, geschikt om de vloeistoffen

te bevatten, te richten, van gedaante te doen veranderen, te verdeelen,

bijeen te zamelen en af te scheiden; andere uit mechanische

instrumenten, die door hunnen vorm, hunne hardheid en de vastheid hunner

verbinding in staat zijn, zoowel anderen deelen tot steun te dienen als

bepaalde bewegingen uit te voeren.

Ik zou uw geduld te zeer op de proef stellen en daardoor aan uwe

waardigheid te kort doen, indien ik alles tot in de kleinste

bijzonderheden wilde uiteenzetten. Slechts dit zult gij wel zoo

vriendelijk zijn te willen aanhooren, dat Hippocrates met de

gansche schare van Babyloniërs, Egyptenaren en Grieken, wier voetstappen

hij volgde, en de geheele Grieksche school, die van hem uitging, niets

anders dan de beide genoemde groepen van lichaamsdeelen hebben kunnen

ontdekken.

De Arabieren hebben, hoe ijverig zij zich ook op de studie der

ontleedkunde toelegden, nooit een derde hieraan kunnen toevoegen.

Raadpleegt Vesalius, die de ontleedkunde in nieuwe banen leidde, diens

mededingers Eustachius en Fallopius,vervolgens ook Harvey en Malpighi,

die zich door hunne ontdekkingen een onsterfelijken naam verworven

hebben, voorts Asellius, Pecquet, Bartholinus, Dathir, Bellini, Glisson,

Wharton en Willis, die elk op hunne beurt oude meeningen voor nieuwe,

betere inzichten hebben doen plaats maken; voegt bij dezen Leal en

Louwer, die de wetten der mechanica op de ontleedkunde toepasten, en

eindelijk Hooke, Pouwer en Leeuwenhoek, die tot de diepste verborgenheden

zijn doorgedrongen, en ge zult vinden, dat zij met al hunne wetenschap,

met alle middelen, welke hun bij hun onderzoek ten dienste stonden, geene

andere dan de twee genoemde bestanddeelen van het menschelijk lichaam

hebben kunnen ontdekken.

Waarom zouden wij dus dulden, dat men andere willekeurig verzint en ons

maar steeds wat op de mouw speldt?

Wat hebben wij hier te doen met elementen, hoedanigheden, vormen,

chemische, bezielde en metaphysische oorzaken, liefde en haat; waar is

hier sprake van, aanleiding tot en behoefte aan zoovele verdichtselen?

Geen enkele school vond hier ook maar een spoor van de door haar

verzonnen verschijnselen.

Slechts de Werktuigkundigen mogen het menschelijk lichaam als hun

gebied van onderzoek beschouwen en in dat geheele lichaam, ten minste

wat zijne vaste deelen aangaat, is niets wat daarbuiten valt.

Derhalve verdienen _zij_ alleen gehoor, moeten slechts _hunne_

uitspraken geraadpleegd, slechts _hunne_ beginselen aanvaard, slechts

_hunne_ methode toegepast worden, wanneer onderzoek gedaan wordt naar de

werking van een orgaan, welks bouw men reeds genoegzaam doorzien heeft.

Slechts _dat_ betoog zal hier van kracht zijn, dat door een in _deze_

wetenschap ervaren Meester geleverd wordt.

U, o mannen, die wellicht niet instemt met mijne woorden, vraag ik, wat

de beteekenis is van den toch zoo eenvoudigen vorm van het hoornvlies,

wat die van de bepaalde oppervlakte en dichtheid van het waterachtig

vocht, van de kristallens en van het glasachtig vocht.

Zegt mij toch, wat de schelpen van het uitwendige oor en de in het

midden eenigszins nauwe en omgebogen, doch aan de beide uiteinden

breedere en recht doorloopende weg van de gehoorgang beteekenen voor het

opvangen en richten der geluidsgolven?

Beschouwt de fijnheid van het trommelvlies, zijnen elliptischen, in de

richting van de binnenzijde van het rotsbeen bollen, vorm en de velerlei

krommingen, welke het door middel van het hamertje, dat daaraan

vastgehecht is en door een afzonderlijke spier in beweging gebracht

wordt, kan aannemen, en zegt mij dan, wat de werking is van deze

inrichting, die zich zelfs bij het geringste dier steeds op dezelfde

wijze en even ingewikkeld vertoont?

