De Sumatra-wal is dichtbij. De kust ziet er hier allertreurigst uit:

alles is kaal; de boomen zijn door het gewicht van asch en modder

omgevallen of door de golven der zeebeving medegenomen. De zee is

overal bedekt met drijfhout en puimsteen. In de verte, in de richting

van Poeloe Tiga, is de ingang van de Lampongbaai geheel afgesloten door

groote opeenhoopingen van puimsteen, die eilanden vormen, welke boven de

zee als riffen of klippen uitsteken, en die eene aaneengesloten

verbinding schijnen te vormen tusschen Poeloe Tiga, Seboekoe en den

vasten wal. Deze eilanden van puimsteen drijven als ijsbergen, zij

vereenigen zich met elkaar en worden grooter, want de zeestroomingen

zijn nog steeds sterk en voeren steeds puimsteen aan. Maar ondanks die

drijvende puimsteenbergen moeten wij, het koste wat het wil, de

Lampongbaai uit.

Daar het vaarwater in Straat Lagoendie tusschen het eiland Lagoendie en

den Sumatrawal betrekkelijk open was, werd er koers gezet in die

richting.

Ongelukkig ontdekken wij dat de uitgang van die straat eveneens gesloten

is door een groot drijvend puimsteeneiland, dat ongeveer twee meter dik

is en den weg geheel verspert.

Maar de "Loudon" moest tot elken prijs uit de Lampongbaai en zij stoomde

dus dapper op het puimsteeneiland in. En het eiland opende zich en liet

de "Loudon" door, terwijl de puimsteen zich achter het schip weder

sloot--zoo voeren wij dwars door het eiland henen. Wel geraakte de

vangpijp van de machine verstopt, maar gelukkig waren wij reeds door het

eiland gevaren, in open zee en gered.

Wat ziet de "Loudon" er uit! Geen baggermolen kan zoo vuil en smerig

zijn. Alles zit vol vieze, stinkende modder. Alle losse voorwerpen op

het dek zijn verdwenen, de stijlen, die de zonnetenten dragen, zijn

midden doorgeknapt; de hut van den gezagvoerder is gevuld met modder.

Als de boot een jaar of tien geleden was gezonken en nu gelicht, zou zij

er wellicht niet zoo walgelijk hebben uitgezien. Het is een tafereel,

de pen van Zola waardig.

Behalve het scheepsvolk helpen ook de militairen, de Bantamsche koelies

en de dwangarbeiders om het dek te wasschen en de modder te verwijderen,

die letterlijk overal is ingedrongen. Het duurde echter een paar dagen

voor de "Loudon" er weer toonbaar uitzag.

Wij verlaten thans voor eenige oogenblikken de "Loudon" en keeren nog

eens terug naar de reede van Telok Betong. Behalve de "Loudon" bevonden

zich aldaar tijdens de verwoesting van deze stad nog twee schepen: het

zeilschip "Marie" en het stoomschip "Barouw". Deze schepen lagen dichter

bij Telok Betong dan de "Loudon." Zooals reeds vermeld is werden zij

beiden door de vloedgolf medegenomen, die voor onze oogen Telok Betong

had vernietigd en toen het water was afgetrokken, zagen wij de "Marie"

dwars op het strand liggen, terwijl de "Barouw" veel hooger op de kust

bleef vast zitten.

De lotgevallen van de "Marie" grenzen aan het wonderbaarlijke.

De "Marie" was een zeilvaartuig in dienst van de firma Landberg en Co.

te Batavia, de aannemers van het transport van gouvernements-zout van de

depôts naar de zoutverkooppakhuizen.

De kapitein was afwezig, zoodat de eerste stuurman, de heer K.P.

Stokhuijzen, als gezagvoerder fungeerde. Op den avond van den 26

Augustus, toen wij van de "Loudon" de "Marie" zagen liggen, had zij even

als wij voortdurend te kampen met zware zeëen. Vele prauwen sloegen van

hun anker en botsten tegen de "Marie" aan, of werden op den wal

verbrijzeld; op de "Marie" werden nog tien schipbreukelingen van

verongelukte prauwen opgevischt.

