Wij liggen weder op de reede van Anjer geankerd, nog geen twee etmalen

na ons vertrek op 26 Augustus. Maar er is geen Anjer meer--het is

weggevaagd van den aardbodem. Alleen een stomp, de voet van den

vroegeren vuurtoren op Java's Vierde punt, is overgebleven en is het

eenige grafmonument, dat de grauwe kleur afbreekt van het reusachtige

kerkhof, dat zich van het dek der "Loudon" aan onze blikken vertoont. De

vuurtoren zelf is verdwenen, maar het stuk van het fondament, dat zich

nog boven de vlakte verheft, bewijst de nabuurschap van de reede van

Anjer. Eergisteren zagen wij hier bloeiende kampongs, en eene

Europeesche vestiging. Nu aanschouwen wij eene effen grijze vlakte. De

rivier van Anjer is geheel met specie gevuld. Zelfs geen ruïne is

blijven staan, alles is met den grond gelijk gemaakt. Eene meer volkomen

verwoesting is niet denkbaar. Een paar bladerlooze boomstammen,

aschgrauw van kleur, steken boven de vlakte uit. De zee is overal met

drijfhout bedekt.

Het was voor de vele Anjereezen, die den 26sten Augustus aan boord

waren gekomen (koelies) ook een treffend schouwspel, toen zij, van af

het dek der "Loudon" zagen, dat hunne woonplaats vernietigd was.

Waarschijnlijk zijn hunne rijstvelden verwoest, hunne vrouwen en

kinderen omgekomen; want van al de kampongs langs het strand is niets

gered. Het phlegma den inlander eigen--zijne bijzondere "leukheid" zou

men kunnen zeggen--verloochende zich ook hier niet. Men zoude

veronderstellen, dat deze arme lieden zeer treurig gestemd moesten zijn,

en dat zij zich met alle geweld zouden willen ontschepen om de lijken

hunner vrouwen en kinderen te zoeken. Het tegendeel geschiedde echter;

zonder eenig zichtbaar blijk van medegevoel met hunne betrekkingen, met

hunne vrienden, die als slachtoffers van de overstrooming zijn gevallen,

toonden zij een volkomen gebrek aan gevoel en hart. Hunne uitingen

drukten meer blijdschap uit over het feit, dat zij zelf den dans

ontsprongen waren, dan medelijden met hunne achtergelaten en

vermoedelijk omgekomen verwanten. Laten wij echter niet te haastig zijn

in ons oordeel. Allicht dwalen wij Europeanen, als wij de gevoelens der

Javanen willen begrijpen, als wij hunne uitingen willen verklaren.

Wellicht was het bij hen weder die kalme berusting in Gods almachtigen

wil, die ons, tijdens het dreigende levensgevaar op de "Loudon", zoo met

verbazing maar toch ook met eerbied vervulde: "Anjer is verwoest; God

heeft het zoo gewild; _Allah hoe akbar_--God is groot."

Van het dek van de "Loudon" nam men waar, dat er zich eenige Europeanen

bewogen op de plaats, waar eens Anjer was. Kapitein Lindeman meende, dat

dit wellicht personen waren, die hulp noodig hadden. Hij ging zelf met

eene sloep aan den wal, en droeg het bevel over de "Loudon" tijdelijk op

aan den eersten officier, terwijl hij hem toevoegde: "Als er soms,

terwijl ik van boord ben, weer zeebevingen of vloedgolven komen

opzetten, stoom dan onmiddelijk van de reede van Anjer weg."

Aan wal gekomen ontmoette de gezagvoerder van de "Loudon" den resident

van Bantam, Spaan, die, vergezeld van den eerstaanwezend-ingenieur van

den waterstaat van der Ploeg en den controleur ten Cate met buitengewone

krachtsinspanning van zijne hoofdplaats Serang was gekomen ten einde

persoonlijk den toestand van de verwoeste streken op te nemen en

dadelijk hulp te kunnen bieden. Deze heeren kwamen aan boord en uit hun

mond vernamen wij nadere bijzonderheden over de ramp, die Bantam

getroffen heeft. De tijdingen, die wij van hen hoorden, zijn vreeselijk.

