Malta in de oudheid als phoenicische kolonie.--Stichting van de orde
der Hospitaalridders van Sint Jan te Jeruzalem, later geworden tot
de orde der Maltezer Ridders.--Uit Jeruzalem verdreven, wijken ze
eerst uit naar Saint Jean d'Acre, dan naar Cyprus, en nog later
naar Rhodus.--Sultan Soliman verjaagt hen van Rhodus.--Karel de
Vijfde geeft hun het eiland Malta in 1530.--De organisatie der
Orde.--Haar lotgevallen ten tijde van de bezetting door de Franschen
in 1798.--Nog altijd houdt de Orde der Maltezer Ridders zich in
stand.--De schilderachtige voorstad Manderaggio.
Het eiland Malta, welks kusten door een menigte van kreken, baaien en
golven ingesneden zijn, zou het oude, door Homerus bezongen Ogygia
zijn. Daar werd Ulysses, na door den storm aan land geworpen te
zijn, zeven jaren lang in zijn betooverde grot door de nymf Calypso
vastgehouden. Er wordt nog een naar de nymf genoemde grot aangewezen,
en het heet, dat het de grot was die zij bewoonde. Al zeer vroeg werd
Malta door de Phoeniciërs gekolonizeerd, die te Krendi en op andere
plaatsen van het eiland bouwwerken oprichtten, waarvan nog ruïnen
over zijn.
De kolonie, die de Phoeniciërs op Malta stichtten, was een van hun
meest welvarende stichtingen; spoedig werd ze beroemd om haar handel,
haar rijkdom en de pracht harer tempels. Daar werden, evenals in
Phoenicië aangebeden de goden Mytharas, Isis en Osiris. Twee tempels
vooral waren beroemd, die van Juno of Isis en die van den Tyrischen
Hercules, door de Grieken Alexicacos genoemd, dien de volken uit het
Oosten op dit eiland kwamen aanbidden.
Men kan in het Museum van La Valette verscheiden punische
gedenkpenningen zien. Onder de voorwerpen van dezelfde herkomst waren
vroeger twee prachtige marmeren kandelabers met een phoenicisch en een
grieksch opschrift. Een van die kandelabers werd door den Grootmeester
Rohan aan Lodewijk den Zestienden ten geschenke gegeven. Het Journal
de Trévoux, dat in 1786 van die beide voorwerpen gewag maakt, noemt
ze zeer zeldzame en schoone kunstwerken, schatten, die de oudheid
ons heeft nagelaten. Ziehier de vertaling van het opschrift, dat
ze droegen.
"Abdassar en Asseremor, zoon van Asseremor, zoon van Abdassar, hebben
de gelofte afgelegd voor onzen Heer Melkart, beschermheilige van Tyrus;
moge hij hen beschermen op hun onzekeren weg. Denys en Serapion uit
de stad Tyrus, beiden zonen van Serapion, voor Hercules bijgenaamd
Archegetes."
Dit opschrift leert ons, dat de Hercules, die op Malta werd aangebeden,
er ook wel Archegetes werd genoemd, dat hoofd of leider beteekent,
en Melkarthos of Melkart, dat is "machtig koning."
In het jaar 736 v.C. werden de Phoeniciërs van het eiland verdreven
door de van Sicilië gekomen Grieken. Dezen gaven aan het eiland den
naam van Melita. Zou die naam Melita de bedoeling hebben gehad, te
herinneren aan den uitstekenden honig, welke op Malta werd ingezameld,
of is hij geschonken ter eere van de nymf Melita, dochter van Doris
en Nereus? Het is onbekend.
Toen de Karthagers op Malta de plaats der Grieken innamen, en de
Romeinen op hun beurt de Karthagers hadden verdreven, werd Malta
een zelfstandige kolonie, en onder romeinsch bestuur behielden de
Maltezers hun wetten en vrijheden.
In de negende eeuw van onze jaartelling kwam het eiland in de handen
der Arabieren en werd de opslagplaats van hun handelsgoederen en
schuilplaats voor hun vloten. Omstreeks het jaar 1190 werd het land
veroverd door den Noorman Roger, en van dien tijd af deelde het eiland
in de lotgevallen van Sicilië, tot op het oogenblik dat de Ridders
van Sint Jan er zich kwamen vestigen.
De orde dier vermaarde ridders was gedurende de meer dan twee
eeuwen durende souvereiniteit, die zij over het eiland uitoefende,
een weldaad voor de bevolking. Zij bracht het land tot bloei en tot
roem, terwijl ze voor geheel Europa van groote beteekenis was door den
verwoeden oorlog, dien zij voerde tegen de barbarijsche zeeroovers
en door de bescherming, die ze aan den zeehandel der christelijke
staten bood. Het is wel de moeite waard een overzicht te geven van
haar geschiedenis en van haar werk.
