bekleeden in dienst van het Nederlandsch-Indische Gouvernement, velen,
die met eene bijzondere soort van trots, vol genoegzaamheid, zoo gaarne
tegenover particulieren zeggen: "mijnheer ik ben ambtenaar." Ge hebt
inderdaad als ambtenaar veel voor. Zijt ge ziek, dan gaat ge op 's lands
kosten met verlof naar "boven", en als dat niet helpt voor twee of drie
jaren naar patria. Hebt ge het noodige aantal dienstjaren, dan wacht u
een kalme oude dag als gepensioneerd hoofdambtenaar in het Haagje, of,
als ge het al niet zoover gebracht hebt, dan kunt ge allicht te
Apeldoorn, Lochem of Doesburg van een klein pensioentje fatsoenlijk
leven. Daarbij hebt ge oneindig minder te doen dan een particulier; en
ge moet het al heel bont maken voor men u uit 's lands dienst ontslaat;
terwijl een employé op eene onderneming bij een klein verschil van
gevoelen met zijn chef zijn ontslag te gemoet kan zien. Daarbij kunt ge
u van tijd tot tijd het genoegen gunnen om in uwe gesprekken te laten
doorschemeren, dat alléén ambtenaren op Java thuis behooren, terwijl
immers in uw oog al die koffie- en tabaksboeren, die suikerfabrikanten
en kooplieden slechts geduld worden.....
Maar opdat ge niet al te overmoedig zoudt worden ten gevolge van uwe
schoone positie als ambtenaar overgiet het vaderlijke Nederlandsch
Indische Gouvernement u van tijd tot tijd met eene koudwaterstraal. Die
koudwaterstraal is steeds op u gericht en ge ontvangt haar als ge er het
minst om denkt. Zij draagt den naam van _overplaatsing_.
De overplaatsing is het geliefkoosde middel, dat wordt toegepast om
jonge ambtenaren te temmen, die wat onafhankelijk durven zijn in hunne
denkbeelden tegenover hunne chefs. Ge zijt met ontzaglijk veel moeite in
uwe omgeving thuis geraakt, ge hebt u op de volkstaal toegelegd; ge hebt
van lieverlede uwe bescheiden woning gezellig gemaakt door nette
meubelen te koopen. Ge verheugt u in het bezit van een goed rijpaard; ge
hebt eindelijk eens goede bedienden; ge zijt intiem geworden met goede
menschen.
Hecht u niet te veel aan dat alles. Plotseling komt er een dienstbrief
voor u uit Batavia. Ge zijt overgeplaatst naar Sumatra's Westkust met
last om per eerste scheepsgelegenheid uwe bestemming te volgen. Daar
stort het geheele kaartenhuis in elkaar! De controle-afdeeling, die u
zoo ter harte ging, als ambtenaar bij het binnenlandsch bestuur; de
sluis, die een deel van uw leven was geworden, en waarvan ge, als
ingenieur van den waterstaat, de fundeering juist gereed had: alles wat
u op de een of andere wijze dierbaar was geworden in het vreemde land,
blijft achter. Na eene haastige vendutie, die u nagenoeg ruïneert, hebt
ge spoedig de een of andere haven bereikt, die door de booten der
Nederlandsch-Indische Stoomvaart-Maatschappij wordt aangedaan, en weldra
zijt ge op eene stoomboot gezeten, die u naar Batavia voert, om daar zoo
spoedig mogelijk verder te worden geëxpedieerd.
Zijt ge eenigen tijd in Indië dan zult ge allicht een trouw lezer zijn
van de passagierslijsten der vertrekkende en aankomende booten, die ge
in elke courant aantreft. Met een zekere "Schadenfreude" ontwaart ge,
dat ge niet de eenige zijt in het leger der ambtelijke wereld, die van
tijd tot tijd in 's lands belang eene kolossale parabool beschrijft door
den slingerenden smaragdgordel, om plotseling in geheel vreemde
omgeving, in nieuwe toestanden en nieuwen werkkring verplaatst te zijn.