Duizenden en nog eens duizenden inlanders en ook tal van landgenooten

hebben den dood gevonden, en dit treft te meer als men velen van hen

gekend heeft.

Ongelukkig Bantam! Nauwelijks waart gij de ellende te boven gekomen,

waarin veepest, hongersnood en koortsepidemieën in 1880 en 1881 u

gedompeld hadden; thans is de geheele kuststreek van Straat Soenda

getroffen door eene ramp zonder weerga, zoo plotseling, dat niet voor

velen redding mogelijk is geweest.

Te Anjer hoorde men reeds den 26sten Augustus des middags te twee ure

de hevige knallen, die de uitbarstingen van Krakatau vergezelden, en men

nam abnormale ebbe en vloed waar in zee. Des avonds te zes ure werd deze

waterbeweging sterker; een 25 tal prauwen en een schoener, die op de

reede of in het havenkanaal liggen werden driftig en bewogen zich met

groote snelheid, dan in de eene richting dan in de andere. Men hoort

donder en ziet bliksemstralen; de telegraafdraad, die Anjer met Serang

verbindt, breekt doordat de schoener er mee in aanraking komt, om half

tien 's avonds houden de geluiden op en alleen valt er gedurende den

nacht een kleine aschregen.

Eenige bewoners begeven zich 's nachts te één ure nog eens naar het

strand en kijken naar het heen en weer gaan van het water en van de

schepen.

Geheel Anjer gaat vervolgens slapen. Men vergunne mij hier eene

opmerking. De lezer zal zich waarschijnlijk afvragen, hoe het mogelijk

is, dat de inwoners gerust kunnen gaan slapen, als er zich toch reeds

verschijnselen voordoen, die zoo buitengewoon zijn. Maar de bewoners van

Indië nemen zoo dikwijls aardbevingen en onderaardsche geluiden waar,

die in verband staan met de vulkanen, dat men zich in deze streken niet

zoo gemakkelijk beangst.

Des morgens op den 27sten Augustus te zes ure zijn de beambten van den

post- en telegraafdienst bezig met het herstellen van den

telegraafdraad. Sommige Europeanen zijn reeds opgestaan en wandelen in

nachtbroek of sarong en kabaai over hun erf of nemen een bad in de

"mandikamer", gelegen in de bijgebouwen. Anderen zijn nog te bed.

Te half zeven komt de vloed opzetten; men aanschouwt eene donkere

watermassa in volzee, deze watermassa beweegt zich voort naar de reede

met groot gedruisch. Zij schijnt eene groote snelheid te bezitten. Zij,

die haar gezien hebben, vluchten in aller ijl en eenige van hen zijn

gered. De meeste bewoners hebben de golf niet kunnen zien aankomen,

anderen hebben niet de noodigen tijd om te vluchten. Het water stijgt en

overstroomt de stad.

Plotseling trekt het water zich terug, en sleept mannen, vrouwen en

kinderen mede naar zee. Alles is weder opnieuw kalm en stil, men ziet

slechts overblijfselen van schepen, bruggen, huizen, takken en lijken.

Dit is slechts het voorspel. Een zware aschregen begint. De personen,

die gered zijn en waarvan sommige gewond zijn, scheppen weder adem. Van

geheel Anjer is slechts het fort, de gevangenis, de woning van den patih

en de "kawedanan" (huis van het districtshoofd) over.

De echtgenoote van den assistent-resident van Anjer was juist in de

badkamer met haar kindje, toen de golf haar bereikte, zij wordt door het

water uit de badkamer geworpen, zij ziet haar echtgenoot verdwijnen,

terwijl ze haar kind in de armen heeft.

Verscheidene malen wordt haar kind haar ontnomen door de golven, elke

keer doet zij bovenmenschelijke pogingen om het kind weer te grijpen.

Eindelijk verdwijnen de wateren, zij is gered, zij houdt haar kind nog

vast en vlucht..... maar haar kind sterft in hare armen, zij heeft

slechts een lijk gered en haar echtgenoot is voor altijd verdwenen.

