onder zeil en kwamen den 1sten Februari door Goddelijke hulp voor den
mond van Straat Soenda, waar ik met verwondering zag dat het eiland
Cracketow, dat zich op mijne heenreis naar Sumatra geheel groen en
lustig met boomen presenteerde, nu echter als geheel verbrand en woest
voor onze oogen lag en op vier plaatsen groote vuurbrokken uitwierp."
"En toen ik den scheepskapitein vroeg, op welken tijd genoemd eiland
gesprongen was, zoo berichtte hij mij dat dit in Mei 1680 geschied was.
Hij was toen juist van de reis van Bengalen gekomen, had grooten storm
uitgestaan en ongeveer 10 mijlen van dit eiland eene aardbeving in zee
bemerkt. Hierop was een ontzettend donderen en kraken gevolgd, en hij
had daaruit vermoed, dat er een eiland of anders een stuk land gebarsten
was. Kort daarop, toen hij dichter bii den mond van Straat Soenda was
gekomen, was hij gewaar geworden, dat genoemd eiland Cracketow gebarsten
was en dat zijn vermoeden hem niet bedrogen had. Want hij had met al het
scheepsvolk den sterken zwaveldamp zeer duidelijk geroken, en de steenen
van het gesprongen eiland, die in zee gedreven waren, welke zeer licht
waren en er als puimsteen uitzagen, werden door de matrozen met
wateremmers uit de zee geschept en als rariteit opgevischt. Hij toonde
mij zulk een stuk, grooter dan een vuist."
Dit reisverhaal is eigenlijk de eenige mededeeling, die boven twijfel
verheven is, over eene werking in de vulkanen van Krakatau.
In Mei 1680 heeft dus eene uitbarsting plaats gehad. Maar dat zij
weinig opvallend is geweest, blijkt daaruit, dat in "het Dagregister van
het kasteel Batavia", nergens eenig bericht over die uitbarsting te
vinden is, hoewel bij de aankomst van elk schip op de reede van Batavia
in dat dagregister al het merkwaardige werd opgeteekend, dat de kapitein
op reis ondervonden of vernomen had.
Met behulp van dit "Dagregister" kon de Heer Mr. N.P. van den Berg
echter controleeren of inderdaad het schip "Aerdenburgh", waarmede Vogel
in 1681 zijne reis deed van Salida naar Batavia, in 1680 uit Bengalen
komende te Batavia is aangekomen. Dit bleek werkelijk het geval te zijn,
zoodat de kapitein volkomen waarheid sprak, toen hij aan Vogel vertelde,
dat hij in Mei 1680 voorbij Krakatau gevaren was. Waarom zullen wij hem
nu ook niet gelooven, als hij vertelt, dat hij eene vulkanische
uitbarsting heeft bijgewoond?
Na 1680 heeft Krakatau zich 200 jaar rustig gehouden. Wij kunnen dit
gerust aannemen, daar Straat Soenda zulk een verbazend druk vaarwater
is, dat er sedert dien tijd bijna geen dag geweest is, dat er niet een
schip is voorbijgevaren. En daar bovendien het bericht der uitbarsting
van 1680 slechts op één reisverhaal steunde, behoorde langzamerhand
Krakatau in het oog der menschen tot de uitgedoofde vulkanen. Te midden
der vulkaanreuzen van Java en Sumatra, die nog zoo onvolledig bekend
zijn, schonk schier niemand eenige aandacht aan dat kleine, steile,
groene eilandje, met zijn slechts 832 M. hoogen vulkaankegel. Weinig
Europeanen drongen ooit door in de dichte bosschen, die, na de
uitbarsting van 1680, weldra het geheele eiland beschermden tegen een
onbescheiden bezoek. Een Engelschman, de Heer W.B. Pearson, thans te
Padang wonende, liet zich eens op Krakatau brengen om te jagen; de
gezagvoerders van de schepen der Kon. Ned. Marine of der Royal Navy, die
de zeekaarten vervaardigden van Straat Soenda, bezochten niet het
binnenland. Het eenige bewijs van eene vulkanische natuur is de warme
bron, die de Engelsche zeekaart op het eiland aangeeft.