De orde der Hospitaalridders van Sint Jan van Jeruzalem, die later,
zooals wij in het vervolg zullen zien, de Orde der Ridders van
Malta werd, was gesticht door den Franschman Reymond du Puis tegen
het eind der elfde eeuw met het doel, behoeftige pelgrims, die zich
naar de heilige plaatsen begaven, te helpen en hun een onderkomen te
bezorgen. De orde liet gewapende mannen de bedevaartgangers begeleiden
en zorgde, dat de laatsten beschermd werden tegen de mohammedaansche
benden, die het land afliepen. Zoo werden de ridders ertoe gebracht,
hun organisatie tegelijk een militair en een godsdienstig karakter
te geven.
In de twaalfde eeuw wijdde paus Paschalis de Tweede de orde
bij kanoniek besluit in en gaf hun de roode banier met het witte
kruis. Door de christelijke wereld ruim van geld voorzien, voerden
de Broeders van Sint Jan voortaan den strijd tegen de ongeloovige
Mohammedanen. Maar de overwinningen van Saladin verjoegen hen uit
Jeruzalem. Zij verschansten zich in Saint-Jean d'Acre, daarna op Cyprus
en eindelijk op Rhodus, waar ze zich twee eeuwen lang handhaafden
tegen de onvermoeide pogingen der Turken, en waar ze den naam van
Ridders van Rhodus aannemen.
Doch Soliman kwam aan de spits van een leger van 200.000 soldaten
en sloot het fort in, dat door nauwelijks 600 ridders en 4000
man werd verdedigd. Na wonderen van dapperheid te hebben verricht,
capituleerde de stad, wier hulpmiddelen uitgeput waren, in 1522. Des
nachts verlieten de Grootmeester en de Ridders Rhodus in volslagen
wanorde. Het was een bedroevende exodus van heldhaftige krijgers,
vluchtend uit een land, dat twee eeuwen lang door hun roem bestraald
was geworden. Toen de zieken, de kinderen en de vrouwen in de
schepen in veiligheid waren gebracht, begaven ook de mannen zich
scheep. Villiers de l'Isle Adam, de Grootmeester, scheepte zich het
laatst in. De vloot, bestaande uit vijftig schepen, galeien, galjoten,
brigantijnen, feloeken en het groote schip, waar zich de Grootmeester,
de Commandeurs en de Ridders op bevonden, trok weg. Zoo werden al de
goederen der Orde mee aan de zee toevertrouwd.
En zie, alsof de woede der elementen zich wilde paren aan de woede
van de vijanden, dreef een storm in den Griekschen Archipel de vloot
uiteen, die zooveel kostbaars herbergde. Maar volgens een dikwijls
waargenomen verschijnsel, dat zoowel in het leven der volken als in
dat der enkele menschen optreedt, kwam in den tijd van den hoogsten
nood een onverwachte lichtstraal den schijnbaar hopeloozen toestand
verhelderen. De verstrooide vloot kon zich weer aaneensluiten; de
ontredderde schepen vonden een haven, en in goeden staat teruggebracht,
konden ze weer zee kiezen en hun zwerftocht vervolgen.
... Op een lentedag verscheen vóór Messina een vaartuig, welks
onbekende vlag in het licht schitterde. Het was een schip van kolossale
afmetingen, en van den mast wapperde een banier met het beeld der
Heilige Maagd, die in haar armen den gekruisigden Heer droeg. Er
omheen stond het opschrift: "Afflictis spes unica rebus". Dat was als
een verschijning van leed en ongeluk, een beeld van het uitgestooten
geloof, dat eindelijk hulp kwam vragen in een christelijk land.
Het groote schip, de koningin der zeeën, zooals de Sarracenen het
noemden toen het nog aan hen behoorde, was een vaartuig, dat om zijn
afmetingen iets legendarisch had gekregen. Er werd verteld, dat de top
van de hoogste masten der grootste galeien nog niet tot de hoogte van
zijn voorsteven reikte. Zes menschen konden nauwelijks den grootsten
mast omspannen. Het schip had zeven verdiepingen, waarvan twee onder
de waterlijn. Buiten de lading en de bemanning kon het duizend soldaten
bergen, en honderd kanonnen bewapenden de drijvende vesting.
Van Messina gingen L'Isle Adam en de zijnen naar Viterbo in den
Kerkelijken Staat. Daar bleven ze, tot Karel de Vijfde hun het
eiland Malta tot residentie schonk. De acte van schenking werd te
Castelfranco, bij Bologna, opgesteld in 1530. Er werd in gezegd,
dat de keizer in zijn hoedanigheid van koning van Sicilië aan de
Orde van Jeruzalem de eilanden, kasteelen en dorpen Malta, Gozzo,
Commino en West-Tripoli afstond met alle souvereiniteitsrechten. De
schenking geschiedde op de volgende voorwaarden: Ten eerste zou de
Orde jaarlijks een valk leveren aan den koning van Sicilië; ten tweede
zou de bisschop van Malta altijd door den koning worden benoemd;
ten derde zou de admiraal der Orde altijd een Italiaan wezen, en
ten vierde zouden de inwoners van Malta en de overige eilanden hun
rechten en privileges behouden.