Twintig minuten van Anjer werd een graf gedolven en daar werd het kindje

begraven.

Er was te Anjer een hotel, dat dichtbij de zee gelegen was. De opzichter

van den waterstaat H.J. van Rosmalen, en de havenmeester P.T.M. van

Leeuwen, die in dat hotel logeerden, zijn verdwenen met al de bewoners

van het hotel en het hotel zelf.

Alleen eene jonge dame, de dochter van de hotelhoudster Mevrouw Schuit,

heeft zich kunnen redden, nadat zij hare moeder had zien verdwijnen. Nu

treedt te 10 ure de duisternis in na een ontzettenden knal vergezeld

door den orkaan en den modderregen. De arme inwoners, die de ramp

overleefden en die alles verloren hebben, zijn in een vreeselijken

toestand. Zij trachten te vluchten. Maar niemand ziet den weg en men

loopt de kans van gedood te worden door de boomen, die aanhoudend

vallen, geknakt als ze zijn door het gewicht van de modder.

In die duisternis hoorde men plotseling een groot gekraak. Het was de

grootste van alle vloedgolven, die, door niemand aanschouwd, tot niet

minder dan 36 M. hoogte opliep, de overige gebouwen van Anjer medenam,

den vuurtoren afknapte en ten slotte stukken koraal, uit zee

medegevoerd, op het strand achterliet, waarvan er één een gewicht had

van minstens 400,000 kilogrammen.

De gevangenis is verdwenen met alle bewoners, gevangenen zoowel als

bewakers.

De schoone assistent-residentswoning, het postkantoor, het fort, de

scholen, de Chineesche kamp, de inlandsche kampongs, de huizen der

inlandsche hoofden--alles is weg. Een stinkend moeras is het eenige, wat

men ziet: zelfs de plaats, waar Anjer eens lag, is niet geheel terug te

vinden, want de teruggaande golf heeft een heel stuk uit de vlakte van

Anjer weggehapt. 14 Europeanen en 7600 inlanders zijn omgekomen.

Tusschen Anjer en Tjaringin lagen aan zee de dorpen Sirih, Pasaroeran,

Tadjoer, en Tjerita--zij bestaan niet meer. Te Tjaringin is de ramp op

dezelfde wijze geschied als te Anjer, zoodat het onnoodig is hierover

uit te wijden. De vlakte, waarin Tjaringin lag, was anderhalve kilometer

breed. Weinigen slechts ontkwamen aan den vloed. Geen enkel gebouw, geen

enkele boom is blijven staan; talrijke lijken zijn blijven liggen

tusschen overblijfselen van huizen en boomen. De wegen bestaan niet

meer. In het Europeesche gedeelte zijn alle huizen in zee gespoeld. In

de geheele afdeeling zijn 12000 slachtoffers. De assistent-resident Jhr.

J.A.O. van den Bosch, de controleur P. Schalk, en de 1e luitenant bij

de topographische opnemingsbrigade A.T. Dessauvagies zjn verdwenen.

De slachting te Tjaringin aangericht onder de inlandsche aristocratie,

doet ons denken aan een oud-testamentisch wraakgericht.

Den 26sten Augustus 1883 werd er in de kaboebaten (regentswoning) te

Tjaringin, ten huize van den regent van het wester-regentschap van

Bantam, raden toemenggoeng Djaja Kegara een schitterend familiefeest

gevierd. In het geheel waren er 55 familieleden van den regent

aanwezig. Behalve de eigen vrouwen en kinderen van Djaja Negara

herbergde de kaboepaten dien dag ook de kinderen van zijn overleden

broeder raden Soeleiman. De vader van den regent van Tjaringin en van

raden Soeleiman was de eens zoo machtige regent van Lebak raden adipati

Karta Nata Negara, de bekende hoofdpersoon uit den "Max Havelaar", die

de buffels stal van de ouders van Saidjah en Adinda. Zijne

afstammelingen vierden nu voor het laatst feest. De vloedgolf van

Krakatau nam de geheele regentswoning mede. Zij verdween en met haar de

geheele familie van Djaja Negara. Geen enkele der 55 aanwezige verwanten

ontkwam.

