der geweldigste, waarvan de geschiedenis gewaagt. De hoeveelheid
uitgeworpen stoffen schijnt veel grooter geweest te zijn dan bij de
uitbarsting van Krakatau. De eruptie begon in Mei. Haar maximum bereikte
ze in Juni. In Juni 1783 begon zich een droge mist te verspreiden van af
het Noorden van Europa; hier en daar werd een blauwe, witte of
bloedroode zon, of gekleurde kring om zon en maan aanschouwd. Onze
landgenoot, Prof. Brugmans te Franeker, gaf over dit verschijnsel eenige
belangrijke beschouwingen in het licht onder den titel: "Verhandeling
over een Zwavelachtigen Nevel." Volgens Brugmans was de nevel gekenmerkt
door een zwavelachtigen reuk. De zon kon in Nederland ongestraft met het
bloote oog bekeken worden.
Deze mist strekte zich zeer ver uit. Niet alleen in Europa, maar ook in
Azië, Afrika en Noord-Amerika werd hij waargenomen.
In 1815 gebeurde de eruptie van den Tambora op Soembawa van 7 tot 12
April. De hoeveelheid uitgeworpen stoffen schijnt Krakatau belangrijk te
hebben overtroffen. Zooals wij gezien hebben was de zon 3 dagen lang
verduisterd op 't eiland Madoera. De heer Verbeek zocht te vergeefs naar
berichten uit Indië over roode schijnsels na deze eruptie. Merkwaardig
is het echter, dat gedurende 1815 van af den 15den Mei de ons bekende
roode schemeringsverschijnselen op buitengewoon sterke wijze zijn
waargenomen in Engeland. Gegevens uit andere landen ontbreken echter
geheel.
Beschouwen wij eindelijk eene kleinere eruptie b.v. die van den Etna op
den 21sten Mei 1886. De hoogte van de rookkolom boven den krater werd
dien dag gemeten. Zij bedroeg 8 kilometer en den 24sten Mei 14
kilometer. Van af 22 Mei verspreidden zich dampen Oostwaarts en bedekten
den geheelen horizon van Palermo. Den 3den Juni hing er een mist over
Sicilië, die de zon onzichtbaar maakte; deze mist bedekte van 29 Mei tot
3 Juni geheel Italië. De daarop volgende dagen was de zon, bij hare
opkomst, purperkleurig en roodachtig geel, en, als zij hooger stond, had
zij eene grijze kleur, evenals "neutraal-tint." Na zonsondergang werden
de bekende roode schijnsels waargenomen.
De hier gekozen voorbeelden mogen volstaan. Het is dus een feit, dat op
vulkanische uitbarstingen menigmaal optische verschijnselen volgen, die
in alles overeenkomen met die, welke na de uitbarsting van Krakatau zijn
waargenomen.
Het wiskundige bewijs, dat er tusschen beide zaken een verband bestaat,
als van gevolg en oorzaak, is intusschen nooit te geven. Hebben wij dus
ook al geene zekerheid, toch is er groote waarschijnlijkheid dat de stof
van Krakatau de oorzaak is geweest van de vreemdsoortige verlichting van
onze planeet van 1883 tot 1886.
HOOFDSTUK XI.
Na de groote uitbarsting.