Wijst ons ook de strekking aan van het kunstige doolhof, van de schelp,

van het voorportaal, van de dubbele winding van het kegelvormig

slakkenhuis, van het ovale en het ronde venster, van zoovele wonderen

van mechanistische kunst, welke Gods hand hier in de zeer harde rots

heeft uitgehouwen.

Als mijne stellige overtuiging spreek ik het uit, dat gij zonder een

diepgaande kennis van de Werktuigkunde noch zelf er iets van zult kunnen

begrijpen, noch anderen iets van beteekenis er over mededeelen, welke

hulpmiddelen gij bij uw onderzoek ook moogt bezigen.

Moge dit weinige, dat ik over de vaste stoffen zeide, volstaan; het ligt

in de rede, dat ik hieraan het een en ander over de vloeistoffen

toevoeg.

Deze zijn het immers, van welker beweging het leven en van welker

onbelemmerde strooming door de vaten de gezondheid afhangt.

Van hare geaardheid kan echter hij alleen zich een duidelijke

voorstelling maken, die de kleine en beweeglijke lichaampjes kent, door

welker opeenhooping de vloeistof gevormd wordt. Beschouwt men zoo één

enkel lichaampje, dan vertoont het het karakter eener vaste stof en al

zijne werkingen worden derhalve bepaald door massa, beweging en vorm.

Hieruit volgt, dat de werkingen, die elk deeltje eener vloeistof

afzonderlijk teweegbrengt, slechts door den Werktuigkundige langs

experimenteelen weg kunnen opgespoord worden.

Daar dit echter uit het vroeger gezegde vanzelf voortvloeit, zal ik hier

niet verder over uitweiden, maar slechts dit opmerken, dat onze kennis

der vloeistoffen, wat dit punt betreft, nog niet zóóver gevorderd is,

dat zij reeds practische resultaten kan opleveren.

Letten wij daarentegen op de gezamenlijke massa der vloeistof, dan nemen

wij zwaarte en strooming als de eigenschappen waar, welke alle vochten

op aarde met elkander gemeen hebben. De elasticiteit echter, de

verschillende graden van zwaarte, dichtheid, vloeibaarheid en

adhaesievermogen, de snelheid en de bewegingsrichting zijn de

voornaamste eigenschappen, waardoor de vloeistoffen zich onderling

onderscheiden. De invloed nu van al deze eigenschappen is zóó groot, dat

de oorsprong der tallooze verschijnselen, welke het menschelijk lichaam

in normalen toestand te aanschouwen geeft, slechts daarin behoeft

gezocht te worden.

Wie derhalve van dit alles op streng wetenschappelijke wijze een

systematische uiteenzetting weet te geven, verricht daarmede een werk

van het grootste belang voor de bevordering der geneeskunde.

En nu vraag ik U, wie zal de beteekenis der genoemde verschijnselen

kunnen in het licht stellen, verklaren en aantoonen, die niet vertrouwd

is met de Evenwichtsleer der vloeistoffen, dat zoo ingewikkelde

onderdeel der Werktuigkunde?

Dit is de zoo vermaarde wetenschap der Waterbouwkundigen, welke, door

gebruik te maken van wiskundige berekeningen bij de bestudeering der

zooeven door mij genoemde eigenschappen, zeer nuttige en voor de

praktijk bruikbare leerstellingen gevonden heeft.

Heeft zij niet, zich niet bekommerend om de natuurkundige verklaring

der verschijnselen, noch om de werking, die elk deeltje der vloeistof

op zichzelf uitoefent, doch slechts rekening houdend met de voor de

zintuigen waarneembare werking der geheele massa, met toepassing der

wiskundige methode hoogst belangrijke resultaten verkregen, waarvan wij

ook in het dagelijksch leven nut ondervinden?

Hij, die feiten verlangt en zich niet door woorden wil laten overtuigen,

neme de werken van Archimedes, Cartesius,

Stevin, Borelli, Mariotte, Huygens,

Newton en Bellini ter hand.

Hoezeer ware het te wenschen, dat meer bevoorrechte geesten over de nog

onopgeloste problemen op het gebied dezer wetenschap hun helder licht

lieten schijnen.

