3600 M. en de Etna 3300 Meter. De Japansche vulkanen zijn daarentegen
laag. Sommigen verheffen zich slechts weinige honderden meters boven de
zee. Maar er zijn ook vele voorbeelden van onderzeesche uitbarstingen.
Dan vermengt zich het zeewater met de lava en de uitwerkselen zijn
vreeselijk. En nog veelvuldiger gebeurt het, dat tijdens de uitbarsting
ruimten instorten, die vroeger met lava gevuld waren, doch die nu
geledigd werden, doordat de lava uit den vulkaan wordt geperst. Dan
vindt menigmaal het zeewater zijn weg naar den vulkanischen haard, en
eene verbazende ontplofting is het gevolg, waarbij dan plotseling eenige
kubieke kilometers vaste stoffen in de lucht kunnen worden geschoten.
In sommige geologische werken leest men, dat het water onder dien druk
niet in damp kan veranderen, en dat het zich met de gesmolten massa in
de vulkanische haarden zou verbinden tot een ontplofbaar mengsel, het
zoogenaamde magma.
Men vindt dit o.a. nog in v. Hochstetter's, "Allgemeine Erdkunde",
uitgave 1881. Maar, volgens hetgeen wij gezegd hebben over de kritische
temperatuur van water, kan het water bij die hooge temperatuur niet
bestaan. Al het water, dat, hetzij door de capillaire werking der
gesteenten, hetzij door het instorten van waterkeerende zolderingen van
onderaardsche ruimten naar beneden valt, zal onmiddellijk verdampen. Wij
hebben geen denkbeeld van de spanning, welke die waterdamp zal aannemen,
maar, als men het arbeidsvermogen nagaat, dat bij eene uitbarsting wordt
verbruikt, dan bedraagt zij zeker duizenden atmosferen.
Niet zeldzaam zijn de aardschokken in vulkanische streken. In Japan
werden door den geleerde Dr. Wada te Tokio gedurende het jaar 1887 niet
minder dan 483 aardschokken opgeteekend, en als men de oppervlakten
optelt van de streken, waar gedurende dat jaar die aardschokken gevoeld
zijn, dan bedraagt de som vijfmaal den oppervlakte van het geheele
keizerrijk Japan. En wat het verlies aan menschenlevens en kapitaal
betreft, zoo kan zich wel is waar geene uitbarsting meten met de
ellende, teweeggebracht door den een of anderen modernen oorlog; maar
een getal van 60,000 personen aan dooden en vermisten, zooals bij de
aardbeving van Lissabon in 1775, of van 40,000, zooals bij de
uitbarsting van Krakatau, is toch vrij aanzienlijk. Want (en daarin
overtreffen deze natuurverschijnselen in hevigheid de bloedigste
veldslagen, ondanks de nieuwste uitvindingen op het gebied der
officieële vernielingskunst) de uitbarsting doet dit werk gewoonlijk in
den tijd van eenige minuten. Men heeft natuurlijk het grootste belang om
zulk een uitbarsting van te voren te kunnen vermoeden, maar tot nu toe
is men er nog niet in geslaagd de wetten van het vulkanisme te vinden.
Troosten wij ons hiermede, dat de metereologie, de leer van het weder,
zelfs nog in hare kindsheid is.
Maar de studie van het vulkanisme is zeker bijzonder geschikt om den
mensch tot nederigheid te stemmen. De bekende "_onfeilbare wetenschap_"
heeft op dit gebied nog niet veel resultaten verkregen. De eene theorie
doodt de andere en wordt op hare beurt vermoord door eene nieuwe.
Terwijl de mensch de aarde heeft gewogen en gemeten, zoodat haar
soortelijk gewicht en haar omvang aan elk schoolgaand kind geleerd
wordt, terwijl wij den afstand van de sterren in aardstralen uitdrukken,
en het oogenblik van periodieke verschijnselen tot op de grootste
nauwkeurigheid jaren van te voren berekenen, toch is onze kennis van de
aarde zelf beperkt tot de uiterste grens van de korst. Wij hebben niet
vermocht daarin dieper door te dringen dan tot op 1/3600 van den
aardstraal.
