"Den 26sten Januari 1681 gingen wij met een favorabelen Oostenwind

onder zeil en kwamen den 1sten Februari door Goddelijke hulp voor den

mond van Straat Soenda, waar ik met verwondering zag dat het eiland

Cracketow, dat zich op mijne heenreis naar Sumatra geheel groen en

lustig met boomen presenteerde, nu echter als geheel verbrand en woest

voor onze oogen lag en op vier plaatsen groote vuurbrokken uitwierp."

"En toen ik den scheepskapitein vroeg, op welken tijd genoemd eiland

gesprongen was, zoo berichtte hij mij dat dit in Mei 1680 geschied was.

Hij was toen juist van de reis van Bengalen gekomen, had grooten storm

uitgestaan en ongeveer 10 mijlen van dit eiland eene aardbeving in zee

bemerkt. Hierop was een ontzettend donderen en kraken gevolgd, en hij

had daaruit vermoed, dat er een eiland of anders een stuk land gebarsten

was. Kort daarop, toen hij dichter bii den mond van Straat Soenda was

gekomen, was hij gewaar geworden, dat genoemd eiland Cracketow gebarsten

was en dat zijn vermoeden hem niet bedrogen had. Want hij had met al het

scheepsvolk den sterken zwaveldamp zeer duidelijk geroken, en de steenen

van het gesprongen eiland, die in zee gedreven waren, welke zeer licht

waren en er als puimsteen uitzagen, werden door de matrozen met

wateremmers uit de zee geschept en als rariteit opgevischt. Hij toonde

mij zulk een stuk, grooter dan een vuist."

Dit reisverhaal is eigenlijk de eenige mededeeling, die boven twijfel

verheven is, over eene werking in de vulkanen van Krakatau.

In Mei 1680 heeft dus eene uitbarsting plaats gehad. Maar dat zij

weinig opvallend is geweest, blijkt daaruit, dat in "het Dagregister van

het kasteel Batavia", nergens eenig bericht over die uitbarsting te

vinden is, hoewel bij de aankomst van elk schip op de reede van Batavia

in dat dagregister al het merkwaardige werd opgeteekend, dat de kapitein

op reis ondervonden of vernomen had.

Met behulp van dit "Dagregister" kon de Heer Mr. N.P. van den Berg

echter controleeren of inderdaad het schip "Aerdenburgh", waarmede Vogel

in 1681 zijne reis deed van Salida naar Batavia, in 1680 uit Bengalen

komende te Batavia is aangekomen. Dit bleek werkelijk het geval te zijn,

zoodat de kapitein volkomen waarheid sprak, toen hij aan Vogel vertelde,

dat hij in Mei 1680 voorbij Krakatau gevaren was. Waarom zullen wij hem

nu ook niet gelooven, als hij vertelt, dat hij eene vulkanische

uitbarsting heeft bijgewoond?

Na 1680 heeft Krakatau zich 200 jaar rustig gehouden. Wij kunnen dit

gerust aannemen, daar Straat Soenda zulk een verbazend druk vaarwater

is, dat er sedert dien tijd bijna geen dag geweest is, dat er niet een

schip is voorbijgevaren. En daar bovendien het bericht der uitbarsting

van 1680 slechts op één reisverhaal steunde, behoorde langzamerhand

Krakatau in het oog der menschen tot de uitgedoofde vulkanen. Te midden

der vulkaanreuzen van Java en Sumatra, die nog zoo onvolledig bekend

zijn, schonk schier niemand eenige aandacht aan dat kleine, steile,

groene eilandje, met zijn slechts 832 M. hoogen vulkaankegel. Weinig

Europeanen drongen ooit door in de dichte bosschen, die, na de

uitbarsting van 1680, weldra het geheele eiland beschermden tegen een

onbescheiden bezoek. Een Engelschman, de Heer W.B. Pearson, thans te

Padang wonende, liet zich eens op Krakatau brengen om te jagen; de

gezagvoerders van de schepen der Kon. Ned. Marine of der Royal Navy, die

de zeekaarten vervaardigden van Straat Soenda, bezochten niet het

binnenland. Het eenige bewijs van eene vulkanische natuur is de warme

bron, die de Engelsche zeekaart op het eiland aangeeft.