Maar wie van uwe bekenden ge ook in de passagierslijst zoekt, steeds
zult ge, nadat de trekvogels eerste klasse zijn opgenoemd, de volgende
formule aantreffen: _Verdere passagiers_: Zr. Ms. _troepen, bannelingen,
Arabieren, Chineezen en inlanders_. Zulk een boot biedt dan ook een
merkwaardig schouwspel aan. Op het voorschip krioelt een bont mengelmoes
van alle mogelijke menschenrassen door elkander. Onder Zijner Majesteits
troepen vooral zijn vertegenwoordigers van allerlei natiën. In de
Europeesche compagniën bestaat de meerderheid uit Nederlanders, maar er
zijn bovendien Duitschers, Franschen, Belgen en Italianen bij. Die
vreemdelingen zijn menigmaal oude soldaten, veteranen uit de oorlogen,
die de Europeesche mogendheden in onzen tijd gevoerd hebben, wier borst
versierd is met de herinneringsmedailles aan gemaakte veldtochten. Deze
draagt het ijzeren kruis, gene het teeken, dat hij onder de Fransche
vanen in Tonkin streed. Onder de niet-Europeesche militairen treffen wij
Amboineezen, Javanen, Madoereezen en Alfoeren aan, terwijl er wellicht
nog een enkele neger aanwezig is. Deze negers vormden vroeger de
Afrikaansche compagnieën; zij hadden den naam van goede soldaten te
zijn, hoewel zij woest en bloeddorstig waren. Zij zijn nog steeds een
voorwerp van schrik en bewondering bij de inlanders, die hen "orang
blanda hitam"--zwarte Hollanders noemen.
De meeste inlandsche militairen zijn gehuwd; de Europeesche soldaten
hebben meestal huishoudsters. Deze vrouwen vergezellen hunne mannen aan
boord.
De "bannelingen" zijn personen, die tot dwangarbeid in en buiten den
ketting veroordeeld zijn. In de wandeling heeten zij "kettingjongens",
en vooral in de buitenbezittingen bewijzen zij onbetaalbare diensten bij
militaire expeditiën en bij de uitvoering van openbare werken.
Het is niet vereerend voor Zr. Ms. troepen, dat zij zoo in eenen adem
genoemd worden met de "bannelingen". Sommige redactiën plaatsen ten
minste nog een komma-punt tusschen "troepen" en "bannelingen". Maar ook
aan boord worden zij helaas vrij wel over een kam geschoren wat betreft
hunne ligging enz.
Den 26sten Augustus 1883 vertrok de stoomer "Gouverneur-Generaal
Loudon", gezagvoerder Lindeman, des morgens van de reede van Batavia met
bestemming naar de havens van Sumatra: Telok Betong, Kroë, Benkoelen,
Padang en Atjeh.
Onder de passagiers waren alle categorieën vertegenwoordigd. Er waren
Europeesche en inlandsche militairen ter aanvulling der garnizoenen op
Sumatra's Westkust en Atjeh. De meerderheid echter vormden 300
bannelingen, die bestemd waren voor het dwangarbeiderkwartier te Padang.
Het weder was schoon, er was niet de minste wind, de zee was blauw, de
talrijke eilandjes in de Javazee staken vroolijk met hunne groene boomen
uit boven den nauwlijks gerimpelden waterspiegel.
Des namiddags te drie ure ankerde de "Loudon" op de reede van Anjer. De
witgepleisterde huizen van Anjer glinsterden in den zonneschijn vlak aan
zee; op den achtergrond het donker groene gebergte en daar voor de diep
blauwe zee. Helder stak de vuurtoren van Java's Vierde punt tegen de
lucht af. Vroolijk wapperde de Nederlandsche vlag op het erf van den
assistent-resident. De Chineesche en inlandsche kampongs zijn vlak aan
zee gelegen. Het Chineesche kamp heeft het eigenaardige karakter, dat
alle Chineesche nederzettingen, in welk werelddeel dan ook eigen is. De
inlandsche woningen zijn van hout of bamboe opgetrokken, de muren
bestaan uit gevlochten bamboematten, en in plaats van pannen bedekt men
ze met gedroogde planten, die eene lichte en ondoordringbare
dakbedekking vormen, welke "atap" genoemd wordt.
