loodkleurige zon en maan, en de droge mist, kwamen het sterkst in 1883
tijdens de uitbarsting voor, terwijl zij langzamerhand verminderden.
Deze verschijnselen moeten in alle geval worden toegeschreven aan vaste
deeltjes in de atmosfeer, en ook de heer Verbeek schreef ze bij hun
eerste optreden toe aan stof, afkomstig van de uitbarsting. Ik wil
echter hier de aandacht hoofdzakelijk vestigen op de
schemeringsverschijnselen. Voor wij partij kiezen voor de slotsom der
commissie tegen den heer Verbeek, voor wij al de optische verschijnselen
gedurende twee en een half jaar mogen toeschrijven aan Krakatau-stof,
dient onder anderen eerst te worden aangetoond:
1° dat de hoeveelheid en de hoogte van de uitgeworpen stof voldoende
was, en dat die stof 2 à 3 jaar noodig heeft gehad om op de aarde te
vallen.
2°. dat geene andere veronderstelling omtrent den oorsprong der
verschijnselen waarschijnlijk is.
Daar nu de argumenten der Royal Society, ter verdediging van deze
stellingen geopperd, geheel afwijken van de beschouwingen van den heer
Verbeek, zal eene nadere toelichting zeker van belang zijn. Ik waag het
hieraan het tweede gedeelte van dit hoofdstuk te wijden, al vrees ik dan
ook dat sommige lezers zullen instemmen met de klacht, welke op
bladzijde 143 uitgesproken is, en dat zij, met het Metereologisch
Instituut, zullen uitroepen: Verlos ons van Krakatau!
HOOFDSTUK X.
IIde gedeelte.
Kan de uitbarsting van Krakatau de oorzaak zijn der abnormale optische
verschijnselen van 1883 tot 1886?
Hoeveel fijne stof heeft de vulkaan van Krakatau in de atmosfeer
gebracht? Zooals wij zagen, wordt die hoeveelheid door den heer Verbeek
geschat op een kubieken kilometer, hetgeen, over de geheele aarde
verdeeld een laagje zou vormen van 0,002 m.M., over een halfrond
verdeeld van 0,004 m.M. dikte, over de gematigde en heete luchtstreek
van 0,006 m.M. en alleen over de gematigde luchtstreek van 0,01 m.M.
Oppervlakkig beschouwd is deze hoeveelheid zeer weinig. Maar stelt men
zich voor, dat dit laagje microscopisch fijn verdeeld is, dan kan het
toch inderdaad belangrijke optische verschijnselen te weeg brengen.
Tyndall en Herschel berekenen bijvoorbeeld de stof, die de staart van
een komeet bevat, die 60 millioen kilometer lang is en 30 duizend
kilometer middellijn heeft. Wanneer men die stof verzamelde, zou zij
nauwelijks eene wagenlading uitmaken. De stof, die de blauwe kleur van
de onbewolkte lucht veroorzaakt, zou wellicht nog minder volume beslaan.
De heer Rollo Russell zegt, dat eene doorloopende laag van vaste
deeltjes, die eene dikte heeft van slechts 0,000125 m.M., reeds
voldoende zou zijn om belangrijke reflexie-verschijnselen te weeg te
brengen. De kleine vaste deeltjes, verlicht tegen een donkeren
achtergrond en waargenomen door niet verlichte luchtlagen, kunnen dan
zeer goed eene zichtbare roode kleuring geven aan het uitspansel, als de
zon reeds verscheidene graden beneden den horizon is. De verlenging van
de schemering gedurende 1883 en volgende jaren kan dus verklaard worden
uit de uitgeworpen stoffen. Het is zelfs onwaarschijnlijk, zegt Russell,
dat de waterdamp hierbij eenigen rol gespeeld heeft. Wel blijkt uit de
proeven van Aitkin[2] dat in de lucht alle stofdeeltjes centra van
condensatie voor waterdamp zijn. Maar de spectraal-analyse heeft ons
gedurende de waargenomen schemeringsverschijnselen over het algemeen met
den spectroscoop geene vermeerdering in sterkte aangetoond van de
lijnen, die aan waterdamp worden toegeschreven. Honderd jaar vroeger, in
1783, was geheel Europa bedekt met een drogen mist, gedurende de
zomermaanden, met doorgaand droog weder. De mist strekte zich uit van
zee tot eene hoogte, hooger dan de Alpen. Ook deze mist ontstond uit
deeltjes, die aan het microscopisch onderzoek ontsnapten. Hij volgde op
eene groote vulkanische eruptie op IJsland. De deeltjes zijn toen niet
hoog genoeg geweest om schemeringsverschijnselen te voorschijn te
roepen. De droge mist van 1783 heeft anders groote overeenkomst met dien
van 1883.