Toen de heer Stokhuijzen den volgenden morgen de hooge golf zag

aankomen, die Telok Betong zou vernietigen, liet hij alle luiken en

gaten dicht spijkeren. Hij was daar juist mede gereed toen de vloedgolf

de "Marie" bereikte. Toen werd de "Marie" op zijde op het strand

geworpen en toen de "Loudon" wegstoomde, zagen wij haar liggen.

Ik kan niet nalaten hier de eigen woorden van den heer Stokhuijzen aan

te halen, waarmede hij zoo eenvoudig en onopgesmukt het verder

wedervaren van de "Marie" verhaalt in een brief aan zijne betrekkingen.

"Het schip hield de zware zeeën goddank goed uit, maar het werd op het

strand geworpen, zoodat ik bij het afloopen van het water droogvoets om

het schip kon loopen. Terstond daarop belegde ik scheepsraad, waarin de

equipage verklaarde niet langer aan boord te willen blijven, omdat

wanneer wij nogmaals zulke zeeën kregen, het schip groot gevaar liep

geheel verbrijzeld of ten onderste boven geslagen te worden. Ik gaf hun

verlof het schip te verlaten, doch zelf besloot ik het mij toevertrouwde

schip niet te verlaten, en dus aan boord te blijven.

Daarop verliet de equipage het schip, maar een gedeelte bereikte slechts

den wal en de anderen kwamen met veel moeite weder aan boord terug,

zoodat ik weder 8 mannen en 3 vrouwen aan boord had.

Tegen 10 uren zag ik weder drie zware zeeën aankomen en dacht nu dat

mijn levensloop gesloten was, want het schip lag op het strand en

daarbij dwars, zoodat de aanrollende golven met volle kracht op het

schip konden neerkomen."

"Ik deed een kort gebed, herdacht u allen en wachtte gelaten af wat

komen zou.

Het schip werd als een bal opgenomen en plat op zijde geworpen. In deze

positie liepen de zeeën over de "Marie" heen.

Intusschen werd het duister. Eensklaps hoorden wij een knal, alsof een

buskruitmagazijn in de lucht vloog. De hemel stond als het ware in vuur

en er was een zwaveldamp, benauwend tot stikkens toe. Tegen 3 uur 's

namiddags kreeg ik nogmaals 3 zeeën over, en daarna niet meer. Het werd

geen dag meer. Waar ik was wist ik niet; ik dacht hoog en droog op het

strand te staan. Eindelijk kwam de lang gewenschte dag. Toen ik aan dek

kwam stond ik van ontzetting als verstomd. Van alle schepen op de reede

was alléén de "Marie" als door een wonder gered."

"Wij lagen weer in diep water. Ik houd het er voor, dat de laatste hooge

zee ons weer van strand heeft afgeslagen.

Wij hebben 4 personen, waaronder 2 vrouwen, verloren."

Zonder voorbeeld is inderdaad het lot van de "Marie"! Wel zeer terecht

mocht Stokhuijzen schrijven, dat de "Marie" als door een wonder gered

was. Dat de golf een schip uit zee opneemt, omwerpt en zóó hoog op het

strand zet, dat is op zich zelf al geen dagelijksch verschijnsel. Maar

dat eene nieuwe golf het schip weer opricht en, evenals of het van de

werf afloopt, behoorlijk in zee plaatst, grenst dit niet aan het

ongelooflijke?

Het tweede schip, dat wij hadden zien opnemen door de vloedgolf te Telok

Betong, was het stoomschip "Barouw". Toen wij wegstoomden zagen wij het

stoomschip hoog op de kust zitten. Later bleek de "Barouw" echter

spoorloos verdwenen te zijn.

Geruimen tijd na de ramp vond men de "Barouw" terug, op drie kwartier

afstand van de zee, op het droge, evenals de arke Noachs na den

zondvloed.

Wat was er intusschen geworden van de inwoners van Telok Betong?

