tusschen de moeara's[10] Mauk en Angke weggeslagen; in de residentie
Krawang waren de dorpen Pakis en Sadari, op het Noorderstrand gelegen,
vernietigd. 2500 menschen waren gestorven, en er was voor 350000 gulden
schade aangericht. Die plaatsen waren van uit Batavia het gemakkelijkst
te bereiken en er kon dus spoedig hulp gebracht worden. Bezwaarlijker
was dit echter in de Residentie der Lampongsche districten. Daar waren
90 dorpen verdwenen en 12500 menschen gedood. Maar het duurde niet
minder dan tien dagen, alvorens men te Batavia eenig bericht had,
behalve de door de "Loudon" medegebrachte tijding van Telok Betong's
verdwijnen. Want de telegraafkabel tusschen Java en Sumatra was
vernietigd, en de Semangkabaai en de Lampongbaai waren onbevaarbaar,
daar ze opgepropt waren met drijvende puimsteenbergen, die daar
vastzaten, en maanden lang elke communicatie te water verhinderden. Het
was dus niet gemakkelijk dáár hulp te brengen, want er moest eerst eene
landingsplaats gezocht worden, vrij van puimsteen, en dan was bij gebrek
aan wegen het transport over land in de Lampongs vol bezwaren. Toch had
Sumatra minstens evenveel behoefte aan hulp als Java.
In het Zuiden der afdeeling Kroë in de residentie Benkoelen waren
slechts eenige tientallen van menschen verdronken. De vloedgolf had hier
echter eene groote slachting aangericht onder de kippen, die, zooals men
weet, in grooten getale door de inlanders worden aangefokt.
De bevolking bestaat hier uit visschers; een ander deel echter verzamelt
boschproducten, die worden uitgevoerd. Eene hoeveelheid boschproducten,
die ter verzending gereed was, ter waarde van f. 10,000, werd naar zee
gesleept door de golven, terwijl er tevens voor f. 15,000 schade werd
aangericht aan woningen, vischtuig en sawahs.
De residentie der Lampongsche districten was echter veel zwaarder
getroffen en, zooals ik reeds zeide, zij was moeilijk te bereiken wegens
de puimsteen blokkade der baaien van Zuid-Sumatra.
Verschillende expedities vertrokken uit Batavia om berichten in te
winnen over het lot der Lampongs: men was immers in de eerste dagen na
de uitbarsting te Batavia zonder eenige tijding van Sumatra.
Zoo vertrok den 3den September 1883 eene expeditie per hopperbarge
"Kedirie." Het personeel bestond uit den chef, den luitenant ter zee
Koster, adjudant van Z. Exc. den Gouverneur-Generaal, den
stads-geneesheer Dr. Vorderman, den schout van Hagen met 10
politieoppasses en 20 dwangarbeiders. Het kommando over de "Kedirie"
werd gevoerd door den gezagvoerder 't Hoen.
Het gezelschap werd spoedig vermeerderd. Eene boot met Lampongsche
handelaren was de "Kedirie" tegengekomen, en de opvarenden verzochten
gratis medegenomen te worden, hetgeen hun werd toegestaan op voorwaarde,
dit zij bij het landen als gidsen hulp zouden bewijzen. Dit hebben zij
ook trouw gedaan, en wel is het de vermelding waard, dat de leden der
expeditie op hun zoo moeilijken tocht, de meeste hulp en bijstand
genoten hebben juist van de hadjies, die onder de opgenomen Lampongsche
handelaren waren. Men stoomde van Tandjong-Priok, de haven van Batavia,
naar de Lampongbaai, en trachtte te landen, waar eens Kalianda lag. Met
de stoomfluit werden herhaalde signalen gegeven om de aandacht te
vestigen op de aanwezigheid van een stoomschip. Weldra snelden uit het
gebergte eenige gevluchte inlanders naar het strand, die de leden der
expeditie behulpzaam waren bij het aan land komen.
De hopperbarge "Kedirie" was eenige dagen geleden, den 1sten
September, ook reeds te Kalianda geweest, en zij had toen de familie
Beijerinck gered, wier treurig wedervaren in hoofdstuk V beschreven is.