De mist van 1883 echter, die de optische verschijnselen te weeg heeft
gebracht, was zóó hoog boven de aarde, dat dáár weinig waterdamp kan
geweest zijn. Op die hoogte kunnen nimmer wolken worden gevormd.
Derhalve komt Russell tot het besluit, dat het droge stof is geweest,
die de optische werking heeft uitgeoefend. Die stof was op eene groote
hoogte. Zij reflecteerde het licht van de opgaande en ondergaande zon.
Dit geschiedde echter eerst Mr. Douglas Archibald komt nog eens terug
op den invloed van kleine stofdeeltjes op het licht. Hij wijst op de
onderzoekingen van Faraday, die betrekking hebben op de kleur van goud
en andere metalen. Bladgoud kan verkregen worden tot eene dikte van
minder dan een honderdduizendste van een millimeter. Het reflecteert dan
toch nog gele stralen en laat groene stralen door. Zoo kan men in
oplossingen gouden deeltjes van ultra-microscopische fijnheid verdunnen
met eene hoeveelheid water, gelijk aan 750.000 maal hun volume, zonder
dat zij hunne kleuring verliezen, zonder dat de oplossing de eigenschap
verliest blauwe en roode stralen door te laten.
Nu hadden, wel is waar, de deeltjes van Krakatau, niet in zoo sterke
mate als goud, optische eigenschappen, maar, wanneer men met groote
waarschijnlijkheid kan aannemen, dat zij bestonden uit dunne plaatjes
vulkanisch glas, dan mag men wel veronderstellen, dat zij, mits fijn
verdeeld zijnde, eene belangrijke optische werking kunnen vertoonen, al
zijn ze ook verdeeld en verspreid over eene verticale laag van
belangrijke hoogte.
De schrijver ligt dit verder toe door eens te veronderstellen, dat wij
eene cirrus-wolk in de tropen beschouwen, die 4500 meter boven ons is en
6 meter dikte heeft. Volgens Professor S.A. Hill is de jaarlijksche
gemiddelde spanning van waterdamp op die hoogte op de hellingen van den
Himalaya gelijk aan 4.5 m.M.; de jaarlijksche gemiddelde temperatuur is
op diezelfde hoogte 0° Celsius. Veronderstel, dat de waterdamp in de
cirrus-wolk eene spanning heeft van 7.5 m.M. (hetgeen meer is dan het
gemiddelde--4.5 m.M.) De dikte van de waterlaag, die met de wolk
overeenkomt, zou dan zijn 0.045 m.M. Professer Stokes heeft uit eene
waarneming van een gewonen kring (corona) om de maan, den diameter van
de waterdampdeeltjes, die haar veroorzaken, geschat op 0.0125 m.M., in
de veronderstelling, dat zij eene bolvormige gedaante hebben. In dat
geval zou dus in elke vertikale doorsnede van onze cirrus-wolk gemiddeld
31/2 dezer deeltjes voorkomen.