Mochten toch de Wiskundigen zich op haar toeleggen, haar in alle

richtingen doorvorschen, om ze ons ten slotte met volkomen duidelijkheid

te doen kennen!

Indien zij zich er toe willen zetten, de vraagstukken, rakende de

algemeene werkingen der vloeistoffen, door het licht hunner wetenschap

op te helderen, mogen wij verwachten, dat hun arbeid binnen korten tijd

rijker vrucht voor de geneeskunde zal afwerpen, dan al hare andere

hulpwetenschappen haar tot nog toe hebben opgeleverd.

Wij moeten ons inderdaad ergeren en tegelijkertijd schamen over de

zotternijen, waardoor zij, die, zonder kennis der Werktuigkunde, de

werking der menschelijke lichaamsvochten trachtten uiteen te zetten, een

zoo bij uitstek ernstige wetenschap als de geneeskunde in een

belachelijk daglicht geplaatst hebben.

En ik verklaar ronduit, dat niemand de werkingen der levensvochten kan

begrijpen, die niet vertrouwd is met de wetten der Waterbouwkunde.

Terwijl ik dit met de vrijmoedigheid, den geneesheer eigen, verkondig,

zie ik in mijne verbeelding reeds hen zich tot den strijd gereed maken,

die, ik weet niet waarom, zich en hunne school naar Hermes[2]

noemen.

Zou ik uit deze algemeene leer der vloeistoffen al datgene kunnen

afleiden, wat betrekking heeft op hare bijzondere eigenschappen?

Of zou ik voor de altijd gelijke bewegingen der gisting, voor de

ziedende botsingen der verschillende vloeistoffen of voor de

wonderbaarlijke werkingen der spontane rotting ooit een verklaring

kunnen vinden in de wetten der Mechanica?

Hij, die zulke tegenwerpingen maakt, moge, gedachtig aan hetgeen ik

reeds gezegd heb, ook het volgende in het oog houden.

Want dit is mijne meening hieromtrent; het staat aan U, mijne hoorders,

de juistheid ervan te beoordeelen.

Ik geef toe, dat de proeven der Scheikundigen een, trouwens zeer

beperkt, inzicht kunnen geven in de ontwikkeling van enkele op zichzelf

staande verschijnselen, voor zoover die proeven iets voor onze zintuigen

waarneembaars opleveren, waarbij men dan nog dient rekening te houden

met de bijzondere omstandigheden, waaronder zij plaats hadden.

De scheikunde is derhalve volstrekt onmisbaar voor de medische

wetenschap, daar zij haar de beschikking geeft over een uitgebreide

reeks van waarnemingen en de beste waarnemingsmethoden aan de hand doet.

De Chemie kan dus wel gegevens verschaffen en de voorwaarden, waaronder

deze verkregen zijn, duidelijk omschrijven, doch in geen geval is zij in

staat, vaste regels te geven, volgens welke uit die gegevens verdere

conclusies getrokken kunnen worden.

Doch zelfs indien dit wél het geval ware, ook dan nog was de hoovaardij

van hen misplaatst, die er zich maar steeds dwaselijk op beroemen, enkel

door de beoefening der scheikunde den geheelen schat der medische

wetenschap in bezit te hebben!

Dat immers in ons lichaam, hetzij in normalen of ziekelijken toestand,

meer verschijnselen teweeggebracht worden door de algemeene

eigenschappen der vochten, welke de wiskundigen zich tot taak gesteld

hebben te onderzoeken, dan door die, welke valschelijk verdicht,

twijfelachtig of grootendeels door de Scheikundigen zelf kunstmatig

verwekt zijn, blijkt duidelijk uit het volgende door een ieder

waargenomen feit.

De een lescht zijnen dorst met water, de ander doet zijn lichaam

dagelijks opzwellen door het gebruik van Falerner[3]; deze, aan soberen

kost gewend, stilt zijnen honger met en leeft alleen van vruchten en

meelspijzen, gene overlaadt zijne maag met vleesch, visch, groenten en

met den fijnsten smaak uitgelezen kruiderijen; sommigen voeden zich met

laffe en bijna zoutelooze spijzen, anderen prikkelen hunne ingewanden

met allerlei gezouten, zure en scherpe gerechten.