Onwillekeurig dwalen de gedachten terug naar de eerste aankomst uit
Europa in Indië. Anjer is dan de eerste plaats, die u van verre een
welkomstgroet brengt....
Hij, die aan boord van de "Loudon" op de reede van Anjer zou hebben
beweerd, dat de laatste dag van Anjer's bestaan reeds was aangebroken,
zou zeker als krankzinnig beschouwd zijn.
Te Anjer nemen wij een honderdtal Bantammers aan boord met eenige
vrouwen en kinderen. De mannen zijn aangeworven als koelies voor den
bouw van een vuurtoren op het eiland Bodjo.
Toen onze koelies aan boord waren, zette de "Loudon" koers, langs
Dwars-in-den-Weg en Varkenshoek, de Lampongbaai in naar Telok Betong.
Aan bakboord konden wij in de verte een blik werpen op het eiland
Krakatau, hetgeen reeds beroemd geworden was door zijne eerste
vulkanische uitbarsting in Mei.
Krakatau is een oude bekende van de "Loudon". Toen er na die eerste
uitbarsting een pleiziertochtje werd gemaakt, ten einde den vulkaan te
gaan bezien, bracht de "Loudon" de passagiers ad _f_ 25 naar het eiland.
De vulkaan op Krakatau schonk ons nu gratis eene voorstelling. Hoewel
wij ver van het eiland af waren, zagen wij eene zwarte, hooge rookkolom
boven het eiland uitsteken, die zich omhoog verbreedde tot eene wolk.
Ook viel er aanhoudend asch. Des avonds te 7 ure waren wij in de
Lampongbaai op de reede van Telok Betong, waar geankerd werd.
De nacht viel weldra in, en men kon daarom niet duidelijk onderscheiden
wat er gebeurde. De aschregen nam toe en de zee werd onstuimig. De
"Loudon" seinde naar den wal om eene sloep, ten einde de passagiers te
landen; maar er kwam geene sloep en evenmin verschenen er laadprauwen,
die anders onmiddellijk na de aankomst van eene stoomboot komen opdagen.
De "Loudon" streek zelf eene sloep om zich met den wal in verbinding te
stellen. Het was echter niet mogelijk om te landen, daar er hooge
branding op de kust stond, zoodat de sloep weder onverrichter zake terug
kwam. Het havenlicht op den lichtopstand aan het uiteinde van den
havendam bleef den geheelen nacht branden, doch er scheen wel iets
bijzonders te zijn, daar nu en dan alarmseinen werden vernomen van de op
de reede liggende prauwen; het was echter onmogelijk hun hulp te
verschaffen, daar het duister was en vooral wegens de zware zeeën.
Eindelijk ging de zon van den 27sten Augustus op, en begon de
duisternis te wijken. Toen het licht werd, zagen wij Telok Betong, de
hoofdstad der Lampongs, voor ons. Terwijl geheel Anjer vlak aan zee ligt
zijn te Telok Betong de benting met het militair kampement, de
residentswoning en de gevangenis verder van de kust op eene hoogte
gebouwd van 34 Meter hoogte. Maar het overige gedeelte van Telok Betong
ligt vlak aan zee, als 't ware op het strand. Men onderscheidde daar de
Europeesche huizen, waarvan sommige met pannen, andere met atap gedekt
zijn, en de inlandsche woningen, die op Sumatra in bouw geheel afwijken
van de Javaansche huizen, die men te Anjer ziet.