Neemt men nu de middellijn van de vaste deeltjes, die de "rookwolk van
Krakatau" vormen, aan als te zijn 0,0015, (hetgeen is afgeleid uit de
middellijn der corona, door eene berekening in het rapport voorkomende);
vergelijkt men hiermede de dikte van het laagje stof, zooals dit in den
aanvang van dit hoofdstuk uit Verbeek's schatting, dat de totale
hoeveelheid stof 1 K.M3. bedraagt, is afgeleid, dan zou, in de
veronderstelling, dat de stof gelijkmatig verdeeld was over de gematigde
en heete luchtstreek, het laagje stof nog 0.006 m.M. dik zijn. Er zouden
dus in elke verticale doorsnede nog 0.006/0.0015 = 4 deeltjes aanwezig
zijn. Maar bij het aannemen van 0,0015 als middellijn voor één deeltje
zijn ze als bolvormig beschouwd. En, als nu de stofdeeltjes hebben
bestaan uit verbazend dunne puimsteenachtige plaatjes van glas, die in
het algemeen op hun platten kant horizontaal in de lucht zweefden, dan
kunnen er in ééne vertikale lijn vrij wat meer dan vier geweest zijn, en
het optische effect kan belangrijk sterk geweest zijn.
Als men het niet in twijfel trekt, dat eene cirrus-wolk van de
beschouwde afmetingen belangrijke terugkaatsende en absorbeerende
eigenschappen zal vertoonen, dan is het ook niet onmogelijk dat de
stoflaag alleen, zoo lang zij geen groote verticale afmetingen had, de
schemeringsverschijnselen heeft veroorzaakt, al was ze dan ook overdag
nagenoeg onzichtbaar. Hierbij dient te worden opgemerkt, dat de
belangrijkste optische verschijnselen tot het einde van Sept. 1883
voorkwamen in eene smalle strook, die zich van Krakatau 15° N. en Z.
uitstrekte. De dichtheid van de stof was toen dáár zeker veel meer, dan
wij aangenomen hebben.
Dat het _niet_ de waterdamp _kan_ zijn, die hierbij een groote rol
speelt, wordt door Mr. Douglas Archibald nog op de volgende wijze
aangetoond.
Waterdamp of stoom was zeker de groote motor, die de uitgeworpen stoffen
uit den krater heeft geschoten. Maar die stoom bereikte plotseling eene
hoogte van gemiddeld 20 K.M.; de barometerstand is daar minder dan 0.8
m.M., hij ontspande zich dus tot 34000 maal het volume van het water,
waaruit hij bestond, en veroorzaakte daardoor de microscopische
verdeeling van de lava. Doch door de lagere temperatuur, die op die
hoogte heerscht, zal die fijn verdeelde stoom onmiddellijk bevriezen tot
ijskristallen, die weer hetzelfde volume aannemen als het water, waaruit
de stoom ontstond. Als men nu aanneemt, dat de medegevoerde
puimsteendeeltjes zich hebben verspreid over dezelfde uitgebreidheid als
de ontspannen stoom, dan zal elk stofdeeltje niet veel grooter worden
door die kleine hoeveelheid ijs, die er omheen zal vriezen. Zelfs als
wij de veronderstelling maken, dat de wolk, die boven een vulkaan hangt,
bestaat voor 999/1000 uit stoom en voor 1/1000 uit vaste stof, dan zou
men nog tot de slotsom komen, dat als wij die wolk blootstellen aan eene
temperatuur beneden het vriespunt, het ijs afkomstig van den
gecondenseerden stoom het volume van de vaste stof nauwelijks zou
verdubbelen.
Als dus de vaste stof alléén niet voldoende is om de optische
verschijnselen te verklaren, dan zal de condensatie van den toetredenden
stoom ons niet kunnen helpen, om eene betere verklaring te geven.
Wat nu de mogelijkheid betreft, dat de stofdeeltjes, die in de hoogte
werden geworpen, zouden opgetreden zijn als centra van verdichting van
_waterdamp, die op die hoogte reeds aanwezig was_, zoo is er op eene
hoogte van 20 tot 30 KM. bijna geen waterdamp, en er kan ook bijna geen
waterdamp bestaan. Waar de barometerstand op die hoogte minder dan 0.8
millimeter is, vindt men uit eene formule van Dr. J. Hann, dat de
spankracht van waterdamp 0,0034 millimeter bedraagt. En, dat men
werkelijk minstens eene hoogte van 20, 30, in den beginne zelfs van 50
kilometer voor de hoogte van de "rookwolk van Krakatau" moet aannemen,
daarover is iedereen het eens.
