Zij gaat nu voort met warmte uit te stralen, en volgens de o

Produced by Robert Cicconetti, Michael Oltz and the Online

Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net

IN HET RIJK VAN VULCAAN.

DE UITBARSTING VAN KRAKATAU EN HARE GEVOLGEN,

DOOR

R.A. VAN SANDICK,

_Oud-Ingenieur van den Waterstaat in Nederlandsch Indië, Leeraar aan de

H.B.S. te Deventer._

ZUTPHEN, W.J. THIEME & Cie.

VOORREDE.

"_Nu nog een boek over Krakatau?_" hoor ik zeggen.--Ja lezer, ik waag

het, meer dan zeven jaren na de groote uitbarsting, met dit onderwerp

voor den dag te komen; een enkel woord van toelichting is daarom zeker

niet overbodig.

In 1884 en 1885 verscheen "Krakatau", door R.D.M. VERBEEK, uitgegeven op

last van Zijne Excellentie den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch

Indië. Dit werk is in vorm en inhoud een meesterstuk. De naam van

VERBEEK is hierdoor ten eeuwigen dage verbonden aan de meest grootsche

geologische gebeurtenis van onzen tijd. Zijn arbeid is klassiek. Uit

eene overstelpende hoeveelheid materiaal schiep hij één geheel; hij

heeft met "Krakatau" eene onvergankelijke eerezuil gesticht, niet alleen

voor zichzelf, maar ook voor het corps der Indische mijn-ingenieurs.

Onmogelijk is het na zijnen arbeid over Krakatau te schrijven, zonder

zijn werk als basis te nemen. "_En toch durft ge nog over Krakatau

schrijven_"! hoor ik mij toevoegen.

Als het werk van VERBEEK in ieders handen was, dan zou _dit_ boek geen

reden van bestaan hebben. Dit is echter niet het geval, daar het in de

eerste plaats een wetenschappelijk boek is, het _standaardwerk. Eene

voor allen bevattelijke behandeling van dit onderwerp ontbrak tot na toe

in onze taal._ Toch is juist _daar_ behoefte aan. Want toen CAMILLE

FLAMMARION in 1890 een werkje in het licht gaf, getiteld: "de l'Eruption

du Krakatoa et les tremblements de terre etc.," vond dit èn in ons land

èn in Indie zooveel lezers, dat hieruit duidelijk bleek, hoezeer eene

populaire behandeling van dit onderwerp gewenscht was.

De firma THIEME & Cie wendde zich tot den heer Dr. B.C. GOUDSMIT, den

man, die reeds zoovele werken van CAMILLE FLAMMARION op zulk een

uitstekende wijze in een Nederlandsen kleed heeft gestoken, met het

verzoek ook dit werkje te vertalen.

Hoewel het boekje van FLAMMARION is aangekondigd als een "Oeuvre

absolument inédit", is het in zijn geheel een afdruk van de artikelen

door den geleerden schrijver in 1884 en 1885 in zijn tijdschrift

"l'Astronomie populaire" geschreven.

Dat ik ooggetuige was van de groote uitbarsting in Augustus 1883, daarin

steekt op zich zelf al zeer weinig verdienstelijks. Mijne indrukken gaf

ik weer in eene particuliere correspondentie in de Nieuwe Rotterdamsche

Courant van 23 October 1883 onder den titel: "eene Zeebeving." Op

verzoek van CAMILLE FLAMMARION gaf ik eene beschrijving van de

uitbarsting in het: "Bulletin mensuel de la société FLAMMARION à

Argentan," Dec. 1883 en Juni 1884, waarvan het eerste gedeelte ook in

"la Nature" verscheen. De groote verdienste, die deze opstellen hadden,

was hunne actualiteit; zij waren nagenoeg de eerste opstellen, die in

Frankrijk over Krakatau werden gepubliceerd.

De artikelen van CAMILLE FLAMMARION in de "Astronomie populaire", die in

1890 in één bandje het licht zagen, bestaan hoofdzakelijk uit

aanhalingen uit deze opstellen.

Aan hare actualiteit is het dan ook toe te schrijven, dat mijne

beschrijving der uitbarsting in zoovele Fransche, Duitsche en Engelsche

tijdschriften werd overgenomen en ook in het Russisch is vertaald. Toen

ik haar samenstelde was het reuzenwerk van VERBEEK nog niet verricht.

Zij was geschreven onder den indruk van de vreeselijke uren op het schip

de "Gouverneur Generaal Loudon" doorgebracht tijdens de uitbarsting. Een

dergelijke indruk kan niet geheel zuiver zijn.

Ik zou echter niet gaarne het vaderschap op mij nemen van de vele

onjuistheden, die de heer FLAMMARION, destijds zeer geimpressionneerd

door "le cataclysme de Java", in de "Astronomie" heeft afgedrukt, en die

zeer getrouw in zijn werkje worden teruggevonden; vooral niet van het

kaartje van de "région du cataclysme", waarop tal van nieuwe eilanden

voorkomen, die alleen in het vruchtbare brein van den schrijver bestaan,

terwijl alleen de Java-kust schijnt te zijn overstroomd, doch de kust

van Sumatra geheel ongedeerd is gebleven. En dat terwijl VERBEEK'S

Krakatau ook in het Fransch is verschenen!

De heer Dr. GOUDSMIT maakte bezwaar om de vertaling van FLAMMARION's

Krakatau op zich te nemen. Op zijn advies wendde zich de Firma THIEME &

Cie tot mij. Ik was het volkomen eens met Dr. GOUDSMIT, dat er van eene

vertaling van het werkje van FLAMMARION in het vaderland van VERBEEK

moeilijk sprake kon zijn (vooral ook omdat FLAMMARION'S werkje volstrekt

niet oorspronkelijk is).

Ik heb nu op verzoek van genoemde uitgevers getracht een _populair_ boek

te schrijven over Krakatau.

Wie alleen de zuivere wetenschap bemint, vindt hier weinig van zijne

gading.

Het spreekt van zelf, dat ik menigmaal heb moeten putten bij VERBEEK.

De "Royal Society" te Londen benoemde in Januari 1884 eene

Krakatau-commissie, die eerst in 1888 rapport uitbracht. Dat werk

verscheen onder den titel: "the Eruption of Krakatoa and subsequent

phenomena." Over de uitbarsting zelve bevat het niet veel, wat niet

reeds bij VERBEEK wordt aangetroffen. Toch vormt het eene schoone

aanvulling van diens boek, omdat het zooveel later verschenen is en de

Engelsche commissie daardoor de beschikking had over feiten, die VERBEEK

niet bekend konden zijn. Ik heb hierbij vooral het oog op de optische

verschijnselen in den dampkring van 1883 tot 1886 waargenomen. Ook het

Rapport der "Royal Society" werd door mij geraadpleegd.