Telok Betong lag van boord af gezien, zeer schilderachtig tegen den
sterk begroeiden groenen achtergrond van het Lampongsche gebergte. Wij
hadden den vorigen avond behalve eenige prauwen, de
gouvernements-stoomer "Barouw" en een zeilschip de "Marie" op de reede
zien liggen. Deze schepen, met uitzondering van de "Marie", hadden
gedurende den nacht allen schipbreuk geleden en waren op het strand
geslagen. Hoe dikwijls ook de "Loudon" naar den wal seinde om een sloep,
er kwam geen antwoord en geen levende ziel was te zien op het strand.
Het licht op den havendam bleef ondertusschen steeds branden. Niemand
doofde het uit, hoewel de zon reeds boven de huizen was.
In plaats van asch regende het intusschen kleine stukjes puimsteen.
Te half zeven kwam er plotseling een reusachtige golf uit zee opzetten,
waar men letterlijk tegen aan zag en die zich met groote snelheid
bewoog. De "Loudon" stoomde op, zoodanig dat zij de golf langscheeps
kreeg. Eén oogenblik... en daar had de golf ons bereikt. Het schip
maakte eene ontzettende duikeling, doch de golf was voorbij, en de
"Loudon" gered. De golf bereikte nu Telok Betong en liep landwaarts in.
Achtereenvolgens kwamen er nog drie dergelijke kolossale golven. Door
niets gestuit verwoestte zij voor onze oogen geheel Telok Betong. Men
zag den lichtopstand omvallen, de huizen verdwijnen; en alles was voor
onze oogen zee geworden op de plaats waar nog eenige minuten geleden
Telok Betong aan het strand had gelegen.
Het zeilschip "Marie" wordt overdwars op het land geworpen. De stoomer
"Barouw" wordt opgenomen van het strand, en van af de "Loudon" zien wij,
dat zij blijft zitten, schijnbaar ter hoogte van de klapperboomen. De
inlandsche huizen, die op Sumatra gebouwd zijn op stijlen, die
gewoonlijk los op stukken natuurlijke steen rusten, zoodanig dat er
onder den vloer ongeveer een meter vrij is, zijn een gemakkelijke prooi
voor de golf, die hen opneemt en omwerpt. Maar de steenen gebouwen der
Hollanders ondergaan hetzelfde lot; afgescheurd van hunne fondamenten
verdwijnen zij in de zee.
Het indrukwekkende van dit schouwspel is moeilijk te beschrijven. Het
onverwachte van hetgeen men aanschouwt en de reusachtige afmetingen van
de verwoesting, die men voor zijne oogen ziet aanrichten, maakt, dat men
zich moeilijk rekenschap kan geven van hetgeen men aanschouwt. Men kan
het wellicht nog het best vergelijken met eene plotseling verandering
van decoratief, die in feëeraën geschiedt door den tooverstaf eener
fee--maar op een kolossale schaal en met het bewustzijn, dat het
werkelijkheid is, wat men ziet, dat er duizenden menschen zijn omgekomen
in een ondeelbaar oogenblik, dat er eene verwoesting zonder weerga is
aangericht--en dat de waarnemer zich in dreigend levensgevaar bevindt.
Als men al deze dingen samenvat, kan men wellicht den indruk wedergeven,
dien zulk een natuurtooneel maakt, maar men blijft nog beneden de
werkelijkheid.
Zoo had dan de "Loudon" eene vloedgolf doorstaan, die Telok Betong
verwoest had. Waren alle aanwezigen op de "Loudon" aan levensgevaar
blootgesteld geweest, zeker in de eerste plaats de passagiers, die voor
Telok Betong bestemd waren, doch die, doordat er geen verkeer met den
wal te verkrijgen was, niet geland waren. Gewoonlijk doet de zoogenaamde
"Westboot" van Batavia naar Atjeh, Anjer niet aan. Bij uitzondering was
de "Loudon" naar Anjer gestoomd, omdat aldaar de koelies aan boord
zouden komen, bestemd voor het eiland Bodjo. De "Loudon" was anders
eenige uren vroeger op de reede van Telok Betong aangekomen, er zou dan
zeker nog verkeer met den wal geweest zijn, de passagiers zouden geland
zijn en wat zou hun lot geworden zijn?