Dat het hoofdzakelijk de gasvormige producten van de uitbarsting waren,
die de optische verschijnselen te weeg brachten, vooral met betrekking
tot diffractie, is eene meening uitgesproken door Professor Kiessling te
Hamburg[3]. Hij grondt zijn oordeel daarop, dat alleen gassen homogene
wolken kunnen vormen; terwijl homogeniteit eene voorwaarde is voor
behoorlijke diffractie.
Ook deze opinie vindt geen genade in de oogen van Douglas Archibald,
daar op de hoogte van 30 K.M. (of zelfs minder) eene zoo lage
temperatuur heerscht, dat die gassen (zwavelig zuur of zoutzuur)
verdicht zullen worden, en als ze verdicht zijn kan men er dezelfde
redeneering op toepassen als voor de ijskristallen is gedaan.
Wat verder het denkbeeld aangaat, dat de stof uit meteoorstof van
kosmischen oorsprong bestond--het samenvallen van de optische
verschijnselen met Krakatau en de verspreiding er van over de aarde
maakt deze verklaring zeer onwaarschijnlijk.
Wij stellen ons nu nog de vraag: of de kleine stofdeeltjes in de zeer
ijle lucht op 30 K.M. of meer hoogte boven de aarde zullen kunnen
blijven zweven, terwijl ze zóó langzaam vallen, dat ze een paar jaar
noodig hebben om de aarde te bereiken.
Hierbij leggen sommigen grooten nadruk op de electrische werking.
Evenals bij de electriseer-machine van Armstrong kan de uitgeschoten
stof van Krakatau zijn geëlectriseerd. Veronderstel eens, dat die
stofdeeltjes negatief electrisch werden, evenals de aarde, dan zou, als
de kracht van opwaartsche projectie uit den vulkaan was uitgeput, de
stofwolk onderworpen zijn aan 3 krachten: 1º de zwaartekracht, 2º de
afstootende kracht van de negatief geëlectriseerde aarde, 3º de
onderlinge afstooting van de electrische stofdeeltjes.[4] Vandaar de
ijlheid van de stofwolk en hare laterale verspreiding. De bekende
geleerde W. Crookes wijst op het feit, dat in ijle lucht, verdund tot op
een millioenste atmosfeer, twee geëlectriseerde stukjes goudblad elkaar
na 13 maanden bleven afstooten zonder verlies van hunne lading. Lucht
is, bij die verdunning van een millioenste atmosfeer, een volmaakte
niet-geleider van electriciteit. Neemt men nu in aanmerking, dat goud
zóóveel soortelijk zwaarder is dan de Krakatau-gesteenten en dat de
afmetingen der stofdeeltjes vele duizende malen kleiner zijn dan die
door Crookes bij de bedoelde proef gebruikte goudblaadjes, dan kan men
aannemen, dat stof, die tot 100 K.M. hoogte is gestegen, (eene hoogte,
waar waarschijnlijk een luchtdruk van een millioenste atmosfeer
heerscht) daar jaren lang zal blijven.
Wij kunnen echter ook, zonder de electriciteit te hulp te roepen en
zonder de hoogte van de stofwolk op 85 K.M. te schatten boven de aarde,
de kleine stofdeeltjes beschouwen onder de werking der zwaartekracht in
de middenstof, waarin ze zich bevinden. De snelheid, waarmede de
deeltjes vallen, is eene functie van hunne afmetingen, van hun
soortelijk gewicht en van de dichtheid der middenstof. Maar, als de
deeltjes klein zijn, komt hierbij nog eene andere grootheid n.l. eene
"wrijvingsindex", die van het hoogste gewicht is, als de vallende
voorwerpen klein zijn.