Toch zien wij, dat, niettegenstaande een zoo groote verscheidenheid van

voedingsstoffen, zoowel personen die tot de eene als die tot de andere

categorie behooren, gedurende vele jaren leven en gezondheid kunnen

behouden, hoe verschillend de lichamen ook zijn, waarmede zij hunne

vochten verzadigen.

Wordt daardoor nu niet ten stelligste bewezen, dat de

levensverrichtingen in meerdere mate afhankelijk zijn van den algemeenen

aard der vloeistoffen, zooals die door de werktuigkundigen ontvouwd is

en zich in het lichaam zelf door de werking der ingewanden openbaart,

dan van de bijzondere eigenschappen van elk deeltje op zich zelf?

Indien gij dit niet genoegzaam bewezen acht door hetgeen hierover te

vinden is in de meesterwerken van Baco van Verulam over leven

en dood[4], door de vrijzinnige voorschriften, die Hippocrates

en Celsus omtrent de voeding van gezonde personen gegeven

hebben, en ten slotte door hetgeen de dagelijksche ondervinding ons

leert, dan zal ik u een voorbeeld aanhalen, ontleend aan

Louwer, een man, aan wiens woorden men, wegens zijn

buitengewone eerlijkheid en scherpzinnigheid, gepaard aan een helder

oordeel, onvoorwaardelijk geloof moet hechten.

Deze toch verzekert, dat eens een door geweldig bloedverlies uitgeputte

jongeling enkel door het toedienen van vleeschsap, dat in zijne aderen

werd opgenomen, er doorheen stroomde en zelfs zonder verandering van

kleur weder uit de wonden te voorschijn kwam, tot het leven

teruggebracht werd.

Doch waartoe woorden te verspillen over eene zaak, die zóó voor zich

zelf spreekt.

Op u beroep ik mij, uw getuigenis roep ik in, doorluchte Geneesheeren,

wier wijsheid dezen kring luister bijzet, wier zegenrijke hand dezer

stad de gave eener onverstoorde gezondheid toebedeelt!

Zien wij ons niet bij het behandelen onzer patiënten tallooze malen

genoodzaakt, al te vloeibare stoffen te verdikken, samengepakte op te

lossen, stilstaande in beweging te brengen en al te lichte stoffen meer

stevigheid te geven?

Hoe uiterst zelden daarentegen worden wij gedwongen, onze aandacht te

wijden aan den strijd der zouten, de vlammen der zwavels en de

geheimzinnige werking van het kwikzilver!

Ja, zelfs zij, die het maar altijd over chemische middelen hebben,

passen, als een ziekte hen dwingt handelend op te treden, met verzaking

van hun eigen leer, ijverig de zooeven door mij genoemde methoden toe.

Indien het dus waar is, dat zooveel te danken is aan de genoemde

eigenschappen der vloeistoffen en de werktuigkundigen het zijn, die deze

naar aller oordeel het best onderzocht hebben, zoo volgt hieruit, dat de

kennis der levensvochten zelve voor den geneesheer verborgen moet

blijven, indien hij niet met de Mechanica vertrouwd is.

Vestigt thans eens uwe aandacht op de werkingen, die een gevolg zijn van

het stroomen der vloeistoffen door de vaten, en nog veel duidelijker zal

de groote beteekenis van de waarheden der Mechanica in het oog springen.

Indien toch de bovengenoemde vloeistoffen in de vaten, zooals wij die

beschreven hebben, stilstaan, dan hebben wij een lijk voor ons.

Indien echter deze vochten zich ongehinderd door die kanalen kunnen

bewegen, aanschouwen wij een levend lichaam.

Wie zich door mijne woorden niet wil laten overtuigen, zal toch wel zijn

eigen oogen willen gelooven.

Denkt u een gevoelig persoon, die door den aanblik van uit eene wonde

stroomend bloed in zwijm gevallen is.

Wij zien hier een doode, maar toch geen gewoon lijk. Immers alle vaste

en vloeibare stoffen, zooals die bij een normaal mensch gevonden worden,

zijn aanwezig; slechts de beweging, die de vochten in omloop brengt,

ontbreekt er aan.