De bevolking van Kalianda was voor 3/4 gedeelte verbrand door de
gloeiende asch, verpletterd door de puimsteen of verzwolgen door de
vloedgolf. De overblijvenden werden van rijst en zout voorzien, die de
"Kedirie" medegebracht had, terwijl Dr. Vorderman aan de gewonden
geneeskundige hulp verleende.
Het hoofddoel van de reis was echter Telok Betong.
Men scheepte zich dus weder in op de "Kedirie", en stoomde in de
richting van Telok Betong. Weldra was de injectiespuit van de machine
verstopt en bovendien raakte het schip vast in de puimsteenbergen, die
eene laag vormden, dieper dan de diepgang van de "Kedirie". Na eene
wanhopige worsteling tusschen de stoomkracht van de "Kedirie" en de
puimsteenbergen, slaagde zij er in, door telkens op te stoomen zich
eene geul te graven in het puimsteen, op dezelfde wijze als in
Noordelijke streken in het ijs vastgevroren schepen zich uit het ijs
bevrijden. Van doordringen was geen sprake! Telok Betong was over zee
niet te bereiken. De "Kedirie" stoomde toen Zuidwaarts en ankerde dicht
bij het dorp Gebang; aldaar werd de geheele expeditie ontscheept. Men
besteedde drie volle uren om van de landingsplaats tot Gebang te komen,
een afstand van slechts anderhalve kilometer. Hier werd men door het
hoofd en de bevolking gastvrij ontvangen. Na den nacht te Gebang te
hebben doorgebracht, ging men den volgenden morgen te voet in de
richting van Telok Betong. Aldaar was de "Kedirie" ook opgemerkt, en de
resident had den controleur J.G.W. Lux last gegeven het gezelschap
tegemoet te gaan. Weldra ontmoette men den heer Lux, en toen ging het
verder over omgeworpen boomstammen, tot het dorp Kedjadjian. Daar bleef
de schout van Haagen met de meeste kettinggangers achter. De meesten van
deze lieden waren door vermoeienis uitgeput, en niet in staat om verder
te gaan. De heeren Koster en Vorderman zetten echter met 6
kettinggangers en 2 politieoppassers hun tocht voort naar Telok Betong.
Intusschen was de avond reeds gevallen. Gelukkig ontmoetten zij aan de
rivier van Telok Betong twee mannen met obors (fakkels), welke de
resident had afgezonden. Ik zal niet in herhaling treden over hetgeen er
te Telok Betong gebeurd was. Alleen wil ik nog mededeelen, dat de
Europeesche ingezetenen nog steeds gehuisvest waren bij den resident,
wiens woning, op een heuvel gelegen, een der weinige huizen was, die nog
bestonden. Den volgenden dag bezocht de heer Koster de "Barouw", het
stoomschip, dat drie kwartier gaans van de zee op het droge lag, in het
dal der Koeripan-rivier.
Den 9den September werd de terugreis aanvaard. Aan allen, die mede
wilden gaan naar Batavia, werd daartoe de gelegenheid verschaft. In het
geheel gingen 10 personen mede. De meesten waren vrouwen en kinderen. De
tocht geschiedde van Telok Betong te voet, alleen eenige zeer kleine
kinderen werden gedragen. Het was eene moeilijke reis. Bruggen waren
nergens te zien; men ging door de trouwens ondiepe, kleine kali's
(rivieren) heen; nu eens langs het strand, dan weder hooger op. Overal
waar de vloedgolf den weg bereikt had, was het een rizophorenwoud,
omgewoelde aarde met zware boomstammen, struikgewas en steenen tot één
chaos opgestapeld. De grond was modderachtig en op tallooze plekken
kreeg men den stank van herten- of wilde zwijnen-krengen in den neus.
Iedereen was diep onder den indruk van de afschuwelijke gebeurtenissen.
De kinderen echter, niet in staat om de vreeselijke beteekenis van de
verwoesting te begrijpen, waren verreweg de opgeweksten van het geheele
gezelschap; zij lachten en zongen, en beschouwden de zaak
klaarblijkelijk als een nieuw en zeer bijzonder pretje.