Den 26sten Augustus des avonds, toen de "Loudon" verwacht werd,

begaven zich vele Europeanen op het havenhoofd, want er komt niet

dikwijls een stoomschip uit Batavia en men heeft niet veel afleiding te

Telok Betong. Toen verscheen de eerste vloedgolf; het havenhoofd

overstroomde, en de bezoekers redden met moeite hun leven. Den volgenden

morgen te half zeven kwamen de golven, die wij van de "Loudon" af zagen;

het lage gedeelte van Telok Betong werd vernietigd, maar alle Europeanen

waren gevlucht naar de woning van den resident en de benting, gelegen op

24 meter boven de zee. Te tien ure knalde eensklaps een slag, als van

een vuurmond, in de onmiddellijke nabijheid. De hemel is koperkleurig,

de zon is onzichtbaar, bliksemstralen doorklieven de lucht. Om half elf

is de duisternis volkomen. Modder en puimsteenregen doordringt alles,

het loeien van den wind overstemt alles, de orkaan is allerhevigst,

evenals bij ons op de "Loudon", die niet ver van hier hetzelfde lot

ondergaat.

Toen het licht werd, zagen de geredden eene kale vlakte, geen huis, geen

boom was gespaard. Lijken van menschen en dieren, stukgeslagen

vaartuigen, ontwortelde boomen en drijfhout, alles onder de modder

begraven, ziedaar wat van Telok Betong over was. Niemand had in de

duisternis het dreigende levensgevaar bespeurd, waarin allen verkeerd

hadden. Tijdens die duisternis toch was eene vloedgolf gekomen, die tot

op eene hoogte van 22 M. boven de zee was opgeloopen en die het water

tot de onmiddellijke nabijheid van hun toevluchtsoord had opgestuwd.

In het geheel vonden in de residentie Lampongsche districten 12500

menschen den dood ten gevolge van die vreeselijke golven.

Wel betaamt ons, passagiers van de "Loudon", een gevoel van dankbaarheid

tegenover kapitein Lindeman! Was hij niet onmiddellijk, na de vloedgolf

van half zeven 's morgens, weggestoomd, dan waren wij zeker met de

latere, zooveel machtiger vloedgolf op de kust van Telok Betong

geslagen.

En, wanneer hij niet den moed had gehad om dwars door het drijvende

puimsteeneiland van Straat Lagoendie te varen, dan waren wij niet meer

uit de Lampongbaai gekomen. Want ontzettende massa's puimsteen dreven

voortdurend de Lampongbaai binnen. Zij bedekten weldra, als ééne

compacte massa, de geheele watervlakte, en maanden lang was de

Lampongbaai geheel gesloten voor de scheepvaart. Evenals eene Noordsche

haven, die een gedeelte van het jaar door het ijs geblokkeerd is, was de

geheele baai totaal afgesloten door puimsteenvelden. En er verliepen

meer dan drie maanden na de verwoesting van Telok Betong voor er weer

een schip kon ankeren op de reede.

Want eerst in December 1883 raakte de puimsteen in beweging en dreef weg

uit de Lampongbaai. In dien tusschentijd was Telok Betong alleen over

land te bereiken van uit de Ratehbaai. Die geelachtige, grijze laag

puimsteen in de Lampongbaai verhief zich op sommige plaatsen meer dan 4

M. boven de zee. De heer Verbeek vergelijkt die drijvende massa's met

vuil ijs. Zij kunnen het gewicht van een mensch niet dragen en ze zijn

te dik, te veel door elkaar gewoeld, te goed aan elkaar verbonden door

modder, slik en asch, om een schip te laten passeeren.

