II.

Maglisch-Haïn Boise en de herinneringen aan den veldtocht van

1878.--Haïnkioe en het huis van den pope.--De bulgaarsche

honden.--Tvarditsa.--Het groote wild.--De komst der Turken

te Klena.--De Tsjoemernatop.--Werking van den nevel.--De

Karakatsjani's.--De overtocht over de doorwaadbare plaats.--Het

turksche dorp Sara Yar.--De boeren van Klena en het vrouwentype

aldaar.--Ondergaande zon te Slivno.--De plaats der warme

bronnen.--Nova Zagora.--Het mooie bloeiende land aan de

Toendsja.--De kloven van Kasan en Kotel.--De vauclusische

bronnen te Kotel.

Het stadje Maglisch, een der hoofdcentra van de rozenindustrie, ziet

er zoo modern uit, dat men niet laten kan, heimwee te hebben naar de

in het groen verborgen Balkandorpen. Toch leveren een riviertje, aan

welker oever eenige houten huisjes zijn gelegen, een minaret tusschen

de boomen, het gebergte, dat op den achtergrond verrijst met zijn

kale toppen, en de wijde vlakte ervoor stof genoeg voor liefelijke

kijkjes. Gewoonlijk zijn de huizen ook hier naar landsgebruik laag

met vooruitspringend dak en een terrasje of balkon, waar allerlei

huishoudelijk goed wordt opgehangen, terwijl op het vrij platte dak

afgeronde dakpannen liggen. Aan de balken hangen, behalve de gewone

zaken, hier ook tabaksbladen, die niet te zien waren op de noordhelling

van den Balkan.

Nadat wij een nacht te Maglisch hadden doorgebracht, zetten wij

onzen weg, altijd op de zuidhelling, naar Haïnkioe voort. De aanblik

blijft zoowat dezelfde, die van een groot vruchtbaar terrein, met

een overvloed van korenvelden, groote uitgestrektheden, met maïs

bebouwd, met wijngaarden, boomgaarden, tabaks- en rozenvelden. Die

laatste kwamen vooral voor op de berghellingen, die wij op korten

afstand passeerden. De hellingen zagen er kaal uit; de vlakte met

veel stroohutten, lag doodsch en somber onder een grijzen hemel,

die als een oven van hitte dampte.

De eenige opvallende verschijnselen in het landschap bij Haïnkioe

waren, behalve de zwarte vlekken der kudden, die cirkelvormige heuvels

of tumuli, die men op zooveel plaatsen in Bulgarije ziet. Alleen de

rand der vlakte aan den voet van den Balkan, vooral als men dorpen als

Lachanli nadert, heeft een bloeiender karakter. Daar aanschouwt men

eerst wijngaarden, daarna rozenvelden, waarin men nu en dan tusschen

rijen magere boompjes een span witte, door een kind geleide ossen

ziet, of wel tabaksvelden, waarvan de wijd uiteenstaande planten in

September vol bloemen zitten, en waar dan de vrouwen met groote zorg

de bladeren van plukken, of boomgaarden van pruimen en perziken en

groote notenboomen tusschen de wijngaarden.

Verwijdert men zich verder van de dorpen of van den Balkanrand, dan

houden de boomgaarden op, en men ziet weer niets dan stroohutten,

zoo ver het oog reikt, slechts nu en dan afgebroken door enkele

eikenbosschen, als dat van Toelova, waar in 1877 beroemde gevechten

plaats hadden. Geen hagen breken de eentonigheid der velden, alleen

gescheiden door smalle paden. Elke twee of drie kilometer ziet men

hier een grooten put met een langen hefboom, waarvan de lengte in

overeenstemming is met de diepte van den put, die wel eens tot tien

meter gaat. De gneissbergen aan onze linkerhand zijn altoos even

verbrokkeld; enkele rivieren, die meest alle volkomen droog zijn,

strekken haar ledige steenachtige beddingen soms verscheiden kilometers

ver uit.

Daar hebben wij bij toeval eens een rivier, die stroomt, en dicht

erbij liggen een veertigtal stukken linnen op de steenen te drogen,

nadat ze juist door vrouwen gewasschen zijn. Iets verder is het,

of een bosch is gaan wandelen, als in Macbeth, een troep magere

ezeltjes zijn beladen met hoopen takkebossen, waaronder ze bijna

geheel verdwijnen. Die takken laat men bij de huizen drogen, om van

de dorre bladeren strooisel voor het vee te hebben in den winter.

Vóór Haïnkioe komt langs een riviertje de weg van Haïn Boise uit het

bergland, die een belangrijke rol gespeeld heeft in den oorlog van

1877, en waarlangs men voornemens was geweest den spoorweg te laten

loopen, vóór men westelijker het tracé van Boroesjtitsa nam. Al die

herinneringen zijn in de streek nog zeer levendig, en op de plaatsen

zelf werden mij episoden uit den vermaarden veldtocht verteld.