"Des Pudels Kern" is ons even onbekend als aan de oude volken.
De wereld van Vulcaan! Ja nog is ze ons een mysterie. Wat zouden we niet
geven als we konden weten, wat er in dien geheimzinnigen bol, die onze
woonplaats is, geschiedt! Want de oppervlakte van dien bol is ons geen
geheim meer. Het donkere werelddeel, de laatste witte plekken op de
wereldkaart, hebben weldra hunne geheimen verklapt. Slechts 1/16 van de
aardoppervlakte is nooit door een mensch betreden, en het grootste
gedeelte van deze onbekende streken ligt in de Poolstreken. De
diepzee-expedities geven ons uitsluitsel over het wondere leven van
planten en dieren op den zeebodem, over de machtige stroomingen, die den
wereldoceaan bewegen. De wetenschappelijke luchtvaart, in dienst der
metereologie, onthult ons de geheimen van den dampkring. De hoogste en
steilste bergtoppen, die in het laatst der vorige eeuw als onbeklimbaar
golden, zijn allen bestegen. Er zijn geen maagdelijke bergen meer.
Met het mikroskoop gewapend is het ons vergund een blik te slaan in de
wereld van het oneindig kleine. Wij bespieden de kiemen der ziekten, de
dragers der epidemiën.
Met behulp der verbeterde astronomische werktuigen mogen wij zelfs een
blik werpen op andere werelden. De uitgedoofde kraters op de maan zijn
door ons in kaart gebracht; de verdeeling van land en water op de
planeet Mars is ons volkomen bekend.
We zijn dus met reuzenschreden vooruitgegaan op menig gebied.
Maar het binnenste van de aarde blijft een gesloten boek.
De wereld van Vulcaan blijft een mysterie.
HOOFDSTUK II.
Op weg naar Indië.
Busken Huet's indruk van den Vesuvius.--Napels.--Onze eerste
kennismaking met de wereld van Vulcaan.--De toekomst van
Pompeji.--De geschiedenis van den Vesuvius.--Op reis naar Indië in
de baai van Napels.--Twee nieuwe leden der vulkanen-familie.--De
Stromboli.--De Etna.--De laatste blik op Europa is eene
onthulling.--De taal der vulkanen.--Straat Soenda vergeleken met
Straat Messina.--Het eeuwige groen der eilanden van Straat
Soenda.--Beschrijving van Straat Soenda--De ruggegraten van Java,
Sumatra en Straat Soenda snijden elkaar bij Krakatau.--Ontdekkingen
van Verbeek.--Krakatau zelfs bij naam onbekend aan velen.
In den tijd, dat de booten der Stoomvaart-Maatschappij Nederland Napels
aandeden, in plaats van Marseille of Genua, zooals zij tegenwoordig
doen, viel mij het voorrecht te beurt Italië te zien in omgekeerde
volgorde, als waarin Busken Huet het gezien had, toen hij zijn
onsterfelijk "van Napels naar Amsterdam" schreef. Indien het er om te
doen is om vulkanische indrukken te krijgen, dan is het zeker
eigenaardiger uit Europa naar Indië te gaan, dan omgekeerd. Want wel is
waar roemt Busken Huet de baai van Napels als het schoonste, dat de
aarde voortbracht. "Al was de aarde tien malen schooner, dan zij uit den
chaos is voortgekomen, het is niet mogelijk, dat ergens zee en lucht,
lijnen en kleuren, hoogten en diepten, zuiverder ineenvloeien." De
indruk, dien de Vesuvius op hem maakte, toen hij uit Indië terugkeerde,
is echter bedroevend. De eenige woorden, die hij aan hem wijdde, zijn
uitingen van volslagen minachting. "Ik spreek niet van den Vesuvius. De
Vesuvius op zich zelf is maar een vuurspuwende berg; familie van den
Salak en den Gedeh."