Toen Karel de Vijfde het eiland Malta aan de Ridders van Sint Jan van
Jeruzalem gaf, zond de Raad der Orde, vóór hij de gift aanvaardde,
acht ridder-commissarissen er heen, om er den staat van zaken op te
nemen en te onderzoeken, of het eiland geschikt was voor den zetel
der Orde en voor haar bedoelingen. Ziehier de voornaamste punten uit
het rapport der afgevaardigden. Het resultaat was niet zeer hoopvol:
"Het eiland is buitengewoon dor, ontbloot van alle bosch, en het
hout, dat er gebrand wordt, moet van Sicilië worden aangebracht. De
inwoners maken, om hun ovens te stoken gebruik van een soort van
doornige distels, die ze op de onvruchtbaarste plaatsen inzamelen. Zij
gebruiken ook wel voor het koken van hun zeer eenvoudig potje den
mest der ezels en runderen, die ze in de zon laten drogen, welker
stralen zoo krachtig door de rotsen worden weerkaatst, dat de hitte
in den zomer sterk genoeg is, om die stoffen zoo droog te maken,
dat ze als brandstof bruikbaar zijn.
"Het eiland is vrij goed bevolkt. De inwoners zijn gevestigd
in verspreide en open liggende dorpen. Hun taal is de moorsche,
en ze leven in uiterst bekrompen omstandigheden. Het koren, dat ze
verbouwen kan hen niet langer voeden dan voor een derde van het jaar,
en voor de rest moeten zij het van Sicilië laten komen. Het bedoelde
eiland is daarbij onophoudelijk blootgesteld aan de rooftochten der
ongeloovige zeeroovers, die, zonder eenige vrees te toonen voor het
kasteel, vrij in de havens binnenvaren en zeer dikwijls een groot
aantal arme Maltezers in ballingschap meevoeren."
Toen de commissarissen van hun zending en hun rapport bij den
Grootmeester en den Raad rekenschap moesten komen afleggen,
antwoordden zij nog, dat het verblijf op Malta zeer onaangenaam was,
ja in den zomer zoo goed als ondragelijk; maar dat zij bij de gebleken
moeilijkheid, om een betere plaats ter vestiging te erlangen, toch
van oordeel waren, dat men de gift van den keizer moest aanvaarden. De
Grootmeester gaf aan dien wenk gehoor en nam het geschenk aan.
De Grootmeester nam bezit van Malta op 26 October 1530. Hem vergezelden
de voornaamste officieren der Orde en een groot aantal grieksche en
rhodische familiën, die de Ridders gevolgd waren en zich met hen op
Malta vestigden. Van dien tijd af zijn de ridders bekend geworden
onder den naam van Maltezer Ridders.
Uit het boven aangehaalde rapport blijkt, dat het lot der Maltezers in
dien tijd zeer onzeker was, daar ze zich in het geheel niet verdedigen
konden tegen de invallen der barbarijsche zeeroovers. Steeds hing
hun het gevaar boven het hoofd, dat hun huizen werden vernield en
dat ze zelf in slavernij werden weggevoerd. De opperheerschappij
der Orde beschermde hen onmiddellijk tegen die steeds dreigende
gevaren, want de eerste zorg van den Grootmeester was, het fort
Saint-Ange te laten herstellen, en La Sangle te versterken, om de
galeienhaven te beschermen. Een nieuw fort, het Sint-Elmusfort,
werd op het schiereiland opgericht, daar waar zich in het vervolg
de stad La Valette verhief; het beschutte tegen een overval de beide
voornaamste havens, die door het schiereiland werden gescheiden.
De Ridders van Sint Jan van Jeruzalem brachten, door op Malta den
zetel van hun bestuur te vestigen, er een aanzienlijke geldswaarde
in omloop. Zij beliep zelfs een minimum van vier millioen francs,
wat een enorme som was voor dien tijd. Men rekent daar dan ook onder
de uitgaven van de vele leden der Orde, die geregeld in grooten getale
het eiland bewoonden.
De welstand nam te meer toe, daar de bewoners geen enkele directe
belasting betaalden, en alleen aan vrij matige douanerechten waren
onderworpen.
Men zal begrijpen, hoe groote voorrechten de Maltezers genoten
onder het bestuur der Ridders, als men hun lot vergelijkt met
dat der Sicilianen in dien tijd. Die laatsten waren, ofschoon ze
een buitengewoon vruchtbaar land bewoonden, tot de diepste armoede
gebracht door de zorgeloosheid en het despotisme hunner regeering. Op
Malta daarentegen was de op zich zelf dorre grond vruchtbaar gemaakt
door zorg en inspanning. Het eiland werd overdekt met een groot
aantal kleine stadjes en ten gevolge van de veiligheid, die door
de nieuwe regeering werd gewaarborgd, nam de bevolking van Malta en
Gozzo, die in den aanvang van het bestuur der Ridders slechts 25.000
inwoners bedroeg, zoo toe, dat men er weldra meer dan 100.000 telde,
terwijl Sicilië met zijn vruchtbaren grond niet anders te zien gaf dan
tooneelen van ellende en een betrekkelijk veel kleiner aantal inwoners.