Den 7den Juli had generaal Goerko Tirnovo bezet, dat toen onbeschermd

was gelaten door Saïd Pacha. Hij verliet de stad weer den 10den,

om in een stoutmoedigen tocht den Balkan over te trekken. De Turken

bewaakten de beide overgangen, die als het ware klassiek waren, die

van de Sjipka in het westen en van Tsjoemerna in het oosten; maar zij

hadden in 't geheel niet gedacht aan al die passen ertusschen in de

buurt van Radevtsi, als die van Seltsi, Boroesjtitsa en Haïn Boise,

die wel voor ruiters alleen, maar niet voor een geheel leger bruikbaar

waren. Een daarvan echter, die welke rechtstreeks van Tirnovo naar

Haïnkioe over Voinega en Haïn Boise voert, passeert de waterscheiding

zeer noordelijk, op minder dan 700 meter hoogte, om dan geleidelijk

en gemakkelijk af te dalen naar den oever der rivier.

Dien weg volgde Goerko; den 12den was hij op de pashoogte en den 14den

te Haïnkioe, waar hij bij verrassing een turksch bataljon overviel,

dat juist bezig was, zijn soep te koken. Zoo was hij in het Toendsjadal

gekomen en terstond daarop wendde hij zich naar het westen langs den

weg van Maglisch, dien wij juist hebben afgelegd, en maakte zich den

17den van Kazanlik meester, dus van het zuidelijkste punt van den

Sjipkapas, die van de andere zijde aangevallen werd door generaal

Radetzky, van Grabovo komend. In die omstandigheden moest de Sjipka

het opgeven; den 18den veroverden de Russen den weg met geweld van

wapenen en waren aldus meester van de route van Konstantinopel.

Terwijl men mij dit verhaal deed, trokken wij steeds voort door groote

gemeenteweiden met kort gras, waar paarden liepen te grazen, en tegen

één uur reden wij Haïnkioe binnen, een klein boerendorp, in de vlakte

gelegen aan beide zijden van een beekje tusschen boomgaarden, als een

oase te midden der woestijn, een plaatsje met de gewone lage huizen

en de producten voor de woningen opgehangen.

Wij logeerden te Haïnkioe in het huis van den pope, ook een boerenhoeve

met enkele bijgebouwen, in een waarvan onze kamer was, zoo laag, dat

ik met mijn hoofd bijna den zolder raakte. Het groote venster werd

van binnen met luiken gesloten, en aan de muren hingen veel ikons,

een portret van den exarch van Konstantinopel en meer dergelijke

afbeeldingen. Er lag een tapijt met kussens eromheen langs de wanden,

waar wij onze zit- of liever ligplaatsen moesten vinden, en een witte

kachel stond in den hoek. De zoon van den pope, die in München heeft

gestudeerd, is tegenwoordig professor in de scheikunde, een zeer

moderne mengeling dus van chemie en orthodoxie.

's Avonds kwam de pope ons zien eten, zonder aan onzen maaltijd deel

te nemen, omdat het Woensdag was, een vastendag. Wij zaten bij het

trillende licht van een paar kaarsen buiten op het terras, waar nu

en dan een groote nachtvlinder, door het schijnsel aangetrokken,

verdwaald raakte en om ons hoofd gonsde.

Den eersten dag te Haïnkioe gebruikten wij voor een bergtocht naar

Boekovaïa Foïana op een der Balkantoppen, waarbij wij den pas van Haïn

Boise links lieten liggen. Na het magere struikgewas van de zuidhelling

betraden wij spoedig het groote beukenbosch, waar het volstrekt geen

zeldzaamheid is stammen aan te treffen van 80 centimeter, tot een

meter in diameter. Onder die prachtige boomen vormden beekjes, die

tusschen het groen van steen tot steen al dansend zich voortbewogen,

kleine meertjes of vroolijke watervalletjes.

Daar het zoo prettig is, nieuwe herinneringen door vergelijking

bij oude te doen aansluiten, moest ik hier telkens denken aan het

landschap der Vogezen.

Den volgenden morgen verlieten wij Haïnkioe, om naar Tvarditsa te

gaan, van waar wij naar Tsjoemerna omhoog moesten. Eerst hadden

we twee uren eentonig vlak land door het dal der Toendsja, altijd

tusschen dezelfde kale hellingen met verbrokkeld gneiss en met

dezelfde hutjes en boomgaarden, als in de dorpen aan de zuidhelling

van den Balkan. Elke twee- of driehonderd meter ontmoetten wij groote

noteboomen, en kleine heuveltjes of tumuli waren talrijk. In de verte

wierpen kudden schapen kleine, zwarte vlekken op de gele, stoffige

vlakte, of langzaam zag men de forsche spannen ossen naderen.

Toen wij Tvarditsa naderden, werden de rozenvelden talrijker. Die

plaats ligt aan den uitgang van een zeer druk beganen pas, waar

de weg zoo goed is, dat men er bijna met rijtuigen over kan gaan,

en die over den Balkan leidt langs Tsjoemerna van Elena naar Eski

Zagora. Het is tusschen den Sjipkapas in het westen en den Kasanpas in

het oosten de beste weg, om den berg over te gaan, en het is, zooals

ik reeds zooeven zei, een der wegen, die een rol hebben gespeeld in

den veldtocht van 1877 en 1878.