Het ligt voor de hand, dat de ontzettende golven, die Telok Betong

wegvaagden, eene niet minder volledige verwoesting hebben aangericht

over het geheele Kustland van de Lampongbaai. Het gebergte is hier

overal vlak bij de kust, zoodat de strook, die schoongeveegd werd door

de wateren, niet breed is. Maar aan het strand lagen verschillende

welvarende, volkrijke kampongs, waarvan geen spoor meer over is

gebleven. Zoo verdwenen aan den voet van den berg Radja Bassa, de

plaatsen Kalianda en Katimbang reeds te gelijk met Telok Betong, den

morgen van den 27sten Augustus te half zeven. Maar toen ook daar de

duisternis inviel, begon er een echt bombardement; hevige schoten en

knallen vergezelden een hagelbui van puimsteenbrokken, grooter dan een

vuist. De controleur van Katimbang, de heer Beijerinck, was reeds den

vorigen avond met echtgenoot en kinderen gevlucht op de helling van den

berg Radja Bassa, naar eene kleine kampong, Oemboel Balak geheeten.

Toen het bombardement met puimsteen geëindigd was, ontstond er een regen

van gloeiende asch, terwijl er een benauwde zwaveldamp was.

De rampzaligen werden levend geroosterd, zij werden overdekt met

brandwonden. De toestand was zoo afschuwelijk, dat zij den hemel dankten

toen de gloeiende aschregen vervangen werd door een stortregen van koude

modder. Die modder plakte vast op de open brandwonden en met dat

stinkende slijk koelden zij zich af. Onder de hevigste pijnen, niet in

staat hunne wonden te verbinden, omringd door tal van gevluchte, gewonde

inlanders, in de diepste duisternis gehuld, brachten zij een

ontzettenden dag door. De arme ouders moesten het beleven dat hun

jongste lieveling in hunne armen aan zijne brandwonden bezweek.

Eindelijk werd het licht, maar waar zouden zij heen? Buiten staat zich

te bewegen, een ondenkbaar lijden verdurende aan hunne brandwonden,

brachten zij vijf dagen en vijf nachten onder een afdakje door; toen

sloeg voor hen het uur der redding. De hopperbarge "Kedirie" kwam 1

Sept. 1883 op de reede van Kalianda. Aan wal gekomen vernam men, waar de

heer Beijerinck was; de arme lijders werden meer dood dan levend naar

land gedragen en naar Batavia gevoerd, alwaar zij door goede verpleging

en zorgvuldige medische behandeling allen genazen.

Het lot dat de Semangkabaai trof was even tragisch.

De Resident der Lampongs, de heer N. Altheer, die te Telok Betong woont,

was van plan om den 27sten Augustus in de Semangkabaai te komen, ten

einde den controleur van Pajoeng Semangka, den heer P.L.C. le Sueur te

bezoeken. De controleur was verwittigd van dit bezoek; toen hij dus den

26sten Augustus te half vijf des avonds een kanonschot hoorde, moest

hij gelooven dat de resident zijn bezoek een dag vervroegd had. Hij

begaf zich dus met alle hoofden van zijne afdeeling naar Beneawang, de

havenplaats van de Semangkabaai. Maar de resident kwam niet en men zag

ook het vaartuig niet, dat het kanonschot zou gelost hebben. Plotseling

overstroomt een gedeelte van het strand; des nachts ziet men een

roodachtig licht. Den volgenden morgen verzamelden zich te 6 ure de

controleur en de inlandsche hoofden op nieuw aan het strand ter eere van

den resident.

De zee was toen zóó laag, dat er klippen te zien waren, die nooit van te

voren waren waargenomen. Plotseling komt de zee opzetten. De controleur

en de inlandsche hoofden vluchten naar de woning van den controleur, die

op eene hoogte gelegen was.

Het water keert naar zee terug, maar het komt terug, hooger dan te

voren. Het huis wordt overstroomd, vernietigd en medegevoerd door de

naar zee teruggaande golf. De klerk van Zuijlen en al de inlandsche

hoofden verdwijnen. De controleur wordt eveneens medegesleept doch

blijft op het droge achter. Van de overige vluchtelingen wordt nimmer

meer iets vernomen.

Toen viel ook hier de duisternis in. Wederom wordt de controleur door

eene golf medegesleept; in doodsangst klemt hij zich aan een boomstam

vast; en ten tweeden male wordt hij gered. Na een wanhopigen tocht over

omgevallen boomen, door puimsteen en modder, mocht het den heer le Sueur

gelukken op het voorgebergte van den Keizerspiek eene veilige

schuilplaats te vinden.