Zoo speelde Krakatau op meesterlijke wijze gedurende twee eeuwen de
geveinsde rol van uitgebluschten vulkaan.
Duizenden en nog eens duizenden schepen verkenden hem. Honderdduizenden
Europeanen aanschouwden met verrukking, zonder eenige vrees, zijn
bedriegelijk groen plantenkleed, als zij Straat Soenda bevoeren, en geen
hunner werd door eene geheime stem gewaarschuwd voor de geweldige
krachten, die dáár geketend waren.
Een woord van bewondering kunnen wij niet nalaten te uiten voor het
genie van Verbeek, die, hoewel hij nooit kon vermoeden, dat dit verlaten
plekje zulk een rol zou spelen, toch reeds in 1881 wees op de bijzondere
ligging van Krakatau, op het punt waar de vulkaangordels van Java,
Sumatra en Straat Soenda elkaar ontmoeten.
"Wie weet of in overoude tijden de scheiding van Java en Sumatra, de
vorming van Straat Soenda, niet tot stand is gekomen ten gevolge van
vulkanische werking in dit brandpunt van het vulkanisme van Insulinde?"
Deze opmerking maakt de Engelsche geoloog Professor Judd eenige jaren na
de uitbarsting. Maar Verbeek wees reeds op de ligging van Krakatau,
terwijl alles nog rustig was, toen zeker weinig vermoedende welk eene
schitterende bewijsvoering het eiland zelf hem weldra zou verschaffen.
Het bestaan van eene scheur of spleet in de aardkorst in Straat Soenda
is, zooals ik zeide, opgemerkt door Verbeek in 1881. Op deze scheur--de
Soenda-dwarsspleet genoemd--liggen, behalve de vulkanen van Krakatau,
ook de Pajong-vulkaan bij Java's Eerste punt. Wat is er natuurlijker dan
dat de uitbarstingen van het vulkanisme der aarde bij voorkeur langs
zulk eene spleet plaats vinden! Wordt niet het water beschouwd als de
groote beweegkracht van deze verschijnselen en kan het water niet zeer
gemakkelijk langs zulk eene spleet toevloeien naar de onderaardsche
ruimten, waar wij gesmolten stoffen vinden van hooge temperatuur? Zal
het water zich daar niet in stoom veranderen en in eene afgesloten
ruimte opgesloten eene hooge spanning aannemen? Als men nu eens
veronderstelt, dat die stoom van hooge drukking gemeenschap heeft met de
kraterpijp van een vulkaan, die geheel met lava gevuld is, dan zal het
van de spanning van den stoom afhangen, of er eene uitbarsting plaats
heeft ja dan neen.
De vulkanen van de Soenda-spleet zijn twee eeuwen lang in rust geweest:
dit bewijst alleen, dat de gemeenschap van het water der zee met de
onderaardsche ruimten gedurende dien tijd moeilijk geweest is.
Van 1880 tot 1883 heeft men echter vele aardbevingen opgemerkt langs
onze spleet. Deze aardbevingen zijn waarschijnlijk veroorzaakt door
onderaardsche verplaatsingen of verschuivingen van grond, die de groote
uitbarsting van Krakatau hebben voorbereid, daar zij den toevoer van
water hebben vergemakkelijkt.
De hevigste dezer noodlottige voorteekenen was de aardbeving van 1
September 1880. Deze dag blijft in mijn geheugen opgeteekend, want het
was de eerste maal, dat ik getuige was van eene aardbeving. Nauwelijks
eenige maanden in Indië zijnde, was ik naar Lebak gezonden ten einde een
tracé te zoeken voor een rijweg, die de Zuidelijke gedeelten der
residentiën Batavia en Bantam zou moeten verbinden.