Hoe het er op Krakatau uitzag na de uitbarsting.--Verbeek ontdekt
eene nieuwe uitbarsting op 10 Oct. 1883.--Waarom niemand die
bespeurd heeft.--Indruk van de ramp in Indië.--Schrik voor
aardbevingen.--Aardbeving te Padang 21 Sept. 1883.--Tweede
aardbeving met gerommel 18 Oct. 1883.--Het gerommel niet op zee
gehoord.--De schoten van Krakatau zijn op sommige plaatsen ook niet
op zee vernomen.--Beschouwingen over de ramp door de inlanders. God
wil het zoo.--De "Compagnie" heeft de schuld.--Het is een straf
Gods.--Verhoogde godsdienstzin na de uitbarsting. De zendbrief van
den "Opperpriester van Mekka."--Geprikkelde gemoedsstemming zich
uitende in moordaanslagen.--De Toean-toean te Kroë en de
Mahdi.--Wasiat- of Zendbrieven.--De zendbrief na de uitbarsting van
den Tambora (1815) volgens Junghuhn.--Energiek optreden van het
Gouvernement na de ramp.--Het
Centraal-Comité.--Krakatau-litteratuur.--De te lenigen nood in
Bantam.--61/2 millioen schade.--Bestuursmaatregelen.--Nieuw-Anjer en
Menes.--Schade in Tangerang 31/2 ton gouds.--De Lampongs zijn
moeilijk te bereiken.--Schade in de afdeeling Kroë.--Expeditie van
Lt. Koster en Dr. Vorderman naar de Lampongs.--Schade in de
Lampongs.--De pepercultuur.--Opbouw van Telok Betong.--Reis van den
Gouverneur-Generaal met Zr. Ms. ramtorenschip "Prins Hendrik der
Nederlanden".--Verbeek's Krakatau.--Reden van dankbaarheid aan de
Indische regeering.--Verbeek's werk beoordeeld door de "Royal
Society" en in "Petermann's Mittheilungen."--Hollandsche en
Duitsche Universiteiten--Een welverdiende Nederlandsche Leeuw.--De
uitbarsting van Krakatau is zonder invloed geweest op het
vulkanisme van Indië.--Java's Eerste punt.--Werking van den Merapi
op Sumatra in December 1883.--De angst voor het vulkanisme.--De
tijd stompt de indrukken af.--Men kan in Indië de vulkanen niet
ontloopen.
Na de groote uitbarsting is Krakatau niet geheel en al in rust gebleven.
Bij de opname, door den heer Verbeek in October op het eiland verricht,
vond hij het overblijvende gedeelte van Krakatau bedekt met
puimsteenblokken, waarvan de grootste een kubieken meter inhoud hadden;
hier tusschen lagen kleine stukjes puimsteen, zand en asch. Dit
materiaal was opgestapeld tot werkelijke bergen. De regen had hierin
diepe kloven uitgespoeld, die dikwijls loodrechte kanten hadden, zoodat
de bestijging van den berg zeer moeilijk was. Dit materiaal is bij de
groote uitbarsting uitgeworpen. Dadelijk daarna is eene onderzeesche
moddereruptie gevolgd, die gedurende de duisternis op 27 Augustus
aanving en gedurende een etmaal heeft aangehouden. Deze modder bedekte
onder anderen de eruptie-producten op de eilanden Steers en Calmeijer.
De heer Verbeek ontdekte echter, dat er eene latere uitbarsting op
Krakatau had plaats gehad, daar hij op de Zuidzijde van het eiland twee
slijkstroomen aantrof ter dikte van 0.2 tot 0.3 meter, en ter breedte
van 1 tot 5 meter. Zij bestaan uit zeer fijne donkere asch, beginnen 200
meter beneden den top, dus 600 meter boven den zeespiegel en zijn over
eene lengte van 1300 meter tot 40 meter boven zee te vervolgen. Die
slijkstroomen liggen op de ruggen, die tusschen de uitgespoelde kloven
zijn overgebleven, maar zij zijn voor een groot gedeelte te zien in de
reeds uitgespoelde kloven: hieruit volgt dat zij eerst na het vormen
dier kloven ontstaan zijn. Daarenboven was het slijk bij het bezoek van
den heer Verbeek nog nat: de slijkuitbarsting was dus niet lang geleden
geschied.