Denkt U vervolgens, dat men, door welk middel dan ook, de zenuwen van

dien persoon heeft weten te prikkelen, zoodat de stof, die het hart in

beweging brengt, weer zijn gewonen loop krijgt, terstond houden alle

droeve verschijnselen van den dood op en keert het leven, opgewekter dan

voorheen, terug.

En niet alleen het leven, maar ook de warmte, de blozende huidskleur,

de lenigheid, het denkvermogen, kortom alle natuurlijke en specifiek

menschelijke levensuitingen keeren tegelijkertijd weder.

Wat merken wij hier van het ontstaan of vergaan van een gisting, een

opbruising, een weerbarstig zout, van een olie- of geestachtig beginsel?

Behalve de beweging wordt er niets toegevoegd of verwijderd; toch zien

wij het leven zelf, dat reeds verloren was, wederkeeren.

Hetzelfde verschijnsel kunnen wij waarnemen bij vogels en insecten, die,

door de winterkoude verstijfd, slechts aan een matige warmte behoeven

blootgesteld te worden, om terstond weer tot het leven terug te keeren.

Er zijn echter menschen, die, hoewel buigend voor de kracht der

waarheid, toch vaak ook stellig vaststaande waarheden weigeren aan te

nemen wegens de te algemeene bekendheid van de feiten, waarop zij

berusten.

Om nu mijne beweringen, die eigenlijk door de genoemde overbekende

feiten reeds voldoende bewezen zijn, ook door een zeldzamer voorbeeld te

staven, noodig ik U uit, met mij een kijkje te nemen in het laboratorium

van Hooke.

Een door vernieling der borstkas bezweken dier zien wij daar, nadat zijn

longen door middel van een aan het strottenhoofd bevestigden blaasbalg

opgeblazen zijn, spoedig tot het leven terugkeeren.

Laten wij vervolgens, nog onder den indruk van dit schouwspel, dat ons

het leven als iets zoo werktuigelijks deed kennen, ons snel tot den

grooten Glisson wenden. Ziet, hoe hij in het lijk van een reeds

lang overledene op wonderbaarlijke wijze de levensverrichtingen

kunstmatig te voorschijn roept door het door middel van een blaas

inspuiten van vocht in de aderen.

Bewijzen al deze als voorbeelden aangevoerde feiten--en men zou er

tallooze kunnen opsommen--niet voldoende, dat ongeveer alles, wat ons

leven en onze gezondheid veroorzaakt en er uit voortkomt, afhangt van

het regelmatig heen en weer stroomen der vochten door de vaten?

Daar nu de Werktuigkundigen alleen het zijn, die de werkingen dezer

beweging en de wetten, waaraan zij gehoorzaamt, volkomen doorzien en in

dat deel hunner wetenschap, dat Evenwichtsleer der gassen en

vloeistoffen genoemd wordt, op overtuigende wijze helder en systematisch

uiteenzetten, moet dit alles mijns inziens ook tot het gebied der

Mechanica gerekend worden.

Maar hier zijn wij nu juist bij een punt aangeland, dat de voorstanders

van de leer der fermenten tot niet weinig zelfverheffing en

zegevierenden jubel aanleiding geeft.

Indien, zoo zeggen zij, de onbelemmerde strooming der vloeistoffen door

de vaten de oorzaak van het leven is, dan is de eerste grond der

beweging in de vloeistof zelve te zoeken en in niets anders. Zij kan dus

slechts gevonden worden in de aan de vloeistof eigen, zeer sterke en

vrij gestadige beweging, een hoedanige slechts in door gisting

aangezette vloeistoffen wordt aangetroffen.

Hen, die zoo spreken, wil ik er aan herinneren, dat de oorsprong van de

beweging der vloeistof in het embryo bij de ouders gezocht moet worden;

dat die beweging, zoolang de vrucht zich in het moederlijf bevindt, door

de koestering der moeder wordt gaande gehouden en vervolgens, na de

geboorte, enkel en alleen aan de inrichting der vaste lichaamsdeelen

haren voortgang te danken heeft. Hij, die den wonderlijken bouw van het

hart, van zijn boezems tot zijn kamers, en den samenhang dier deelen

aandachtig heeft gadegeslagen, alsook de hieruit noodwendig

voortspruitende bewegingen van het bloed, dat uit het hart in de

slagaderen stroomt, uit deze naar het merg der hersenen, de aanhangsels,

de zenuwen, spieren en aderen en zoo weder terug naar het hart, zal de

voortzetting van het levensproces niet anders trachten te verklaren dan

uit de mechanische werking der ingewanden.