Aan den ingang van Straat Soenda is in de residentie Benkoelen een

ijzeren vuurtoren gebouwd bij de dorpen Laboean-Blimbing en Blimbing

gelegen bij de Blimbingbaai. De golven van 26 Augustus en die van 27

Augustus te half zeven ure deden hier weinig schade. Maar de groote

golf, die in de duisternis kwam opzetten, verwoestte letterlijk alles,

behalve den toren zelf. De ijzeren en steenen gebouwen, die om den toren

stonden, werden alle totaal weggevaagd. De dorpen Blimbing

overstroomden, 34 menschen kwamen om; op grooten afstand van den toren

vond men nog lijken van menschen, stukken ijzer, ontwortelde boomen,

alles door en in elkander gewoeld.

De lichtopzichter, de heer T. Hamwijk, werd begraven onder de puinhoopen

van de keuken, die ingestort was. Hij werd zwaar gewond, doch wist zich

te bevrijden. Het personeel van den heer Hamwijk kwam grootendeels om.

De inlandsche mandoer met 10 dwangarbeiders verdwenen. De overigen

werden bijna allen zwaar gewond naar Batavia vervoerd.

Vele van de 12500 slachtoffers op Sumatra zijn naar zee gespoeld. Maar

duizenden lijken bleven op de kust liggen. De bevolking van dat gedeelte

van Sumatra is schaarsch en de middelen van gemeenschap zijn moeilijk.

Weken na de verwoesting van de kustlanden lagen die lijken onbegraven te

rotten op de kust, zij verspreidden eene afgrijselijke lucht en vulden

den dampkring met miasma's.

Niets vermag den verbijsterenden indruk weder te geven, dien die

kustlanden van Sumatra maakten, zooals ze aanschouwd werden van de

"Loudon" nog geen etmaal na de verwoesting. Op eene hoogte van 22 à 24 M

boven de zee zag men eene streep. Beneden die streep was alles kaal,

grijs of geel; eenige door elkander gegooide klapperboomen gaven hier en

daar de plek aan, waar gisteren nog een bloeiend dorp lag en waar nu

alleen eene kale plek te zien was of wel een onbeschrijflijke chaos van

boomen, steenen en planken.

HOOFDSTUK V.

Aan boord van de "Gouverneur-Generaal Loudon" na de uitbarsting.

Bezoek aan Krakatau.--De vulkanische riffen tusschen Krakatau en

Seboekoe gisteren geschapen.--Vulkanische werking

aldaar--Moeilijkheid om zich te oriënteeren.--De opname der

marineofficieren Steers en Calmeijer. De vulkanische werking op

Steers- en Calmeijer-eiland, van de "Loudon" waargenomen, wordt

door den heer Em. Metzger verklaard te zijn "eene notorische

Unrichtigkeit"--Toch is het waar.--Instorting van Krakatau--De

Krakatau-groep.--Langzaam verdwijnen van Steers- en

Calmeijer-eiland.--De "Loudon" op de reede van het verdwenen

Anjer.--

De stomp van den vuurtoren op Java's Vierde punt.--De Anjersche

koelies.--De resident Spaan op de plaats waar eens Anjer was.--Hij

komt aan boord van de "Loudon."--

Wat er te Anjer gebeurd is.--Het lot van Tjaringin.--De dood der

afstammelingen van den regent van Lebak uit de "Max Havelaar."--Van

Anjer naar 't oude Bantam met de "Loudon".--Bestaat

Dwars-in-den-Weg uit 5 stukken?--Het Krakatau-album.--Het lot van

Merak.--De ingenieur A.C. Nieuwenhuijs gered.--In de

Bantambaai--Met de "Loudon" naar het Westen.--Aankomst te Kroë,

Benkoelen en Padang.