Welk een geheel anderen indruk zou hij niet hebben ontvangen als hij die
familie-gelijkenis eerst later had kunnen ontdekken. Want voor ons, uit
Holland komende, is het laatste plekje van Oud-Europa, waar wij staan
voor wij naar 't ons vreemde Azië vertrekken, tevens de eerste
kennismaking met de "vuurspuwende bergen." Daar zien wij voor het eerst
een lid van de familie der vulkanen, het eenige lid dier familie, dat op
het geheele vaste land van Europa te vinden is; de familie-gelijkenis
zal ons eerst in Indië treffen.
We zijn op de Chiaja te Napels. De zon is onder. Voor ons dansen de
lichten der schepen op en neer in de baai van Napels, en het massief van
den Vesuvius teekent zich als eene sombere, zwarte massa af in het
maanlicht. Ziet ge die vuurkolom boven den Vesuvius? Het is de
geheimzinnige bode van de Wereld van Vulcaan. En als wij morgen zijn
opgegaan naar Pompeji tusschen de vulkanische gesteenten, die de
Vesuvius heeft uitgebraakt, als wij zullen wandelen door de uitgegraven
straten van eene Romeinsche stad, getroffen in het volle leven harer
bedrijvigheid, bedolven onder de vulkanische uitwerpselen, die eene laag
vormden van meer dan 6 M. dikte, dan zien we onwillekeurig naar boven.
Vlak voor ons verheft zich rookend de vulkaankegel van den Vesuvius. Is
het ons niet alsof hij ons waarschuwt? Zal niet, als er millioenen
besteed zijn aan de uitgraving van Pompeji, en van Herculanum, waar de
laag lava 12-30 M. is, de Vesuvius in één ondeelbaar tijdstip dat werk
van honderden jaren te niet doen, en zal er weer eene grauwe aschlaag
zijn boven het belangwekkende huis van Diomedes buiten de poort van
Herculanum en den Venustempel op het Forum? Zal professor Palmieri, die
op den Vesuvius in zijn metereologisch observatorium den berg bespiedt,
en die belast is met het voorspellen der uitbarstingen, u kunnen zeggen
wat de Vesuvius in de toekomst doen zal?
Want de Vesuvius is een voorbeeld van grilligheid, waardig type van een
vulkaan. Sedert 2000 jaren hebben wij betrouwbare berichten van zijne
werkzaamheid. Hij had den naam van een uitgedoofden vulkaan, in de
grijze oudheid. Geheele legers kampeerden in den uitgedoofden krater.
Eensklaps toonde hij, in het jaar 79 voor Christus, hoe hij miskend werd
door die beschouwing. Toen overstelpte hij plotseling de drie steden
Stadia, Herculanum en Pompeji. Na dit schitterend wapenfeit vergenoegde
hij zich met kleinere uitbarstingen, die hij in de 14de eeuw zelfs
geheel staakte. Hij rustte nu drie eeuwen lang op zijne lauweren. In
1631 echter had eene uitbarsting plaats, die, wat hevigheid betreft,
weinig achterstond bij de klassieke begraving van Pompeji.
Sedert dien tijd verloopen er drie of vier jaar tusschen de
uitbarstingen.
Er zijn maar weinig vuurspuwende bergen waarvan men het vulkanisme zóó
lang heeft bestudeerd.
Wanneer wij op reis naar Indië de golf van Napels uitstoomen en de
terrassen van Napels achter ons liggen, dan rijst aan bakboord de
Vesuvius uit de Campanische vlakte omhoog. Zijne hellingen zijn begroeid
met wijnbergen, en wij denken onwillekeurig aan de "Lacrimae Christi",
die wij te Napels dronken. De laatste blik, dien wij kunnen slaan op het
werelddeel onzer jeugd, het Europa, dat wij verlaten, om eene onbekende
toekomst tegen te gaan, is gewichtig. Want niet alleen is het landschap,
dat langzamerhand onduidelijk wordt en verdwijnt, het schoonste wat wij
ooit zagen, maar het is te gelijk eene onthulling.
De laatste indruk van Europa is ons eene wijding voor hetgeen ons
wacht, het is ons eene inwijding in de wereld van Vulcaan.
Weldra hebben wij voor goed afscheid genomen van den Vesuvius en met hem
van het vasteland van Europa. Wij varen tusschen 't eiland Capri en Kaap
Campanella door en wij krijgen de Liparische eilanden in 't gezicht.