Het is bekend, dat volgens de Grieksche mythe de reus Atlas de aarde op
zijne schouders draagt.
De Soendaneezen in het binnenland van Bantam gelooven, dat het eiland
Java op dezelfde wijze wordt gedragen door een karbouw of buffel. Van
tijd tot tijd beweegt zich dat dier: vandaar de aardbevingen. Maar
wanneer de vermoeide buffel zijn last afwierp, zou het eiland Java in
de zee verdwijnen. Als er dus eene aardbeving gevoeld wordt, werpen de
inlanders zich neder en kussen den grond, terwijl zij uitroepen: "aja,
aja"; hetgeen zeggen wil: "wij zijn er ook nog." Zoodoende hopen zij,
dat de buffel, die een huisdier is, begrijpen zal, dat het zijn plicht
is nog den last van 't eiland Java te blijven torschen.
Er zijn in Indie weinig huizen van twee verdiepingen. Bijna allen zijn
gelijkvloersch. De assistent-residentswoning te Buitenzorg heeft echter
twee verdiepingen. De bureaux zijn op den "rez de chaussee" en de woning
zelve is "au premier". Het is duidelijk, dat een waarnemer, die boven in
den grooten mast van een vaartuig is geklommen, de slingeringen,
veroorzaakt door de golven, veel sterker zal gevoelen dan iemand, die op
het dek staat. Evenzoo is er een groot verschil tusschen de uitwerking
van eene aardbeving, of men haar waarneemt op de eerste verdieping dan
wel op den beganen grond.
Den 1sten September 1880 was ik op de eerste verdieping van de
assistent-residentswoning te Buitenzorg. Nooit zal ik het vreemde gevoel
vergeten, dat ik ondervond op het oogenblik toen ik voor het eerst van
mijn leven de muren van het vertrek verscheiden malen zag bewegen,
terwijl de voorwerpen op de meubels gelegd of tegen den wand opgehangen
ter aarde vielen en in wanorde door de kamer rolden.
Wat gevoelt de mensch zich dan klein en hoe zeer beseft hij, hoe onjuist
de titel is, dien hij heeft aangenomen van "heer der schepping." De
aardbeving had overigens voor Buitenzorg geen verdere gevolgen. Den
volgenden morgen vroeg vlogen allen met schrik uit bed, want plotseling
dreunde er een kanonschot. Allen meenden, dat het een onderaardsch
geluid was, zekere voorbode van nieuwe aardschokken. Daar dreunde weder
een schot--en nog een.--Ja het waren werkelijk kanonschoten, die elkaar
met gelijke tusschenpoozen opvolgden: zij verkondigden der bevolking de
per telegraaf ontvangen heugelijke tijding, dat er in patria een
oranjetelg geboren was.
Het was het gebruikelijke artillerie-salvo ter eere van de geboorte van
H.K.H. Prinses Wilhelmina der Nederlanden, die den 31sten Augustus 1880
te 's-Hage het levenslicht aanschouwd had.
De aardbeving van 1 September 1880 is in Bantam vrij wat sterker gevoeld
dan te Buitenzorg. Te Rangkas Betoeng de hoofdplaats van Lebak, scheurde
de controleurswoning, terwijl van het huis van den assistent-resident
een gedeelte van den gevel instortte. Op Java's Eerste punt echter brak
de steenen vuurtoren midden door; het bovenste gedeelte knapte af en
moest later worden afgebroken. Daar was de aardbeving het sterkst.
Men heeft, eerst na de uitbarsting van Krakatau, deze aardbeving leeren
beschouwen als een voorbode van vulkanische ontwikkeling. Want na den
1sten September 1880 werden er wel gedurende de volgende jaren
aardbevingen in Bantam gerapporteerd, doch ze waren van zeer geringe
sterkte, en niet buitengewoon veel in getal. Ja, in de eerste maanden
van 1883 heerschte er in geheel Indië veeleer betrekkelijk vulkanische
rust.