Daar het post- en telegraafkantoor te Telok Betong ook verdwenen was,
zou het wellicht lang duren, voordat men op Java tijding had van de
ramp, die Telok Betong getroffen had.
De gezagvoerder Lindeman besloot dus naar Anjer terug te varen, ten
einde aldaar te rapporteeren, daar hij een langer verblijf op de reede
bovendien gevaarlijk achtte. Wij gingen dus denzelfden weg terug, dien
wij gegaan waren in plaats van door te gaan in de richting van Kroë.
Iedereen aan boord van de "Loudon" was geheel onder den indruk van de
verwoesting van Telok Betong, die zoo plotseling geschied was. Zouden al
de inwoners verdronken zijn? Ziedaar eene vraag, waarop wij geen
antwoord konden geven.
Wij stoomden intusschen op. Dit gebeurde echter onder protest van een
der passagiers, een officier der infanterie, die aan boord was gekomen
met bestemming naar Telok Betong. Zijn marschorder toch luidde, dat hij
zich had te begeven naar Telok Betong en hij eischte van den
gezagvoerder, dat deze hem te Telok Betong aan wal zou zetten, al was
die plaats dan ook verwoest. De Heer Lindeman weigerde echter aan zijn
verlangen te voldoen.
Weldra hadden wij de reede van Telok Betong uit het oog verloren en wij
hoopten spoedig uit de Lampongbaai te zijn. Maar zoo gemakkelijk zouden
wij er niet afkomen. Te acht ure begon het daglicht te verminderen. Het
werd hoe langer hoe duisterder, zoodat reeds om 10 ure des morgens eene
Egyptische duisternis heerschte. Deze duisternis was volslagen. Meestal
toch, zelfs in een donkeren nacht, kan men nog eenige omtrekken b.v.
van witte voorwerpen onderscheiden. Doch hier heerschte eene volkomen
afwezigheid van licht. De zon klom hooger en hooger; om 12 uur stond zij
in het zenith, doch geene harer stralen bereikte ons. En dat die
duisternis zich uitbreidde over eene groote uitgestrektheid, blijkt
daaruit, dat, hoewel de zon boven onze hoofden stond, niet de minste
verlichting aan den hemel, niet het minste spoor van diffuus licht aan
de kim te zien was. Overal de dichte nachtelijke sluier! Overal een
hemel zonder sterren! En deze afschuwelijke nacht duurde achttien uren!
Het spreekt van zelf dat de "Loudon" gedurende dezen poolnacht in de
baai moest blijven "overwinteren." Wij ankerden dus reeds te 10 uur
nabij het kleine eiland Tegal. Het was toen reeds niet mogelijk verder
te gaan, niet alleen wegens de volslagen duisternis maar ook door den
steeds in kracht toenemenden asch- en puimsteenregen, ten gevolge
waarvan het scheeps-kompas allerlei afwijkingen vertoonde.
De volgende oogenblikken, lezer, overtreffen in ijselijkheid, alles wat
men zich denken kan. De taal heeft geene uitdrukkingen om naar behooren
weder te geven, wat wij hebben ondervonden.
De asch- en puimsteenregen werd vervangen door een dichten regen van
modder, die al spoedig het dek met eene compacte laag bedekte. Die
modder drong overal in en was vooral hinderlijk voor de bemanning, wier
oogen, ooren, neus, letterlijk verstopt werden met deze afschuwelijke,
kwalijk riekende zelfstandigheid.
Nu en dan viel er weer asch, dan weder was het of het schip
gebombardeerd werd met stukken puimsteen.
De ademhaling werd bemoeilijkt door de asch, modder- en puimsteendeelen,
het was alsof de dampkringslucht zelve eene wijziging had ondergaan.