Zoo speelde Krakatau op meesterlijke wijze gedurende twee eeuwen de

geveinsde rol van uitgebluschten vulkaan.

Duizenden en nog eens duizenden schepen verkenden hem. Honderdduizenden

Europeanen aanschouwden met verrukking, zonder eenige vrees, zijn

bedriegelijk groen plantenkleed, als zij Straat Soenda bevoeren, en geen

hunner werd door eene geheime stem gewaarschuwd voor de geweldige

krachten, die dáár geketend waren.

Een woord van bewondering kunnen wij niet nalaten te uiten voor het

genie van Verbeek, die, hoewel hij nooit kon vermoeden, dat dit verlaten

plekje zulk een rol zou spelen, toch reeds in 1881 wees op de bijzondere

ligging van Krakatau, op het punt waar de vulkaangordels van Java,

Sumatra en Straat Soenda elkaar ontmoeten.

"Wie weet of in overoude tijden de scheiding van Java en Sumatra, de

vorming van Straat Soenda, niet tot stand is gekomen ten gevolge van

vulkanische werking in dit brandpunt van het vulkanisme van Insulinde?"

Deze opmerking maakt de Engelsche geoloog Professor Judd eenige jaren na

de uitbarsting. Maar Verbeek wees reeds op de ligging van Krakatau,

terwijl alles nog rustig was, toen zeker weinig vermoedende welk eene

schitterende bewijsvoering het eiland zelf hem weldra zou verschaffen.

Het bestaan van eene scheur of spleet in de aardkorst in Straat Soenda

is, zooals ik zeide, opgemerkt door Verbeek in 1881. Op deze scheur--de

Soenda-dwarsspleet genoemd--liggen, behalve de vulkanen van Krakatau,

ook de Pajong-vulkaan bij Java's Eerste punt. Wat is er natuurlijker dan

dat de uitbarstingen van het vulkanisme der aarde bij voorkeur langs

zulk eene spleet plaats vinden! Wordt niet het water beschouwd als de

groote beweegkracht van deze verschijnselen en kan het water niet zeer

gemakkelijk langs zulk eene spleet toevloeien naar de onderaardsche

ruimten, waar wij gesmolten stoffen vinden van hooge temperatuur? Zal

het water zich daar niet in stoom veranderen en in eene afgesloten

ruimte opgesloten eene hooge spanning aannemen? Als men nu eens

veronderstelt, dat die stoom van hooge drukking gemeenschap heeft met de

kraterpijp van een vulkaan, die geheel met lava gevuld is, dan zal het

van de spanning van den stoom afhangen, of er eene uitbarsting plaats

heeft ja dan neen.

De vulkanen van de Soenda-spleet zijn twee eeuwen lang in rust geweest:

dit bewijst alleen, dat de gemeenschap van het water der zee met de

onderaardsche ruimten gedurende dien tijd moeilijk geweest is.

Van 1880 tot 1883 heeft men echter vele aardbevingen opgemerkt langs

onze spleet. Deze aardbevingen zijn waarschijnlijk veroorzaakt door

onderaardsche verplaatsingen of verschuivingen van grond, die de groote

uitbarsting van Krakatau hebben voorbereid, daar zij den toevoer van

water hebben vergemakkelijkt.

De hevigste dezer noodlottige voorteekenen was de aardbeving van 1

September 1880. Deze dag blijft in mijn geheugen opgeteekend, want het

was de eerste maal, dat ik getuige was van eene aardbeving. Nauwelijks

eenige maanden in Indië zijnde, was ik naar Lebak gezonden ten einde een

tracé te zoeken voor een rijweg, die de Zuidelijke gedeelten der

residentiën Batavia en Bantam zou moeten verbinden.