Bij al deze rampen was er echter ééne lichtzijde. Alle muskieten zijn
verdelgd! In de Lampongs, ten minste in het gedeelte door de expeditie
bezocht, is er geen enkele meer te bespeuren. Zijn zij door de asch
gedood of door de modder? Of zijn ook zij, evenals de zeevogels van
Straat Soenda door een voorgevoel gewaarschuwd, vóór de uitbarsting
gevlucht?
Na een marsch van 13 paal (20 kilometer) bereikte men het dorp
Kedjadjian, waar de inwoners de vluchtelingen in hunne hutten opnamen.
De heer Koster ging nu vooruit, en de expeditie, die zich natuurlijk
slechts langzaam bewoog, zette zich eveneens in beweging. Toen men kwam
op de plaats waar men aan land gekomen was, was de "Kedirie" verdwenen.
Men vond hier gelukkig een brief van den heer Koster, die meldde, dat
het aan boord gaan op die plaats eene onmogelijkheid was geworden ten
gevolge van eene beweging in de puimsteenbergen, zoodat de "Kedirie"
gedwongen was geworden te wijken in Zuidelijke richting. Toen werd de
expeditie weer marschvaardig gemaakt. En weer ging men voorwaarts met
opgezwollen en gekneusde voeten, door dalen en poelen, door rivieren en
moerassen, langs het strand of over steile heuvels.
Gelukkig ontmoette men den heer Koster, die de marcheerenden te gemoet
was gekomen, en door hem geleid bereikte men eindelijk de Rateh-baai,
die 5 paal (8 kilometer) zuidelijker ligt dan de vorige landingsplaats.
Daar lag de "Kedirie" omringd door puimsteen, die van alle kanten in de
Lampongbaai dreef. Daarmede was de expeditie ten einde, en men keerde
naar Batavia terug.
Ik heb deze expeditie uitvoerig beschreven, om te laten zien hoe
moeilijk het was hulp te brengen op Sumatra! Te zelfder tijd werden de
Lampongs bezocht door eene tweede expeditie, onder bevel der heeren
Deijkerhoff en Willemsteijn met het Stoomschip "Ophir."
Maar het wordt tijd dat wij den toestand van de Lampongs eens ter sprake
brengen.
De bevolking van Kalianda en Katimbang, die niet gedood was door den
vloed, was deels bezweken aan de brandwonden, door de gloeiende asch
veroorzaakt, en van de overblijvenden waren velen gewond door
puimsteen-projectielen of half verbrand door die heete asch.
De pepercultuur, waarop zich in de Lampongs de bevolking met zooveel
ijver toelegt, had een zwaren slag gekregen. Honderdduizenden jonge
peperranken stierven door modder en asch. De geheele koffiecultuur ging
te niet. Eene ongelooflijke hoeveelheid rijst (padi) ging op de velden
verloren; handel en vischvangst stonden stil, daar de zee verstopt was
door puimsteen. Geen wonder, dat de bevolking moedeloos was, en dat de
controleurs alle moeite hadden om hen te bewegen nieuwe kampongs te
stichten aan het strand, daar, waar zij het gunstigst zouden liggen voor
handel en landbouw. Na eenige maanden konden de controleurs met trots
rapporteeren, dat er in de Ommelanden van Telok Betong 19, in Semangka
20 en in Katimbang 20 nieuwe dorpen gesticht waren. Telok Betong werd
opgebouwd. Katimbang en Beneawang waren echter in een moeras herschapen,
zoodat de zetel van het Bestuur werd verplaatst naar Kalianda en
Kotta-Agoeng. Er werd later door het Bestuur op groote schaal zaai-padi
(rijst) uitgedeeld. Gelukkig spoelden hevige regenbuien langzamerhand de
sporen van asch en modder van de velden. Overvloedige oogsten, zooals
men in jaren niet gekend had, beloonden de inlanders voor hunnen vlijt
en de Lampongs hadden zich weldra weer geheel opgericht.