Eene helsche lucht van zwavelzuur verspreidde zich. Sommigen gevoelden
suizingen in de ooren, anderen een gevoel van drukking op de borst en
slaperigheid. Het was alsof de lucht loodzwaar op ons drukte. Kortom, ik
geloof, dat als deze toestand langen tijd geduurd had, wij allen door
verstikking zouden zijn gestorven.
Doch dat alles was slechts het begin van onze ellende Vrij wat erger
verschrikkingen waren voor ons weggelegd!
Nadat de duisternis eenigen tijd geduurd had werd de zee onstuimig. De
wind stak hevig op en groeide aan tot een vliegenden orkaan. Reusachtige
golven, ware zeebevingen volgden elkaar met snelheid op. Die golven
openbaarden zich door hooge zeeën, die plotseling opkwamen. Eenige
daarvan kreeg de "Loudon" dwarsscheeps, zoodat zij werd opgenomen en
zoodanig op zij helde, dat het gevaar dreigde, dat zij zou kantelen. Het
schip maakte dan hevige slingeringen, zoodat alles door elkaar rolde en
men zich verbeeldde in de golf van Biscaije te zijn tijdens een storm.
Die hooge zeeën kwamen zeker overeen met de golven, die voor onze oogen
Telok Betong verwoest hadden, maar niemand zag ze aankomen of kon hunne
hoogte schatten, want de duisternis bleef steeds even dicht. Onze
wakkere gezagvoerder Lindeman verloor echter geen oogenblik zijne
tegenwoordigheid van geest. De reddingsbooten werden gereed gehouden om
ze te strijken als het schip zou kantelen.
Van tijd tot tijd maakten felle bliksemstralen voor een ondeelbaar
oogenblik een einde aan de duisternis. Die bliksemstralen troffen soms
den mast met een vreeselijk, demonisch geluid en vonden dan hun weg
langs den bliksemafleider. Op zulk een oogenblik was plotseling alles
helder verlicht, en men zag, dat alles, het tuig, het dek, de bemanning
aschgrauw van tint was geworden door den modderregen, zoodat men
onwillekeurig aan een spookschip dacht. De brandspuiten stonden gereed,
daar de gezagvoerder vreesde, dat het schip in brand zou vliegen door
den bliksem. Het is bepaald te verwonderen, dat dit niet gebeurd is,
evenals het mij nog verbaast, dat de "Loudon" dergelijke zeeën heeft
kunnen doorstaan. Steeds was er stoom op en stoomde zij langzaam achter
de beide ankers aan, daar Lindeman vreesde dat het schip driftig zou
worden.
Behalve bliksem en donder werden er nog andere electrische
verschijnselen opgemerkt. Vuurbollen werden gezien op het schip, die
zich met groote snelheid bewogen en in het water verdwenen. Op de
uitstekende punten van mast, stangen en ra's vertoonden zich
blauwachtige vlammetjes. De inlanders hebben het bijgeloof, dat dit St.
Elms-vuur de voorbode is van het vergaan van het schip. Vandaar dat, zoo
spoedig zich een vlammetje vertoonde, al was het ook hoog in het tuig,
de inlandsche matrozen in het want klouterden om het uit te dooven en
deze ongeluksbode te verdrijven. Hoewel de modderregen het touwwerk
glibberig had gemaakt, en ondanks het gevaar bij de ontzettende
slingeringen, die het schip maakte, vlogen zij naar boven en sloegen op
die vlammen, in hunne oogen ware fakkels van de hel. Maar tot hunne
wanhoop slaagden zij er niet in ze uit te dooven; en als zij dachten,
dat zij er hier een hadden uitgebluscht dan ontstonden er ginds weder
nieuwe; zij doofden niet uit, maar veranderden alleen van plaats.
O, ik verzeker u, lezer, de uren kan men nimmer vergeten, die men aldus
doorleeft.