Deze ontdekking van den heer Verbeek is van het hoogste belang. Want
niemand ter wereld heeft iets van die uitbarsting bespeurd. Dit is geen
wonder, want alle woningen op de kusten van Straat Soenda waren door de
vloedgolven weggespoeld, zoodat de kust feitelijk gedurende eenige
maanden geheel onbewoond was. Toch is des avonds te 10 ure op den
10den October aan de Wijnkoopsbaai een bijzonder hooge, plotseling
opkomende vloed waargenomen, terwijl er een rommelend geluid werd
gehoord in de richting van Krakatau.
Waarschijnlijk hebben deze waterbeweging en die geluiden de uitbarsting
van slijk vergezeld, waarvan de bewijzen op Krakatau door den heer
Verbeek zijn aangetroffen. Wij kunnen dus vaststellen, dat er den
10den October eene slijkuitbarsting geweest is.
Op verschillende tijdstippen werden te Batavia en te Tandjong Priok in
September knallen gehoord. Natuurlijk schreef men ze onmiddellijk aan
Krakatau toe.
Op Java's Eerste punt werden den 18den en 19den September
aardbevingen gevoeld.
Voor het overige werden volgens gewoonte een behoorlijk getal
aardbevingen uit den geheelen Indischen Archipel gerapporteerd, zonder
dat men zeggen kan, dat deze met Krakatau in eenig verband staan. De
heer Verbeek wijst er zeer terecht op, dat het bijzonder groot aantal
aardbevingen, dat na de ramp van Krakakau in de volgende maanden en ook
in 1884 is opgeteekend, niet eens bewijst, dat er meer aardschokken
geweest zijn dan in vroegere jaren. Nooit is er in Indië eene
uitbarsting geweest, die overal zulk een diepen indruk heeft gemaakt als
die van Krakatau. Het minste geluid of de kleinste aardschok trok in den
eersten tijd aller aandacht, en werd onmiddellijk gerapporteerd, terwijl
men vóór de uitbarsting die verschijnsels nauwelijks opmerkte.
Men herinnert zich zeker nog wel het afloopen van Tjilegon, en den moord
der Europeanen aldaar door een saamgezworen bende inlanders. Na deze
gebeurtenis ontstond er bij sommige Europeanen op Java eene
schrikachtigheid, die aan het ongelooflijke grensde; zij zagen in elken
inlander eenen moordenaar. Zoo was het ook in Indië na de ramp van
Krakatau, vooral bij hen, die de uitbarsting hadden bijgewoond.
Ik bevond mij in de maanden volgende op de uitbarsting op Sumatra's
Westkust. Dat is een buitengewoon vulkanisch terrein. De aardkorst is
daar alles behalve rustig. Aardbevingen en onderaardsche geluiden zijn
er geene zeldzaamheid. Nog geen maand was er verloopen sedert de
uitbarsting van Krakatau, toen ik te Padang den 21sten September eene
aardbeving bijwoonde. Men beschouwt in Indië eene aardbeving gewoonlijk
als eene vrij onschuldige zaak. Maar hem, die nog geen maand geleden
eene ondervinding heeft opgedaan zooals de passagiers van de "Loudon",
overkomt bij eene eenvoudige aardbeving of onderaardsch gerommel eene
gewaarwording van nameloos wee, een onbeschrijflijk gevoel van
hulpeloosheid; een ongemotiveerde angst maakt zich van hem meester; hij
verwacht niet anders dan dat de golven van den Indischen Oceaan geheel
Padang zullen overstroomen, zooals de wateren van Straat Soenda Telok
Betong deden verdwijnen.--Trouwens de geschiedenis leert, dat eene
dergelijke ramp ook te Padang geene onmogelijkheid is. Het Padang der
18de eeuw toch is juist op die wijze te niet gegaan. Den 10den
Februari 1797, toen Padang in Engelsche handen was, onderging het eene
hevige aard- en zeebeving. De golven liepen meerdere tientallen van
meters op tegen den Apenberg. De geheele nederzetting overstroomde en
werd een puinhoop.