De Gouverneur-Generaal, de heer F. 's Jacob, bezocht met Zs. Ms.
Ramtorenschip "Prins Hendrik der Nederlanden" de geteisterde streken
twee maanden na de uitbarsting, ten einde zich persoonlijk op de hoogte
te stellen van den toestand en te overleggen met de residenten, wat er
nog gedaan kon worden voor de bevolking. Ieder deed wat hij kon, en men
kan het Bestuur den lof niet onthouden van veel energie ten toon
gespreid te hebben.
Toen ik echter zeide, dat de Nederlandsch-Indische regeering op waardige
wijze de eer van Nederland heeft opgehouden, had ik daarbij minder het
oog op hare flinke wijze van optreden in Bantam en de Lampongs, hoe
lofwaardig dit ook zij.
Hetgeen ik bedoelde, is vervat in de voorrede van Verbeek's Krakatau.
"Grooten dank"--zegt daarin de schrijver--"ben ik verschuldigd aan de
Indische Regeering voor de liberale wijze, waarop zij, geheel
doordrongen van de belangrijkheid dezer gebeurtenis, mij in staat stelde
het onderzoek der Krakatau-eruptie op de meest volledige wijze te
verrichten, en de breede schaal, waarop zij de resultaten van dat
onderzoek in twee talen openbaar maakte."
De dankbaarheid van den heer Verbeek tegenover de Indische regeering is
volkomen gemotiveerd; het Nederlandsche volk echter is vooral dankbaar
voor de keuze van de Indische regeering. De wijze, waarop de heer
Verbeek zich van zijn opdracht heeft gekweten, is boven lof verheven.
Hoe men in het buitenland over het werk van dezen Nederlandschen
geleerde denkt, moge uit een paar citaten blijken.
Het Rapport der "Royal Society" zegt bij monde van Prof. Judd het
volgende: "het Nederlandsch Indische Gouvernement was zoo gelukkig tot
zijne beschikking te hebben de diensten van den uitstekenden geoloog
R.D.M. Verbeek, wiens opnemingen van Java, Sumatra en van het tooneel
der uitbarsting zoo algemeen bekend zijn in de wetenschappelijke wereld.
Zijn werk is een "very valuable permanent record of the event."
In "Petermann's Mittheilungen" noemt de heer Emil Metzger Verbeek's werk
"een sieraad voor Indië en een gedenkteeken van den arbeid van Indische
ambtenaren."
Vreemd is het zeker, dat geene der Nederlandsche universiteiten het
noodig vond de verdiensten van Verbeek te erkennen, terwijl eene
Duitsche universiteit--die van Breslau--hem den doctorstitel, honoris
causa, verleende.
Z.M. de Koning benoemde in 1886 Verbeek tot Ridder in de Orde van den
Nederlandschen Leeuw. Met innige vreugde werd die tijding in Indië
vernomen en geheel Buitenzorg spoedde zich naar Verbeek's woning. Zelden
viel iemand eene zoo welgemeende ovatie ten deel, als toen aan Verbeek
te beurt viel van de zijde zijner medeburgers.
Mocht men zich vleien met de hoop, dat de uitbarsting van Krakatau het
laatste woord was van de Indische vulkanen? of dat er ten minste eene
periode van vulkanische kalmte zou volgen op de rampen van 1883?
Er was niet de minste reden om deze vragen toestemmend te beantwoorden.
Want de uitbarsting van Krakatau, hoe vreeselijk hare gevolgen ook
waren, is slechts een locaal vulkanisch verschijnsel. Al was dus ook de
vulkanische werking van Krakatau voor goed uitgeput, hetgeen nog niet
eens heel waarschijnlijk is, dan was er nog slechts één vulkaan te niet
gegaan van de vele tientallen van vuurspuwende bergen, die alom in den
Indischen Archipel verrijzen. Wij zagen trouwens reeds, dat de
ongelukkige veelgeschokte Eerste punt van Java, die met haren vuurtoren
op de Soendadwarsspleet staat, en reeds het mikpunt is geweest van
zoovele aardbevingen, ook na de uitbarsting geen rust genoot. De
aardschuivingen langs die spleet gaan dus nog altijd door, en de
uitbarsting heeft hierin geene verandering gebracht. Voor de kalmte en
rust van de aardkorst langs straat Soenda heeft dus de uitbarsting niet
gearbeid.