In de maand Mei 1883 lette niemand bijzonder op eenige lichte
aardbevingen die vooral in den omtrek van Straat Soenda, te Ketimbang op
Sumatra, en op Java te Anjer en op Java's Eerste punt werden
waargenomen.
Den 20sten Mei 1883, begon 's morgens te Batavia en te Buitenzorg een
kanongebulder. Ditmaal was er echter geen prinsesje geboren, zooals in
1880; de kanonschoten waren vergezeld van dreuningen en trillingen, die
soms een uur duurden. Die schoten werden steeds heviger en zij hielden
twee dagen en twee nachten aan.
Men verkeerde gedurende al dien tijd in de grootste onzekerheid,
waaraan die geluiden waren toe te schrijven. Het denkbeeld van eene
werkelijke kanonnade was natuurlijk al te ongerijmd, hoewel de geluiden
meer geleken op kanonschoten dan op iets anders. Maar er heerschte
"vrede op aarde" ten minste in den omtrek van Batavia.
Als men het oor op den grond legde, hoorde men gedurende de hevigste
schoten geen onderaardsch geruisch. De magnetische instrumenten op het
metereologisch instituut te Batavia vertoonden geene afwijkingen. Men
hoorde wel is waar de schoten in de richting van Straat Soenda, maar uit
Serang, Anjer en Merak, die dichter bij Straat Soenda liggen, seinde
men, dat er geenerlei geluid gehoord werd. Welke vulkaan was nu de
schuldige? De Bantamsche vulkanen bleken rustig te zijn. Uit Sumatra
werd getelegrapheerd, dat ook daar alle vulkanen in rust waren.
Weldra werden de hoorders der kanonschoten uit hunne onzekerheid verlost
door de rapporten der schepen, die door Straat Soenda waren gevaren.
De beste beschrijving van hetgeen er eigenlijk in die dagen gebeurd was
hebben wij te danken aan den scheepspredikant Heims, die aan boord was
van de Duitsche oorlogscorvet "Elisabeth," onder commando van den
kapitein ter zee Hollmann.
De "Elisabeth" had twee jaren doorgebracht in de Japansche en Chineesche
wateren en was op de terugreis naar Duitschland. Zij deed den 20sten
Mei 1883 de reede van Anjer aan, en zette onmiddellijk daarna hare reis
naar Europa voort door Straat Soenda.
Wij geven nu het woord aan Ds. Heims.
"Nadat wij van Anjer weggestoomd waren, ging alles aan boord op dezelfde
wijze als elken Zondag.
De bemanning was op het dek opgesteld en werd geïnspecteerd. Op het
achterdek stonden de officieren in Zondagstenue met sjerp, steek en
sabel. Plotseling bemerkte men onder de officieren en op de commandobrug
eene zekere opschudding. Kijkers en hoofden werden over de verschansing
gericht naar het land, dat men zooeven verlaten had, waar de kust van
Sumatra en Java voor het gezicht bijna ineensmolt met het kleine eiland
Krakatau. Juist dáár steeg eene glanzend witte rookzuil met groote
snelheid op, die in korten tijd, volgens meting, eene hoogte van elf
duizend meter bereikte, en die wit als sneeuw afstak tegen den blauwen,
helderen hemel. Die zuil zag er uit als eene gigantische witte
koraalmassa van wigvormige gedaante, of als eene reusachtige bloemkool,
behalve dat hier alles in beweging was. Uit de afzonderlijke, dicht op
elkaar gedrongen en over elkaar liggende ballen van stoom, kwamen
telkens nieuwe draaiende massa's aan de bovenkant en op zijde te
voorschijn, maar toch bleven de omtrekken van de zuil, die steeds
grooter werd, scherp begrensd. Vervolgens begon de top zich naar ons toe
te neigen en het scheen alsof de wind hem daar in de hoogte voortdreef;
maar toen werden er weer nieuwe wolken met onweerstaanbare kracht
vooruitgeschoven, die te vergelijken waren met de achtereenvolgende
rookzuilen uit den schoorsteen van eene bovenmenschelijk groote,
stilstaande locomotief.