Eene interessante wiskundige beschouwing[5] leert ons, dat de snelheid
van de vallende deeltjes nagenoeg dezelfde is op groote hoogte en nabij
de aarde. Berekent men met behulp eener formule, door Prof. Stokes
afgeleid, de snelheid der deeltjes, dan vindt men het volgende
resultaat.
Als de deeltjes bolvormig waren en een diameter hadden van 0,0015 m.M.
(zie pag. 153) dan zouden zij over eene hoogte van 15 K.M. vallen in
twee jaren of, volgens eene berekening, waarbij eenigszins meer
nauwkeurige coëfficiënten zijn aangenomen, in bijna 3 jaren.
Als dus de oorspronkelijke hoogte van de stofwolk slechts 30 K.M.
bedroeg dan zouden de kleine deeltjes twee jaar noodig hebben om van 30
K.M. tot 15 K.M. te vallen.
En als de deeltjes niet bolvormig waren, maar platte glasplaatjes, dan
zal men _a fortiori_ kunnen aannemen, dat zij minstens 2 jaar noodig
hebben om de hooge luchtlagen te verlaten.
Behalve deze theoretische berekeningen, die wellicht met eenig
wantrouwen worden ontvangen, hebben wij omtrent deze quaestie nog de
proeven te vermelden van Prof. Kiessling. Deze geleerde nam n.l. proeven
met rook van ultra-microscopische deeltjes. In gewone atmosferische
omstandigheden daalden deze deeltjes onder de werking der zwaartekracht
3 m.M. per minuut. Nu berekent hij, dat op eene hoogte van 20 K.M. deze
snelheid grooter zou zijn en zou kunnen bedragen 10 m.M. per minuut
overeenkomende met ongeveer 5 kilometer per jaar. De rook zou dan 3 jaar
noodig kunnen hebben om in die hooge luchtlagen 15 kilometer te dalen.
Tot nu toe schatten wij de hoeveelheid uitgeworpen fijne stof met
Verbeek op 1 kubieken kilometer, zijnde 1/18 van de geheele hoeveelheid
uitgeworpen stoffen, en wij hebben aan de hand van het Engelsche rapport
de mogelijkheid bepleit, dat de optische verschijnselen alléén aan die
stof konden worden toegeschreven.
Deze hoeveelheid is echter, volgens de Royal Society, veel te laag
getaxeerd.
Dat het Engelsch rapport noodzakelijk tot dit besluit gekomen is, komt
ons zeer duidelijk voor, als wij het kaartje in Verbeek's werk,
aangevende het terrein waar asch gevallen is, vergelijken met de zooveel
grootere uitgestrektheid, die volgens het rapport met stof is bedekt
geworden. Het is zeer wel mogelijk, dat in dit opzicht de Engelsche
commissie over meer volledige opgaven heeft beschikt. Het terrein toch,
dat in hoofdzaak het verschil vormt, is de Indische Oceaan W. en Z.-O.
van Krakatau. Men moet hier afgaan op berichten van schepen, en de heer
Verbeek was veel te consciëntieus, om een aschkleurtje aan te brengen op
zijne kaart, als hij geene degelijke opgaven had. Verbeek teekende dus
een terrein van 827.000 K.M2. De commissie der R.S. bewijst, dat dit
ten minste 2.848.000 K.M2. moet zijn, in aanmerking nemende de
schepen in den Indischen Oceaan waarop, in die dagen, nog asch gevallen
is.
Nu berekent Verbeek de hoeveelheid groote stukken puimsteen, die in de
onmiddellijke nabijheid van den vulkaan (binnen een cirkel met 15 K.M.
straal) zijn gevallen, op 12 K.M3. Men zou dus de hoeveelheid stof,
die in de eerste week na de uitbarsting is gevallen, hierbij moeten
optellen. Nemen wij het cijfer van 2.848.000 K.M2. aan voor de
uitgestrektheid, waar stof gevallen is en de dikte op slechts 5 m.M.,
dan geeft ons dit alleen reeds eene hoeveelheid van 14,4 K.M3. stof.