L'Isle Adam hield zich, nadat hij de verschillende punten van het
eiland, waar de vijand een verrassing kon beproeven, had versterkt,
ook bezig met de versterking van de vloot der Orde.
Alle inspanning had ten doel de bescherming van den handel
der christelijke naties, die voortdurend werd bedreigd door de
zeeroovers. Na zeer korten tijd werd de vlag der Ridderorde gevreesd
door de zeeschuimers van de Middellandsche Zee.
Het komt mij wel belangwekkend voor, in het kort samen te vatten hoe
de Maltezer Orde was georganiseerd, zij, aan wie de volken van Europa
zoo langen tijd de veiligheid van hun handel op de Middellandsche
Zee te danken hadden. De Hospitaalridders waren, voor zoo ver ze
godsdienstige ridders waren, verdeeld in drie volkomen van elkander
verschillende klassen; geboorte, rang en functies liepen uiteen.
De eerste klasse bestond uit de Ridders van het recht, die dezen
eeretitel droegen op grond van hun edele afkomst. Alleen zij konden het
brengen tot de waardigheid van Baljuw, tot die van Prior, Grootkruis
geheeten, en tot die van Grootmeester. Later werden ook de Ridders der
Genade ertoe gerekend, die, van een adellijken vader en niet adellijke
moeder afkomstig, dispensatie van den paus noodig hadden, om tot die
waardigheden te worden toegelaten. Een bepaling van de statuten hield
in, dat zij, wier vader of die zelf den een of anderen handel hadden
gedreven, die bankiers of wisselagenten, boekhouders of boeren waren
geweest, die een winkel of magazijn hadden gehad, ook al waren zij
van edelen bloede, nooit tot broeders-ridder konden worden toegelaten.
De tweede klasse omvatte de dienstdoende geestelijken in de kerken
van Sint Jan, die aalmoezeniers konden worden op de schepen of galeien.
Een derde klasse omvatte de broeders-zieleherders, leden der Orde,
die, zonder broeders of ridders te zijn, onder de bevelen der ridders
dienden in den oorlog of in de hospitalen.
Daarna kwamen, niet de minst belangrijke, de priesters en dienstdoende
broeders in de lagere ambten van klooster en hospitaal. En eindelijk
had men nog de dames religieuses van de Maltezer Orde, wier kloosters
in Frankrijk, Italië en Spanje waren gevestigd. Er werden voor hare
toelating dezelfde eischen van adeldom gesteld als voor de Ridders.
De orde van Sint Jan van Jeruzalem was gesticht in denzelfden geest
en naar hetzelfde model als de oude ridderschap. In het begin nam men
enkel leden aan te Jeruzalem of ten minste op gewijden grond. Altijd
werd als hoofdeisch voor de toelating gesteld, dat men authentieke
bewijzen moest kunnen bijbrengen voor adellijke afkomst. Allen moesten
adellijke krijgers tot voorvaderen hebben gehad. Later had men behoefte
aan aanvulling der gelederen, die gedund waren in de oorlogen tegen
de ongeloovigen, en de Hooge Raden der Orde stonden toe, dat na het
onderzoek van de titels van adeldom men als nieuwelingen leden mocht
opnemen uit de groote priorkloosters van Europa.
In het jaar 1355, waarin de oudste registers beginnen van de fransche
grootprioraten, nam men enkel edellieden aan, wier namen en geslachten
in hun provincie bekend en beroemd waren. En die gestrengheid werd
niet alleen volgehouden, maar werd nog verscherpt, toen soms lieden
van ouden adel rijke niet-adellijken huwden. Van dien tijd af werd
een proces-verbaal gevorderd, dat de legimitatie en de afkomst
van den candidaat boven allen twijfel stelde. Buitendien moest
dit proces-verbaal formeel bewijzen, dat zijn ouders, grootouders,
overgrootouders, tot meer dan een eeuw in de geschiedenis terug,
edellieden waren geweest.
Drie bewijzen werden gevorderd, door getuigen, door brieven, door
plaatselijke en geheime inlichtingen.
Het eerste vereischte het getuigenis van vier adellijke getuigen. De
commissarissen, die meestal oud-commandeurs waren, deden hen, vóór
ze werden gehoord, een plechtigen eed zweren. Het tweede bewijs
bestond in een nauwkeurig onderzoek van de titels en aanspraken, door
den candidaat ingeleverd. Om het derde bewijs te erlangen, waren de
commissarissen genoodzaakt, zich te begeven naar de geboorteplaats van
den candidaat, daar een zeer bescheiden, maar niettemin zeer nauwkeurig
onderzoek in te stellen, en wel niet alleen waar de candidaat zelf
was geboren, maar ook op de plaats, van waar de familie afkomstig was.
Waren zij in het bezit van al die bewijzen, dan maakten de
commissarissen een proces-verbaal op, dat naar den Grootmeester op
Malta werd gezonden, die, na den Raad der Orde te hebben gehoord,
het godsdienstig gewaad aan den aanvrager liet uitreiken.