Van lieverlede mengden zich donkere kleuren in de witte schittering van
den stoom. Van onderen stegen namelijk zwartachtige strepen naar boven,
vooral aan de eene zijde; aan de andere zijde echter vertoonde zich eene
roodachtige kleur.
Langzamerhand ontstond een breed, blauw-groen gordijn, evenals eene
machtige, donkere, waaiervormige onweerswolk, van boven breed en van
onderen smal, die alles overdekte.
Wij waren getuigen van eene geweldige vulkanische uitbarsting, die op
het eiland Krakatau plaats greep. Geluiden werden niet vernomen.
In alle geval konden wij tevreden zijn met de ons bewezen attentie en
met de grootschheid van het daar opgestelde afscheidssignaal. De
laatste blik op Azië was voldoende imposant.
De godsdienstoefening, die elken Zondagmorgen aan boord gehouden wordt,
duurde drie kwartier.
De hemel, bij den aanvang nog zoo helder, was reeds voor het grootste
gedeelte betrokken; in het Oosten zag het er donker uit. Des namiddags
kwam de gewenschte Zuid-Oost-Passaat zóó sterk opzetten, dat wij de hoop
koesterden spoedig het vuur der machine te kunnen uitblusschen en verder
te zeilen, maar meer en meer betrok de hemel, totdat hij geheel en al
bedekt was met eene gelijkmatig grauwe wolk. Over de natuur van deze
wolk zouden wij niet lang in de onzekerheid verkeeren. Met den wind
mede, te loever, kwam van uit zee een zeer fijne aschregen mede, die als
eene grauwe, geelachtige, fijn verdeelde massa overal indrong en zich
als een dun witachtig laagje over liet schip uitbreidde, en die in den
loop van den den avond, evenals rijp, het dek en het tuig bedekte.
Aan de overzijde was het donker geworden. De sluier die over den hemel
hing, was zoo dicht en gelijkmatig, dat de volle maan gedurende den
nacht alleen te herkennen was als een zwak verlicht plekje aan den
hemel.
Den volgenden morgen zag Zijner Majesteits Corvet er uit als eene
drijvende cementfabriek. Gedempt klonken de schreden van het scheepsvolk
in het weeke vulkaanstof, dat door de bemanning verzameld werd, om als
poetspoeder te dienen. Boven het schip welfde zich de hemel als een
groote klok van matglas of melkglas, terwijl de zon er uitzag als een
blauwe kogel. De hemel was hier en daar bedekt met stofwolken, die er
als sneeuwwolken uitzagen, terwijl er van tijd tot tijd een regen viel
van asch, die op het oog groote overeenkomst met sneeuw vertoonde."
De passagiers en de officieren der schepen, die in die dagen door Straat
Soenda voeren, waren zoozeer vervuld met het heerlijke schouwspel, dat
de vulkaanwolk van Krakatau hun verschaft had, dat geheel Batavia er
over in opschudding geraakte. Er werd toen een pic-nic georganiseerd
naar Krakatau. De Nederlandsch-Indische Stoomvaart-Maatschappij stelde
het stoomschip "Gouverneur-Generaal Loudon" ter beschikking; voor
slechts f 25 per persoon kon men den tocht meemaken. Niet minder dan 86
passagiers waren van de partij. De "Loudon" vertrok des avonds van
Batavia en kwam den volgenden morgen, den 27sten Mei, te Krakatau aan.