Zoo eindigde het geslacht van raden adipati Karta Nata Negara, den

gevreesden tiran van Rangkas-Betoeng. Want wel leven er nog twee zoons

van den Lebakschen regent: raden Idroes, die als ontslagen ambtenaar in

Lebak leeft en raden Moesa thans assistent-wedama van Tjoeroeqbarang in

't regentschap Pandeglang; maar zij munten uit door onbeduidendheid. Van

tijd tot tijd plaatst de regeering ze in ondergeschikte betrekkingen.

Gewoonlijk worden ze dan al spoedig aangeklaagd door de bevolking,

wegens knevelarij gestraft, en, als dat niet helpt, ontslagen.

De eenige zoon van den adipati, die het ver gebracht had in de wereld,

was de regent van Tjaringin. Op zijne zonen zou nog een deel overgaan

van den luister, die den ouden adipati van Lebak eens omstraalde.

Maar nu is het uit met het oude regentengeslacht van Lebak, volgens de

merkwaardige wet, die op Java heerscht, dat de adel van geboorte in rang

daalt naarmate de descendent verder afstaat van dengene, die zijn

geslacht verheven heeft boven zijne landgenooten. De kleinzoons van

regenten genieten slechts weinig eerbied meer van de zijde der

bevolking; de oude adel houdt alleen waarde, als de drager zelf er weder

in slaagt eenigen ambtstitel te bemachtigen. De afstamming van de

kruisridders alléén, waar onze Westersche oude geslachten zoo trotsch

op zijn, zou bij de Javanen geen reden tot zelfverheffing zijn.

De inlandsche hoofden der afdeeling Tjaringin deelden het lot van hun

regent, de patih werd teruggevonden zonder hoofd; de "wedana kota", dat

is het districtshoofd ter hoofdplaats, verdween met vrouw en kinderen.

De onder-collecteur, de ambtenaar, die de landrente int, vergrijsd in

den dienst van het Nederlandsch Indische gouvernement, was door geene

smeekingen te bewegen de geldkist te verlaten, die hij bijna een halve

eeuw beheerd had. Hij wachtte het gevaar af, gezeten op die geldkist en

vond daar den dood.

De tocht, dien de Bantamsche heeren uit Serang achter zich hadden, toen

zij te Anjer werden opgenomen in de sloep van kapitein Lindeman, was

niet gemakkelijk geweest; de postweg was op sommige plaatsen geheel

verdwenen, terwijl er hier en daar bepaald kluwens lagen van

dooreengewoelde fragmenten van boomen en huizen, waartusschen soms

lijken uitstaken. Gaarne nam dan ook de resident van Bantam, die naar

Serang terugwilde, het aanbod aan van kapitein Lindeman om hem in de

Bantambaai bij het oude Bantam aan wal te zetten.

Daardoor hadden wij de gelegenheid nog verdere gevolgen van de

uitbarsting te zien. De eilanden van Straat Soenda hebben in de

verwoesting gedeeld. Zij zijn kaal; alle plantengroei is verdwenen. Wij

verkennen het eiland Dwars-in-den-Weg. Volgens de berichten, die de

resident van Bantam medebracht, was dit eiland in 5 stukken gespleten.

Ook de passagiers van de "Loudon" zagen, zooals ik in Sept. 1883

schreef: "dat thans Dwars-in-den-Weg uit 5 stukken bestaat, tusschen

welke de wateren der zee rustig vloeien."