Op Sumatra gingen de aardbevingen hun gang, alsof er geen Krakatau
bestond. De Merapi, die tegelijk met Krakatau eene ascheruptie had
vertoond, begon in December 1883 weer te werken.
Aan den voet van den Merapi ligt het plaatsje Padang-Pandjang. Toevallig
bracht ik één nacht aldaar door, komende van Fort de Kock. Het was van
den 28sten op den 29sten December. Terwijl alles in het vrij
primitieve logement in diepe rust was, hoorde men plotseling een knal;
hierop volgden eenige aardbevingen, die alles behalve geruststellend
waren.
"Blijf toch gerust t'huis," zeide de lakonische logementhouder tot zijne
logé's, "dit beteekend niets, het is slechts een prop, die uit den
Merapi vliegt."
De man had gelijk, het _was_ niets. Maar wie kon zeggen of eene knal en
aardbeving vlak bij den werkenden Merapi niet het begin was van eene
ramp zonder weerga!
Waarom ik deze onbeteekenende feiten mededeel vraagt gij wellicht?
De ongeoefende soldaat heeft angst voor het vijandelijk vuur. Heeft hij
echter den vuurdoop doorstaan, dan gaat hij met opgeheven hoofd in het
gevecht, het gevoel van angst bestaat niet meer voor hem.
Het omgekeerde heeft plaats bij den mensch tegenover het vulkanisme der
aarde.
De ongelukkige, die den vuurdoop van eene vulkanische uitbarsting heeft
ondergaan, kent daarna eerst den waren angst voor bewegingen der
aardkorst en onderaardsche rommelingen. In elk abnormaal geluid, in elke
aardschudding ziet hij den voorbode van eene hevige vulkanische
gebeurtenis, terwijl de nieuweling zich alleen daarover verbaast, dat
eene aardbeving hem zoo kalm laat. De eer van ooggetuige te zijn geweest
van de uitbarsting van Krakatau was gekocht ten koste van de
gemoedsrust! Want erger nog dan het gevoel van levensgevaar tijdens de
uitbarsting, is de vrees voor onbekende, dreigende gebeurtenissen, die
elke aardschudding onwederstaanbaar opwekt. Zoo zal de nacht te
Padang-Pandjang doorgebracht, toen ik elk oogenblik de uitbarsting van
den Merapi verwachtte, mij niet licht uit de herinnering gaan....
Elke indruk, zelfs de hevigste, stompt af met den tijd. Weldra komt ook
de verloren gemoedsrust weder terug tegenover de wereld van Vulcaan. Ten
slotte eindigt men, waar men begonnen is: de lichte manifestatiën van
het vulkanisme, die ge zoo menigmaal ondervindt, laten u even koud, als
toen ge nooit eene uitbarsting hadt bijgewoond.
Ge denkt er zelden aan, dat er op Java vijftig vulkanen zijn en dat
Sumatra door zeventig vuurspuwende bergen onveilig wordt gemaakt,
terwijl bovendien elk vulkanisch eilandje in den Archipel eene herhaling
van het treurspel van Krakatau zou kunnen opvoeren.
Trouwens waarheen zoudt ge kunnen vluchten? Als ge den eenen vulkaan
ontvlucht, nadert ge den anderen. Want op Java en Sumatra liggen zij nog
geen vier uren gaans van elkaar.
Tenzij gij Nederlandsch Indië verlaat, blijft ge overal in de macht van
Vulcaan.
Wellicht is de terugkeer naar Nederland nog voor u weggelegd. De vlakke
alluviaalstreken van het vaderland zijn zeker wel het rustigste plekje
van den geheelen aardbol. Ge mist Insulinde's blauwe bergen, maar ge
kunt u troosten met de gedachte, dat ge hier nimmer geplaagd zult worden
door aardbevingen of uitbarstingen.