Nu heeft men nog geen gegevens over de hoeveelheid, die
ultra-microscopisch verdeeld in de lucht geblazen is. Waarom zou die
hoeveelheid nu slechts 1 K.M3. bedragen? Het is logischer om aan te
nemen, dat deze hoeveelheid 14 K.M3, is geweest dan 1 K.M3., want
de uitbarsting was plotseling zóó hevig, de stoffen zijn zóó hoog
opgevoerd, het geluid is zóó ver gehoord, dat er in dat opzicht geen
tweede voorbeeld in de vulkanische geschiedenis bekend is.
De stofwolk heeft toch tijdens de uitbarsting eene lengte gehad van 1600
K.M.[6] Men kan dus met meer recht vermoeden, dat de hoeveelheid fijne
stof, die de optische verschijnselen heeft te weeg gebracht, gelijk is
geweest aan 14 K.M3. dan dat zij 1 K.M3. heeft bedragen. Maar in
dat geval zijn de optische verschijnselen natuurlijk nog veel
gemakkelijker te verklaren.
Wat nu de hoogte der stofwolk betreft, in onze berekening namen wij aan
dat zij 30 K.M. heeft bedragen. Als wij rekenen, dat op het stoomschip
de "Medea" de wolk boven Krakatau op den 26sten Augustus is gemeten,
en dat hare hoogte toen reeds 27 K.M. bedroeg, hoe hoog zal dan de
stofwolk wel geweest zijn toen den 27sten Augustus te 10 ure het groote
schot werd afgevuurd! Dit geschiedde toch met zulk een ontzettende
kracht, dat stukken puimsteen tot vuistgrootte toe op een afstand van
40-80 kilometer nedervielen. De hoogte van 50 K.M. door Verbeek
aangenomen is dus niet ongerijmd. Mr. Archibald volgt ook nog een
anderen weg om die hoogte te bepalen. Hij gelooft, dat de geluidssterkte
van het schot evenredig is met de eruptieve kracht. De geluidssterkte is
evenredig aan het quadraat van den afstand, waarop het geluid gehoord
werd; de eruptieve kracht is evenredig aan het quadraat der worphoogte.
Bij de kleine uitbarsting in Mei 1883 werd het geluid gehoord te
Singapore op 835 K.M. afstand, en de hoogte van de zichtbare rookkolom
was volgens meting van den kapitein ter zee Hollmann, commandant van de
Duitsche oorlogscorvet "Elisabeth" 11 K.M. De grootste afstand, waarop
het schot van 27 Aug is gehoord, was de afstand tusschen Rodriguez en
Krakatau, zijnde 4827 kilometer. Deze afstand is zesmaal grooter dan bij
de uitbarsting in Mei. De hoogte der eruptie wordt nu ook aangenomen op
zesmaal de hoogte (11 K.M.) van de Mei-uitbarsting en zij is dan 6 × 11
= 66 K.M.
Ik stel in deze methode hoegenaamd geen vertrouwen; zij komt mij voor
hoogst onwetenschappelijk te zijn. Maar in alle geval is toch
aangetoond, dat eene hoogte van 30 tot 50 K.M. niet onmogelijk is, en
dat is voldoende om alle optische verschijnselen uit Krakatau-stof te
verklaren.