Eene aardbeving gepaard met een onderaardsch geluid, gelukkig echter
door geene zeebeving vergezeld, had te Padang plaats den 18den
October 1883. Men vergunne mij over deze aardbeving iets mede te deelen.
Ik was naar gewoonte op het bureau van den waterstaat, dat aan de
Padangrivier gelegen is. Plotseling hoor ik een onderaardsch gerommel en
gevoel een schok, die vrij hevig is; ik loop onmiddellijk het gebouw
uit, en ontmoet buiten den 1sten luitenant der artillerie Temminck,
die adjudant is op het bureau van den kommandant der artillerie, wiens
bureau grenst aan het onze. Ook hij is door de aardbeving en het geluid
uit zijn bureau verjaagd, ik ben dus de eenige niet, die het gerommel
vernomen heeft. Een oogenblik daarna komt de eerstaanwezend ingenieur,
de heer van Geuns, terug van een bezoek, gebracht aan een stoomschip op
de reede van Padang. Daar op zee, vlak bij de kust, heeft men niet
alleen van de aardbeving niets gemerkt, zooals van zelf spreekt, maar
men heeft niet het minste geluid waargenomen.
Toch is het nog vreemder, dat op de "Loudon" tijdens de uitbarsting niet
één schot gehoord is, terwijl ze overal anders met zulk eene hevigheid
hebben weerklonken. Men heeft dit verschijnsel toegeschreven aan de
dichte aschwolk, waarin wij gehuld waren, die het geluid zou hebben
gedempt. Dit verklaart echter naar mijne meening het voorgevallene niet
volledig; die dichte aschwolk heeft ons in diepe duisternis gehuld, maar
dit geschiedde eerst den 27sten Augustus ten 10 ure. Toen weerklonken
over geheel Indië de hevige kanonschoten van Krakatau reeds bijna een
etmaal lang. Hoe is het mogelijk, dat geen daarvan onze ooren bereikte?
Ik vermeldde reeds, dat op schepen op de reede te Atjeh en te Boeleleng
(Bali) geene geluiden zijn geconstateerd. Ik kan hier nog bijvoegen, dat
de inlandsche lichtopziener op Poeloe Pandang nabij Padang evenzeer
beweert niets gehoord te hebben, hoewel de geluiden der uitbarsting te
Padang zoo sterk waren.
Het is mij niet gelukt eene verklaring van die eigenaardige
voortplanting van het geluid op te sporen. Toch is het natuurlijk, dat
men daarnaar zoekt. Dit zou zeker niet in den geest zijn van de
inlanders van Bantam, die na de verwoesting der kustplaatsen zich het
hoofd niet braken met het uitvorschen der oorzaken. "God heeft het zoo
gewild, en Hij kan doen wat Hij wil! het past ons menschen niet naar de
redenen te vorschen."--Ziedaar de gedachtengang van den vromen
Mohammedaan, na de uitbarsting van Krakatau. Er waren echter ook
inlanders, die de "Compagnie", dat is het Nederlandsch Indische
gouvernement, beschuldigden de ramp met opzet in het leven geroepen te
hebben, om de inwoners te gronde te richten. Blijkt hieruit in de eerste
plaats welk een hoog denkbeeld zij hadden van de macht van het
Nederlandsch gezag, men kan er bovendien uit zien, welke groote mate van
liefde voor den Javaan zij ons toedichten!
Een derde categorie van personen in Bantam en in de Lampongs beschouwde
de geheele ramp als een straf Gods, die hen als onderdanen van de
"Compagnie" trof. De Hollanders zijn "Kafirs" of ongeloovigen, zij
gelooven niet in den profeet Mohammed. En toch durven zij het wagen
oorlog te voeren met de goedgeloovige Atjehers! Voor die euveldaad
bereikt Gods wraak de Hollanders en de inlanders, die hunne onderdanen
zijn.