Toch was onze indruk onjuist, hoewel alle schepen, die in die dagen

door Straat Soenda voeren, hetzelfde opmerkten. Toen de heer Verbeek, 2

maanden na de eruptie, zijn tocht deed naar de kustlanden van Straat

Soenda, kon hij door de hevige branding wel is waar niet landen op

Dwars-in-den-Weg, maar hij slaagde er toch in dicht genoeg bij het

eiland te komen om vast te stellen, dat Dwars-in-den-Weg nog uit één

stuk bestaat. Beschouwt men de beide prachtig uitgevoerde gekleurde

teekeningen van het album in Verbeek's Krakatau, die een gezicht op

Dwars-in den-Weg voorstellen, dan krijgt men echter eveneens den indruk,

dat men verschillende stukken land, niet dien, dat men één eiland voor

zich heeft. De heer Verbeek merkt zelf hieromtrent op, dat de zee aan de

Zuidzijde van het eiland tot 35 M. hoogte is opgeloopen, dat de zee over

de lagere gedeelten van het eiland van Zuid naar Noord is gestroomd en

daarbij alle planten en boomen heeft medegesleept.

Hij voegt er het volgende bij:

"Daar de lage gedeelten, op eenigen afstand uit zee gezien, achter de

kruin duiken, ziet het eiland er dan uit, alsof het uit verschillende

stukken bestaat, waardoor het bericht verklaard wordt, dat

Dwars-in-den-Weg in 5 stukken gespleten zoude zijn. Komt men naderbij,

dan ziet men dat de hoogere gedeelten door de lagere nog steeds tot één

samenhangend eiland zijn verbonden."

Ik zou deze zaak hier niet releveeren, ware het niet om een persoonlijk

feit.

In October 1883 zond ik uit Padang een opstel over de uitbarsting van

Krakatau naar Frankrijk, hetgeen gepubliceerd werd onder den titel "Le

desastre de Krakatau", in het "Bulletin Mensuel de la Sociétè

Scientifique Flammarion" à Argentan, en in "la Nature." De heer Verbeek

zegt in zijne "aanteekeningen" (No. 140) over dit opstel: "Dit verslag

geeft een vrij goed overzicht van de eruptie, maar het bevat de oude

onjuistheden over het verdwijnen en ontstaan van eilanden, die de eerste

verwarde courantenberichten gaven."

Dat ik Dwars-in-den-Weg, in 5 stukken heb laten splijten is, dunkt mij,

zeer vergefelijk. Toen ik _dat_ schreef had de Heer Verbeek zijn tocht

nog niet gedaan en, als men ziet, dat, twee maanden na de eruptie, het

eiland er op zijne teekeningen nog uitziet, als of het verbrokkeld was,

dan zal men zich kunnen begrijpen hoe veel sterker _onze_ indruk van dit

feit was, op een tijdstip toen één etmaal geleden de wateren over de

lage gedeelten van Dwars-in-den-Weg heen gespoeld waren.

Gaarne wil ik echter bekennen, dat ik ten onrechte vermeld heb, dat het

eilandje Tempoza bij Merak verdwenen was. Door de vele drijvende

puimsteenvelden, de massa's drijfhout en de stukken, die van de kust

versch waren afgekapt, onder den vollen indruk zijnde van het gebeurde,

was het vrij wat moeilijker zich goed te oriënteeren in Straat Soenda op

de "Loudon", dan twee maanden daarna, toen de puimsteenvelden niet meer

den indruk maakten van eilanden, toen de kust er weer meer normaal

uitzag en toen eene expeditie, voorzien van alles wat zij noodig kon

hebben, op wetenschappelijke wijze onder de uitstekende leiding van

Verbeek werd uitgezonden.

Wat wij van de "Loudon" waarnamen, waren slechts losse indrukken; de

opname van Verbeek is een monument! Maar welke vreeselijke impressie van

verlatenheid en verwoesting ook de platen van zijn Krakatau-album maken,

toch gaven zij mij niet den aanblik van de kusten en eilanden terug,

zooals wij die zagen van af de "Loudon", toen de verwoesting vóór één

etmaal geschied was. Het landschap had toen iets bovenaardsch, iets

"niet van deze wereld." Want niet alleen, dat men langs elk eiland de

eigenaardige streep zag tusschen de 20 en 40 meter hoogte, die de grens

aangaf van de totale vernietiging door het water teweeggebracht. Maar

daarboven, hooger dan het hoogste gebergte, werd de achtergrond gevormd

door het gebied van den asch-, modder- en puimsteenregen, ook dáár was

toen geen spoor van plantengroei te zien; de boomen waren geknakt door

de modder en alles was aschgrauw van tint! Door de hevige regens, die

in de dagen na de uitbarsting plaats vonden, verdween asch en modder, en

de weelderige groeikracht der tropen deed weer menig groen knopje

uitspruiten op plekken, waar alles even doodsch en grijs was als langs

de onherbergzame stranden van de Roode Zee.