Hier wachten ons twee nieuwe leden van de vulkanen-familie. De Stromboli
verheft zich op een der Liparische eilanden en, aan den ingang van
straat Messina gekomen, wordt ons oog geboeid door den Etna op 't eiland
Sicilië.
Even oud als de eerste berichten van den Vesuvius zijn die van den
Stromboli en den Etna. Reeds voor 2000 jaren waren beiden werkende
vulkanen. Maar toch verschillen zij zeer in karakter. De Etna heeft
gewoonlijk eens in de tien of twaalf jaar eene kleine uitbarsting; de
Stromboli daarentegen stoot, sedert 2000 jaar, om het kwartier, slakken
en aschwolken uit. Zijne uitbarstingen volgen elkaar even regelmatig op,
als het ontsnappen van den afgewerkten stoom bij een locomotief. Men
heeft ze wel eens vergeleken bij den polsslag der dieren.
Maar wat is de Vesuvius en de Stromboli in vergelijking van den Smeroe
en den Merapi! Kenden wij maar de geschiedenis onzer Indische vulkanen
even goed als die van de Italiaansche vuurspuwende bergen, dan zouden we
wellicht op het vulkanisme der aarde een beter kijkje hebben. Zij staat
in onuitwischbaar schrift in steen uitgehouwen, over de geheele
oppervlakte van den berg, die immers is opgebouwd uit de materialen, die
hij zelf heeft uitgespogen. Maar de taal, die de bergen spreken, is ons
slecht bekend.
Wanneer onze afscheidsgroet aan Europa de golf van Napels en de straat
van Messina geldt, dan is het welkom, dat Indië ons biedt, die niet
onwaardig.
Want Straat Soenda is in schoonheid hunne evenknie. De zee is er niet
minder blauw en de lucht niet minder helder. Mogen al de mythische
zeetochten van Odysseus en Aeneas den klassiek gevormden mensch voor den
geest zweven, als hij door straat Messina stoomt, zij vinden een
waardigen tegenhanger in de ontdekkingsreizen onzer zeelieden in Indië,
gedurende de 16de en 17de eeuw. En als de Stromboli en de Etna ons de
zeeslagen herinneren van 1676, toen de Ruyter sneuvelde, dan doemen in
straat Soenda de schimmen voor ons op van onze "Jannen," in hunne
worstelingen tegen inlanders, Portugeezen en Engelschen.
Ja, er is voor ons Nederlanders geen plek ter wereld zoo klassiek als
Straat Soenda. De Nederlander, die voor 't eerst op weg is naar Indië,
heeft meer oog voor Straat Soenda, dan voor alles wat achter hem ligt.
Zij is het einde van zijne zeereis, de eerste blik op het nieuwe
vaderland, waar hem alles zoo vreemd zal zijn!
Uit een vulkanisch oogpunt is er wellicht op aarde geen plek, die
zoozeer de opmerkzaamheid verdient. Want niet alleen, dat de kusten van
Java en Sumatra, die door straat Soenda gescheiden zijn, als 't ware
opgepropt zijn met vulkanen, maar bovendien verheft zich op bijna elk
der talrijke eilandjes in straat Soenda een vuurspuwende berg.
Hetgeen ons echter op het eerste gezicht het meest treft is een
verbazende indruk van door niets te stuiten weelderige vruchtbaarheid.
De indruk is daarom zoo machtig, omdat wij kort te voren de troostelooze
dorre stranden der Roode zee voor oogen hadden.
Elk eilandje, de geheele kust, is ééne plek van groen, uit zee gezien
van gelijkmatig groen, zoo dicht schijnen ons de boomen bij elkaar.
Daarvóór zien wij hier en daar wel rijstvelden of dorpen met
klapperboomen; maar de hoofdindruk blijft de groene achtergrond, die
daarom zóo sterk domineert, omdat in straat Soenda de smalle alluviale
kust verdwijnt tegenover het gebergte, waarvan de zwaar begroeide
uitloopers, zoowel op den Sumatra- als op den Java-wal, tot dicht bij
zee doorloopen.