Het is zoo natuurlijk, dat de mensch een natuurramp van den omvang als
de zondvloed, die de steden en dorpen aan Straat Soenda gelegen
wegvaagde, beschouwt als een wraakgericht Gods. Het eerste gevolg is dan
dat de mensch tot zich zelf inkeert, en zeer ontvankelijk is voor
godsdienstige begrippen. Na de ramp van Krakatau keerde zich de
bevolking van Bantam en de Lampongs tot Toean Allah, en verootmoedigde
zich voor den Almachtige. Priesters en Hadjies maanden de bevolking aan
tot getrouwe opvolging van den Koran. Vooral in Bantam, waar het
godsdienstig leven toch altijd opgewekter is dan elders op Java,
bespeurden de bestuursambtenaren--niet zonder zorg--eene religieuse
opgewondenheid, die zich soms uitte door onverdraagzaamheid tegen de
Europeanen, die honden van ongeloovigen. Op de pasar (markt) te Serang
werd den 2den November 1883 een Europeesch soldaat, zonder eenige
aanleiding, aangevallen en gewond door een inlander met een klewang
gewapend, in een vlaag van godsdienstige dweeperij.
Op een anderen dag drong een Bantammer "in overprikkelde
gemoedsstemming,"--zooals het Koloniaal Verslag het uitdrukt--met een
geopend knipmes, gehuld in het bekende witte opperkleed, in het blokhuis
te Serang, en wondde den schildwacht.
Die gevallen stonden op zich zelf en beteekenden schijnbaar niet veel.
Maar zij bewezen toch, dat het in de harten der schijnbaar zoo
berustende Bantammers smeulde, en toen veel later te Tjilegon al de
Europeanen op de meest beestachtige en wreedaardige wijze werden
vermoord, zonder dat de aanleiding ooit duidelijk geworden is, toen
herinnerde men zich huiverend die op zich zelf staande uitingen van
fanatisme na de ramp van Krakatau! De politie had toen bij voorbeeld de
hand gelegd op een zendbrief, die, zooals het opschrift luidde, was
geschreven door "den opperpriester uit Mekka." Die zendbrief was in de
landstaal geschreven en spoorde den inlanders aan tot meerderen
geloofsijver. De "opperpriester uit Mekka" wees op de gevolgen van
Krakatau, en noemde ze de voorboden van het vergaan der wereld.
In de geheele Mohammedaansche wereld trouwens was het in het laatst van
1883 en 1884 onrustig. In de afdeeling Kroë, die het Zuidelijke gedeelte
der residentie Benkoelen uitmaakt, volgden de zoogenaamde Toean-toean,
met spanning de berichten, die tot hen kwamen over den opvolger van
Mohammed, den Mahdi, die in Egypte de scharen van den Khedive vernietigd
had. Men noemt daar "Toean-toean" het gegoede gedeelte der bevolking,
dat uit geestelijken, hadjies en handelaren bestaat. In het binnenland
is de bevolking er nog heidensch. Maar de bekeeringen tot den Islam
namen na de ramp van Krakatau sterk toe, en er was geen doessoen (dorp),
waar niet een soeran (bedehuis) verrees. Talrijk waren de wasiat-of
zendbrieven, die, uit Arabië afkomstig, verspreid werden over Kroë en de
Lampongs. Vele werden door de politie in beslag genomen, maar hoevele
ontsnapten aan alle nasporingen, en verspreidden het gif der
onverdraagzaamheid in de gemoederen?