Het zal hem immers gemakkelijk vallen, met wiskundige zekerheid te

bewijzen, dat uit slechts één enkelen hartslag in een gezond lichaam

elke verdere werking van het hart vanzelf voortkomt.

Veel minder in aantal en veel eenvoudiger van aard, dan wij ons dat

voorstellen, zijn de voorwaarden voor een goede gezondheid.

De veranderingen, welke het voedsel in ons lichaam ondergaat, zijn veel

eenvoudiger dan men algemeen aanneemt.

De oorzaken van het menschelijk leven zijn minder samengesteld dan wij

zelven meenen.

Indien de bouw van het menschelijk lichaam ons nauwkeurig bekend was,

indien wij volkomen waren ingelicht omtrent den aard der vloeistoffen,

voor zoover die voor onze zintuigen waarneembaar is, dan zou de

mechanica ons spoedig leeren inzien, dat datgene, wat ons nu, wegens

onze onkunde, in de hoogste mate verbaasd doet staan, uit zeer

eenvoudige beginselen voortvloeit.

De waarheid dezer schijnbaar zoo paradoxe bewering kunt gij uit één

enkel voorbeeld opmaken, waaruit U zal blijken, op welk een eenvoudige

en geheel werktuigelijke wijze de allerbelangrijkste verandering in ons

lichaam tot stand komt.

Wanneer men een doorzichtig deel van een levend dier onder een

microscoop legt, dan neemt men duidelijk waar, dat het bloed enkel door

den hartslag naar het uiterste gedeelte der slagaderen gedreven wordt

en, daar aangekomen, ten gevolge van de veerkrachtige samentrekking der

slagader een weinig teruggedreven wordt. Op hetzelfde oogenblik houdt de

hartslag op en vallen de hartkleppen dicht, om het bloed daardoor

gelegenheid te geven, om terug te stroomen.

Dat door dezen afwisselenden aandrang en terugstoot de in massa

verschillende deelen van het bloed in het geheele lichaam hunnen weg

nemen naar de monden van verschillende openingswijdte en door deze nu

eens worden opgenomen, dan weer teruggestooten, dit alles vertoont zich

even helder aan ons oog als het zich boven ons welvende uitspansel.

Niet minder duidelijk zien wij het bloed zich verdeelen in vloeistoffen,

onderling verschillend in kleur en graad van dichtheid, die zich

vervolgens in de aderen weder vermengen; deze verschijnselen hebben

dezelfde oorzaak als de voorgaande.

En nu zal iemand, die geoefend is in het waarnemen van chemische

processen, zelfs met het bloote oog kunnen constateeren, dat dit alles

uitsluitend ten gevolge van een van elders komenden aandrang en de

veerkrachtigheid der bloedvaten, zonder eenig teeken van gisting, tot

stand komt.

Vaak beving mij, terwijl ik in de beschouwing hiervan verdiept was, een

twijfel, of ik wel een deel van een levend dier voor mij zag en niet

veeleer een samenstel van kanalen, door een hoogst bekwaam

werktuigkundige naar het ontwerp van een uitstekend mathematicus

gebouwd, door welke een waterbouwkundige van den eersten rang

vloeistoffen leidde, vaneenscheidde en vermengde.

Wilt gij eindelijk door feiten in het licht gesteld zien, dat de

Werktuigkundigen in staat zijn, door middel van eenvoudige en

betrouwbare proeven zoodanige vraagstukken tot oplossing te brengen, die

nog maar enkele jaren geleden voor onoplosbaar gehouden werden, dan

behoef ik u slechts in herinnering te brengen, welke resultaten op dit

gebied door wiskundigen arbeid verkregen zijn.

Men bestudeere aandachtig de geschriften van Borelli, waarin

deze zich bij de behandeling van medische vraagstukken van de Mechanica

bedient.

Men leze na, welke ingewikkelde problemen Bellini, een geleerde

uit de school van Borelli, met toepassing van dezelfde

beginselen en voortbouwend op de ontdekkingen van Malpighi, als

een tweede Oedipus heeft opgelost.