Na elke golf heerschte er stilte en kalmte in de zee. Soms hield dan ook
de modderregen op, de "Loudon" was dan geheel in rust. Maar deze kalmte
was nog onrustbarender dan de orkaan. Men hoorde dan aanhoudend het
hulpgeschrei van de kettingjongens en koelies in het voorschip. Zij toch
waren zonder bedekking blootgesteld aan weer en wind. Kalm en gelaten,
met de berusting, die de Mohammedaansche godsdienst hun schonk, droegen
zij hun lot, en in de oogenblikken van verpoozing, die de golven en de
orkaan ons schonken, weerklonk machtig en breed uit hun aller mond over
de wateren van de Lampongbaai het vurige gebed tot den God van den
Islam, zonder wiens wil geen hunner eenig letsel zal bekomen. Met
kinderlijk vertrouwen zongen zij allen onophoudelijk in een bepaalden
ryhthmus: _La illah la-il allah, Mohammed rasoel allah_. Er is maar één
God en Mohammed is zijn profeet.
Ons schip bleef aanhoudend onder stoom; het was echter te vreezen, dat
de machine haar dienst zou weigeren, omdat de modder in alles doordrong.
Hulde aan den kok, die ondanks alle zeebevingen, er toch in geslaagd is
om eten te koken. Natuurlijk had alles de "couleur locale", dat wil
zeggen, dat de spijzen niet geheel vrij waren van asch, modder en
puimsteen; maar toch, er was iets te eten.
Maar het middagmaal is niet vroolijk, want de golven zijn nog niet
bedaard. Het schip slingert sterk, en men hoort steeds het eentonige
geluid van de modder en de puimsteen, die op het dek boven onze hoofden
neervalt.
Het was daarenboven alles behalve frisch in de kajuit, waar wij waren
opgesloten. Alle openingen waren zoogoed mogelijk toegestopt, ten einde
de modder zooveel mogelijk te weren. Sommige passagiers waren tengevolge
van de afgrijselijke bewegingen van de "Loudon" in hooge mate zeeziek.
Zij gevoelden zich tengevolge van dien zóó ellendig, dat er in hunne
gedachten geen plaats was voor het dreigende gevaar, waarin zij
verkeerden.
Niemand begreep goed, wat er eigenlijk gebeurde. Het vergaan van Telok
Betong voor onze oogen, de helsche duisternis op het midden van den
dag, de electrische verschijnselen, de zeebevingen, de modderregen, de
toestand van de atmosfeer; dit alles was te veel vreemds op eens om naar
eene verklaring te zoeken. Ik geloof niet, dat iemand vermoedde, dat
Krakatau, het doelwit der vroegere pic-nic van de "Loudon", de schuld
van alles was.
Onze dappere Lindeman week geen oogenblik van zijn post, evenmin als de
scheeps-officieren onder zijne bevelen. Hoewel zij bijna verblind en
verdoofd waren door de modder, bleven zij op het dek, en verschenen
alleen van tijd tot tijd in de kajuit om ons gerust te stellen en ons
mede te deelen, dat het gevaar geweken was. Maar nauwelijks hadden zij
uitgesproken of er gebeurde iets vreemds, dat hunne woorden logenstrafte
en dan stormden zij uit de kajuit naar hunnen post--in het gevaar.
Lindeman was een echte zeerot; hij had, zooals men het noemt, "heel wat
bijgewoond." Maar ook hij wist, evenmin als wij, welk natuurverschijnsel
er plaats greep.
"Ik dacht werkelijk, dat de wereld verging", zeide hij later, toen wij
nog eens de gebeurtenissen van die vreeselijke uren bespraken.
Zelden is de morgenstond met meer vreugde begroet, dan aan boord van de
"Loudon" op den 28sten Augustus. Des nachts te vier ure, toen wij volle
achttien uren in de duisternis hadden doorgebracht, wordt er aan de kim
eenig flauw licht waargenomen; een schijntje van de maan breekt door en
de lucht is minder drukkend. Er valt nog wel puimsteen en ook de
aschregen begint weder, maar het "Oog van den dag"--"Mati hari"--zooals
men in 't Maleisch zegt, hebben wij weder terug. Het wordt lichter en
lichter: er is dus kans om die ongelukkige baai te verlaten.