Ten slotte zij het mij vergund te wijzen op eene onjuistheid in het
rapport der R.S., die wel voor de zaak van weinig belang is, doch die
mij persoonlijk betreft. In het hoofdstuk, "over individueele opinies
betreffende de optische verschijnselen", vind ik tot mijne groote
verbazing een vrij lang citaat[7], waaruit blijkt, dat ik (volgens
"l'Année scientifique" van 1885 en 1886) zou hebben betoogd, dat de
optische verschijnselen niet waren toe te schrijven aan eene vulkanische
oorzaak, doch wel aan ijskristallen, terwijl de waterdamp in de lucht
zou zijn gekomen ten gevolge van de zachte temperatuur in den winter
1883/1884. Er volgt dan eene berekening, waaruit zou blijken, dat eene
hoeveelheid van slechts 3 K.M.3, niet de oorzaak zijn kan der
optische verschijnselen, terwijl later de hoogte van de reflecteerende
luchtlaag op 40 tot 50 K.M. wordt geschat. Hoewel het nu zeker zeer
vereerend voor mij is, dat de bewerker van dit gedeelte van het rapport
tot op zekere hoogte met deze laatste hypothese kan medegaan[8], moet ik
opmerken, dat ik nimmer een woord over deze quaestie heb geschreven, en
dat de objectiën en hypothesen in dit citaat gedaan, geheel voor
rekening komen van den heer Louis Figuier, zooals trouwens duidelijk
blijkt, als men zijn "Année scientifique" opslaat.[9] Ik heb er nimmer
aan getwijfeld, of de optische verschijnselen in verband stonden met
Krakatau; als bewijs daarvan citeer ik, hetgeen ik schreef in het
"Bulletin mensuel de la Soc. Flammarion Juin 1884": "Les phénomènes
crépusculaires. De lezer zal begrijpen, dat ik niet in hetzelfde opstel
kon hebben beweerd, dat het vulkanisme der aarde geen deel heeft gehad
aan de optische verschijnselen.
Er bestaat in Nederlandsch Indië een machtig Regeeringslichaam, dat het
Kabinet is van den Gouverneur-Generaal. Het is de Algemeene Secretarie,
de vraagbaak en de voorlichter van het bestuur. Wanneer er bij die
Secretarie eene netelige kwestie in behandeling is, en de kundigste
ambtenaren aarzelen in welken zin eene beslissing moet genomen worden,
dan vraagt men zich gewoonlijk af: "is er ook een antecedent?" Het
gebeurt niet dikwijls, dat het archief op deze vraag geen antwoord
geeft. En als men zoo gelukkig is een antecedent te ontdekken, als men
weet in welken zin vroeger een soortgelijk vraagpunt beslist is, dan
wordt het vraagstuk, dat zooveel hoofdbrekens kostte, gewoonlijk
gemakkelijk opgelost. Het antecedent wijst den zekeren weg aan.
Passen wij die beproefde methode der Algemeene Secretarie toe op het
vraagstuk van de blauwe zon en van de roode schijnsels in de schemering,
vóór wij het Krakatau-stof schuldig verklaren aan die
dampkringsverschijnselen. Zoover menschengeheugenis reikt, is de wereld
geteisterd door vulkanische uitbarstingen: in dat opzicht beschikken wij
dus over eene reusachtige hoeveelheid antecedenten. Wij stellen ons dus
de vraag: Zijn na vroegere erupties op aarde eveneens abnormale optische
verschijnselen in den dampkring waargenomen?
Ten einde deze vraag te beantwoorden verzamelde de heer Rollo Russel de
berichten over blauwe zon, rooden mist en roode schemeringen, van 1500
tot 1886 waargenomen en vergeleek hen met de uitbarstingen, die
opgeteekend zijn gedurende dat tijdperk.
Het is onmogelijk hier dat belangwekkende onderzoek weer te geven, want
het behelst de geheele vulkanische geschiedenis der aarde gedurende een
tijdvak van 300 jaren. Ik zal slechts eenige bijzonder treffende
gebeurtenissen aanstippen. Juist honderd jaar vóór de uitbarsting van
Krakatau, in 1783, hadden er op aarde uitbarstingen plaats, die waardig
zijn vergeleken te worden met die van 1883.
De Arama in Japan slingerde rotsblokken van 12 tot ?? meter hoogte in de
lucht. Steden en dorpen werden begraven. Men verhaalt, dat er één steen
door den krater werd uitgeworpen, die 34 meter breed en 80 meter lang
was; die steen viel in eene rivier, en zag er uit als een eiland. De
sporen van deze uitbarsting zijn na meer dan honderd jaren nog te zien
in den vorm van reusachtige steenblokken, die verspreid zijn over de
vlakte van Oiwake, en van een lavastroom, die eene lengte heeft van
twaalf uur gaans.