Zooals wij Straat Soenda zagen--daarvan kan zelfs het schoone album van

Verbeek's Krakatau geen denkbeeld geven.

Na Dwars-in-den-Weg aan bakboord voorbij gevaren te hebben, naderen wij

aan stuurboord het kleine eilandje Poeloe Merak. Op dat eilandje was een

dynamietmagazijn, ten behoeve van den dienst der Bataviasche havenwerken

te Tandjong Priok. Tegenover dat eilandje Merak ligt op den Java-wal

vlak aan zee, de kampong Merak. De trachietrotsen, die hier tot vlak bij

zee doorloopen, hebben het materiaal uitgemaakt voor de havendammen van

Tandjong Priok.

De steenbrokken werden uit het gebergte met dynamiet losgemaakt en door

zwevende kabels vervoerd. Langs den voet van het gebergte liep eene

spoorbaan. De steenbrokken werden daar in wagons geladen, die door een

locomotief op een steiger of aanlegplaats werden gebracht, vanwaar ze

door middel van stoomkranen konden geladen worden in hopperbarges.

Het huis, bewoond door den eerstaanwezend-ingenieur te Merak, A.C.

Nieuwenhuys, stond op een heuvel van 14 meter hoogte, vanwaar men een

prachtig gezicht had op het etablissement der havenwerken, op de kampong

en op de heerlijke Straat Soenda met hare eilandjes. De heer Nieuwenhuys

was den 25sten Augustus naar Batavia vertrokken ten einde zijn

echtgenoote op te zoeken, die aldaar vertoefde. Daardoor is dit gezin

gered. Want de wateren van Straat Soenda stegen te Merak tot 30 M. boven

het gewone peil der zee. Het geheele personeel, dat te Merak vertoefde,

kwam jammerlijk om. De chef-mijnwerker K.A. Naumann met echtgenoote, de

opzichter H.B. van Diest met echtgenoote, de opzichter J. Kaal, de

machinist S.C. van Essen met vrouw en 4 kinderen, de magazijnmeester

J.S. Townsend met kind, allen verdwenen. De inlandsche werklieden,

timmerlieden, machinisten, smeden, bankwerkers, stokers en koelies, te

zamen 169 in getal, benevens 14 mandoors (inlandsche koelie-opzichters),

de meesten met vrouwen en kinderen, werden zonder één spoor na te laten

medegesleurd door de golven.

Toen de heer Nieuwenhuys den 28sten Aug. te Merak kwam, was er niets

meer over, noch van zijn huis, noch van het etablissement, noch van de

kampongs.

Locomotieven waren als blik gedeukt, en spoorstaven als papier

samengevouwen.

Na een laatsten blik op Merak, varen wij Punt St. Nicolaas om en zetten

den resident Spaan in de Bantambaai aan land. De bestemming van de

"Loudon" is de Westkust van Sumatra. Wederom zet de gezagvoerder koers

naar het Westen. Ten derden male dus door Straat Soenda en langs

Krakatau--en wee ons, als er weder eene uitbarsting komt! Want driemaal

is scheepsrecht, wij zouer dan zeker niet levend zijn afgekomen.

Maar de wereld van Vulcaan is geheel in rust. Krakatau rust op zijne

lauweren. Het is wèl geweest.