Straat Soenda heeft den vorm van een trechter. Als men van Europa komt
uit den Grooten Indischen Oceaan, dan heeft Straat Soenda eene breedte
van 112 kilometer tusschen Kaap Tandjong Rata of Vlakke Hoek, die de
Zuidelijkste punt van Sumatra vormt, en Java's Eerste punt.
Volgt men de kustlijn van Sumatra dan heeft men eerst het gezicht op de
kusten van de baai van Semangka, een woest, geaccidenteerd terrein, dat
het paradijs der apen schijnt te zijn. Op den achtergrond verheffen zich
de Dempo en de Semangka tot op 2000 M. boven de zee. Voor de
Semangkabaai ligt het eiland Laboean.
Op de Semangkabaai volgt een nieuwe diepe inham, de Lampongbaai. Haar
ingang is bedekt met eilanden, waarvan Lagoendie, Sebesie en Seboekoe de
voornaamste zijn. In het diepst van de Lampongbaai ligt de stad
Telok-Betong, de residentie van den resident der Lampongs.
Aan het einde van de Lampongbaai ligt Kaap Varkenshoek. Wij zijn hier
aan het nauwste gedeelte van den trechter, want straat Soenda is hier
slechts 25 kilometer breed. Hier buigt Sumatra zich naar het Noorden.
Keeren wij terug tot den ingang van Straat Soenda en begeven wij ons
naar Java. Daar loopt het gebergte tot dicht bij zee door. De uitloopers
heeten Java's Eerste, Tweede, Derde en Vierde punt.
Tusschen de Derde en Vierde punt van Java ligt Tjaringin en voorbij de
Vierde punt, Anjer.
Evenals de ruggegraat bij de gewervelde dieren, zoo loopt het gebergte
op Java, zoowel als op Sumatra, in hoofdzaak volgens de lengteas van het
eiland. Verbindt men bijvoorbeeld Atjeh-hoofd, eene der Noordelijkste
punten van Sumatra, met den berg Tangka of Kalanbajar, gelegen tusschen
de baaien Semangka en Lampong, dan heeft men de hoofdrichting van het
gebergte op Sumatra. Verlengt men deze lijn in straat Soenda, dan
bereikt men het eiland Krakatau.
Als men nu eene lijn trekt van Java's hoogsten top, den Smeroe, volgens
de lengteas van het eiland, dan liggen op deze bijna rechte lijn onder
anderen de Kawi, Keloet, Wilis, Lawoe, Merapi, Soembing, Slamat, Gedeh,
Poeloesari en Karang. De Karang kijkt uit op straat Soenda. Verlengt men
ook Java's ruggegraat in Straat Soenda, dan bereikt men eveneens het
eiland Krakatau.
Beschouwen wij nu nog eens de vulkanische eilanden in Straat Soenda, dan
kunnen wij hier eene lijn trekken van den berg Radja Bassa op Sumatra
bij Varkenshoek, naar den berg Pajong, bij Java's Eerste punt gelegen.
Deze lijn snijdt eerst de vulkanische eilandengroep Poeloe-Tiga, en
daarna het eiland Seboekoe, zij loopt vervolgens over den vulkaan van
Sebesie en snijdt dan het eiland Krakatau. Die lijn is de vulkanische
ruggegraat van Straat Soenda. Die ruggegraten van Java, Sumatra en
Straat Soenda vallen samen met reusachtige plooien, het zijnde
verwerpingsspleten der aardkorst, die wij in het eerste hoofdstuk
bespraken. Het eiland Krakatau is het punt, waar die drie spleten bij
elkaar komen; het is het punt waar de vulkanische haarden, die zich
onder Java, Sumatra en Straat Soenda uitstrekken elkaar ontmoeten. Men
kan ook de vulkanen van Java en Sumatra als één doorloopenden gordel
beschouwen, liggende op ééne lange verwerpings-spleet, ééne scheur in de
aardkorst. De vulkanen van Straat Soenda bevinden zich dan op ééne
dwarsspleet.