Men ziet dus, met hoe groote zorg de nieuwelingen onder de Ridders
werden opgenomen, ten einde toch maar in die godsdienstige militie
een hoogen en volkomen authentieken adel te behouden.
Als er niets mankeerde aan de bewijzen ten gunste van een candidaat,
kon hij worden aangenomen op drie tijden of op drie verschillende
leeftijden. Hij trad als mondig lid tot de Orde toe op zestienjarigen
leeftijd, ofschoon hij zich eerst op 21-jarigen leeftijd naar Malta
behoefde te begeven; hij betaalde als intreêgeld ongeveer 260 gouden
kronen. De aangenomen candidaat kon ook als page van den Grootmeester
al op twaalfjarigen leeftijd toetreden en mocht dat blijven tot zijn
vijftiende jaar. En eindelijk, in de laatste jaren van het bestaan
der Orde maakte men ook minderjarigen tot lid, namelijk kinderen in
de wieg.
De Ridders, die in het Kapittel waren opgenomen, nadat ze de bewijzen
van ouden adel hadden geleverd, welke wij hebben opgenoemd, huwden
niet en kregen eerst stem in het Kapittel, als ze hun "karavaantocht"
hadden meegemaakt, dat is, als ze aan de gewapende expedities hadden
deelgenomen.
De Orde, die bestond uit Ridders van wel acht verschillende volken,
werd verdeeld in acht "Tongen", namelijk Provence, Auvergne, Frankrijk,
Italië, Castilië, Aragon, Engeland en Duitschland.
De "tong" Italië was bijzonder streng in de toelating, want ze eischte
van elk der candidaten tweehonderd jaren van erkenden adel voor elk
der vier kwartieren, terwijl die vier kwartieren reeds een onmisbare
voorwaarde waren voor de toelating. Overeenkomstige eischen werden
in de afdeelingen Aragon en Castilië gesteld. Maar er was op Malta
geen volk, waarvoor de bewijzen nauwkeuriger werden onderzocht dan
voor Duitschland.
De Ridders waren bijzonder gevoelig op het punt van eer, en
tweegevechten kwamen veelvuldig te La Valette voor. Die duels waren
echter aan zekere beperkingen gebonden. Zoo moesten de tegenstanders,
wilden zij niet de zwaarste straffen over zich zien gebracht, den
degen in de schede steken, onmiddellijk als een vrouw, een priester
of een ridder het hun beval. Men zou geneigd zijn te denken, dat
de duels in zulke omstandigheden zelden bloedig zouden zijn. Dat
is echter een dwaling. Wanneer een Ridder in een duel was gedood,
werd er altijd een kruis geteekend op den muur tegenover de plaats,
waar hij gevallen was. Er waren veel van die kruisen te zien in de
straten van La Valette.
Twee Ridders kregen eens twist bij het biljartspel. Een van hen,
die den ander reeds veel beleedigingen had toegeslingerd, vergat
zich ten slotte zoozeer, dat hij tot handtastelijkheden overging en
den tegenstander sloeg. Daarna weigerde hij zijn verontschuldigingen
aan te bieden of den degen te kruisen. Dat was een schandaal voor het
geheele eiland Malta, waar geen voorbeeld bekend was van een dergelijke
lafheid. De op zoo grove wijze beleedigde officier riep herhaalde
malen zijn tegenstander op en liet hem telkens den tijd, na te denken
over de gevolgen van een weigering. Maar alles was vergeefsch; de
beleediger bleef zich onttrekken aan de gevolgen zijner daad.
Hij werd veroordeeld, gedurende vijf-en-veertig achtereenvolgende
dagen boete te doen in de kathedraal van Sint Jan, daarna vijf jaren in
een gevangenis door te brengen en zijn leven in gevangenschap in een
fort te besluiten. Naar men meent is door geen maatregel van genade
dit strenge vonnis verzacht.
De Orde was, zooals wij boven hebben gezien, verdeeld in "Tongen", en
aan elk van die was een paleis toegewezen voor haar vergaderingen. De
Ridders gebruikten er hun maaltijden; vandaar dat die paleizen wel
herbergen werden genoemd. Die acht "herbergen" bestaan nog onder
dezelfde namen van vroeger, dus herbergen van Provence, van Auvergne,
van Frankrijk, van Italië, van Aragon, van Duitschland, van Castilië
en van Engeland.
Frankrijk had drie herbergen. Daaruit kwamen de meeste Grootmeesters
der Orde voort; zij leverde de meeste ridders en droeg het meeste bij
tot den roem en de grootheid der Orde. Door een zonderlingen loop
van zaken, die onverklaarbaar moet heeten, was het voor Frankrijk
weggelegd, de grootsche instelling op Malta te vernietigen, welke
het eeuwenlang toch zoo krachtig had gesteund.
Toen het leger, dat Bonaparte naar Egypte bracht, in 1798 Malta
voorbijging, bezat de Orde ondanks den achteruitgang in haar financiën
er toch nog een voorraad van 1500 kanonnen, mortieren en houwitsers,
35.000 geweren, 12.000 vaten kruit, twee schepen van groote afmetingen,
een fregat, drie galeien enz. Het personeel bestond uit een effectief
van 17.000 man, onder wie 332 Ridders. Die hulpbronnen, die toch
werkelijk niet te versmaden waren, werden ongebruikt gelaten door den
Grootmeester; hij liet, zonder weerstand te bieden, Bonaparte zich van
La Valette meester maken en ook van de oude stad. Den 13den Juni werd
er een overeenkomst gesloten, waarbij de heerschappij over Malta en
onderhoorigheden overging aan de Fransche Republiek. Die verovering
van Malta door de Franschen maakte een einde aan het politiek bestaan
der Ridders van St. Jan.
De ontruiming van het eiland door den Grootmeester en de Ridders
berokkende den bewoners onberekenbare verliezen. Vooreerst was de
Grootmeester hun schuldenaar voor ongeveer een millioen francs,
en de op Malta wonende Ridders ten getale van meer dan 600, lieten
aanmerkelijke schulden na. Aan den anderen kant waren vele familiën,
waarvan de leden ambten op het eiland bekleedden, geruïneerd.
De verplichting, die hun werd opgelegd, om officieren te herbergen,
werd als een zeer hinderlijke maatregel beschouwd. De zeden der
Maltezers werden gekrenkt door het feit, dat de menschen vreemdelingen
tot hun huiselijken kring moesten toelaten. Eindelijk werkte ook
de belasting, die er moest worden opgebracht, om in de onkosten
van de kazerneering der soldaten te voorzien, de ontevredenheid in
de hand. Deze openbaarde zich in heviger mate te La Valette dan op
het platteland.
Zoodra het eiland onder fransch bestuur was gekomen, werd het door
Sicilië op den index geplaatst, en dat eiland weigerde den toegang
tot zijn havens aan de verschillende maltezer schepen, die er zich van
levensmiddelen kwamen voorzien. De verschijning van enkele engelsche
fregatten in de wateren van Malta, kort na de bezetting door de
Franschen, belette het uitgaan der koopvaardijschepen, geladen
met katoen voor Spanje uit de haven van La Valette. Daar zoo de
katoenhandel geknakt was, waren de vrouwen, die over het algemeen geen
andere hulpmiddelen hadden dan het spinnen, tot den bedelstaf gebracht.
Alles scheen buitendien samen te werken, om de Maltezers ontevreden
te stemmen. Men had het grootste gedeelte van het zilver, dat zich
in de schatkist van de oude stad bevond, weggehaald, om er geld van
te munten. De kloosters, behoorende tot dezelfde Orde, moesten tot
een enkel worden vereenigd, en de acten van den Burgerlijken Stand
moesten in orde worden gemaakt als in Frankrijk. Velen meenden daaruit
te moeten opmaken, dat de doop was afgeschaft en dat voortaan het
huwelijk als sacrament opgehouden had te bestaan, enz. enz.
Al die verschillende redenen van ontevredenheid, gevoegd bij
de vooroordeelen, die men in den geest der Maltezers had doen
ontstaan in zake de Fransche Revolutie, hadden het terrein uitstekend
voorbereid voor den opstand, welke plotseling uitbrak tegen de fransche
overheersching. De aanhangers van het hof van Napels en de Engelschen
waren er mogelijk niet geheel vreemd aan....
Waarschijnlijk zal men met verbazing vernemen, dat de Orde der Maltezer
Ridders nog bestaat. Evenals vroeger is zij in "Tongen" verdeeld, dat
wil zeggen in verschillende nationaliteiten. Men heeft de italiaansche
afdeeling, die tegenwoordig omvat het Groot-Prioraat van Rome, het
lombardisch-venetiaansch Groot-Prioraat en dat der Beide Siciliën,
dan de duitsche afdeeling, die het boheemsche Groot-Prioraat bezit
en de spaansche afdeeling. Buiten die vier "Tongen" vormen takken der
Orde geregelde genootschappen, dat der rijnsch-westfaalsche Ridders,
dat der silezische Ridders, dat der engelsche Ridders en dat der
fransche Ridders.
De Orde is vaak door de europeesche mogendheden erkend. Zij is
diplomatiek vertegenwoordigd geweest op het Weener Congres in 1813
door twee gemachtigden, verder op het congres van Aken in 1818 en
eindelijk op het congres van Verona in 1822.
In 1844 stelde de hertog de Broglie voor, de Orde af te vaardigen
als gemachtigde van alle beschaafde volken naar een internationale
conferentie tot afschaffing der slavernij in Afrika. Bij de nog
niet lang geleden gehouden Conferentie van Genève werd de Orde van
Malta officiëel opgeroepen, en zij nam door haar afgevaardigde aan
de debatten deel, waaruit de beroemde Conventie van het Roode Kruis
voortvloeide.
De heer L. de la Brière heeft een zeer belangrijk werk uitgegeven
over de Orde der Maltezer Ridders. Ik heb er de gegevens aan ontleend,
die ik hier heb gebruikt.
De Orde is erkend door den Pauselijken Stoel; ze heeft een officiëelen
gezant op het Vaticaan, die er aan alle plechtigheden deelneemt. "De
katholieke mogendheden", zegt de heer de la Brière, "houden de Orde
in eere, al zijn ze nog niet tot een diplomatieke uitwisseling van
vertegenwoordigers overgegaan. De uniform van Malta wordt altijd aan
de hoven van Europa met onderscheiding behandeld, en alle vorsten
dragen in persoon de eereteekenen der Orde."
De schrijver verhaalt een zeer belangwekkend feit, waarvan de graaf
Chandon de Briailles de held was. Tijdens den fransch-duitschen oorlog
onderhield de graaf te Epernay op zijn eigen kosten een ambulance
van zeshonderd bedden. De Duitschers maakten zich van de stad en
van de ambulance meester. De graaf de Briailles wordt verwijderd,
bijna uit het bezit gestooten van zijn eigen ambulance. Daar komt hij
op het denkbeeld, zijn costuum van Maltezer Ridder aan te trekken
en zoo te midden van zijn zieken te verschijnen; dadelijk bewijzen
de Duitschers hem alle eer, groeten hem beleefd, laten hem vrij,
om zijn liefdadig werk te vervolgen, en toonen voor zijn persoon
den grootsten eerbied. Dus is het Maltezer kruis het voorwerp van
algemeene vereering.
De Orde bezit ondanks de beroovingen, waaraan zij dikwijls heeft
blootgestaan, nog haar plaatselijke inkomsten, vooral in Boheme,
Tyrol en Italië. Het zijn schenkingen, die voor hun geheele leven aan
enkele leden der Orde zijn gedaan. De begiftigden deden echter afstand
van hun eigendom, om zich aan werken van liefdadigheid te wijden. Te
Rome heeft de Orde in de deftigste wijk, in de Condottistraat, een
groot paleis, waar de Grootmeester en de kanselarij wonen; op den
Aventijn bezit ze een kerk en een klooster van Maria met een villa
en uitgestrekte tuinen.
In Italië, Oostenrijk en Boheme bezit de Orde een honderdtal
Commandementen, o.a. te Pérouse, Ferentino, Osimo, Viterbo, Orvieto,
Pontecorvo, Parma, Sorrento, Beneventum, Palermo, Reggio, Weenen
en Brünn.
De Orde werkt op hospitaalgebied, dat haar oorspronkelijk terrein
was. Ze heeft haar hospitalen in Europa en in het Heilige Land;
ze houdt haar oorlogsambulances in goeden staat, dat ze dadelijk in
functie kunnen treden, evenals de treinen voor de ambulances. Haar
leden hebben vooral in Westfalen en Silezië de hulp aan de gewonden
op het slagveld in hun handen gecentraliseerd, en bezitten er een
machtige organisatie.
De tegenwoordige staat der Orde omvat twee soorten van leden, die
scherp onderscheiden categorieën vormen.
De eersten, de Broeders, in de Orde Ridders van het Recht genoemd, zijn
zij die, na hun bewijzen te hebben geleverd, dus na door authentieke
stukken hun acht kwartieren van adeldom te hebben bewezen zonder
een enkele mésalliance, toegelaten zijn met een noviciaat van tien
jaren, en die de kloostergelofte in den traditioneelen vorm hebben
afgelegd met het oude ceremoniëel. Zij blijven in de wereld leven,
maar zijn streng gehouden aan het godsdienstig celibaat. Er zijn van
die broeders tien in geheel Europa.
De leden van de tweede categorie, of leden van eer en devotie, zijn
veel talrijker, hun aantal bedraagt meer dan duizend. Zij leggen geen
enkele gelofte af en behouden den adellijken titel hunner geboorte.
Bij uitzondering kan de Grootmeester vanwege belangrijke diensten,
aan de Orde bewezen, onder den naam van Ridders der Genade,
enkele begunstigde leden toelaten, van wie geen bewijzen worden
gevorderd. Zoo iemand was de beroemde kardinaal Berryer, was ook
kardinaal Lavigerie en dan ook het Academielid Michaud, die de
geschiedenis der kruistochten schreef.
In Frankrijk heeft men alleen Ridders van eer en devotie, en dat aantal
is nog vrij gering. Op den uitdrukkelijken wensch van den Grootmeester
en op initiatief van baron de Montaignac hebben die Ridders zich
vereenigd tot een genootschap van liefdadigheid, zooals dat ook reeds
hadden gedaan de Maltezer Ridders van sommige andere landen. Wijlen de
hertog de Sabran en wijlen de hertog de Mortemart zijn successievelijk
voorzitter geweest van de groep der fransche ridders, wier hoofd op
dit oogenblik de graaf de Rohan-Chabot is. Twee fransche geestelijken
behooren ook tot het genootschap, de abt Pascal, kapelaan, en de abt
Gonon, pastoor van Sint Jan van Malta, te Aix in Provence.
Elk jaar houdt het Genootschap een vergadering, waar over de
werkzaamheden beraadslaagd wordt en waarbij door den kapelaan een
mis wordt voorgediend voor de overleden broeders in de kapel van de
basiliek van Montmartre, die aan Johannes den Dooper is gewijd. Aan
het slot van dien dienst vereenigen de Maltezer Ridders zich gewoonlijk
aan een vriendschappelijken maaltijd.
Te Parijs hebben ze het Sint-Janshospitaal met consultatiekamer,
een huis op de hellingen van Montmartre in de schaduw van de kerk van
het Heilige Hart; er is niets schitterends aan, en men ziet er enkel
een vriendelijke villa, die vroolijk en eenvoudig in het groen is
gelegen. Bij de algemeene armenzorg van Montmartre is een deel van
het werk aan de Ridders opgedragen, en verscheiden keeren roept op
den heuvel van het Heilige Hart het hospitaal van Sint Jan onder de
troepen hongerigen diegenen tot zich, die het meest te beklagen zijn,
om ze te troosten, te helpen en hun wonden en kwalen te genezen.
Het witte kruis met de acht punten is op de poorten aangebracht en
ook op de meubels in de consultatiekamer. Een der ridders, graaf
Gaston Chandon de Briailles, houdt persoonlijk toezicht op het werk
en geeft zijn krachten en zijn hart aan de zaak.
Een ander lid van de Orde, tevens medicus, doet het geneeskundig en
chirurgisch werk, graaf Churchill. Nadat hij in de Orde van Malta was
opgenomen, en nadat de gewone jaren der academische studiën voor hem
voorbij waren, heeft deze met ambitie naar het goede strevende man
zich met allen ernst op de studie toegelegd en heeft den graad van
doctor in de medicijnen verworven, alleen met het doel, zich volgens
de wet aan de zorg voor de armen te mogen wijden in den geest der Orde.
Er was op Malta zelf ook altijd voor de Ridders werk in overvloed,
want in de aardige stad La Valette met haar interessante herinneringen
kent men donkere en ellendig armoedige straatjes. Bij een wandeling
met den secretaris van het fransche consulaat kwamen we toevallig
onverwachts in de wijk Manderaggio, het treurigste hoekje op Malta.
Uit de zindelijke en lichte straten waren we plotseling zonder
overgang in een wirwar van steegjes verzeild geraakt, smalle nauwe
doorgangen tusschen hemelhooge huizen, alle oud en vervallen. Het
was als een doolhof en telkens liepen we stomp en moesten omkeeren,
om ons eindelijk weer bij het begin terug te vinden.
Bogen hangen hier en daar over de straatjes heen en geven, naar
het schijnt, stevigheid aan de oude muren, die vol spleten zitten,
afgeschilferd zijn en waar door vuile buizen onwelriekend vocht
stroomt. De bodem wordt gevormd door groote, platte steenen,
die glibberig zijn door vuil, kleverig vocht. Overal ligt afval
te verrotten en vergiftigt de lucht, terwijl keukengeuren uit de
donkere holen opstijgen en door hun scherpte den voorbijganger de
keel als toeschroeven.
Wie echter veel houdt van schilderachtige dingen, niet al te hevig
gehinderd wordt door onaangename geuren, kan met de levendigste
belangstelling een wandeling doen door Manderaggio. De bevolking,
die in die ongenoemde steegjes woont, in dien wirwar van zonderlinge
huizen, biedt veel belangwekkends aan. Nu en dan valt er een vreemd en
grillig licht op groepjes kinderen, die er, o wonder, frisch en gezond
uitzien op dien mesthoop; zij zingen en spelen, en de huisvrouwen gaan
heen en weer op onbezorgde en vroolijke manier, maken groenten klaar,
bereiden visch, en onder het knetteren van het bakken mengt zich gelach
en vroolijk geroep, maar ook het geklok van het vuile water, dat van
de bovenverdiepingen haastig door de afvoerbuizen naar beneden loopt.
In Manderaggio ziet men in de donkere gangen van de zoo oude huizen
en het weerzinwekkende vuil van eindelooze ellende het intense leven
even goed of beter dan in de rijke wijken van La Valette.
Die armoedige bevolking is overigens vol eerbied en hulpvaardigheid
voor den vreemdeling, die zich onder haar waagt. Het kwam mij zelfs
voor, dat ik er oneindig veiliger was dan in de straten van Palermo
en Grenada, of, om kort te gaan, in alle groote steden van Spanje en
Italië, waar men ook die groote tegenstellingen aantreft van rijkdom
en armoede.
Ik wil daarmee niet zeggen dat het onveilig zou zijn, in die steden
bij dag door de volkswijken te gaan, maar men krijgt toch een gevoel,
of men op zijn hoede moet wezen. Te Palermo bij voorbeeld zal men,
als men met aandacht een of ander belangwekkend type bekijkt, al gauw
aangezien worden op een manier, die u uw schreden doet verhaasten,
zonder dat men lust krijgt zich er langer op te houden. Hier ondervond
ik niets dergelijks. Men beweegt zich overal zonder eenig gevaar.