_Pour la bonne bouche_ in den nacht van 28 tot 29 Augustus nog wat

aschregen--en wij zijn eindelijk in den Indischen Oceaan. De eerste

haven, die de "Loudon" aandoet is Kroë of "Krooi", zooals de Hollandsche

matrozen zeggen. Wij praaien daar de stoomboot van de Nederlandsch

Indische Stoomvaart-Mij. "Graaf van Bylandt", die van Padang komt met

het plan Straat Soenda in te gaan. Nadat kapitein Lindeman den

gezagvoerder het een en ander verteld heeft over de verwoesting van

Straat Soenda, vervolgt de "Bylandt" hare reis.

Te Kroë heeft men geen vloedgolven waargenomen. Maar daarentegen heeft

men in de richting van Krakatau van 26 Augustus 's middags te 3 ure

kanonschoten, luchttrillingen, schokken en donder gehoord tot 28 Aug.

toe.

Ook hier is de zon geheel verduisterd geweest; terwijl de thermometer

van den controleur Dr. D.W. Horst des middags daalde tot 73° Fahrenheit.

Ook is er veel asch gevallen. De kust ziet er uit als een Hollandsch

landschap, waar eenige sneeuw gevallen is. Maar het is ons eene

verademing weer aan zee dorpen te zien liggen, die niet verwoest zijn.

Den volgenden dag zijn wij te Benkoelen, alwaar wij vernemen, dat men

van de uitbarsting ongeveer evenveel gemerkt heeft als te Kroë.

Alleen heeft men te Benkoelen een bijzonder hoogen vloed opgemerkt, die

voorafgegaan werd door eene buitengewoon lage ebbe, die zoo gauw afliep,

dat visschen, schildpadden en zeekalven op het droge achterbleven. Hoe

verder Noordelijk, des te minder schade heeft het natuurverschijnsel

aangericht. Allen echter, die wij spraken, waren het er over eens, dat

gedurende minstens een etmaal telkens een geluid als van een kanonschot

was gehoord.

Zeer vreemd is het zeker, dat aan boord van de "Loudon" van dit geluid

niets gehoord is, terwijl zij toch tijdens de uitbarsting in het centrum

van werking was.

Den 30sten Augustus komt de "Loudon" op de reede van Padang. Wat

zijn wij allen dankbaar, dat wij er heelhuids zijn afgekomen!

HOOFDSTUK VI.

Het gebied der schoten en luchttrillingen van Krakatau.

Wat men te Padang meende, toen de schoten gehoord werden.--In Atjeh

gelooft men, dat er een gevecht plaats heeft.--Op de "Loudon" is

geen geluid vernomen.--Uiterste punten van het gebied van het

geluid der schoten.--Het geluid op Java.--De geluidscirkel.--Over

1/14 der aard-oppervlakte is het geluid gehoord.--Veronderstelling

dat Krakatau te 's Gravenhage lag.--Eerste berichten in Europa over

de ramp.--Het gebeurde te Batavia, op Onrust, te Tandjong Priok.

De onhoorbare geluiden tijdens de

uitbarsting.--Oorsuizingen.--Benauwdheid, omvallen van

voorwerpen.--De reuzentrilling van den 27sten Augustus te 10

uur.--Zij doet eene reis om de aarde in 35 uur.--Tweede reis om de

aarde.--Derde reis om de aarde.--De luchtgolven als snelboden der

uitbarsting.

Er is nog nooit op aarde, zoo lang menschengeheugenis reikt, een geluid

voorgebracht, dat gelijktijdig is gehoord over zulk eene

uitgestrektheid, als de schoten van Krakatau.

Toen de "Loudon" te Padang aankwam, vernamen wij, dat over geheel

Sumatra van den 26sten Augustus tot den 27sten Augustus

kanonschoten gehoord waren, gepaard met luchttrillingen.

Zooals bekend is geeft Sumatra, op het gebied van Vulcaan, Java niet

veel toe; aardbevingen en geluiden zijn er geen zeldzaamheid. Maar de

kanonnade van 26 tot 27 Augustus was zoo buitengewoon hevig, dat men

zich toen toch ernstig ongerust maakte.

In Het Rijk van Vulcaan de Uitbarsting van Krakatau en Hare Gevolgen · 第 6 / 14 段