Ten Westen van deze Soenda-dwarsspleet vond men in zee diepten van 130
M. en ten Oosten van 104 M.
Het schijnt dus, dat het eene gedeelte ten opzichte van het andere
verschoven is, hetgeen juist het kenmerk is van eene scheur in de
aardkorst.
Men moet niet denken, dat eerst de uitbarsting van Krakatau deze
merkwaardige geologische bijzonderheden aan het licht heeft gebracht.
Dezelfde man, wiens naam later voor goed zou verbonden worden aan den
naam Krakatau, de mijn-ingenieur R.D.M Verbeek, heeft reeds in 1881 de
aandacht gevestigd op dezen eigenaardigen bouw van Straat Soenda, in
zijne "topographische en geologische beschrijving van Zuid-Sumatra."
Deze beschrijving komt voor in het "Jaarboek voor het Mijnwezen in
Nederlandsch Oost-Indië", eene uitgave, die in 't algemeen ons zulk een
hoog denkbeeld geeft van ons wetenschappelijk corps mijn-ingenieurs. In
1883 verscheen van de hand van Verbeek de "geologische en topographische
beschrijving van een gedeelte van Sumatra's Westkust." Dit werk draagt,
evenals het vorige, den stempel van wetenschappelijke degelijkheid. Het
verbreidde zijn naam tot ver over onze grenzen, en sedert dien tijd
bekleedt Verbeek eene eerste plaats onder de wetenschappelijke geologen
van onzen tijd.
De eilanden van Straat Soenda, die uit een geologisch oogpunt van belang
zijn, werden door Verbeek in 1877 en 1880 bezocht.
In 1880 bezocht hij ook Krakatau, "te voren een geologisch onbekend
terrein."
"Weinig had ik gedacht"--zegt hij in zijn "Krakatau"--"dat de punten
waar ik toen gesteenten sloeg, drie jaren later geheel verdwenen zouden
zijn."
Dit feit maakt de waarnemingen van Verbeek in Straat Soenda zoo
bijzonder belangrijk voor de wetenschap. Dank zij zijne tochten was
Straat Soenda niet meer een geologisch onbekend terrein toen de
uitbarsting van Krakatau plaats greep.
Maar wie denkt er aan geologie, als hij voor het eerst Straat Soenda
doorvaart! Nergens meer dan op dat heerlijk plekje treft ons de
juistheid van het beeld van Multatuli, toen hij Indië roemde als het
heerlijk Rijk van Insulinde, dat zich om den evenaar slingert als een
gordel van smaragden. Want zij schitteren als groene edelgesteenten, die
tallooze eilandjes van Straat Soenda. Vele zijn onbewoond door menschen.
Maar alle zijn bedekt met een weelderig plantenkleed; terwijl op menig
eilandje de blauwe vulkaantop boven het groen uitsteekt.
Vol hoop, vol illusiën ziet de jonge Nederlander die groene eilandjes
aan als de eerste openbaringen der tropen; en na een veeljarig verblijf
in Indië zijn de eilandjes van Straat Soenda de laatste indruk, dien
hij uit Indië medeneemt, als het hem vergund is naar patria te
vertrekken.
Wanneer ge dus niet behoort tot hen, die in Indië geboren zijn, of
zooals men te Batavia zegt, tot hen, die zonder schip in Indië zijn
gekomen, dan kent ge uw Straat Soenda. Maar evenmin als een
Amsterdammer, die zijn Kalverstraat kent, de namen van alle winkels zal
kunnen opnoemen, evenmin zult ge de namen van alle eilandjes in Straat
Soenda kennen. De meeste menschen zullen, als ze oprecht zijn, moeten
bekennen, dat zij nooit van een eiland Krakatau gehoord hadden, voordat
dit eiland in 1883 zulke duidelijke levensteekenen gaf.
HOOFDSTUK III.
Krakatau vóór de groote uitbarsting.