Men had een Zondag uitgekozen, opdat niemand door zijn dagelijksch werk
zou verhinderd zijn dit feestje mede te maken. Het meerendeel der
passagiers bracht een gezelligen dag op Krakatau door. 's Avonds keerde
men weer naar Batavia terug. Men ziet hieruit, dat men den vulkaan van
Krakatau niet zeer ernstig opnam. Men beschouwde hem als een geschikt
doelwit voor een buitenpartijtje. Zooals de Amsterdammers wel eens een
Zondag doorbrengen op het rustige eiland Marken, zoo bracht de
beau-monde van Batavia een bezoek aan een vulkaan, die in volle werking
was! Vele beschrijvingen van dit tochtje zijn gepubliceerd en er zijn
toen ook photographieën genomen van den vuurspuwenden berg. Het eiland
was voor het grootste gedeelte met puimsteen en asch bedekt en het was
volkomen ontwoud tengevolge van een wervelwind. Het bleek, dat alleen de
Noordelijkste laagste berg van Krakatau, de slechts 100 M. hooge
Perboewatan, werkte. Men had de vermetelheid dezen berg te beklimmen. Te
midden van kale, sombere aschheuvelen, gingen de Bataviasche gasten met
moeite voort, daar zij tot hunne enkels in de asch inzakten. Eindelijk
was de laatste heuvel beklommen en stonden zij op den steilen rand van
den kraterwand. De krater zelf vertoonde zich als eene komvormige
uitholling, die ongeveer 40 M. lager lag dan de rand. Uit ééne plaats
van die uitholling steeg de machtige rookkolom op, onder een
angstwekkend gebulder. Wij ontleenden deze bijzonderheden aan het
verslag van den mijn-ingenieur J.A. Schuurman, die deel uitmaakte van
het reisgezelschap. Nu wij ons de latere eruptie van Krakatau in de
herinnering terugroepen, kunnen wij niet anders dan huiveren, als wij
denken aan het ongelooflijke gevaar, waaraan de deelnemers aan de
pic-nic naar Krakatau hebben blootgestaan. Want de vulkanen van dit
eiland handelen altijd spontaan, zonder de minste waarschuwing. Een
enkel onbeteekenend eruptie-verschijnsel slechts ware noodig geweest om
het geheele gezelschap te vernietigen, zoodat er wellicht nooit een
spoor van terug was gevonden.
Maar nu alles goed afliep, keerden zij des Zondagsavonds weder naar
Batavia terug in eene stemming, die de Heer Schuurman aldus aangeeft:
"dankbaar voor het genoten schoons, hadden wij afscheid genomen van een
schouwspel, dat zeker op allen een diepen, op velen een onvergetelijken
indruk heeft gemaakt."
Die indruk zou zeker gemengd zijn geweest met ontzetting als zij hadden
kunnen weten, waartoe Krakatau in staat was. Juist gedurende den tijd,
dat de pic-nic naar Krakatau gehouden werd, bewoog zich de geheele bodem
der kustlanden van Straat Soenda. Aardbevingen toch werden
gerapporteerd, niet slechts te Telok Betong, en op den vuurtoren van den
Vlakken Hoek op Sumatra, maar ook te Tjeringin, te Pandeglang, en op den
vuurtoren van Java's Eerste punt. En terwijl dat gebeurde, waagde men
zich in letterlijken zin tusschen de kaken van het monster; men beklom
zelf den kraterrand!
Te Batavia teruggekomen ging een ieder weer aan zijn dagelijksch werk.