Mogen deze bladzijden er tevens toe bijdragen om in wijder kring

belangstelling te wekken voor het schoone Insulinde, waar, door de

uitbarsting van Krakatau, geleden is, zooals slechts zelden op aarde

geleden wordt.

R.A. VAN SANDICK.

DEVENTER, September 1890.

HOOFDSTUK I.

De wereld van Vulcaan.

Het "heimweh" der Zwitsers naar hunne bergen.--Alpensport.--De

Nederlanders zijn geen bergklimmers.--Tartarin.--Nederland als

"plat land."--Indië, het land der derde dimensie.--Java's blauwe

bergen vergeleken met de Alpen.--De wereld van Vulcaan.--De

vulkaangordels op aarde.--Werkende en uitgedoofde

vulkanen.--Uitbarsting van den berg Zoo in Japan.--"Plooien" en

"verwerpingen." Het vulkanisme volgens de theorie van Kant-la

Place.--De diepteschaal.--Waaruit bestaat het binnenste der

aarde?--Vondst van Nordenskjöld te Oritok.--Diepste putboring der

aarde te Schladebach.--Het boorgat van

Sperenberg.--Temperatuurbepalingen bij den bouw van den St.

Gothardtunnel.--De schil van de perzik.--Een origineel denkbeeld

van Camille Flammarion.--De vulkanische haarden.--Wij zijn even ver

als Empedokles.--De Neptunische en de Plutonische school.--De

eeuwige cirkelgang van het water op aarde.--Een onderaardsche

Rijn.--Prof. Mohr te Bonn, de laatste Neptunist.--Zal het water op

aarde verdwijnen?--"Niets bestendig hier beneên."--Langzame

beweging van de aardkorst.--De indruk van vulkanische

verschijnselen--"Die Zeugung des Dampfes" van Kaulbach.--De rol van

den waterdamp.--Kritische temperatuur.--Spanning van waterdamp in

vulkanische haarden--Voorboden van de uitbarsting.--De uitbarsting

zelve.--De hoogte der vulkanen.--Nog eens het water.--483

aardschokken in Japan in 1887.--De onfeilbare(?) wetenschap en "des

Pudels Kern."--De wereld van Vulcaan blijft een mysterie.

De tijd ligt ver achter ons, dat de Zwitsersche hulptroepen een

belangrijk contingent van de meeste Europeesche legers vormden. Die

Zwitsers waren goede soldaten, zij hadden weinig behoeften, waren trouw

en dapper en konden zich gewoonlijk zeer goed schikken in eene vreemde

omgeving.

Maar onder de Zwitsers, die in ons land waren, ontstond menigmaal eene

eigenaardige ziekte. Zij kregen dan een onoverwinnelijk, brandend

verlangen naar hun land. Men noemde dit "heimweh." De ongelukkige, die

daaraan leed, verviel in eene diepe, grenzenlooze neerslachtigheid. Hij

deserteerde of pleegde zelfmoord.

Men merkte dit verschijnsel op bij menschen, die volkomen overtuigd

waren, dat zij het hier veel beter hadden dan ooit te voren in

Zwitserland; die geen ouders of andere teedere betrekkingen in 't

vaderland hadden achtergelaten, die in hunne jeugd in de diepste armoede

hadden geleefd, en die in alle opzichten tevreden waren met hunnen

maatschappelijken toestand.

Het was in der daad niet het vaderland, dat zoo sterk magnetisch op hen

werkte, maar het waren de _Alpen_, de _Bergen hunner jeugd_, die zij

niet konden vergeten in Nederland.

De aantrekkingskracht, die van de Alpen uitgaat, is werkelijk groot. Is

er wel één tak van lichaamsoefening in onzen tijd, die zoozeer bloeit

als de Alpensport? Gewoonlijk wordt in ons land deze edele uitspanning

beschouwd als roekelooze waaghalzerij.

Wij Nederlanders reizen zeer veel. Maar het bergstijgen is onze zwakke

zijde. De talrijke landgenooten, die des zomers Holland ontvluchten,

vlijen zich voor het grootste gedeelte rustig neêr aan den voet der

bergmassa's, terwijl ze een medelijdenden glimlach over hebben voor de

talrijke Duitschers en Engelschen, die zoo "stom" zijn op die bergen te

klouteren. Voor hen zijn dan ook de tandradbanen eene nuttige en

gewaardeerde uitvinding en ge kunt des zomers te Arth geheele wagens vol

landgenooten met de tandradbaan den Rigi zien bestijgen, terwijl zij

zichzelf voor bijzonder practisch aanzien in vergelijking van de

bergklimmers, voor wier streven zij de meest onverholen minachting aan

den dag leggen. Verstaat men echter door sport alles wat aanleiding

geeft tot oefening van spieren en tot staling der zenuwen, dan behoort

zeker de _bergsport_ een hooge plaats in te nemen.

Carlyle zegt, dat men den mensch groot onrecht doet door te beweren, dat

hij door gemak en rust wordt aangetrokken. Moeite, zelfverloochening,

martelaarschap, dood,--ziedaar, zegt hij, het lokaas, dat het

menschenhart bekoort.

Wanneer men bekend is met de grenzenlooze onvoorzichtigheid,

roekeloosheid en waaghalzerij van vele reizigers, dan moet men zich

slechts verwonderen, dat het aantal slachtoffers der hooge bergen niet

grooter is. Leest de beklimming van den Jungfrau door Tartarin, den

echten opsnijder uit Tarascon in Daudet's onsterfelijk werk: "Tartarin

sur les Alpes." Daar hebt ge het type van den ophakkerigen grootspreker,

den bluffer, den "Bergfex", zooals de Tirolsche gidsen die soort van

touristen noemen. Maar daarmede is niet de bergsport veroordeeld. Het is

eene der meest volkomen uitspanningen, die er denkbaar zijn, en het is

voor onze eeuw een onvergankelijke eer deze soort van sport in het leven

geroepen te hebben.

Een Duitsch hoogleeraar gaf onlangs aan hen, die zich willen traineeren

voor bergklimmen, den raad om gedurende eenigen tijd elken dag minstens

een half uur achtereen te zwemmen, daar bij zwemmen en bergstijgen

dezelfde spieren in beweging komen. Voor ongeoefenden is bij het klimmen

het grootste bezwaar de versnelde ademhaling, die tot hevige

hartkloppingen aanleiding geeft. Uw tong kleeft aan het gehemelte, het

hart bonst; ge zijt al spoedig in een bad van zweet; de knieën knikken;

een gevoel van namelooze ellende overmeestert u en ge doet een duren eed

nooit meer op een berg te klouteren.

Maar ge moet nog naar beneden. Denk niet, bewoner der lage landen, dat u

dit gemakkelijker zal vallen dan het stijgen. Hebt ge ooit getwijfeld

aan de algemeene aantrekkingskracht, dan zult ge nu overtuigd worden.

Het is u alsof gij naar beneden getrokken wordt, onafgebroken en

onwederstaanbaar. De constante zwaartekracht, die op u werkt, tracht u

eene eenparig versnelde beweging mede te deelen, en ge wendt wanhopige

pogingen aan om eene eenparige beweging te onderhouden. Bij het

aanhoudend afdalen hebt ge, wel is waar, geen last van kortademigheid,

maar uw geheele lichaam siddert en trilt. De ongewone beweging, die ge

met dijen en knieën maakt, vermoeit u verbazend en geeft u een

onbeschrijflijk gevoel van wee. Ge gelooft, dat het dalen erger is dan

het klimmen. Eindelijk zijt ge beneden. Nieuwe misères breken aan. De

spieren uwer onderdanen zullen zich wreken over de ongewone beweging,

waartoe ze gedwongen waren. Dood moe naar bed gegaan, hebt ge geslapen

als een roos. Bij het opstaan zijt ge zoo stijf in knieën en dijen, dat

het u groote inspanning kost een stap verder te doen. Dit is een gevolg

van het afdalen en ge kunt van geluk spreken, als ge deze stijfheid, die

ge wellicht aan rhumatiek toeschrijft en die even pijnlijk is als deze,

in een week kwijt raakt.

Als ge het nu bovendien hebt getroffen, dat de lucht onder u beneveld

was, toen ge op den bergtop waart, zoodat ge absoluut niets gezien hebt

van het vergezicht, dat men u voorgespiegeld had, dan zult ge wel voor

goed genezen zijn van het bergklimmen. Toch behoeft uwe eerste

ondervinding u niet af te schrikken. De grootste fout is geweest: ge

hebt te veel hooi op de vork genomen. Als ge nooit een berg bestegen

hebt, leg het dan kalm aan. Wees nederig in uwe keuze. Bestijg eerst een

heuvel, daarna een bergje. In den tijd van acht dagen zijt ge zoo gewoon

aan het ongewone, dat ge gemakkelijk een paar duizend voet kunt klimmen.

En nu hangt het van uw gestel, maar vooral van uwe energie af, of ge het

in de volgende acht dagen bij voortgezette oefening zult brengen tot

zes-, tot acht duizend voet. Ja ge behoeft er niet aan te wanhopen om

het zelfs in dien tijd te brengen tot de werkelijk hooge bergen, de

eeuwige sneeuw, de gletscherwereld.

Wellicht kunt ge u dan het "heimweh" van den Zwitser verklaren, die in

Nederland ziek werd van verlangen naar zijne Alpen.

Met eenigen goeden wil toch kan men geheel Nederland beschouwen als een

horizontaal vlak, dat zich slechts in _twee_ afmetingen, _lengte_ en

_breedte_ uitstrekt. De horizon is onbeperkt, oneindig, slechts begrensd

door de kromming der aarde. Zijn er geen boomen, dan steken wij zelf

boven het geheele landschap uit. Bij de vaststelling van

hoogteverschillen rekenen wij met centimeters, boven of beneden ons

vergelijkingsvlak, het wereldberoemde Amsterdamsche peil (AP).

Er is voor ons geen reden om ons daarover te beklagen. Wij kunnen met

alle recht trotsch zijn op ons land, daar wij het zelf geschikt maakten

om er te wonen. Het is immers niet in overdrachtelijken zin, maar

letterlijk "ontwoekerd aan de zee." Maar de Zwitser, de bewoner der

bergstreken, kreeg "heimweh". Hij was geen _platlandbewoner_, maar een

kind der _derde dimensie_: de _hoogte_.

Verplaatst ge den Nederlander naar Indië, het bergland bij

uitnemendheid, dan komt omgekeerd de vroegere platlandbewoner onder den

overweldigenden indruk der derde dimensie, de hoogte, waarvan hij in

Holland slechts een flauw begrip had. De steile rotswanden, uit wier

spleten de wonderlijkst gevormde planten opschieten, de boomen die zich

verheffen hooger dan hij het ooit kon droomen, met de meest grillige

bladvormen, de peilloos diepe bergmeren met hunne donkerblauwe kleur, de

ongenaakbare ravijnen, de rivieren, die reusachtige rotsblokken

medesleurend, met donderend geweld hunne onstuimige, troebele wateren

over een ongelijk bed voortstuwen, de terrasvormige rijstvelden, de

donkergroene plekken der koffietuinen op de hellingen, en ten slotte de

bergen zelve, met hun machtig lichaam, bekroond door kraters, die den

mensch steeds een dreigend "gedenk te sterven" toeroepen--zie, dat alles

wijst u op een in Holland ongekende macht: de verticale richting. Hebt

ge in Holland de aarde als onwrikbaar beschouwd in de richting der derde

dimensie, aardbevingen en vulkanische opheffingen zijn daar om u aan te

toonen, dat hare onbewegelijkheid in verticalen zin slechts in Holland

gold. Verbijsterend is de indruk, dien de bergwereld op den

platland-bewoner maakt. Maar dat vreemde in die omgeving treft u later

niet meer. Het "heimweh" van den Zwitser blijft u vreemd. Als ge naar

Holland verlangt, dan is het niet naar het Hollandsche landschap....

Maar toch zal de natuur op u reageeren. Zij stemt tot melancholie. Geen

vogel stoort de goddelijke stilte van den tropischen nacht, maar, als de

zon onder is, stort een heirleger van bloeddorstige muskieten op u

neder, en een koor van krekels laat een schrillen, zeer hoogen toon

hooren; het eenige geluid in den stillen nacht. Geen lente, geen winter

breekt ooit de eentonigheid van een eeuwigen zomer, van eene eeuwige

warmte, van het eeuwige groen.

En wij komen, langzaam, onwillekeurig, doch zeker onder den invloed van

die natuur. Zij werkt verlammend op onze energie, maakt ons dof en

somber. Dan komen wij in die stemming, dat wij gevoelen, dat wij in

Indië veel missen. Wij haken naar Europa, naar het opgewekte

intellectueele leven onzer wereldsteden, naar goede muziek. Maar het is

niet het "heimweh" van den Zwitser.

Waaraan is het toe te schrijven, dat de indruk zoo machtig, zoo blijvend

is, dien Java's bergen op ons maken? Want zij zijn niet zoo bijzonder

hoog; de Mahameroe, de hoogste top van den reus onder Insulindes bergen,

den Smeroe, den alouden heiligen berg van Indra verheft zich slechts

3672 M. boven het peil der Javazee. En het eigenlijke hooggebergte,

zooals men in de Alpen zegt, begint eerst op die hoogte. De bergen van

tien duizend voet liggen in Europa juist op de sneeuwgrens. Daar boven

is in Europa die geheimzinnige arktische natuur, die aan natuurschoon

alles op aarde overtreft. En de stille woeste majesteit van de

gletscherwereld, de witte massa's der omringende bergreuzen, die

afsteken tegen de blauwe lucht, en daaronder ver weg, in vogelvlucht

gezien, de vlakte, als een gekleurd kleed--dat alles zocht ge op Java te

vergeefs. Want geen berg overschrijdt de sneeuwgrens; nooit heeft de

lucht de helderheid van een Zwitscherschen zonsopgang; er is altijd iets

wazigs in de atmosfeer; eene deining, aan de tropen eigen, bederft

meestal het vergezicht. Ondanks dat is de indruk forscher. Java's

bergtoppen staan op zich zelf. Eén berg beheerscht de geheele omgeving.

Zulk een indruk maakt nooit een keten. De Alpen zijn dood. Een

Alpenlandschap in het hooggebergte doet u denken aan eene bekende

illustratie in de "Wonderen des Hemels" van Flammarion, het laatste

menschenpaar door den vinger des doods aangeraakt, bedolven onder het

lijkkleed van het eeuwige ijs.

Maar van Java's bergen grijnst u de dood toe op meer welsprekende wijze,

het is niet de dood in de verre toekomst, als de ijsvorst zelfs de

tropen zal hebben veroverd, maar de dood, zooals hij komt op het

slagveld, plotseling, door het vuur van den vijand. Want Java is één

reusachtig artilleriepark.

Het zijn niet alleen bergen, die verheffingen van den bodem, die over

het geheele eiland verspreid zijn, maar het zijn tevens werkende

vulkanen. Vijftig vuurspuwende bergen verheffen hunne kruinen

hemelwaarts, ze zijn allen te kennen aan den eigenaardigen vorm, die den

vulkanen eigen is. Ge kunt nergens zijn op Java of ge wordt bestreken

door een dezer vuurmonden. Ge leeft hier in het gebied van Vulcaan.

Bedenkt men dat Java viermaal zoo groot is als Nederland, dan gevoelt

men eerst wat dat zeggen wil: Java heeft vijftig vulkanen, waarvan acht

en twintig werkende vulkanen zijn. Stel u toch eens voor dat Nederland

_zeven_ werkende vulkanen bezat!

De vulkanen zijn zeer ongelijk verdeeld op onze aarde. Zij zijn

opgesteld in rijen of gordels. De eerste groote vulkanische gordel

begint bij Kaap Hoorn, loopt langs de Westkust van Zuid-Amerika over

Middel-Amerika, en gaat in Noord-Amerika te niet. Hieraan sluit een

tweede rij aan, die in hoofdzaak den volgenden weg volgt: Alaska,

Aleutische eilanden, Kamschatka, Koerillen, Japan, Philippijnen,

Celebes, Kleine Soenda-eilanden, Java, Sumatra.

Tegenover die reusachtige vulkaanreeks zijn de Europeesche vulkanen

onbeteekenend. In het tertiaire tijdperk was de wereld van Vulcaan veel

uitgebreider. Want terwijl men b.v. in Italië nu drie werkende vulkanen,

den Vesuvius, den Etna en den Stromboli aantreft, vindt men in den

omtrek van Napels zeven en twintig uitgedoofde kraters. Zulke streken

hebben eene formatie als die der maanoppervlakte. Men vindt zulke

groepen van uitgedoofde vulkanen b.v. in Auvergne, aan den Rijn bij de

Laacher See en in den Eifel.

Vooral in streken waar veel vulkanen zijn is het moeilijk onderscheid te

maken tusschen werkende en uitgedoofde vulkanen. Men noemt den vulkaan

dan maar uitgedoofd, als hij, voor zoover bekend is, nimmer eene

uitbarsting heeft gehad. Maar er is geen waarborg, dat hij steeds

uitgedoofd zal blijven. En daarenboven ontstaan menigmaal in de

vulkanische streken vulkanen op plaatsen, waar men ze niet vermoed had.

Ontelbare malen is het geschied dat een berg, dien men voor volkomen

onschuldig aanzag, zich plotseling ontpopte als een werkende vulkaan.

Zoo begonnen o.a. in de buurt van de stad Foekoejoema in het district

Bigo, gelegen aan de Noordkust der Japansche binnenzee, den 16den

Januari 1890 onderaardsche rommelingen. Des avonds te 8 ure hoorde men

een vreeselijken slag. De top van den berg Zoo stortte plotseling in,

groote hoeveelheden zand en steenen werden uitgeworpen en vielen neder

over een omtrek van 10 kilometers. Voor zoover bekend, had de Zoo nimmer

van te voren getoond, dat hij een vulkaan was.

De vulkaanrijen op aarde komen overeen met groote plooien in de

aardlagen of met groote breukvlakten. Hier zijn de aardlagen ten

opzichte van elkaar verschoven. Men noemt deze verschuivingen in het

Duitsch "Verwerfungen," een woord dat ik bijna niet door "verwerpingen"

durf vertalen.

Die "plooien" en "verwerpingen" hangen zóó nauw samen met het vulkanisme

der aarde, dat wij er iets over moeten zeggen.

Volgens de theorie van Kant-la-Place zou de aarde eens een gasvormige

bol zijn geweest, die, langzaam afkoelende in de koude wereldruimte, in

die periode kwam, dat zij een vloeibare kogel was.

Zij gaat nu voort met warmte uit te stralen, en volgens de oudere

begrippen, wordt de buitenkant vast, terwijl het binnenste vloeibaar

blijft. Dit vaste gedeelte is de zoogenaamde lithosfeer der aarde,

waarvan slechts het buitenste gedeelte door ons gekend wordt. De

vulkanen zouden dan zijn, volgens eene zoo menigmaal reeds geciteerde

uitdrukking van Alexander von Humboldt, de veiligheidskleppen der aarde.

Het vulkanisme zou zijn: de reactie van het vloeibare gedeelte tegen de

aardkorst. En daar uit proeven blijkt, dat de warmte in de

aardoppervlakte zeer regelmatig toeneemt met 2-1/2° Celsius voor elke

100 M. diepte, zou men reeds op eene diepte van 50 kilometer het eeuwige

centraalvuur aantreffen; eene temperatuur van 1200° Celsius toch komt,

volgens deze gegevens, overeen met eene diepte van 50 kilometer. Deze

verklaring van het geheimzinnige vulkanisme der aarde is aanlokkelijk

door haar eenvoud. Eensklaps wordt ons alles duidelijk; wij hebben niets

meer te vragen. Maar de natuur is nu eenmaal niet eenvoudig. De

verschijnselen, die wij waarnemen zijn zoo gecompliceerd, dat de

eenvoudige theorieën, die met één woord geheele reeksen van feiten

verklaren, bijna nooit den toets der wetenschappelijke kritiek kunnen

weerstaan. En zoo is ook deze theorie over het vulkanisme bezweken. De

grootste bedenking, die tegen haar is ingebracht, is de betrekkelijk

groote stabiliteit van de aardkorst. Wanneer toch de geheele kern der

aarde vloeibaar was, dan zou die vloeibare massa, in volume zooveel

duizenden malen meer dan de zeeën, aan ebbe en vloed onderhevig zijn, en

de oppervlakte der aarde zou het tooneel zijn van vulkanische werkingen,

waarbij de aan menschen bekende, in het niet zouden verzinken. Trouwens

het is moeilijk aan te nemen, dat de geleidelijke afkoeling der

vloeibare aarde zoodanig is geschied, dat zij van buiten af naar binnen

toe vast is geworden. De warmte toch, die een vloeibaar lichaam afgeeft,

wordt aan dat lichaam niet ontnomen door geleiding en straling alléén,

maar hoofdzakelijk door strooming of circulatie. De vloeistofmassa, aan

de oppervlakte gelegen, wordt door afkoeling soortelijk zwaarder. Zij

zinkt derhalve in het vloeibare gedeelte. Het gevolg zou dus zijn niet

het vormen van een vaste schors en een vloeibare kern, maar het ontstaan

van een vaste kern, die, door den hoogen druk, een groot soortelijk

gewicht krijgt.

Eerst dan, als de massa taai vloeibaar wordt, zal de warmte niet door

strooming maar door geleiding worden voortgeplant. Dan eerst ontstaat,

om de taai vloeibare massa, een vast omhulsel. In dat stadium zou dan nu

onze aarde zijn. Voor deze hypothese pleit bovendien het groote

soortelijk gewicht der aarde, dat meer dan 5 bedraagt, terwijl de

gesteenten aan de oppervlakte gemiddeld een soortelijk gewicht van 2,5

bezitten. Ja er zijn zelfs geleerden, die beweren, dat die vaste kern

uit ijzer bestaat. Zij roepen daarbij de uranolithen of meteoren te

hulp, die geheimzinnige boden uit de kosmische wereld, ruïnes en stukken

van andere hemellichamen op onze aarde neergevallen. Men kent hiervan

twee soorten, de meteoorsteenen, die dan van de korst (lithosfeer) dezer

vernietigde hemellichamen afkomstig zouden zijn, en het meteoorijzer,

dat van de kern dier hemellichamen zou komen. Nieuw voedsel kreeg deze

theorie door eene vondst van Nordenskjöld, die op de Westkust van

Groenland bij Orifok o.a. een brok ijzer vond van 20,000 KG., van

dezelfde samenstelling als meteoorijzer. Wanneer soortgelijke stukken

geen uranolithen zijn, wat wegens de afmetingen niet waarschijnlijk is,

dan zouden ze met het vulkanische basalt, waarin ze liggen, uit de

diepte der aarde zijn opgewoeld. We zouden dan in dit brok een stuk

bezitten van de aardkern. Doch verlaten wij het gebied der

bespiegelingen. Bekennen wij liever onze verregaande onkunde omtrent

datgene, wat onder onze voeten is. De diepte toch van de aardkorst, ons

door boringen bekend, is te gering om daaruit besluiten te trekken over

hetgeen daar beneden ligt. Want de diepste put, dien wij hebben kunnen

graven, heeft eene diepte van 1748 meter. Deze boring geschiedde bij het

dorp Schladebach, oorspronkelijk met het doel om een onderzoek in te

stellen naar de aanwezigheid van steenkolen; de Pruisische regeering

gelastte echter de boring voort te zetten, ten einde temperatuuropgaven

te verkrijgen op eene diepte grooter dan ooit te voren. De boring werd

uitgevoerd onder leiding van den ingenieur Köbrich, hoofdinspecteur der

mijnen. Hij had gehoopt eene diepte van 2500 M. te verkrijgen. Maar toen

het gat 1748 meter diep was, braken de boorstangen en was hij tot zijn

leedwezen verplicht de boring te staken. Toch had Köbrich alle reden om

zich geluk te wenschen. Want hij had het diepste boorgat op aarde, dat

bij Lieth in Sleeswijk-Holstein, meer dan 400 M overtroffen. Om de 30

Meter werden temperatuuropmetingen gedaan. Gemiddeld was de

temperatuurtoename 1° Celsius op de 36,9 Meter.

De bekende waarnemingen in het boorgat van Sperenberg, dat langen tijd

voor het diepste boorgat der aarde gold, en dat 1272 M. diep is, gaven

eene temperatuurvermeerdering aan van 1° Celsius op de 32 Meter.

Onze kennis van de temperatuur der gesteenten onder de oppervlakte der

aarde is belangrijk vermeerderd door den bouw der Alpentunnels. Bij den

bouw van den St. Gothardtunnel heeft de Zwitsersche ingenieur Stapf eene

menigte onderzoekingen gedaan over de temperatuur der gesteenten. Maar

ook de St. Gothardtunnel-waarnemingen geven ons slechts uitsluitsel over

eene diepte van 1200 M. beneden den bodem. De toeneming van temperatuur

met de diepte is, tusschen de grenzen, waar al deze waarnemingen

verricht zijn, een feit, geen hypothese meer te noemen.

Is het echter niet verregaand oppervlakkig om uit de zoogenaamde

diepteschaal, die zonder twijfel geldig is voor kleine diepten, eenige

conclusie te willen trekken over de onbekende diepte? Wat beteekent de

diepte van den put te Schladebach, 1748 M. tegenover den straal der

aarde, die gemiddeld 6,370,045 M. bedraagt. Slechts het 1/3600 van den

afstand, die ons scheidt van het middelpunt der aarde, is ons bekend. De

aarde, waarop wij leven, is eene perzik, waarvan we alléén de schil

kennen. Maar ook dit beeld is niet sterk genoeg. Want er is geen vrucht,

die zulk eene dunne schil heeft, dat deze zoude kunnen vergeleken worden

met het gedeelte van de aardkorst, dat wij kennen. Het vleesch van de

perzik, het binnenste der aarde, zal ons wel altijd onbekend blijven.

De bekende geleerde Camille Flammarion heeft voor eenige jaren, onder

den indruk van de uitbarsting van Krakatau, een merkwaardigen voorslag

gedaan. Het eenige middel, zegt de geniale Franschman, om met zekerheid

de inwendige samenstelling der aarde te leeren kennen, zou zijn het

graven van een reusachtigen put ter diepte van eenige kilometers. Een

dergelijk werk zou de krachten der hedendaagsche nijverheid niet te

boven gaan. Die put zou voor de menschheid eene onuitputtelijke bron

zijn van warmte. Als de verschillende Staten van Europa zich met elkaar

verstonden om al de soldaten van Europa tot dit doel te gebruiken, dan

zouden zij eene overwinning behalen grooter dan alle mogelijke

menschenslachtingen van 't verleden, van 't heden en van de toekomst,

want zij zouden het mysterie ontdekken, dat onder onze voeten is. En

daar men, gedurende dien reuzenarbeid, de gewoonte zou hebben verloren

van te vechten, zou de menschheid er door vooruitgaan niet alleen op

wetenschappelijk maar ook op sociaal gebied.

Men zou allicht veronderstellen, dat dit stoute denkbeeld van Flammarion

niet ernstig gemeend kan zijn. Maar als wij zien, dat hij, zes jaren na

dit geschreven te hebben, in volkomen dezelfde bewoordingen, hetzelfde

plan nog eens oppert in een in 1890 verschenen werkje over de

uitbarsting van Krakatau, dan kan aan zijn ernst niet getwijfeld worden.

Wanneer wij echter moeten wachten tot de verwezenlijking van dit plan,

voor wij iets naders zullen te weten komen over den toestand van het

binnenste der aarde, dan zullen wij wel altijd in het onzekere blijven

verkeeren.

Maar wat wij zeker weten is, dat er vulkanen zijn, en dat zij gesmolten

stoffen uitbraken, die eene temperatuur hebben van 2000° Celsius.

Hieruit volgt dat er, op betrekkelijk geringe diepte onder de aardkorst,

ruimten zijn waar eene zoo hooge temperatuur heerscht, dat die

gesteenten gesmolten zijn. Vormen nu die ruimten een samenhangend geheel

of komen zij alleen voor dáár, waar de vulkanen zijn? Nemen wij de

theorie aan van de taaivloeibare tusschenlaag, die magma genoemd wordt,

dan kan men zich voorstellen, dat er uit dat magma op sommige plaatsen

als 't ware vloeibare meren van lava ontstaan, ruimten, die in 't

algemeen op zich zelf staan, doch die soms met elkaar verbonden zijn. De

geoloog noemt die ruimten _vulkanische haarden_. Gaat men nu na, dat de

vulkanische haarden van Sumatra, Straat Soenda, Java, kleine Soenda

eilanden, Molukken en Australië zonder twijfel met elkaar samenhangen,

dan zou men uit die groote uitgestrektheid, met den heer Verbeek, het

besluit kunnen trekken, dat er nog verbazend groote onderaardsche

ruimten met vloeibare stoffen gevuld zijn. De aanwezigheid der

vulkanen, op de breukvlakten van de lithosfeer, heeft in allen gevalle

niets vreemds.

De samentrekking of inkrimping van de korst, als gevolg van de

voortgezette afkoeling, verklaart het ontstaan der "plooien" en

"verwerpingen". Zoo ontstaan bergketens, en de vulkanische haarden maken

de bergen tot vulkanen. Zoo zijn wij dan na met tal van theoriën

gedweept te hebben, ten slotte weer genaderd tot de denkbeelden van den

ouden Helleenschen wijsgeer Empedokles. De bergen zijn volgens dezen

door het arbeidsvermogen van het centraalvuur ontstaan. Over 't algemeen

echter schreef de oudheid het ontstaan der gesteenten toe aan de

vervormende kracht van het water; het is Poseidon, de aardschudder, met

zijn machtigen drietand, die de aarde deed bezinken uit de zee. Zoo

leerden Thales en Plato; zij waren de woordvoerders der zoogenaamde

Neptunische school, die tot in onzen tijd aanhangers heeft gevonden.

Empedokles kan men beschouwen als den stichter der plutonische of

vulkanische school. Hier is het niet het Water maar het Vuur, dat de

gesteenten der aarde heeft gevormd.

Wij zagen reeds dat de theorie van Kant-la Place eigenlijk niets anders

is dan eene uitbreiding van de denkbeelden van Empedokles. De aardschors

zou uit de gloeiend vloeibare massa bezonken zijn. Maar nu krijgt ook

Neptunus zijn deel. Iedereen kent den eeuwigen cirkelgang, dien het

water doorloopt. Het water verdampt aan de oppervlakte, en uit de

planten stijgt het op; in de koude luchtlagen koelt het af, het

overschrijdt het maximum van spankracht en slaat neer als regen of

sneeuw. Die neerslag dringt in de aardkorst, hij vormt al het zoete

water op aarde. Dit zoete water komt slechts voor een klein gedeelte aan

de oppervlakte te voorschijn als bronnen, beken, rivieren en meren; het

grootste deel zakt, tot het op een min of meer ondoordringbare aardlaag

stuit. Zoo ontstaan onderaardsche kanalen en meren, op wier bestaan en

op wier machtigen invloed eerst in den laatsten tijd de aandacht is

gevestigd. Dit onderaardsche water voedt weer op zijne beurt de

rivieren, maar er is nog zeer weinig van bekend. Het vraagstuk van de

watervoorziening der steden heeft vooral de aandacht gevestigd op dit

zak- en grondwater. Het vormt onderaardsche rivieren, die zich soms

onder het bed van de rivier uitstrekken. Een enkel voorbeeld moge dit

duidelijk maken. Onze landgenoot, de civiel-ingenieur T.W. Smallenburg,

sloeg eene Norton-pijp midden in den Rijn bij Worms. Hij trof water aan

van geheel andere chemische samenstelling dan het Rijnwater. Dus vloeit

daar onder het rivierbed een onderaardsche Rijn!

Dat onderaardsche water lost steeds vaste stoffen op. Bestaat het

gesteente uit in water oplosbare bestanddeelen dan verdwijnt het geheel;

er ontstaan groote holten. Maar de andere gesteenten worden door het

water beroofd van de oplosbare bestanddeelen; zij verliezen hun

samenhang; de lagen schuiven gemakkelijk over elkaar; het evenwicht

wordt verbroken en eene instorting volgt; dit geschiedt òf langzamerhand

òf plotseling. In het laatste geval ontstaat er niet alleen eene

aardbeving, maar als de rollende aardmassa stuit tegen eene vaste

aardlaag, dan wordt haar arbeidsvermogen van beweging in warmte omgezet.

Deze warmte, verklaart de bekende chemicus prof. Mohr te Bonn, is de

uitsluitende oorzaak van het vulkanisme. Maar zijne beschouwing is niet

van eenzijdigheid vrij te pleiten. Hij is "de laatste der Neptunisten."

Ten slotte storten niet alleen de rivieren, maar ook die geheimzinnige

onderaardsche stroomen hunne wateren in de groote wereldzee. Daar

deponeeren de zoetwaterstroomen weder de vaste stoffen, waarmede zij

bezwangerd zijn. En ook in de zoetwaterstroomen zelve ontstaan

afzetsels. Deze zoetwater- en zeewater-bezinkingen vormen de jongste

aardlagen. Maar de kringloop is hiermede nog niet ten einde. Want de

rivieren en zeeën worden gedragen door de aardkorst zelve. En daar er nu

geen gesteenten zijn, die ondoordringbaar zijn voor water, daar alle

gesteenten hygroskopisch zijn, zoo doordringt het water de gesteenten,

waarop het rust, en vormt daar chemische verbindingen, waarbij het als

water verdwijnt.

Zal dus niet na eeuwen eenmaal al het water van de oppervlakte der aarde

verdwenen zijn? en is dat ook wellicht het troosteloos einde van al het

bloeiende leven op aarde? Of zal de afkoeling in de wereldruimte onze

aarde ten slotte met het eeuwige ijs overdekken, welks kille adem

hetzelfde bereikt?

Vragen zijn het, waarin we ons gaarne verdiepen, die onoplosbaar zijn en

die gelukkig betrekking hebben op eene toekomst zóó eindeloos ver weg,

dat we onze gedachten met moeite in die toekomst kunnen verplaatsen.

"Niets bestendigs hier beneên!" Als we op oudejaarsavond den dichter

Feith die woorden nazingen, dan hebben wij daarbij toch vooral te denken

aan eene klacht over het onbestendige, dat al het menschelijke

aankleeft. Maar we zijn zoo licht geneigd de natuur als onveranderlijk

te beschouwen. Schatten besteden wij om de oppervlakte der aarde zoo

nauwkeurig mogelijk te meten en in teekening te brengen. Onze kadastrale

kaarten en onze graadmetingen zijn schitterende zegepralen van het

vernuft van onzen tijd. Maar ook hier geldt het: "Niets bestendigs hier

beneên." Die kaarten zullen eenmaal slechts eene historische waarde

hebben. Langzamerhand maar zeker verandert de aardoppervlakte. Java

schuift naar het Noorden; de _Ratoe Loro Kidoel_, de godin der Indische

Zuid-zee, dringt steeds door spleten en rotsen, en beukt de steile

Zuidkust met onweerstaanbaar geweld, en terwijl zij dáár overwint,

storten de rivieren, opgezwollen door de banjir, Java's bergen uit in de

ondiepe Javazee.

En hoezeer is de toestand hier niet veranderd. Zijn niet Insulindes

eilanden de laatste overblijfselen, die nog boven de blauwe zee

uitsteken, van een uitgestrekt vast land, dat men Limuria genoemd heeft?

Of behoorden de Soenda-eilanden wellicht vroeger tot het vaste land van

Azië, waarvan zij, door de instorting van onderaardsche ruimten, thans

gescheiden zijn? Daalt niet de geheele keten van de Cordilleras de los

Andes? Stijgt de Westkust van Zweden niet langzamerhand uit de zee? Waar

lag Nederland voor duizenden jaren?

De oneindig kleine, onmerkbare opheffingen en dalingen van den aardbodem

hebben in der daad, doordat zij duizenden eeuwen lang in dezelfde

richting werken, meer invloed op de verdeeling van land en water dan de

hevige plotselinge natuurverschijnselen. Uit een aardkundig oogpunt zijn

dus die langzame veranderingen belangwekkender.--Het bedelven van

Herculanum en Pompeji, de aardbeving van Lissabon, de uitbarsting van

Krakatau, hoe bovenaardsch van afmetingen deze gebeurtenissen ons ook

mogen voorkomen, verzinken in het niet tegenover de macht van het

oneindig kleine, dat werkt gedurende een oneindigen tijd.

Maar voor den gewonen mensch met zenuwen en gemoed is de indruk van die

reusachtige tafereelen overweldigender dan iets anders.

En het vorschen naar de onmiddellijke oorzaken van die

evenwichtsverstoringen heeft ten allen tijde de gemoederen bezig

gehouden, vrij wat meer dan het philosopheeren over het ontstaan der

gesteenten en over het vulkanisme in 't algemeen.

Maar ook hier is het veld van gissingen naar alle zijden uitgestrekt. Ja

men kan het zich begrijpen hoe een conscientieus wijsgeer als

Empedokles, na eindeloos en vruchteloos zoeken naar eene juiste

verklaring van het ontstaan van aardbevingen en uitbarstingen, tot

wanhoop gedreven, in den geopenden krater van den Etna sprong. De

vulkaan slokte den wijsgeer op, doch spuwde zijne sandalen uit. Zijne

leerlingen vonden die, en wisten daardoor zijn treurig lot.

Er bestaat eene zeer naturalistische studie van den beroemden schilder

Kaulbach, die tot onderwerp heeft: "_die Zeugung des Dampfes_", het

verwekken van den stoom. Het vuur is een krachtige man, blakende van

hartstocht. Te vergeefs beproeft de schuchtere kuische maagd, het water,

zich los te rukken uit zijne omarming. Het is een tooneel van

verkrachting, het krijgsrecht van de Middeleeuwen aanschouwelijk

voorgesteld. En daar ontstaat de waterdamp, de machtige god,

alleenheerscher van onze eeuw.

Het is de _waterdamp_, die ontegenzeggelijk de groote beweegkracht is

der vulkanische uitbarstingen. Men meende, tot voor korten tijd, dat er

twee soorten van gasvormige lichamen zijn, gassen en dampen. De eersten

bestonden niet in vloeibaren toestand, de laatsten echter konden

gecondenseerd worden. Maar wij kunnen nu beweren: er zijn geene

permanente gassen meer! Zij allen, zuurstof, waterstof, stikstof, kunnen

als vloeistof bestaan. Maar omgekeerd is elke damp, boven eene bepaalde

temperatuur, een permanent gas. Men noemt die temperatuur de _kritische

temperatuur_ van het gas. En nu is de oorzaak, dat men zoo lang

vruchteloos getracht heeft de zoogenaamde permanente gassen in vloeistof

te veranderen, deze, dat de kritische temperatuur bij die gassen zóó

laag ligt, dat zij zeer moeilijk te verkrijgen is. En als men het gas

niet eerst eene lagere temperatuur geeft dan de kritische, dat baat het

niet of men het gas al samenperst. Eene oneindig groote drukking zou het

gas nog niet in een vloeistof veranderen.

Voor waterdamp ligt de kritische temperatuur, volgens eene beschouwing

van onzen beroemden landgenoot van der Waals, op 390° C. Boven die

temperatuur bestaat geen water meer, maar slechts waterdamp. De spanning

van dien waterdamp klimt zeer sterk met de temperatuur. Denkt men zich

nu de vulkanische haarden met hunne gesmolten gesteenten, die soms nog

eene temperatuur van 2000° C. hebben, als zij worden uitgeworpen, en let

men op het feit, dat de aarde overal doordringbaar is voor water, dat er

onderaardsche waterloopen zijn, en dat alle vulkanen dicht bij de zee

staan, dan zal men tot het besluit komen, dat het water toegang vinden

moet tot de vulkanische haarden. Het water kan bij die temperatuur niet

bestaan en verdampt onmiddellijk. Men vermoedt dus het bestaan van

reusachtige stoomketels in de holten van de aardkorst, ruimten gevuld

met stoom van eene spanning van honderden, ja duizenden atmosferen, die

communiceeren met de vulkanische haarden. Die stoom oefent een grooten

druk uit op de gesmolten lavamassa, een druk, groot genoeg om haar te

doen stijgen, om haar naar boven te persen. Evenals het kwik opstijgt in

de barometerbuis onder den invloed van den aarddruk, zoo is de

kraterpijp van een vulkaan één reusachtige manometer. Zij leert ons den

stoomdruk meten in den onderaardschen stoomketel. Men vergunne mij eene

dergelijke berekening.

De Etna b.v. is 3300 M. hoog. De kraterpijp is dus zeker minstens 4000

M. diep. Wanneer de lava kalm over den rand vloeit, dan is zij dus over

eene lengte van 4000 M. opgeperst. Lava is twee en een half maal

soortelijk zwaarder dan water, en zooals men weet zou eene barometerbuis

met water gevuld eene lengte hebben van 10,3 M. Uit deze gegevens kan

men dadelijk afleiden dat de drukhoogte van 4000 M. lava gelijk staat

met die van 10000 M. water, en daar elke 10,3 M. de druk van ééne

atmosfeer voorstelt, is de druk van den stoom in den vulkanischen haard

minstens 1000 atmosferen.

Maar als nu die stoomdruk plotseling vermeerdert, hetzij door het

instorten van holten, of door vermeerderden aanvoer van water, dan

stijgt die druk zeer belangrijk en dan is eene uitbarsting

waarschijnlijk. Dat de veranderingen in die stoomdrukking, zoowel als

het instorten van holle ruimten, ook de onmiddellijke oorzaak van

aardbevingen zijn kunnen, ligt voor de hand.

De lava vloeit dus meestal rustig over den rand van den vulkaankegel uit

de kraterpijp. Maar die lavastroomen krijgen een verbazend

arbeidsvermogen van beweging, als zij langs de helling van den steilen

vulkaankegel afstorten; zij vullen geheele dalen aan tot vlakten; zij

overdekken de velden, achterhalen de vluchtende menschen, en stollen

eindelijk langzaam in den omtrek van den vulkaan.

Maar die stoom van hooge spanning kan ook eene werking uitoefenen

overeenkomende met de explosieverschijnselen ten gevolge van de

verbranding van kruit of dynamiet. Want ook hier is het de hooge

spanning der plotseling optredende gassen, die de rotsen doet splijten

of zulk eene groote beginsnelheid mededeelt aan het projectiel, dat uit

den vuurmond wordt geslingerd. Dan is de uitbarsting te vergelijken met

een bombardement. De stoom vindt zijn weg door de gesmolten stoffen

heen, voert deze gedeeltelijk mede en werpt ten slotte steenbrokken uit

de kraterpijp tot op eene hoogte van duizenden meters boven den bergtop.

Die steenbrokken zijn poreus, ten gevolge van den waterdamp, die er zich

doorheen geslagen heeft, het is de bekende puimsteen. En dan baant zich

de stoom zelf een weg uit de kraterpijp, hij voert in fijn verdeelden

toestand de stoffen mede, die hij tegenkwam; het is de rookzuil, welke

men boven de werkende vulkanen aantreft, die eene hoogte bereiken kan

van vele kilometers; en ten slotte dalen die vaste stoffen langzaam op

aarde neer als aschregen, en veroorzaken, al vallende, belangrijke

wijzigingen in de verlichting der aarde, door de brekingsverschijnselen,

die zij in het leven roepen als de stralen der zon door hen heengaan,

voor zij de aarde bereiken.

En de aarde siddert, als 't ware van angst voor al de krachten, welke in

haar schoot woelen. Dof gerommel, aardbevingen zijn dikwijls de eerste

waarschuwingen der vulkanen.

Het zijn de voorboden van de uitbarsting. De bronnen in de buurt

verdrogen. De kraterpijp, die als de vulkaan in rust is, door gestolde

lava is verstopt, opent zich en eene groote rookzuil stijgt uit den

bergtop naar boven. Die rookzuil weerkaatst de gloeiende lavamassa in

den krater, zoodat zij 's nachts als eene vuurkolom een schitterend

schouwspel oplevert. Zij bestaat uit zoogenaamde lapilli, vulkanische

bommen, steenbrokken en asch, die door den waterdamp medegesleurd zijn.

Onophoudelijk vallen die steenen weder in den krater terug, en worden er

weer opnieuw uitgeslingerd. En de asch verspreidt zich met den waterdamp

duizenden kilometers ver door den dampkring. Electrische ontladingen,

felle bliksemstralen, doorkruisen de lucht; zij ontstaan uit de

wrijvings-electriciteit, die geboren wordt door de wrijving van de

opstijgende massa's. De geheele vulkaan is eene reusachtige

electriseer-machine van Armstrong. En de waterdamp, soms als eene

machtige, helderwitte zuil afstekende tegen de lucht, verdichten in de

hoogere luchtlagen, zich vormt zware wolken met electriciteit

bezwangerd, die bij wijze van wolkbreuk naar beneden vallen.

Soms is echter het eerste bedrijf van de uitbarsting, het rustig

afvloeien der lavastroomen uit den krater. Dikwijls breken zij door

zijdelingsche openingen. Ook die lava bevat veel waterdamp, zoodat een

lavastroom, zooals de beroemde geoloog C. Vogt zegt, er in de verte

uitziet als een spoortrein, uit werklocomotieven saamgesteld, die over

de geheele lengte stoom uitstoot. Men verstaat door lava niet een

bepaald gesteente, maar in 't algemeen, alles wat in den gesmolten

toestand uit den vulkaan afstroomt. De afkoeling van de lava geschiedt

langzaam. De lavastroomen, die in 1858 uit den Vesuvius waren

afgevloeid, waren in 1864 nog zoo heet, dat er eieren in gekookt werden

door de touristen. Zijn zij bekoeld, dan vormen zij eigenaardige

gesteenten, die tot de trachyt- en basalt groep behooren.

Binnen in de vloeibare lavastroomen ontstaat dikwijls ontwikkeling van

stoom, als de buitenzijde reeds afgekoeld is. Hierdoor hebben er dan

kleine uitbarstingen plaats op den lavastroom, en er ontstaan

slakkenkegels van eenige meters hoogte.

Bij vele uitbarstingen hebben geene uitstroomingen van lava plaats.

Krakatau heeft b.v. in 1883 in 't geheel geen lavastroomen te voorschijn

gebracht.

De hoogte der vulkanen is zeer verschillend. In de Andes van

Zuid-Amerika zijn de vulkanen tegelijk de hoogste bergen. Zoo is de

Chimborazo 6300 M. en de Sahana zelfs 6800 M. hoog.

In Het Rijk van Vulcaan de Uitbarsting van Krakatau en Hare Gevolgen · 第 1 / 14 段