HOOFDSTUK XII.
Het nieuwe plantenkleed van Krakatau.
De plantengroei van Krakatau was door de uitbarsting totaal
vernietigd.--Bezoek van Dr. M. Treub in 1886.--De nieuwe flora
stamt niet af van de vroegere.--Het eiland bedekt met varens.--De
bodem van Krakatau is totaal ongeschikt voor planten.--Het
microscopisch onderzoek van den bodem brengt aan het licht, dat de
grond bedekt is met eene laag wieren (algen).
De "Strijd om het bestaan."--Algen, varens en
phanerogamen.--Vergelijking tusschen het ontstaan der flora op
Krakatau met de geologische tijdperken der aarde.--Beschouwingen
van Dr. Treub gepubliceerd in de "Annales du Jardin botanique de
Buitenzorg."--Wat er zou gebeurd zijn, als Krakatau ver van de
plantenwereld had gelegen.--Het eiland Juan Fernandez.--Het eiland
Ascension.--Aanstaande overwinning der zichtbaar bloeiende planten
op Krakatau.--De toekomst van Krakatau.
De gevolgen van de hevigste vulkanische uitbarsting zijn gelukkig niet
eeuwig. Wij zagen reeds, dat de kustlanden van Straat Soenda weldra weer
bewoond werden; ook de plantenwereld herstelde zich daar in korten tijd.
De verwoesting door de golven der zee aangericht op de kusten van Java
en Sumatra was echter op verre na niet zoo volledig geweest als die,
welke op het eiland Krakatau zelf aangericht was. Slechts een klein deel
van het vroegere eiland verheft zich nog boven de golven, als een berg,
die in zee uitsteekt. Aan de eene zijde is het begrensd door den
loodrechten wand van de doorgesneden piek Rakata, aan de andere zijde
heeft het een glooiend beloop.
Zooals alle eilanden in Straat Soenda, was vóór 1883 Krakatau met een
zwaar plantenkleed bedekt. Ten gevolge van de uitbarsting was het eiland
van de zee af tot den top van de piek bedekt met eene laag asch en
puimsteen ter dikte van één tot zestig meter. Het spreekt van zelf, dat
de plantengroei totaal vernietigd was. Er is zelfs geen twijfel aan of
ten gevolge van de groote hitte, die gedurende de uitbarsting is
ontwikkeld, verloren de taaiste zaadjes en de best beschermde
wortelstokken hunne levensvatbaarheid, zoodat er niet ééne plantenkiem
op het eiland in leven bleef.
De directeur van den Botanischen tuin te Buitenzorg, Dr. M. Treub,
bezocht in 1886, drie jaren na de uitbarsting, de Krakatau-groep.
Lang-eiland en Verlaten-eiland, de naburen van Krakatau, zagen er toen
nog geheel woest uit en ontbloot van planten. Maar op het eiland
Krakatau zelf voerde Flora weder den schepter. De jongste plantenwereld
van Krakatau stamt niet af van de vroegere. De hand des menschen is
buiten spel gebleven, want het eiland is onbewoonbaar en moeilijk te
bereiken. De nieuwe flora is dus ontstaan op eene andere wijze: de
plantenkiemen kunnen er gebracht zijn door de golven, door den wind of
door vogels.
De afstand, dien deze plantenkiemen hebben af te leggen om het eiland te
bereiken, is niet zoo bijzonder groot. Want Krakatau ligt 41 kilometer
of acht uur gaans van de kust van Java, terwijl Sumatra slechts 37
kilometer of zeven uur gaans verwijderd is. Van de kleinere eilandjes in
Straat Soenda liggen Lang-eiland en Verlaten-eiland in de onmiddellijke
nabijheid van Krakatau. Maar hier was de plantengroei eveneens totaal
vernietigd. Het eiland Sebesie wordt aangetroffen op een afstand van 18
kilometer of drie en een half uur gaans.