Niemand twijfelde er nu aan of de vulkaan van Krakatau was een
onschuldig vuurspuwend bergje, zeer geschikt om aan leeken eenig
denkbeeld te geven van een vulkaan. Wel is waar brachten de schepen
telkens berichten van kleine uitbarstingen, doch de knallen, waardoor ze
vergezeld werden, werden veel minder sterk dan vroeger. De aardbevingen
tijdens het bezoek der Bataviasche gasten op Krakatau, in Bantam en
Sumatra ondervonden, herhaalden zich in 't geheel niet; men vond het
een aangenaam denkbeeld, dat men nu aan iedereen, die er belang in
stelde, een werkenden vulkaan kon laten kijken zonder eenig gevaar, en
men vergeleek gaarne Krakatau met het vulkaan-eiland Stromboli, dat op
reis naar Indië onze aandacht trok, en dat, reeds 2000 jaren achtereen,
van die kleine, aardige uitbarstingen vertoont, tot groot genoegen van
ieder, die er voorbijvaart. Krakatau zou nu voortaan in Straat Soenda de
rol spelen van den Stromboli; het zou de "great attraction" zijn van
Straat Soenda. Niemand dacht aan gevaar van die zijde.
Intusschen had Krakatau niet stilgezeten. In de maand Juni begon
namelijk behalve de berg Perboewatan ook de berg Danau te werken. Den
11den Augustus 1883 werd Krakatau bezocht door den toenmaligen kapitein
van den Generalen Staf H.I.G. Ferzenaar, thans luitenant-kolonel. De
heer Ferzenaar stond aan het hoofd van de topografische
opnemingsbrigade, die destijds bezig was de residentie Bantam in kaart
te brengen. Hij bezocht Krakatau met het doel na te gaan, hoe dit eiland
zou kunnen worden opgemeten, maar kwam tot het besluit: "dat daarvan
vooreerst niets kon komen, omdat het meten aldaar nog aan te veel gevaar
is blootgesteld." Er was toen namelijk nog een derde krater bijgekomen,
zoodat er in 't geheel drie punten waren, die werkten. Maar er waren nog
bovendien vele plekken op het eiland, waaruit rook opsteeg. De
terreinschets, die de heer Ferzenaar toen vervaardigde is van groote
waarde; hij is de laatste mensch geweest die ooit dit gedeelte van het
eiland betreden zou; 15 dagen na zijn bezoek toch geschiedde de groote
uitbarsting; en op de plaatsen, waar Ferzenaar stond, bewegen zich nu de
golven der zee, die daar een diepte heeft van honderden meters.
HOOFDSTUK IV.
Aan boord van de "Gouverneur-Generaal Loudon", tijdens de groote
uitbarsting.
Ambtenaren en particulieren.--"Overplaatsing" bij wijze van
koudwaterstraal.--De passagiers op eene Indische boot.--Zr. Ms.
troepen,--De bannelingen.--Vertrek van de "Loudon" 26 Aug.
1883.--Bestemming van de "Loudon".--Aankomst te Anjer.--De koelies
voor het eiland Bodjo bestemd.--Langs Krakatau.--De rookwolk.--Op
de reede te Telok Betong.--De branding op de kust verhinderde de
communicatie.--Vergaan der inlandsche prauwen gedurende den
nacht.--27 Augustus te half zeven verdwijnt Telok Betong door de
zeebeving.--Vergeefsche pogingen om uit de Lampongbaai te
komen.---De
duisternis.--Modderregen.--Puimsteenbombardement.--Vliegende
orkaan.--Inslaan van den bliksem.--Vuurbollen.--St. Elms-vuur.--La
illah la-il allah, Mohammed rasoel allah.--Hulde aan onzen
gezagvoerder Lindeman.--Vergaat de wereld?
Op de "Loudon" den 28sten Augustus.--Licht!--De puimsteenvelden
bij Poeloe Tiga.--De weg versperd.--Dwars door het drijvende
puimsteeneiland in Straat Lagoendie.--Gered.--Wat er op het
zoutschip "Marie" gebeurde--De "Barouw"--Het lot van Telok
Betong.--Puimsteenvelden gelijk ijsbergen.
De gloeiende aschregen en het puimsteenbombardement van
Katimbang.--De modderregen, eene verademing.--De redding van den
controleur van Katimbang.--Het lot van Pajoeng
Semangka.--Beneawang.--De vuurtoren aan de Blimbingbaai.--12500
slachtoffers op Sumatra.--