De eilandengroep Krakatau was onbewoond en weinig bekend.--De Tocht
van Verbeek in 1880.--Reisverhaal van Vogel in 1681.--De
uitbarsting van 1680.--Onderzoek van Mr. N.P. van den Berg.--De
rust gedurende twee eeuwen.--De bijzondere ligging van
Krakatau.--De Soenda-dwarspleet.--De voorteekenen.--De aardbeving
van 1 September 1880.--De Karbouw, die Java draagt.--De inlanders
gedurende eene aardbeving.--Is de mensch de "heer der
schepping?"--Het artillerie-salvo te Buitenzorg ter eere van de
geboorte van H.K.H. Prinses Wilhelmina.--Schade door de aardbeving
aangericht in Lebak.--De vuurtoren op Java's Eerste punt breekt
door.--Geen verdere waarschuwingen.--De uitbarsting van 20 Mei
1883.--De Kanonnade.--Het verhaal van Ds. Heims' wedervaren op de
"Elisabeth".--De pic-nic met het S.S. "Gouverneur-Generaal Loudon"
naar Krakatau.--De beklimming van den vulkaan Perboewatan op
Krakatau.--Indruk van den mijn-ingenieur J.A.
Schuurman.--Aardbeving langs Straat Soenda.--Krakatau de "great
attraction" in Straat Soenda.--Kapitein Ferzenaar, de laatste
mensch die het Noorden van Krakatau heeft betreden.
Hoewel sedert eeuwen honderden schepen jaarlijks door Straat Soenda
varen, waren de eilanden, die men de groep van Krakatau kan noemen,
weinig onderzocht. Deze eilandengroep bestond uit Krakatau,
Verlaten-eiland, Lang-eiland en het Poolsche Hoedje. Geen dezer eilanden
is ooit bewoond geweest. Van tijd tot tijd werden zij bezocht door
inlanders, die er boschproducten verzamelden en door visschers, die het
anker uitwierpen langs hunne kusten, ten einde daar den nacht door te
brengen.
De hydrographische opname van Straat Soenda geschiedde natuurlijk met
het oog op de scheepvaart; van het vaarwater benoorden en bezuiden de
Krakatau-groep bestaan dan ook zeer nauwkeurige opnemingen, maar van de
eilandengroep zelve geven ons noch Hollandsche, noch Engelsche
zeekaarten een nauwkeurig beeld.
Er bestonden namelijk slechts terreinschetsen van deze eilanden, die met
elkaar groote afwijkingen vertoonen.
Op het eiland Krakatau zelf waren drie bergen. De Zuidelijkste berg was
een steile vulkaan de Rakata geheeten, de middelste berg droeg den naam
van Danau, terwijl de Noordelijkste berg van Krakatau Perboewatan werd
genoemd.
Het eiland was moeilijk begaanbaar, door de verbrokkelde gesteenten en
het weelderige, tropische plantenkleed, dat het geheele eiland bedekte.
Dat wij iets weten van de gesteenten, waaruit Krakatau bestond, hebben
wij uitsluitend te danken aan Verbeek. "Van de gelegenheid, dat het
stoomschip Egeron in 1880 een tocht deed naar den Vlakken Hoek, in het
belang van den dienst der bebakening en kustverlichting, maakte
ik"--zegt Verbeek in zijn standaardwerk,--"gebruik om die plaats en den
fraaien toen juist opgerichten vuurtoren aldaar te bezoeken. Op de
terugreis naar Batavia was het mij vergund een kort bezoek te brengen
aan enkele eilanden van Straat Soenda."
Onder deze eilanden behoorde ook Krakatau; en hoewel het oponthoud op al
de 5 eilanden slechts eenige uren duurde, heeft dit bezoek van Verbeek
ons onschatbare gegevens verschaft over de vulkanische natuur van
Krakatau.
De berichten, die wij over Krakatau als vulkaan bezitten, klimmen
slechts twee eeuwen op. Op de Westkust van Sumatra werd in de 17de eeuw
door de Oost-Indische Compagnie in de afdeeling Painan de goud- en
zilvermijn Salida ontgonnen. Daar er in patria geen personen te vinden
waren, die met het ontginnen van mijnen vertrouwd waren, stelde men
herhaaldelijk Duitschers aan, die met den mijnbouw bekend waren. Een
hunner, Johann Wilhelm Vogel, publiceerde in 1690 eene reisbeschrijving
in het Duitsch, waarin wij het volgende aantreffen over zijne reis van
Salida naar Batavia: