I.

Van Syracuse naar Malta.--La Valette en de stichting door den

Grootmeester der Orde.--Aankomst in de groote haven.--Aanzien van de

stad.--Koetsiers en schippers.--De witte steenen huizen.--Terrasvormige

daken.--Mannen en vrouwen van Malta.--Het huiselijk leven.--Het

gezelschapsleven.--De kantwerksters.--Een avond in de Barraea.--Het

Hooglandersregiment en hun muziek op het plein.--De hoofdstraten.--De

paleizen.

Ik was voornemens, mij van Tunis naar Malta te begeven, om er de

plechtigheden van de Heilige Week bij te wonen, die mij als zeer

origineel waren aanbevolen. Daar echter een onverwacht besluit

van de engelsche autoriteiten de haven van La Valette gesloten had

verklaard voor uit het Oosten komende schepen en voor wat van de kust

van Afrika kwam, moest ik mijn reisplan veranderen. De vrees voor het

overbrengen van de pest bij het bestuur van Malta leidde er dus toe,

dat ik een plaats besprak op een paketboot van de Compagnie Générale

Transatlantique. Deze bracht mij naar Tripoli, en ik had er geen

spijt van.

Maar de toen opgedane ondervinding en een groot aantal andere

omstandigheden, die zich in den loop van mijn reizen voordeden, deden

mij besluiten, voor het vervolg geen vast reisplan te maken. Ik vond

er meer genoegen in, mij op goed geluk te laten gaan, mijn fantasie

te volgen of het toeval te laten beslissen.

Onder zulke omstandigheden nam ik plaats aan boord van een italiaansche

stoomboot, die zich gereed maakte om uit te varen. De bestemming liet

mij vrij koel, want een horizon vol geheimzinnigheden had toen groote

aantrekkelijkheid voor mij. Het was te Syracuse, dat ik mij inscheepte,

en toen ik mij op de brug bevond, zag ik om naar den grond van Sicilië,

die mij zooveel rein en edel genot had geschonken, zooveel uren van

bekoring in zijn toovertuinen en van angstige ontzetting op de woeste

hellingen van zijn kraters. Ik moest nu misschien voor altijd dat mooie

Trinakria vaarwel zeggen, en het was mij, of ik een deel van mijzelven

achterliet tusschen de verre heuvels, die in de schaduw wegscholen.

De stad begaf zich ter ruste in het bleeke licht van den scheidenden

dag. In den brandenden zonneschijn had ik de bergachtige omstreken

doorwandeld tusschen de instortende oude muren, die resten zijn van

monumenten uit een grootsch verleden. Ik had de tempels bewonderd van

het antieke Ortygia, had rondgedwaald in de beruchte steengroeven van

de Lautumiae en was genaderd tot dichtbij de geheimzinnige fontein,

waar de nymf Arethusa, om hare liefde schreiend, eeuwig hare tranen

mengt onder het water van de zee.

De avond was gekomen, en de stralen der maan, brekend door den nevel,

wierpen als liefkoozend hun licht over de sombere grootschheid der

oude heuvels. De duisternis roept droomen wakker; de ruimte vulde

zich voor mij met gestalten, en ik zag het verleden oprijzen uit het

stof en leven krijgen in die vage nachtelijke helderheid. Illusie!

Alleen de asch der oude stad lag op de zwijgende hoogten en vervloog

als alle glorie in het ledige, verstoven door den wind.

Weldra verdween Syracuse. Dichtbij ons trilde een vuurtorenlicht,

ging weer uit om weer op te lichten en dan weer te verdwijnen, als

een ironische glimlach van het lot, dat ons zelfs op zee herinnert aan

zijn grilligheid en aan onze droomen, die illusies, aan onze wenschen,

die bedrog zijn.

De uren glijden voort, ... het wordt dag. Wij krijgen Malta in het

gezicht. De opgaande zon, die in haar maagdelijkheid rose uit het

water opstijgt, werpt lichtjes op de muren van La Valette, dat in

onbepaalde omtrekken zich aan het oog vertoont.

La Valette, dat ik vroeger slechts terloops had gezien onder een

brandende zon, met zijn wallen en bastions en al, wat denken deed aan

een heftigen strijd, die wel aanstaande scheen, dreef daar boven de

zee als in een wazig spiegelbeeld. Teêr gekleurde wolken verborgen

de op rijen staande kanonnen voor ons oog en verzachtten den aanblik

der groote, fel dreigende, versterkte rots. Een damp dreef rustig

op de oppervlakte van het water in golvende sluiers en zweefde door

de lucht als een fijne wolk, die langzamerhand uiteenrafelde en zich

oploste in het etherische licht van den morgen.

Naarmate wij dichterbij kwamen, ontdeed de stad zich van haar sluiers,

om forsch en frisch, maar dor en koud, tevens het heldere zonlicht

op te vangen. De aanblik is nog niet veranderd sinds den tijd, reeds

lang geleden, toen de stad de zeeën beheerschte. Zij wekt nog altijd

herinneringen aan oorlogsgeweld en krijgsmansglorie.

De beroemde stichter der stad, de Grootmeester Jean Parisot de la

Valette, had als plaats voor de stad gekozen den berg Scebarras,

een groote, kale rots, een soort van schiereiland tusschen twee ruime

baaien, die de twee belangrijkste havens zijn geworden, Marsa en de

quarantainehaven, Marsa-Muscet geheeten.

Het was in 1565 na de nederlaag van het leger van Soliman den Tweede,

die het eiland had willen veroveren. De Grootmeester besloot partij te

trekken van een oogenblik van rust in den strijd, om de door de Turken

vernielde wallen weer te herstellen en de beide havens te verdedigen

door het aanleggen van een nieuw fort op het schiereiland tusschen

hen beide in. Op datzelfde schiereiland ging hij toen een stad bouwen,

omringd door vestingwerken, waar het klooster en de woning der ridders

veilig zouden zijn.

Met dat doel en vooral om den niet onaanzienlijken financiëelen

steun te erlangen, dien hij noodig had, wendde de Grootmeester

zich door tusschenkomst van de bij de hoven geaccrediteerde gezanten

rechtsstreeks tot de koningen van Frankrijk, Spanje en Portugal en tot

den Paus, evenals tot verschillende italiaansche vorsten. Die gezanten

zetten uiteen, dat het niet voldoende was, Malta door een hardnekkigen

tegenstand te hebben gered, maar dat men, nu het eiland nog door

een handigen tegenstander kon veroverd worden, verplicht was, het

zoo spoedig mogelijk te versterken, dat er nieuwe verdedigingswerken

moesten worden aangelegd, nadat de gevolgen van het doorgestane beleg

waren verholpen.

De afgevaardigden legden vooral den nadruk op die punten, welke voor de

afzonderlijke regeeringen, tot wie zij zich wendden, in het bijzonder

van belang waren, en toen ze melding maakten van het voornemen van

den Grootmeester, om een stad te bouwen, legden zij de plannen over

ter ondersteuning van het denkbeeld.

Al de vorsten, getroffen door de grootschheid en het nut van

de voorstellen, beloofden, ze te steunen en La Valette bij deze

onderneming te helpen. De Paus beloofde, eraan deel te nemen met

vijftien duizend kronen, de koning van Frankrijk met veertig duizend

livres, Filips de Tweede, met negentig duizend en de koning van

Portugal met dertig duizend. De commandeurs der Orde stonden in edele

belangeloosheid hun bezittingen af en gaven hun kostbaarste meubelen,

om de onderneming te doen slagen.

Zonder tijd te verliezen, liet La Valette dadelijk ingenieurs,

bouwmeesters en werklieden uit Italië komen, en kort daarna begaf

zich de Grootmeester in plechtig ambtsgewaad, vergezeld door den

Raad van Bestuur der Orde en gevolgd door al de ridders, naar den

berg Scebarras, waar hij den eersten steen legde voor de nieuwe

stad. Op dien steen stond gegrift het besluit van den Raad, dat wij

hier vertaald uit het Latijn laten volgen.

"De zeer beroemde en vereerde broeder, Jean de la Valette,

Grootmeester van de Orde der Hospitaalridders of der Ridders van

Sint-Jan, die voor oogen heeft al de gevaren, waaraan zijn ridders

en zijn volk van Malta hebben blootgestaan bij het jongste beleg en

die in overleg met den Raad der Orde, om nieuwe ondernemingen van

den kant der Barbaren tegen te gaan, het plan heeft gevormd, een stad

te bouwen op den berg Scebarras, heeft heden, Donderdag 28 Maart van

het tegenwoordige jaar 1566, na den heiligen naam van God te hebben

ingeroepen, de tusschenkomst der Heilige Maagd te hebben gevraagd

en die van den Heiligen Johannes den Dooper, den patroon der Orde,

om den zegen des hemels af te smeeken op een zoo belangrijk werk,

er den eersten steen van gelegd, waarop zijn wapen is gebeiteld met

de gouden leeuwenmuilen. De nieuwe stad is op zijn bevel gedoopt met

den naam Stad van La Valette."

Gouden en zilveren medailles, die een afbeelding der nieuwe stad

droegen en liet opschrift: Melita renascens, d.i. "Het herboren Malta"

met het jaar en den datum der stichting, werden in grooten getale in

de fondamenten geworpen. Na die plechtigheid ging men met ijver aan

het werk. Allen namen er aan deel, rijken zoowel als armen, edelen

en handwerkslieden. Iedereen wilde deel hebben aan het werk, waarin

het heil van allen was gelegen voor de toekomst. Een commandeur,

de la Fontaine, die bekend was om zijn goed inzicht in de kunst

van het aanleggen van versterkingen, had de opperste leiding der

werkzaamheden op zich genomen. De ridders droegen er ook het hunne

toe bij, enkelen begaven zich op de schepen der Orde naar Sicilië

en Italië, om bouwmaterialen te halen, anderen gingen tot Lyon,

om zich met de verbetering der inrichting van de artillerie bezig te

houden. Wie bleven, hielden toezicht op de arbeiders bij de aardwerken,

lieten openingen aanvullen, bressen herstellen en zorgden voor den

aanleg der nieuwe versterkingen.

De Grootmeester verloor twee jaren achtereen de werkzaamheden niet

uit het oog; hij woonde te midden der werklieden, nam zijn maaltijden

juist als een gewoon arbeider en gaf het voorbeeld van den grootsten

ijver. Daar de gelden niet alle regelmatig inkwamen, liet hij, om

daarin te voorzien, kopergeld slaan, waaraan hij een verschillende

waarde toekende naar zwaarte of model. Zoodra het verwachte geld

inkwam, werd het andere aan de circulatie onttrokken. En daardoor

kreeg het volk der werkers zooveel vertrouwen, dat het werk niet een

enkelen dag stilstond.

Bij zulk een edele geestdrift, in zulk een gloed van ijver en

werkkracht verrees die stad, die ik nu uit zee zag verrijzen, toen

het schip naderde. Eindelijk lag ze schitterend voor ons uitgespreid.

Wij zijn juist de nieuwe invaart gepasseerd, waar de sterke batterijen

van het Sint-Elmusfort zijn gevestigd, en de groote haven ligt daar

als een prachtig meer met spiegelende oppervlakte, omringd door

massieve bouwwerken.

Het is werkelijk een soort van binnenzee, waar kanalen en baaien op

uitkomen, die de ruimte nog vergrooten, want zij vormen reeds op zich

zelf veilige schuilplaatsen, waar geheele vloten zich zouden kunnen

verbergen, om het juiste oogenblik af te wachten voor een aanval op

den vijand.

De groote haven of de Marsa, want ze heeft haar ouden arabischen naam

behouden, is zelve in twee deelen verdeeld door een schiereiland,

dat als in een felle spoor uitloopt in het fort Saint-Ange op Isola

Point. Op het oostelijk uiteinde staat het fort Ricasoli, genoemd

naar den italiaanschen burgemeester, die het liet bouwen; in het

zuidoosten en zuiden zijn het Sint-Michelsfort en het fort Salvator

door zware versterkingen omgeven. Ze herinneren aan den Grootmeester

Nicolaas Cotoner, die hun de verdedigingsmiddelen schonk.

Waarheen het oog zich wendt rondom den grooten plas, overal staren

u in het licht de dreigende reuzenbouwwerken tegen met hun strakke

profielen.

La Valette lijkt op niets wat ik reeds heb gezien; het is een

eenig schouwspel, en men krijgt lust, het voor iets fabelachtigs te

houden. Het is een opeenhooping van wanden van vuurmonden en vlammende

rotsen, vol gaten als een honingraat. Tusschen de steilten ziet men

de kanalen en grachten, en het maakt den indruk, of een steengroeve

van cyclopen door de zee is overweldigd. Al de gebouwen der sterke

forten gelijken op elkaar; alle hebben ze denzelfden vorm en dezelfde

kleur. Wal volgt op wal met gekanteelde muren, en naast de eene rots

verrijst onmiddellijk weer een andere. Hier en daar schijnen bastions

in de lucht te hangen, men kijkt tegen bogen aan of tegen hooge torens

met terrassen.

Dat eerste opdagen van La Valette is in mijn herinnering nog altijd

even frisch gebleven als op den eersten dag toen ik er kennis mee

maakte.

Als ik de oogen sluit, zie ik alles, de straten der stad met de hooge

huizen, waar uit de vensters kleurig linnengoed te drogen hangt, dat

door den wind wordt bewogen. Het was als op een feestdag, want het

leek of de oude muren vlagden, en lompen worden zelfs mooi in het volle

zonlicht. Ik kan nog telkens het vizioen vernieuwen van die eindelooze

reeks vensteropeningen in die forten uit de legende, het spiegelende

water en de stroomen van licht, die over de wijde ruimte vloeiden.

Ik zie weer op de kaden de drukke volksmenigte, de altijd weer bij de

landingplaats aankomende booten, die koopwaren of passagiers innamen en

dan wegvoeren; de uithangborden der winkels van scheepsbenoodigdheden

met namen, die zoo moeilijk te begrijpen zijn, als alles wat het

zeewezen aangaat.

Zoodra wij de haven binnenvoeren, waren de koetsiers uit de stad

snel komen aanrijden. Zij veroorzaakten een opstopping op de kade en

gesticuleerden om het hardst, om klanten te lokken, terwijl ontelbare

bootjes om het schip heen draaiden en hun diensten aanboden met

veelzeggende mimiek. De kleine booten zijn eigenaardig; ze gelijken wel

iets op gondels, niet door hun sierlijkheid, want ze zijn kort en dik,

maar door hun hoogen voorsteven. De meeste zijn groen geverfd en met

bizarre teekeningen versierd. Aan weerszijden van den voorkant ziet

men een oog geteekend van naïeve uitdrukking en vorm, wat het bootje

er als een zeemonster doet uitzien. Over de meeste is een gekleurd

zeil gespannen.

Ik volgde met belangstelling de voorvallen op de kade en bleef nog

eenigen tijd aan boord. Eindelijk vertrok ik, en een kales bracht

mij in snellen draf langs een helling naar de Levantstraat.

Overal hetzelfde verblindende licht, dat met het vele opdwarrelende

stof aan La Valette het aanzien geeft van een brandende stad. Enkele

fijne, violette schaduwen gaven in de gebouwen vormen van menschen en

dingen aan. De meeste straten kwamen op de zee uit. De menigte liep

af en aan even druk als aan het strand. Ernstige Arabieren, in hun

burnoes gedrapeerd, vormden door hun kalmte een sterke tegenstelling

met de Maltezers, de Grieken en de Levantijnen; een paar kooplieden

van verkoelende dranken, met een vaatje op zij, boden hun waar aan,

en van tijd tot tijd kwam een dorstige voorbijganger begeerig drinken.

Nu en dan kreeg ik op die wandeling door La Valette een vizioen

van op rijen staande zwarte kanonnen, van scheepsmasten, dicht

opeen gedrongen als boomen in een bosch, het wandelend bosch van

Shakespere. Verscheiden straten zijn niet anders dan trappen, zoo

bijvoorbeeld de Santa Luciastraat. Aan de meeste daarvan hebben de

huizen platte daken met balkons met ramen erin, zeker een engelsche

uitvinding.

De huizen in La Valette en op het geheele eiland Malta zijn

gebouwd van een zachte, verblindend witte steensoort, afkomstig

van het eiland. Langen tijd is er in dat gesteente een levendige

uitvoerhandel gevoerd, omdat het zoo gemakkelijk te bewerken was,

vooral naar Smyrna en de andere steden van de Levant.

Maar er zijn heel wat bezwaren aan die steensoort verbonden, want ze

ondervindt sterk den invloed van het weêr, wat waarschijnlijk door

de uit zee opkomende dampen bevorderd wordt. Ook geeft de verbazende

witheid van de huizen aanleiding tot een terugkaatsing van het licht,

die nadeelig is voor de oogen. De Maltezers kunnen aan het gesteente

door polijsten een glans geven, die het op marmer gelijken doet.

De huizen hebben veelal platte daken, met buizen tot afvoer

van het regenwater. Die daken, waarop bloemvazen en kuipen met

planten prijken, zijn dikwijls kleine tuintjes, waar de bewoners

op zomeravonden frissche lucht zoeken; ze gebruiken er ook vaak de

maaltijden en ontvangen er gezelschap.

Op de hoeken van sommige straten staan heiligenbeelden in nissen,

en de vrome Maltezers houden er nacht en dag de lampen brandende.

Het rijtuig hield eindelijk stil voor een hôtel. Ik rustte er uit

in de schaduw, nog geheel verblind door de stroomen van licht, die

langs en over mij waren gevloeid.

Nu was ik dan te La Valette, de oude hoofdstad van Malta, maar ik was

er als onbekende, zonder aanbevelingsbrieven voor de enkele Franschen,

die er woonden. Het beste in de gegeven omstandigheden was, mij aan

te melden aan het fransche consulaat, waar ik kans had, vriendelijk

te worden ontvangen. Dat was een goede gedachte; de consul was een

hulpvaardig man, aangenaam in den omgang en bereidwillig gestemd ten

opzichte zijner landgenooten.

Nog dienzelfden avond begaf ik mij met een brief van onzen consul

naar de wijk Guardia mangia Pietà, waar een fransch koopman woonde,

die sinds vele jaren op Malta gevestigd was. Hij had zich een mooie

positie verworven en, naar men zeide, een aanzienlijk vermogen. Zijn

naam was Ribot, en hij ontving mij met open armen.

Hij praatte veel met mij over de Maltezers. "Ik heb al sedert het begin

van mijn zijn hier opgemerkt", zei ik tot hem, "dat hun gezicht een

voor mij geheel nieuw karakter heeft, met die breede wangen, groote

ooren, die ver naar achteren staan, de zwarte haren en de dikke bossige

wenkbrauwen. Het komt mij in het geheel niet twijfelachtig voor,

dat dit ras van phoenicische afkomst is. De Maltezer is levendig en

bewegelijk; men voelt het, dat hij zich gelukkig voelt op zijn rots

te midden der golven in een element van zonnegloed en zee."

"Ja, zoo is het inderdaad," antwoordde mij de heer Ribot, "de Maltezer

is in zijn element, beter dan de anderen, die hier wonen. Morgen

zult U opmerken, dat de vreemdelingen bleeke gezichten hebben met een

vermoeiden trek, alsof hun bloed verdroogd was in de hitte der zon."

En op het gelaat van den spreker las ik de teekenen van neurasthenie,

die hij zelf mij aanwees.

"Het komt," zei hij, "dat hier niets herinnert aan de geurige

frischheid onzer kleine steden, de fluweeltint onzer heuvels en

de geheimzinnige bekoring onzer dalen. Het geruisch der zee, en op

dagen van boos weer het gebulder van den wind om de rotsen vervangen

voor een poos de groote hitte van den zomer en de onbeschrijflijke

doodschheid der in de gloeihitte der zon verpoeierende rotsen. Alleen

des avonds herademt men en begint opnieuw te leven. Vaak ook zenden

de winden uit de woestijnen van Afrika ons hun brandenden adem toe,

en het zijn enkel de winden uit het Noordoosten, die de buitengewone

warmte soms wat temperen."

De winter is gewoonlijk zeer zacht op Malta; het is een echte lente met

overvloed van bloemen, die schitteren in rijke kleuren en verrukkelijk

geuren. Een groot aantal engelsche familiën komen dan ook den winter

op het eiland doorbrengen.

Een der gevaren van het klimaat zijn de plotselinge overgangen van

hitte tot koude, die onophoudelijk terugkeeren, en waar het menschelijk

lichaam zeer gevoelig voor blijft.

De vreemdeling vooral moet zich in acht nemen voor dit bezwaar,

dat de Maltezers niet zoo sterk gevoelen. Als de zon brandend heet

schijnt en de terugkaatsing van het licht verblindend is, krijgt men

over het transpireerende lichaam bij den een of anderen hoek van een

straat een ijskouden wind uit zee te voelen.

Zulke klimaatstoestanden zouden het waarschijnlijk maken, dat het leven

der inboorlingen er door verkort werd; maar dat is in het geheel niet

het geval. Het is volstrekt geen zeldzaamheid, hier wakkere grijsaards

te ontmoeten, die nog in het bezit zijn van al hun vermogens en van

de betrekkelijk groote lichaamskracht, welke zij tot op zeer hoogen

leeftijd behouden. De Maltezers hebben zeker aan dit klimaat, dat de

zenuwen voortdurend gespannen houdt, een buitengewone bewegelijkheid

te danken van gevoel en van armen en handen, waardoor zij verbazend

druk gesticuleeren. Ze hebben ook heftige hartstochten. Voor handel

en scheepvaart toonen ze zich intusschen zeer geschikt, en hun eiland

hebben ze zeer lief; die kalkrots Malta noemen zij de bloem der wereld,

"fiore del mondo."

Ik heb overal opgemerkt, dat de eilandbewoners zeer aan hun land zijn

gehecht, welks natuurschoon ze met naïeve overdrijving bewonderen,

zooals ze ook vol lof zijn voor wat hun soldaten en hun mannen van

wetenschap praesteeren. En het is ook immers algemeen bekend, dat hoe

ondankbaarder de grond is, waar iemand woont, des te meer moeite kost

het hem, zich ervan te verwijderen en des te meer is hij eraan gehecht.

In de dorpen van het binnenland op Malta ondervindt het huiselijk

leven nog den invloed van de oude oostersche gebruiken. De mannen

hebben de geheele oostersche jaloerschheid, en de vrouwen leiden een

leven van afzondering. Een oude arabische spreuk schijnt er nog in

eere te worden gehouden, namelijk dat de vrouwen slechts tweemaal

in haar leven in het publiek moeten verschijnen, bij haar huwelijk

en bij haar dood. De schoonste lof, die haar te beurt kan vallen,

is in de oogen van den Maltezer, dat er nooit over haar wordt

gesproken. Te La Valette is zulk een strengheid niet op te merken;

de aanhoudende aanwezigheid van vreemdelingen, die er door den handel

heen worden geroepen, de invloed van het vroegere Ridderhof, de bals

en de schouwburgen hebben der vrouw meer vrijheid geschonken.

Maar die vrijheid is slechts schijn, en alleen de dames der uitgaande

wereld hebben er voordeel van. Tijdens mijn verblijf te La Valette

wenschte ik een der vele mooie kantwerkstertjes te teekenen, die in

hun fijne zijden weefsels nog het kruis der Maltezer ridders borduren,

te midden van de grilligste versieringen. Ondanks alle moeite, die

de heer Ribot in het werk stelde, en ofschoon hij toch al zoo lang

in het land woonde, ondanks het aanbod van een hooge belooning, kon

hij geen familie vinden, die bereid was, een haar vrouwelijke leden

voor een schilder te laten poseeren. Het gelukte mij zelfs niet,

een enkele dier kantwerksters aan het werk te zien.

Ze zijn bekoorlijk, die Maltezer vrouwen; ze schijnen van de rotsen

een tint als van doorschijnend ivoor te hebben aangenomen. Meestal

zijn ze niet groot en hebben fijne trekken, iets onzegbaar teêrs,

en haar groote oogen hebben een zachten glans onder de faldetta. Die

faldetta is een soort van zwartzijden mantel, die tot het middel

reikt, om het hoofd heengaat en er in een halven kring door stijf

gaas van af wordt gehouden, zoodat zij het gelaat voor zon en wind

en voor onbescheiden blikken behoedt. Als in een zijden schelp

met liefelijken glans rust dus het hoofd, en met de hand wordt dat

omhullend kleedingstuk gracelijk vastgehouden, terwijl ze er mee

kunnen manoeuvreeren juist als de mooie Spaansche met haar waaier.

Deze fijne, teêre vrouwen hebben voorbeelden van heldenmoed gegeven,

waartoe men ze, op het uiterlijk afgaande, niet in staat zou hebben

geacht. Bij allerlei gelegenheden hebben ze haar eiland met moed

verdedigd, vooral onder het beleg door Soliman den Tweeden.

De secretaris van het fransche consulaat, dien de consul wel te

mijner beschikking had willen stellen, vond er een genoegen in,

mij de bezienswaardigheden en het karakteristieke van La Valette

te laten zien. Hij was mij een onwaardeerbare gids, en zijn groote

bereidwilligheid verloochende zich nooit een oogenblik. Altijd vond

ik hem gereed, mij met zijn vrijen tijd ten dienste te wezen.

"Als u wilt," zei hij op een dag tot mij, "zullen we van avond

samen naar De Barraca gaan."--De Barraca?"--"U zult het wel zien. De

Barraca is een zaak, waar men hier trotsch op is, en niemand, die in

La Valette is geweest, mag vertrekken zonder de beroemde Barraca te

hebben leeren kennen."

Des avonds begaven wij ons naar de bovenstad, op het gebied der hooge

wallen. Daar betreedt men een donkere laan, waar eenige wandelaars

loopen. Wij waren aangeland onder groote bogen, toen mijn gids

uitriep: "Hier zijn we er!" Ik had gedacht aan een nachtelijke

excursie naar ruïnen, want de naam Barraca alleen zei zoo weinig,

en ik liet mijn oog zoekend rondgaan, om brokken muur te vinden of

ontmantelde vestingwerken. Maar tegen de met sterren bezaaide lucht

teekende zich geen enkele vorm af.

"Nee, nee," zei mijn begeleider, "naar beneden moet u kijken, heelemaal

naar beneden."

En toen, tegen een balustrade leunend, keek ik naar beneden in

het ledig. In de gapende diepte, de nachtelijke geheimzinnigheid,

pinkten overal lichtjes, die in de verre verte al flauwer werden. Men

kon de afstanden onmogelijk met juistheid schatten; maar heel ver

schenen de lichtjes zacht te verdwijnen, om zich in de sterren op te

lossen. In den helderen azuren hemel raakten ze den Melkweg, die als

een doorschijnend gaas tot bij het zenith aan den hemel dreef.

Toen mijn oogen langzamerhand aan het duister gewend raakten, begon

de nacht mij flauw verlicht te schijnen, en de aanvankelijk niet te

onderscheiden vormen teekenden zich scherper af. Beneden ons heel in

de diepte kon ik de stad met de haven vóór ons uitgespreid zien liggen.

Maar het was nog meer raden dan zien in dien afgrond, waar in het

bleeke maanlicht bewegelijke lichtplekken zich bij en in de haven

heen en weer bewogen.

Soms gingen plotseling lichten uit, en even plotseling werden andere

ontstoken, vlamden op, gingen ten halve uit, om spoedig weer op te

duiken. Het waren de lichten der stad, die aan onze voeten lag, de

veelkleurige seinlichten en vuurtorens in de haven, de lichten van

schepen en booten, die flikkerden en beefden, nu eens nader schenen

te komen, dan terugweken als vallende sterren, of aan den horizon

uiteenspatten als meteoren, terwijl er ook als pijlen in de schuimende

zee neervielen.

Van beneden rezen, ik weet niet van waar, groote boomen omhoog,

welker donkere silhouetten zich scherp afteekenden tegen het zoo vage

beeld van het nachtelijk La Valette. Toen bespeurde ik zeer dicht

bij ons de donkere profielen van enkele Maltezers, die onbewegelijk

als beelden op hun rots stonden; naast hen, met de band onder de kin,

stijf en hoekig een paar engelsche officieren, die onbewogen schenen

te blijven tegenover de met sterren bezaaide zee.

Weinig panorama's kunnen een vergelijking doorstaan met dat van

de Barraca superiore. Ik heb het op alle uren van den dag en nacht

gezien, en in het heldere daglicht heeft zich de indruk van den nacht

verduidelijkt. Van dit hooge punt omvat men de gansche uitgestrektheid

der havens, en vanaf het fort Ricasoli aan den ingang der Marsa

tot aan de nieuwe haven krijgt men de enorme uitgestrektheid te

aanschouwen van een nu vooruitspringende, dan terugwijkende lijn,

welke aan de kust den zoom van drie afzonderlijke steden afteekent,

maar die dichtbij elkaar liggen en bijna in elkander overgaan. In

het midden verrijst het historisch kasteel Saint-Ange, met de vier

zware, naar buiten gerichte batterijen. Hier en daar bespeurt men

opeenhoopingen van huizen, reuzengroepen, die aan den eenen kant

uitloopen op een langen gordel van versterkingen, de Cotonera, aan

den anderen bij de groote haven.

Op grooteren afstand breidt zich het open veld uit met zijn dorpen,

en de klokkenhuizen, die op groote torens gelijken. Onder de voeten

van den toeschouwer, onmiddellijk beneden hen, bevinden zich de

kaden, waar het altijd druk is, met rechts de huizen van La Valette,

de statige paleizen uit den tijd der ridders, en de campanile's.

De indruk, dien men krijgt, is die van ver weg zich op vleugels te

hebben laten dragen; zoo schijnt het over dag, en des nachts kan

men niet onder woorden brengen, wat men voelt; men is als het ware

heengebogen over de ijle ruimte, waarin ongekende werelden zweven. En

zoo geeft dus de dorre rots van Malta nieuwe, onverwachte tooneelen

te zien. Ook dingen van wonderbaar poëtischen aard had zij voor

mij bewaard.

Op een avond in de schemering, toen het stadsgewoel tot rust was

gekomen en een parelmoeren licht zich over de ivoren stad uitspreidde,

kwam ik op de markt tegenover het paleis van den Gouverneur. Aan den

horizon, dien ik aan het eind der straten onduidelijk kon waarnemen,

trokken nevels op. De zee lag kleurloos en vlak als een spiegel. En

toen liet zich op het eenzame plein een zeer zachte muziek hooren. Het

leken de zangen, gekomen van de in nevels gehulde bergen van het

Noorden, zoet en klagend; men wist niet, of zij zongen van een droevig

verleden of van een hoopvolle toekomst. Muziek doet dadelijk beelden

voor mijn geest verrijzen. Hier zag ik de uitgestrekte heiden der

landes, zoo ver het oog reikte, onder een grijzen hemel; bergen met

donkere wouden, een verlaten land, en ik voelde mij koud door een

onuitsprekelijk gevoel van vereenzaming....

Het was de muziek van de pijpers, de doedelzakblazers van de

Hooglanders; soldaten van dat regiment liepen op het plein heen en

weer, in automatischen pas, ernstig en onverschillig. Zij droegen

de kilt, het korte rokje, geruit in de kleuren der clan, de muts met

wapperende veeren, de plaid in heldere kleuren, met een gesp op den

rechter schouder vastgehecht, en toen ik ze daar zoo kalm en ernstig

zag loopen, meende ik, dat de tonen der bekende instrumenten in hun

ziel de vriendelijke herinnering wakker riepen aan hun ver vaderland,

en hun intieme, innige gewaarwordingen gaf.

Het tooneel was van korten duur; zij liepen een zeker aantal malen het

plein op en neer, keerden met korten zwaai om, toen ze aan het eind

gekomen waren, en toen de serenade afgeloopen was, verdwenen ze. Ik

bleef. De tonen, zoo klagend, die ik pas had gehoord, ruischten nog in

mijn ooren, en in die op het eind loopende schemering, op dat plein,

dat de Maltezers schenen te vermijden op dit uur, terwijl de muziek der

veroveraars er zich liet hooren, droomde ik van de schotsche heiden,

die zoo aangrijpend somber zijn, van dien laag hangenden hemel vol

wolken, waar zij zich in het oneindige in voortzetten.

Thans kregen de witte straten van La Valette, straten nog lauw van de

hitte van den dag, een vreemde, doorzichtige tint in die onwezenlijke

schemering. Op zee was alles rustig; zij was als een bleeke afgrond,

waaruit de dorre rots oprees.

Welk een roerend denkbeeld voor een volk van zaken, om elken dag

op deze rots, waar zooveel bloed gevloeid heeft, die muziek te doen

hooren, die aan het afwezige vaderland herinnert! Herinnering en hoop

gemengd, aan de zee toevertrouwd, vóór men zich ter ruste begeeft.

La Valette is, zooals wij reeds hebben gezien, amphitheatersgewijze

gebouwd op een schiereiland, dat de beide voornaamste havens van

Malta van elkander scheidt. De stad heeft een treffend, zeer bijzonder

aanzien.

Drie hoofdpoorten geven toegang tot de stad, de Koningspoort, de

Marinepoort en de poort van Marsa-Muscet. Twintig straten loopen door

de stad, acht in de lengte, twaalf in de breedte. Ze zijn geplaveid

met een zeer hard gesteente, zoncol genoemd, dat wel wat op Portland

gelijkt en op den romeinschen travertino.

Onder de mooiste en breedste straten van La Valette heeft men eerst

de Strada Reale, die over den top gaat van het schiereiland, waar de

stad op is gebouwd en dien in de geheele lengte doorsnijdt van het

Sint-Elmusfort tot aan de Koningspoort, voerend naar de voorstad

Floriana, Als men er door gaat, heeft men eerst het Giorgio-

of Raadhuisplein, dan het Bankplein, en verder draagt de straat

verschillende namen.

Enkele particuliere paleizen zijn een bezoek overwaard in La Valette,

hetzij om hun architectorale beteekenis, hetzij om de historische

herinneringen, die ze wekken. In het paleis van de familie Spinola

woonden in 1808 de prinsen uit het Huis van Orleans. Het hôtel gaat

door voor het mooiste van alle, en terecht. De bouwtrant is bekoorlijk,

de versieringen zijn zeer rijk en toch niet overdadig. Het plan voor

dit schoone gebouw is afkomstig van den bouwmeester Peruzzi. Het gebouw

werd door een bisschop opgericht, aartsdiaken van de kathedraal;

het werd door Bonaparte bewoond tijdens zijn verblijf op het eiland

in 1798. Hij had er zijn hoofdkwartier gevestigd. Sinds dien hebben

achtereenvolgens de engelsche generaals Stuart, Fox en Abercromby

er geresideerd.

De dwarsstraten, die sterk hellen, en die dikwijls in trappen zijn

veranderd, zijn evenals de andere zeer zindelijk, daar de onderaardsche

afvoerbuizen voor den afloop van het water zorgen en voor dien van

het vuil. De stad is zeer druk door veel beweging op straat en een

levendig vervoer van goederen. De openbare gebouwen zijn regelmatig en

wat koud van aanzien, opgetrokken van het maltezer gesteente, dat zeer

zacht is en het nadeel bezit, spoedig te verweeren. De buitengewone

witheid, doet, zooals we reeds zeiden, de weerkaatsing onaangenaam

zijn. Trots die bezwaren is de steen lang een gewild uitvoerartikel

geweest naar de Levant en vooral naar Smyrna.

De voorsteden van La Valette, Floriana, Burmole, Senglea en Borgo, zijn

even druk als de stad. Men vindt er overal mooie gebouwen en openbare

inrichtingen. Achter Senglea staat een groot gebouw, dat het huis

wordt genoemd van Francisco da Cunha. Daar had de baljuw van Suffren

een fabriek opgericht van katoenen stoffen, op het voorbeeld van die

van Voor-Indië. Hij zou zelfs uit Mysore arbeiders hebben meegenomen,

inlandsche mannen en vrouwen, om in zijn fabriek te werken. Ik weet

niet, hoe het met die poging is gegaan.

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906 · 第 41 / 49 题