Het is bekend, dat volgens de Grieksche mythe de reus Atlas de aarde op

zijne schouders draagt.

De Soendaneezen in het binnenland van Bantam gelooven, dat het eiland

Java op dezelfde wijze wordt gedragen door een karbouw of buffel. Van

tijd tot tijd beweegt zich dat dier: vandaar de aardbevingen. Maar

wanneer de vermoeide buffel zijn last afwierp, zou het eiland Java in

de zee verdwijnen. Als er dus eene aardbeving gevoeld wordt, werpen de

inlanders zich neder en kussen den grond, terwijl zij uitroepen: "aja,

aja"; hetgeen zeggen wil: "wij zijn er ook nog." Zoodoende hopen zij,

dat de buffel, die een huisdier is, begrijpen zal, dat het zijn plicht

is nog den last van 't eiland Java te blijven torschen.

Er zijn in Indie weinig huizen van twee verdiepingen. Bijna allen zijn

gelijkvloersch. De assistent-residentswoning te Buitenzorg heeft echter

twee verdiepingen. De bureaux zijn op den "rez de chaussee" en de woning

zelve is "au premier". Het is duidelijk, dat een waarnemer, die boven in

den grooten mast van een vaartuig is geklommen, de slingeringen,

veroorzaakt door de golven, veel sterker zal gevoelen dan iemand, die op

het dek staat. Evenzoo is er een groot verschil tusschen de uitwerking

van eene aardbeving, of men haar waarneemt op de eerste verdieping dan

wel op den beganen grond.

Den 1sten September 1880 was ik op de eerste verdieping van de

assistent-residentswoning te Buitenzorg. Nooit zal ik het vreemde gevoel

vergeten, dat ik ondervond op het oogenblik toen ik voor het eerst van

mijn leven de muren van het vertrek verscheiden malen zag bewegen,

terwijl de voorwerpen op de meubels gelegd of tegen den wand opgehangen

ter aarde vielen en in wanorde door de kamer rolden.

Wat gevoelt de mensch zich dan klein en hoe zeer beseft hij, hoe onjuist

de titel is, dien hij heeft aangenomen van "heer der schepping." De

aardbeving had overigens voor Buitenzorg geen verdere gevolgen. Den

volgenden morgen vroeg vlogen allen met schrik uit bed, want plotseling

dreunde er een kanonschot. Allen meenden, dat het een onderaardsch

geluid was, zekere voorbode van nieuwe aardschokken. Daar dreunde weder

een schot--en nog een.--Ja het waren werkelijk kanonschoten, die elkaar

met gelijke tusschenpoozen opvolgden: zij verkondigden der bevolking de

per telegraaf ontvangen heugelijke tijding, dat er in patria een

oranjetelg geboren was.

Het was het gebruikelijke artillerie-salvo ter eere van de geboorte van

H.K.H. Prinses Wilhelmina der Nederlanden, die den 31sten Augustus 1880

te 's-Hage het levenslicht aanschouwd had.

De aardbeving van 1 September 1880 is in Bantam vrij wat sterker gevoeld

dan te Buitenzorg. Te Rangkas Betoeng de hoofdplaats van Lebak, scheurde

de controleurswoning, terwijl van het huis van den assistent-resident

een gedeelte van den gevel instortte. Op Java's Eerste punt echter brak

de steenen vuurtoren midden door; het bovenste gedeelte knapte af en

moest later worden afgebroken. Daar was de aardbeving het sterkst.

Men heeft, eerst na de uitbarsting van Krakatau, deze aardbeving leeren

beschouwen als een voorbode van vulkanische ontwikkeling. Want na den

1sten September 1880 werden er wel gedurende de volgende jaren

aardbevingen in Bantam gerapporteerd, doch ze waren van zeer geringe

sterkte, en niet buitengewoon veel in getal. Ja, in de eerste maanden

van 1883 heerschte er in geheel Indië veeleer betrekkelijk vulkanische

rust.

In de maand Mei 1883 lette niemand bijzonder op eenige lichte

aardbevingen die vooral in den omtrek van Straat Soenda, te Ketimbang op

Sumatra, en op Java te Anjer en op Java's Eerste punt werden

waargenomen.

Den 20sten Mei 1883, begon 's morgens te Batavia en te Buitenzorg een

kanongebulder. Ditmaal was er echter geen prinsesje geboren, zooals in

1880; de kanonschoten waren vergezeld van dreuningen en trillingen, die

soms een uur duurden. Die schoten werden steeds heviger en zij hielden

twee dagen en twee nachten aan.

Men verkeerde gedurende al dien tijd in de grootste onzekerheid,

waaraan die geluiden waren toe te schrijven. Het denkbeeld van eene

werkelijke kanonnade was natuurlijk al te ongerijmd, hoewel de geluiden

meer geleken op kanonschoten dan op iets anders. Maar er heerschte

"vrede op aarde" ten minste in den omtrek van Batavia.

Als men het oor op den grond legde, hoorde men gedurende de hevigste

schoten geen onderaardsch geruisch. De magnetische instrumenten op het

metereologisch instituut te Batavia vertoonden geene afwijkingen. Men

hoorde wel is waar de schoten in de richting van Straat Soenda, maar uit

Serang, Anjer en Merak, die dichter bij Straat Soenda liggen, seinde

men, dat er geenerlei geluid gehoord werd. Welke vulkaan was nu de

schuldige? De Bantamsche vulkanen bleken rustig te zijn. Uit Sumatra

werd getelegrapheerd, dat ook daar alle vulkanen in rust waren.

Weldra werden de hoorders der kanonschoten uit hunne onzekerheid verlost

door de rapporten der schepen, die door Straat Soenda waren gevaren.

De beste beschrijving van hetgeen er eigenlijk in die dagen gebeurd was

hebben wij te danken aan den scheepspredikant Heims, die aan boord was

van de Duitsche oorlogscorvet "Elisabeth," onder commando van den

kapitein ter zee Hollmann.

De "Elisabeth" had twee jaren doorgebracht in de Japansche en Chineesche

wateren en was op de terugreis naar Duitschland. Zij deed den 20sten

Mei 1883 de reede van Anjer aan, en zette onmiddellijk daarna hare reis

naar Europa voort door Straat Soenda.

Wij geven nu het woord aan Ds. Heims.

"Nadat wij van Anjer weggestoomd waren, ging alles aan boord op dezelfde

wijze als elken Zondag.

De bemanning was op het dek opgesteld en werd geïnspecteerd. Op het

achterdek stonden de officieren in Zondagstenue met sjerp, steek en

sabel. Plotseling bemerkte men onder de officieren en op de commandobrug

eene zekere opschudding. Kijkers en hoofden werden over de verschansing

gericht naar het land, dat men zooeven verlaten had, waar de kust van

Sumatra en Java voor het gezicht bijna ineensmolt met het kleine eiland

Krakatau. Juist dáár steeg eene glanzend witte rookzuil met groote

snelheid op, die in korten tijd, volgens meting, eene hoogte van elf

duizend meter bereikte, en die wit als sneeuw afstak tegen den blauwen,

helderen hemel. Die zuil zag er uit als eene gigantische witte

koraalmassa van wigvormige gedaante, of als eene reusachtige bloemkool,

behalve dat hier alles in beweging was. Uit de afzonderlijke, dicht op

elkaar gedrongen en over elkaar liggende ballen van stoom, kwamen

telkens nieuwe draaiende massa's aan de bovenkant en op zijde te

voorschijn, maar toch bleven de omtrekken van de zuil, die steeds

grooter werd, scherp begrensd. Vervolgens begon de top zich naar ons toe

te neigen en het scheen alsof de wind hem daar in de hoogte voortdreef;

maar toen werden er weer nieuwe wolken met onweerstaanbare kracht

vooruitgeschoven, die te vergelijken waren met de achtereenvolgende

rookzuilen uit den schoorsteen van eene bovenmenschelijk groote,

stilstaande locomotief.

Van lieverlede mengden zich donkere kleuren in de witte schittering van

den stoom. Van onderen stegen namelijk zwartachtige strepen naar boven,

vooral aan de eene zijde; aan de andere zijde echter vertoonde zich eene

roodachtige kleur.

Langzamerhand ontstond een breed, blauw-groen gordijn, evenals eene

machtige, donkere, waaiervormige onweerswolk, van boven breed en van

onderen smal, die alles overdekte.

Wij waren getuigen van eene geweldige vulkanische uitbarsting, die op

het eiland Krakatau plaats greep. Geluiden werden niet vernomen.

In alle geval konden wij tevreden zijn met de ons bewezen attentie en

met de grootschheid van het daar opgestelde afscheidssignaal. De

laatste blik op Azië was voldoende imposant.

De godsdienstoefening, die elken Zondagmorgen aan boord gehouden wordt,

duurde drie kwartier.

De hemel, bij den aanvang nog zoo helder, was reeds voor het grootste

gedeelte betrokken; in het Oosten zag het er donker uit. Des namiddags

kwam de gewenschte Zuid-Oost-Passaat zóó sterk opzetten, dat wij de hoop

koesterden spoedig het vuur der machine te kunnen uitblusschen en verder

te zeilen, maar meer en meer betrok de hemel, totdat hij geheel en al

bedekt was met eene gelijkmatig grauwe wolk. Over de natuur van deze

wolk zouden wij niet lang in de onzekerheid verkeeren. Met den wind

mede, te loever, kwam van uit zee een zeer fijne aschregen mede, die als

eene grauwe, geelachtige, fijn verdeelde massa overal indrong en zich

als een dun witachtig laagje over liet schip uitbreidde, en die in den

loop van den den avond, evenals rijp, het dek en het tuig bedekte.

Aan de overzijde was het donker geworden. De sluier die over den hemel

hing, was zoo dicht en gelijkmatig, dat de volle maan gedurende den

nacht alleen te herkennen was als een zwak verlicht plekje aan den

hemel.

Den volgenden morgen zag Zijner Majesteits Corvet er uit als eene

drijvende cementfabriek. Gedempt klonken de schreden van het scheepsvolk

in het weeke vulkaanstof, dat door de bemanning verzameld werd, om als

poetspoeder te dienen. Boven het schip welfde zich de hemel als een

groote klok van matglas of melkglas, terwijl de zon er uitzag als een

blauwe kogel. De hemel was hier en daar bedekt met stofwolken, die er

als sneeuwwolken uitzagen, terwijl er van tijd tot tijd een regen viel

van asch, die op het oog groote overeenkomst met sneeuw vertoonde."

De passagiers en de officieren der schepen, die in die dagen door Straat

Soenda voeren, waren zoozeer vervuld met het heerlijke schouwspel, dat

de vulkaanwolk van Krakatau hun verschaft had, dat geheel Batavia er

over in opschudding geraakte. Er werd toen een pic-nic georganiseerd

naar Krakatau. De Nederlandsch-Indische Stoomvaart-Maatschappij stelde

het stoomschip "Gouverneur-Generaal Loudon" ter beschikking; voor

slechts f 25 per persoon kon men den tocht meemaken. Niet minder dan 86

passagiers waren van de partij. De "Loudon" vertrok des avonds van

Batavia en kwam den volgenden morgen, den 27sten Mei, te Krakatau aan.

Men had een Zondag uitgekozen, opdat niemand door zijn dagelijksch werk

zou verhinderd zijn dit feestje mede te maken. Het meerendeel der

passagiers bracht een gezelligen dag op Krakatau door. 's Avonds keerde

men weer naar Batavia terug. Men ziet hieruit, dat men den vulkaan van

Krakatau niet zeer ernstig opnam. Men beschouwde hem als een geschikt

doelwit voor een buitenpartijtje. Zooals de Amsterdammers wel eens een

Zondag doorbrengen op het rustige eiland Marken, zoo bracht de

beau-monde van Batavia een bezoek aan een vulkaan, die in volle werking

was! Vele beschrijvingen van dit tochtje zijn gepubliceerd en er zijn

toen ook photographieën genomen van den vuurspuwenden berg. Het eiland

was voor het grootste gedeelte met puimsteen en asch bedekt en het was

volkomen ontwoud tengevolge van een wervelwind. Het bleek, dat alleen de

Noordelijkste laagste berg van Krakatau, de slechts 100 M. hooge

Perboewatan, werkte. Men had de vermetelheid dezen berg te beklimmen. Te

midden van kale, sombere aschheuvelen, gingen de Bataviasche gasten met

moeite voort, daar zij tot hunne enkels in de asch inzakten. Eindelijk

was de laatste heuvel beklommen en stonden zij op den steilen rand van

den kraterwand. De krater zelf vertoonde zich als eene komvormige

uitholling, die ongeveer 40 M. lager lag dan de rand. Uit ééne plaats

van die uitholling steeg de machtige rookkolom op, onder een

angstwekkend gebulder. Wij ontleenden deze bijzonderheden aan het

verslag van den mijn-ingenieur J.A. Schuurman, die deel uitmaakte van

het reisgezelschap. Nu wij ons de latere eruptie van Krakatau in de

herinnering terugroepen, kunnen wij niet anders dan huiveren, als wij

denken aan het ongelooflijke gevaar, waaraan de deelnemers aan de

pic-nic naar Krakatau hebben blootgestaan. Want de vulkanen van dit

eiland handelen altijd spontaan, zonder de minste waarschuwing. Een

enkel onbeteekenend eruptie-verschijnsel slechts ware noodig geweest om

het geheele gezelschap te vernietigen, zoodat er wellicht nooit een

spoor van terug was gevonden.

Maar nu alles goed afliep, keerden zij des Zondagsavonds weder naar

Batavia terug in eene stemming, die de Heer Schuurman aldus aangeeft:

"dankbaar voor het genoten schoons, hadden wij afscheid genomen van een

schouwspel, dat zeker op allen een diepen, op velen een onvergetelijken

indruk heeft gemaakt."

Die indruk zou zeker gemengd zijn geweest met ontzetting als zij hadden

kunnen weten, waartoe Krakatau in staat was. Juist gedurende den tijd,

dat de pic-nic naar Krakatau gehouden werd, bewoog zich de geheele bodem

der kustlanden van Straat Soenda. Aardbevingen toch werden

gerapporteerd, niet slechts te Telok Betong, en op den vuurtoren van den

Vlakken Hoek op Sumatra, maar ook te Tjeringin, te Pandeglang, en op den

vuurtoren van Java's Eerste punt. En terwijl dat gebeurde, waagde men

zich in letterlijken zin tusschen de kaken van het monster; men beklom

zelf den kraterrand!

Te Batavia teruggekomen ging een ieder weer aan zijn dagelijksch werk.

Niemand twijfelde er nu aan of de vulkaan van Krakatau was een

onschuldig vuurspuwend bergje, zeer geschikt om aan leeken eenig

denkbeeld te geven van een vulkaan. Wel is waar brachten de schepen

telkens berichten van kleine uitbarstingen, doch de knallen, waardoor ze

vergezeld werden, werden veel minder sterk dan vroeger. De aardbevingen

tijdens het bezoek der Bataviasche gasten op Krakatau, in Bantam en

Sumatra ondervonden, herhaalden zich in 't geheel niet; men vond het

een aangenaam denkbeeld, dat men nu aan iedereen, die er belang in

stelde, een werkenden vulkaan kon laten kijken zonder eenig gevaar, en

men vergeleek gaarne Krakatau met het vulkaan-eiland Stromboli, dat op

reis naar Indië onze aandacht trok, en dat, reeds 2000 jaren achtereen,

van die kleine, aardige uitbarstingen vertoont, tot groot genoegen van

ieder, die er voorbijvaart. Krakatau zou nu voortaan in Straat Soenda de

rol spelen van den Stromboli; het zou de "great attraction" zijn van

Straat Soenda. Niemand dacht aan gevaar van die zijde.

Intusschen had Krakatau niet stilgezeten. In de maand Juni begon

namelijk behalve de berg Perboewatan ook de berg Danau te werken. Den

11den Augustus 1883 werd Krakatau bezocht door den toenmaligen kapitein

van den Generalen Staf H.I.G. Ferzenaar, thans luitenant-kolonel. De

heer Ferzenaar stond aan het hoofd van de topografische

opnemingsbrigade, die destijds bezig was de residentie Bantam in kaart

te brengen. Hij bezocht Krakatau met het doel na te gaan, hoe dit eiland

zou kunnen worden opgemeten, maar kwam tot het besluit: "dat daarvan

vooreerst niets kon komen, omdat het meten aldaar nog aan te veel gevaar

is blootgesteld." Er was toen namelijk nog een derde krater bijgekomen,

zoodat er in 't geheel drie punten waren, die werkten. Maar er waren nog

bovendien vele plekken op het eiland, waaruit rook opsteeg. De

terreinschets, die de heer Ferzenaar toen vervaardigde is van groote

waarde; hij is de laatste mensch geweest die ooit dit gedeelte van het

eiland betreden zou; 15 dagen na zijn bezoek toch geschiedde de groote

uitbarsting; en op de plaatsen, waar Ferzenaar stond, bewegen zich nu de

golven der zee, die daar een diepte heeft van honderden meters.

HOOFDSTUK IV.

Aan boord van de "Gouverneur-Generaal Loudon", tijdens de groote

uitbarsting.

Ambtenaren en particulieren.--"Overplaatsing" bij wijze van

koudwaterstraal.--De passagiers op eene Indische boot.--Zr. Ms.

troepen,--De bannelingen.--Vertrek van de "Loudon" 26 Aug.

1883.--Bestemming van de "Loudon".--Aankomst te Anjer.--De koelies

voor het eiland Bodjo bestemd.--Langs Krakatau.--De rookwolk.--Op

de reede te Telok Betong.--De branding op de kust verhinderde de

communicatie.--Vergaan der inlandsche prauwen gedurende den

nacht.--27 Augustus te half zeven verdwijnt Telok Betong door de

zeebeving.--Vergeefsche pogingen om uit de Lampongbaai te

komen.---De

duisternis.--Modderregen.--Puimsteenbombardement.--Vliegende

orkaan.--Inslaan van den bliksem.--Vuurbollen.--St. Elms-vuur.--La

illah la-il allah, Mohammed rasoel allah.--Hulde aan onzen

gezagvoerder Lindeman.--Vergaat de wereld?

Op de "Loudon" den 28sten Augustus.--Licht!--De puimsteenvelden

bij Poeloe Tiga.--De weg versperd.--Dwars door het drijvende

puimsteeneiland in Straat Lagoendie.--Gered.--Wat er op het

zoutschip "Marie" gebeurde--De "Barouw"--Het lot van Telok

Betong.--Puimsteenvelden gelijk ijsbergen.

De gloeiende aschregen en het puimsteenbombardement van

Katimbang.--De modderregen, eene verademing.--De redding van den

controleur van Katimbang.--Het lot van Pajoeng

Semangka.--Beneawang.--De vuurtoren aan de Blimbingbaai.--12500

slachtoffers op Sumatra.--

In Het Rijk van Vulcaan de Uitbarsting van Krakatau en Hare Gevolgen · 第 3 / 14 段