Wij verlieten het stoomschip "Loudon" toen het den 28sten Aug. uit

Straat Lagoendie in het ruime sop was gekomen, en het gevaar geweken

was. De koers, dien de gezagvoerder verder nam, was door Straat Soenda,

beoosten en later bezuiden Krakatau, want hij wilde te Anjer de

verwoesting van Telok Betong rapporteeren. Toen wij dit eiland aan

bakboord hadden, bleek het duidelijk, dat er verband bestond tusschen de

verschijnselen, waarvan wij bijna het slachtoffer waren geworden, en den

vulkaan op Krakatau, dien men tot nu toe als een aardigheid beschouwde,

geschikt als doel voor een pic-nic.

Het eiland n.l. had zich zelf uitgespogen (men vergeve mij de onkiesche

uitdrukking, doch ik weet geen betere te vinden) en was grootendeels

verdwenen.

Het Noordelijke gedeelte, waar in Mei 1883 de berg Perboewatan werkte,

is geheel verdwenen, ook het middengedeelte van Krakatau, het

Danaugebergte, waar in Juni 1883 eene eruptie begonnen was, heeft

hetzelfde lot ondergaan. Maar ook het Zuidelijk gedeelte van Krakatau,

de 832 meter hooge berg Rakata, dien wij eergisteren zagen werken,

bestaat niet meer in zijn geheel. De grootste helft van den berg Rakata

is weggezonken. De berg is letterlijk vertikaal midden doorgespleten en

de overblijvende helft van den berg Rakata is alles wat er van het

eiland Krakatau over is; het overige is in zee veranderd en als 't ware

afgescheurd. Steil, vertikaal verheft zich die halve berg; in den

vertikalen wand zag men groote barsten en spleten, die met damp gevuld

waren. Van het verdwenen gedeelte steken alleen twee klippen als

signalen boven de zee uit.

In zee zelve tusschen Krakatau en Sebesie, waar eergisteren een

doortocht was voor vaartuigen, zagen wij duidelijk van de "Loudon" af

hooge groote klippen uitsteken, eilanden die gisteren eerst geschapen

zijn en die geen menschelijk oog nog ooit aanschouwd heeft.

Terwijl op Krakatau zelf alles in rust scheen, was hier op deze riffen

de vulkanische werking nog niet geheel opgehouden Op acht verschillende

plaatsen zag men kolommen van rook, die een zwart middelpunt hebben. Om

dit middenpunt vormt zich een witte rand, die grooter wordt, opstijgt

tot groote hoogte en verdwijnt, om weldra plaats te maken voor een

hernieuwd verschijnsel. Waren dit vulkanische uitbarstingen of hoozen?

Het was natuurlijk niet aan ons op de "Loudon" om die vragen te

beantwoorden.

Het was in de eerste dagen in Straat Soenda niet mogelijk zich

behoorlijk te oriënteeren ten gevolge van de puimsteenbergen, die het

eene schip hier, het andere ginds aantrof. Die drijvende puimsteenvelden

zagen er uit als klippen, riffen en eilanden, en de gezagvoerders

rapporteerden dus volkomen te goeder trouw wat zij hadden waargenomen,

als zij het ontstaan van tal van nieuwe eilanden vermeldden. Weldra

echter dreef die puimsteen weg.

Het Nederlandsch Indische gouvernement zond twee officieren der marine

om de veranderingen in Straat Soenda in kaart te brengen. Toen bleek

het, dat het vaarwater van Straat Soenda niet belangrijk veranderd was,

en dat nu de puimsteen zich meer verdeeld had, de nieuwe eilanden, die

men eerst had waargenomen, niet bestonden. Hierop is echter eene

uitzondering. Tusschen Krakatau en Sebesie, waar de "Loudon" vulkanische

riffen had meenen te zien, waren inderdaad twee eilanden ontstaan, die,

toen wij er langs voeren, slechts één dag oud waren, en die dus

feitelijk van de "Loudon" af ontdekt zijn. Aan die eilanden werd de naam

gegeven van Steers-eiland en van Calmeijer-eiland, naar de

zeeofficieren, die ze in kaart brachten.

Uit de opname van Straat Soenda kreeg de heer Verbeek den indruk, dat

deze eilanden niet uit zee zijn opgekomen door opheffing van den bodem,

maar dat zij niets anders waren dan de hoogste, boven zee uitstekende,

punten van eene opeenhooping van vulkanische uitwerpselen. Die opname

geschiedde op wetenschappelijke wijze, vele weken na de uitbarsting,

toen alles in rust verkeerde. De indruk, dien de pas geschapen eilanden

Steers en Calmeijer, van de "Loudon" gezien, maakten, toen zij kolommen

rook uitstootten, was eene geheel andere. Toen later de opname van

Verbeek bekend werd, beschuldigde de heer Emil Metzger in Petermann's

Mittheilungen mij van "notorische Unrichtigkeiten". Op mijn vraag,

waarin die tastbare onjuistheden bestonden, kreeg ik ten antwoord, dat

dit o.a. sloeg op de vulkanische werking, die ik beweerde te hebben

waargenomen op de vulkanische klippen tusschen Krakatau en Sebesie.

Toch moet ik nog eens herhalen, dat er van de "Loudon" af werkelijk op

acht plaatsen rookkolommen gezien zijn. Men behoeft daarom nog niet te

twijfelen aan de juistheid van Verbeek's bewering, dat alleen Krakatau

gewerkt heeft. Kan namelijk hetgeen wij zagen niet zijn geweest het

ontwijken van stoom uit de eruptie-producten waaruit Steers- en

Calmeijer eiland bestonden; een secondair eruptie-verschijnsel, zooals

dat op de lavastroomen zoo dikwijls plaats vindt?

Uit de opname van Straat Soenda bleek, dat de instorting van Krakatau

verbazende afmetingen had, zoodat zij alle vulkanische veranderingen,

die ooit in het historisch tijdperk hebben plaats gegrepen, overtreft.

Ter plaatse, waar vroeger Krakatau lag, peilde men toch 100 tot 300

meter. Ja, op sommige plaatsen kon met lijnen van 360 meter geen grond

gelood worden. Buiten het verdwenen gedeelte van Krakatau is de zeebodem

ook belangrijk verdiept. Ook daar vindt men meer dan honderd meter

diepte. Het verdwenen gedeelte van Krakatau heeft eene oppervlakte van

23 vierkante kilometer. Naar het Zuiden was Krakatau daarentegen

aangegroeid, daar er eene vlakte van ongeveer 5 vierkante kilometer uit

eruptie-producten was op gestapeld.

Van de Krakatau-groep was verder het Poolsche Hoedje geheel verdwenen.

Lang-eiland daarentegen was iets grooter geworden terwijl Verlaten

eiland, dat slechts 4 vierkante kilometer groot was, na de uitbarsting,

dank zij de massa's puimsteen, die er waren neergevallen, 12 vierkante

kilometer oppervlakte had gekregen. En op de plaats, waar na de

uitbarsting, Steers-eiland boven de zee uitstak, was van te voren eene

diepte van 36 meter.

Die eilanden Steers en Calmeijer bestonden uit zulke losse en lichte

materialen, dat de golven van Straat Soenda en de zeestroomingen er

telkens stukken van medenamen. Tijdens de opname van Verbeek in October

1885, dus twee maanden na de uitbarsting, bestond Calmeijer-eiland reeds

uit 8 stukken, terwijl Steers-eiland in 3 stukken gespleten was. Eene

hevige branding stond steeds tegen die in zee uitstekende punten. Thans

zijn de eilanden Steers en Calmeijer reeds sedert eenige jaren

verdwenen, alleen is er wellicht nog eene ondiepte overgebleven op de

plaats waar ze in 1883 geschapen zijn.

Nadat de "Loudon" Krakatau en de nieuw geschapen eilanden verlaten had,

zette zij koers naar Anjer. Wij naderen den Java-wal en wel de kust van

Bantam. De invloed van Krakatau heeft zich niet alleen tot Sumatra

uitgestrekt. Een vreeselijk schouwspel levert de kust van Bantam op. Van

Tjaringin tot het oude Bantam is alles eene woestijn gelijk.

In Het Rijk van Vulcaan de Uitbarsting van Krakatau en Hare Gevolgen · 第 5 / 14 段