Is het niet merkwaardig, dat na de groote uitbarsting van den Tambora in
1815 ook dergelijke zendbrieven onder de bevolking van Oost-Java en de
Oostelijk van Java gelegen landen verspreid werden? Ongetwijfeld heeft
die uitbarsting destijds ook een diepen indruk gemaakt op de
overblijvenden. Deze, minder gelukkig dan hunne broeders in 1883 op Java
en Sumatra, waren na de ramp aan zooveel gebrek ten prooi, dat zelfs de
dochter van den koning van Sangar van honger stierf. Het lot, dat den
koning van Tambora trof, is, zooals Junghuhn het beschrijft, een stof,
waardig een Oud-testamentisch profeet te bezielen. Evenals, volgens het
bijbelverhaal, de bewoners van het dal der Jordaan eenmaal wegvloden
voor den vurigen regen, vluchtte de koning van Tambora gevolgd door
zijne vrouwen en kinderen, en omstuwd door zijne Rijksgrooten, die zijne
schatten droegen. Een regen van gloeiende steenen daalde uit den hemel,
en doodde den koning en al zijne onderdanen op één na.
De zendbrief, die in 1815 onder de inlanders even gretige lezers vond,
als de brief uit Mekka in 1883 na de ramp van Krakatau, behelst, over
deze episode de volgende treffende beschrijving.
"Een reizend koopman, een godvreezend Arabier, verdreef een hond, een
onrein dier, uit de moskee te Tambora; de hond behoorde aan den koning.
Deze liet den koopman in plaats van geiten-, hondenvleesch eten, en toen
hij hoorde, dat de Arabier smadelijk van hem had gesproken, liet hij hem
op den berg Tambora onder zware mishandelingen van het leven berooven.
Maar daar ving de berg aan vlammen uit te braken; deze vervolgden de
dienaren des Vorsten tot in de stad en Tambora met zijn koning werd door
de aarde verzwolgen. Waar vroeger de stad der goddeloozen stond ankeren
thans schepen op drie vademen diepte."
Men heeft in Indië wel eens de gewoonte het "Gouvernement" van alles de
schuld te geven, wat er gebeurt. Maar ook de meest zwartgallige zal
moeten toegeven, dat het Nederlandsch-Indische bestuur aan de ramp van
Krakatau geen schuld had, en na de uitbarsting op waardige wijze de eer
van Nederland heeft opgehouden.
Aan de ambtenaren, die het hunne hadden verloren, werd eene gratificatie
van 6 maanden tractement uitgekeerd. Met beleid en energie werd in de
geteisterde streken opgetreden, om de bevolking gerust te stellen, te
helpen en de stoffelijke schade te vergoeden. Het beroep op de
particuliere weldadigheid in Indië en Europa was trouwens niet te
vergeefsch. Van alle zijden, in Indië en in Nederland, vloeiden
bijdragen toe aan het "Centraal Comité!"
De vrijmetselaarsloge "de Ster in het Oosten" te Batavia nam het
initiatief tot het scheppen van een fonds, om zoodoende op blijvende
wijze de betrekkingen der omgekomen Europeanen te helpen.
In Nederland werden bovendien, bij wijze van watersnoodpoëzie,
verschillende kunstbladen uitgegeven.
"Holland-Krakatau" verscheen met medewerking van tal van letterkundigen
en teekenaars; ter gelegenheid van een fancy-fair te Amsterdam zag een
polyglottisch courantje aan Krakatau gewijd het licht, waarin hartelijk
gemeende woorden aan de ramp werden gewijd in allerlei talen, tot zelfs
in het Hongaarsch, Spaansch en Russisch toe.
Ook de "spes patriae" wilde niet achter blijven.
Een "Gymnasiasten-Krakatau" getuigde van den goeden wil van het jonge
Nederland.