Uit het onderzoek van Dr. Treub blijkt, dat in Juni 1886 de groote
meerderheid der jeugdige planten op Krakatau uit varens bestond. Hij
verzamelde hiervan elf soorten. Sommige van deze groeiden reeds in
grooten getale, zoowel op den berg als aan het strand. Dezelfde soorten
van varens komen voor in een uitgestrekt gebied om Krakatau gelegen, en
er is dus niets vreemds in, dat de sporen van die varens aldaar zijn
gekomen. Het kwam den heer Treub echter bijna onbegrijpelijk voor, dat
die varens konden groeien onder zulke buitengewoon ongunstige
omstandigheden. Eene dikke laag puimsteen en asch is toch zeker wel een
zeer ongeschikte bodem tot het ontkiemen van planten. Hij mist alle
mogelijke voedende bestanddeelen, die de planten noodig hebben voor
hunne ontwikkeling. Want uit een scheikundig oogpunt beschouwd, gelijkt
de asch en de puimsteen, die den bodem van Krakatau uitmaken, meer op
fijngestampt glas, dan op teelaarde. Eene kale rots uit zulke
bestanddeelen opgebouwd, gelegen in de brandende tropische zon, zonder
de minste schaduw, ziedaar het terrein, dat de heer Treub geheel bedekt
vond met varens.
--Hoe zijn die varens daar gekomen?
Ten einde het gewicht van die vraag te begrijpen is het noodig de wijze
van voortplanting der varens nader te beschouwen.
Als men een blad van een varen omkeert, dan ziet men, dat de onderzijde
bruingekleurde verhevenheden vertoont. Elk van die bruine plekjes
bestaat uit eene verzameling sporenhuisjes, die elk verscheiden sporen
bevatten.
Die sporen zijn min of meer te vergelijken met de zaden der zichtbaar
bloeiende planten, met dit groote onderscheid, dat zij eenvoudige
cellen zijn en niet zooals zaden eene kiem bevatten. Zij zijn door de
bladeren voortgebracht, zonder samenwerking van tweeërlei deelen, m.a.w.
zonder eenige bevruchting. Als nu echter de sporen uitgezaaid worden,
dan ontstaan door vermenigvuldiging der cel zoogenaamde "voorkiemen" of
"prothallia". Men kan deze beschouwen als de eerste generatie der
varens. Aan die voorkiemen groeien zoowel mannelijke geslachtsorganen
(antheridiën) als vrouwelijke (archegoniën). De antheridiën brengen
trillende lichaampjes voort, die met eene eigenaardige cel van een
archegonium zich vereenigende, deze tot een bebladerd plantje, de jonge
varen, doet uitgroeien, welke dus de tweede generatie is.
Er moet dus, zooals men ziet, heel wat gebeuren voordat een varen als
plantje ontstaan is, terwijl voor de ontwikkeling van dit plantje
bovendien de brandende zon en de glasachtige bodem van Krakatau volkomen
ongeschikt zijn.
De mogelijkheid bestond echter, dat òf de voorkiemen (prothallia) der
varens òf de jonge gebladerde varenplantjes eene wijziging hadden
ondergaan, en ten gevolge daarvan geschikt geworden waren om zich onder
zulke buitengewoon ongunstige omstandigheden te ontwikkelen.
Zulk eene wijziging der plant-organismen toch komt meermalen voor; de
plant schikt zich dan naar de veranderde levensomstandigheden, hetgeen
men uitdrukt door het Latijnsche woord "adaptatio", of zooals men in 't
Duitsch zegt "anpassung".
Ten einde hieromtrent zekerheid te verkrijgen, verzamelde de heer Treub
sporen van de varens van Krakatau. Deze sporen werden nu vervolgens in
het laboratorium van den Botanischen tuin te Buitenzorg door den heer
Treub in vereeniging met Dr. W. Burck uitgezaaid op allerlei soorten van
stoffen, ten einde te onderzoeken of de prothallia of de jonge
bladplantjes eenige wijziging zouden ondergaan. Er werd echter geenerlei
"adaptatio" waargenomen.
Hoe konden dus die varens op Krakatau leven, en zich in die mate
ontwikkelen, dat zij drie jaren na de uitbarsting reeds het geheele
eiland bedekten?