Vervolgens ook de problemen, die Pitcairn, weleer een sieraad

dezer hoogeschool, aangespoord door het succes van den arbeid der

genoemde geleerden, aan de geleerde wereld heeft voorgelegd en

opgehelderd.

Laat ons ijverig navorschen de verhandelingen van Scheiner,

Cartesius en Huygens over het oog en die van

Kircher, Schelhammer en Morland over het oor

en het gehoor.

Dan zal het toch zeker geen vraag meer zijn, of de Mechanica der

Geneeskunde ten goede komt!

Dan zal blijken, welke resultaten te verwachten zijn, indien

Geneeskundigen, doordrongen van het nut dezer wetenschap, haar op hun

eigen gebied gaan toepassen, en indien met deze methode even lang wordt

voortgegaan als het verkondigen van de dwaze theorieën der

philosophische scholen in de medische wetenschap geduld is geworden.

Dat het boven gezegde juist is en dat derhalve de Mechanica kan

toegepast worden op de Geneeskunde, zal wellicht door ieder beaamd

worden, zoolang er slechts sprake is van de Theorie; voor de practische

uitoefening der Geneeskunde daarentegen wordt elk nut der Mechanica door

de meeste menschen ten stelligste ontkend.

Hoe de bevestiging van het eene en de ontkenning van het andere, hoe

spitsvondig deze onderscheiding ook geformuleerd is, kunnen samengaan,

vermag ik niet te begrijpen.

Want zij, die dit onderscheid maken, zullen onder de Theorie der

geneeskunde toch niets anders verstaan dan de leer, die ons uit de

naaste oorzaken een helder inzicht weet te verschaffen in het leven van

den gezonden mensch.

Is deze definitie juist--en ik geloof niet, dat iemand er eenig bezwaar

tegen zal hebben,--dan volgt hieruit, dat deze wetenschap de beste

hulpmiddelen oplevert voor het opsporen en genezen der ziekten.

Immers hij, die de voorwaarden eener volmaakte gezondheid grondig kent,

zal ook, wanneer een of meer van deze ontbreken, den oorsprong en het

wezen der afwijking, dat is der ziekte, volkomen begrijpen.

Zal nu niet hij, die het helderst inzicht heeft in de naaste oorzaak

eener ziekte, ook voor den meest geschikten persoon moeten gehouden

worden, om die ziekte te bestrijden?

Het gaat er namelijk mede als met een uurwerk; als de wijzer afwijkt,

zal ook een leek de fouten kunnen opmerken, maar ze volgens de regelen

der kunst herstellen zal niemand anders kunnen dan hij, die kennis heeft

van de inrichting van uurwerken en daardoor ziet, wat er aan de

verschillende deelen hapert, hetgeen hem wederom de middelen tot herstel

aan de hand doet.

Zoo kan dus aan het kleinste lichtvonkje der theoretische Geneeskunde

door een bekwaam Meester een fakkel ontstoken worden, die hem bij het

practisch uitoefenen van zijn vak voorlicht.

Wie derhalve het nut der Mechanica voor de theorie der Geneeskunde

erkent, doet het daarmede tevens ook voor de praktijk.

Dit is vooral duidelijk bij dat zoowel om zijn hoogen leeftijd als om

zijn uitgebreide toepassing hooggeëerde deel onzer wetenschap, dat zijn

naam ontleent aan het "met de hand genezen"; oordeelt zelf, of de

chirurgie de uitvindingen der Mechanica ontberen kan.

Welke medicus zal met meer geluk instrumenten tot het herstellen van

gebreken uitvinden dan een zoodanige, die door en door vertrouwd is met

de Werktuigkunde?

De ijle figuurtjes, die men wel eens voor zijn oogen meent te zien

zweven, worden door Geneesheeren, die onbedreven zijn in de Wiskunde,

voor eerste verschijnselen eener aanstaande uitstorting in het

waterachtig vocht gehouden; vandaar dan ook, dat zij het toch zoo teere

oog, ganschelijk verkeerd, met scherpe vochten behandelen, die er vaak

een groote verwoesting in aanrichten.

Het Nut der Mechanistische Methode in de Geneeskunde · 第 1 / 3 段