Er was echter veel ellende te lenigen. De 21500 Bantammers, die
verdronken waren, behoefden geen hulp meer, niet altijd echter waren
geheele gezinnen uitgeroeid en de overblijvenden bezaten letterlijk
niets meer. Bantam is eene der armste residenties van Java. Hongersnood,
koortsepidemie, veepest en, erger dan die trits, de maatregelen tegen de
veepest door een doctrinair Bestuur genomen, toen in 1880 en 1881
nagenoeg de geheele veestapel van Bantam was afgemaakt--ziedaar de
wonden, waaraan Bantam bijna doodgebloed was, toen het op nieuw
geteisterd werd. De dorpen zien er in Bantam over 't algemeen armoedig
uit. Eene uitzondering maakten hierop de vriendelijke kampongs langs
Straat Soenda. Maar de rijke, welvarende plaatsen, Anjer en Tjaringin,
de bloeiende Chineesche kamp van Laboean, de volkrijke dorpen Tjerita,
Tjiloerah, Pasaroenan, Sirih, Tjikining en Bodjong waren allen
verdwenen. Men schatte de schade der bevolking op niet minder dan zes en
een half millioen gulden. De vluchtelingen uit de verwoeste plaatsen
werden gehuisvest van bestuurswege, en door particulier initiatief werd
gedaan wat gedaan kon worden, om in den eersten nood leniging aan te
brengen. Aan hen, die konden en wilden werken, werd betaalde arbeid
verschaft. Zij werden aan het werk gezet om de overblijfselen der
verwoesting op te ruimen, de lijken te begraven, de andere organische
rottende zelfstandigheden te desinfecteeren of, met petroleum begoten,
te verbranden. Men beoogde hiermede vooral het voorkomen van verpestende
uitwasemingen.
Levensmiddelen en kleeren werden uitgedeeld. Met moeite was de bevolking
langzamerhand te bewegen nieuwe dorpen te stichten op het verraderlijke
strand van Straat Soenda.--Tjaringin was één poel van vuilheid, de
hoofdzetel van het Bestuur werd dus naar Menes verlegd. Tegenover Poeloe
Merak besloot men eene nieuwe stad te bouwen, die Nieuw-Anjer zou
heeten. Het oude Anjer lag echter vrij wat geschikter voor de schepen,
die van ouder tot ouder die reede aandeden, om water in te nemen. De
plaats, die voor Nieuw-Anjer was uitgezocht, bleek daarentegen niet te
voldoen aan den eersten eisch, dien men moet stellen aan een
aanlegplaats. "Er is geen water te Nieuw-Anjer!" zoo luidde het oordeel
van de scheepsgezagvoerders. En zij keerden terug naar hunne eerste
liefde. Weer ankeren nu de koopvaardijschepen, die uit Nederland komen,
op de reede van het verdwenen Anjer, waar zij goeden ankergrond en diep
water aantreffen, zooals zij eeuwen lang deden, en in plaats van het
oude Anjer, verrijst daar het dorp Bodjong.
De schoone dagen van het Anjer van voorheen keeren echter nimmer terug,
want de zeilschepen uit Europa zijn verdreven door den grooten
alleenheerscher, den stoom. De mailbooten echter vertoeven niet in
Straat Soenda; zij gaan de reede van Anjer met minachting voorbij, en
stoomen met onverminderde vaart naar de Javazee.
Intusschen werd Tjilegon tot hoofdplaats der afdeeling Anjer verheven.
Hierop rustte echter naar het schijnt ook geen zegen. In Juli 1888 werd
de Europeesche bevolking van Tjilegon vermoord door eene bende
samenzweerders. De dood, in de golven van Straat Soenda tijdens de
uitbarsting van Krakatau, was minder verschrikkelijk, dan de met
Oostersche verfijnde wreedheid uitgevonden folteringen, die de
besturende ambtenaar van de afdeeling Anjer te Tjilegon onderging, vóór
hij den geest gaf onder de moordende handen der oproerlingen van
Tjilegon en nadat hij het had moeten aanzien, dat zijne vrouw op de
meest laaghartige wijze mishandeld, en daarna met zijne kinderen werd
geslacht! In vergelijking van de wreede, lafhartige moordenaars van
Tjilegon, is de vloedgolf van Krakatau, die plotseling doodde,
zachtmoedig geweest.
Ook buiten Bantam had de zeebeving op Java belangrijke schade
aangericht.