Tvarditsa, waar ik met acht maanden tusschenruimte weer ben

teruggekomen, kwam mij de tweede maal veel schilderachtiger voor

in lentedos dan de andere maal in den herfst. Het dorp op zich

zelf beteekent niet veel met de lage huizen, die als in den grond

schijnen weg te kruipen, maar wat in Tvarditsa aardig is, is de

echte bergstroom, neerkomend van de gele hellingen, den voet der

reuzenboomen besproeiend en dan wegschietend onder de houten brug,

waarover de spannen witte ossen zich voortbewegen, geleid door

vrouwen in nationaal costuum, en niet het minst als achtergrond van

het landschap de Balkan met de ruwe toppen, waarlangs zich naar den

ingang van een pas de smalle witte paden kronkelen, die later tot

groote berijdbare wegen zullen worden.

Voor onze paarden was het nu al een zeer goed pad, dat wij in opgewekte

stemming volgden. Zoolang men echter op de zuidhelling is, blijft het

land dor en kaal, ondanks den mooien zonneschijn en de heldere kleur

van het gras; en de schrale plantengroei kon niet hooger komen dan de

afknabbelende geiten het lieten worden. Wij stegen nu naar een echten

Balkantop, een top van 1540 meter, wat nog niet afschrikkend hoog is,

maar de Tsjoemerna en de met bosschen bedekte hoogten, die men thans

op grooter afstand ziet dan te Radevtsi, nemen meer het aanzien van

bergen aan.

In die bosschen, die al talrijker worden, naarmate men de noordhelling

nadert, is overvloed van wild. Daar zijn herten, wilde zwijnen en

vossen, en den nacht, voor wij er waren, had men bij een hut de sporen

van een beer gezien. De gendarme, die ons vergezelde, was den vorigen

winter door een wolf aangevallen, dien hij eerst voor een hond had

gehouden, en daar hij den haan van zijn revolver niet kon overhalen,

was hij in een boom gevlucht, waar de wolf toch nog gelegenheid had

gevonden hem in den voet te bijten. Terwijl de man ons dit verhaal

deed, vloog een arend in wijde kringen boven ons hoofd.

Daar is de pas van Tsjoemerna, die in tegenstelling met wat we bij de

andere passen, als die in de buurt van Radevtsi, Seltsi etc. hebben

gezien, werkelijk den indruk van een bergpas maakt, waar men zich op

de hoogte tusschen twee berghellingen op den kam gevoelt. Er is ook

een herberg boven op den pas, juist als bij de Alpenpassen, en het

is er, evenals daar, steeds druk van allerlei voertuigen.

Toen we weer van daar gingen, des middags om twee uur, was de

lucht, die tot nu toe volkomen helder was geweest, eensklaps bedekt

geworden; wij betraden het groote beukenbosch, en de zon ging er

zeker ook schuil, want wij zagen haar niet meer. Weldra waren we

door wolken omringd, en de Balkanbergen, die ik eerst minachtend

slechts provinciale bergen noemde, willen ons eens laten zien, dat

zij regen en nevel, koude en wind kunnen opleveren, zoo goed als de

hoogste Alpentoppen.

De toestand scheen werkelijk zorgwekkend te zullen worden, want wij

waren midden in het bosch zonder eenig pad en bij toenemende duisternis

in onbekende richting gaande.

Eindelijk treden wij uit het donkere bosch en komen weer in de weide,

waar het lichter is, en waar onze acht paarden achter elkaar in een

dichten mist voortstappen. Er wordt mij verteld, dat men van hier

bij mooi weer een prachtig uitzicht heeft; het heeft wel iets van

de schoone zonsondergangen, die iemand altijd worden beloofd op de

zwitsersche Alpentoppen, en ik geloof mijn zegsman onvoorwaardelijk,

behalve dat ik morgen eens controleeren zal, wat hij mij heeft gezegd.

Voor het oogenblik ben ik alleen bezorgd over het bosch,

dat daar weer vóór ons ligt, en in welks duister wij weldra

zullen verdwijnen. Gelukkig is het nog niet zoo heel erg als wij

verdwalen, want er zijn geen steilten hier, en acht menschen met

acht paarden vinden altijd wel gelegenheid om terecht te komen. In

het allerergste geval zouden we een nacht buiten om een vuur moeten

slijten. Dienzelfden morgen nog hadden wij, als volkomen overbodig,

een heel tentenmateriaal teruggezonden, dat we in het begin hadden

meegenomen, in de veronderstelling van meer dergelijke avonturen.

Maar het zou niettemin veel aardiger zijn, weer op den goeden weg

te komen, en te logeeren in een gesloten en verwarmd huis, waar men

op onze komst is voorbereid en bedden voor ons in gereedheid heeft

gebracht. Juist op het oogenblik toen die hoop scheen te zullen

vervliegen, hoorden wij hondengeblaf, en in den nevel zagen wij

mannen naderen in de fustanella, 't korte rokje van de Grieken. Het

waren herders, die Grieksch spraken, en die hier Karakatsjani's worden

genoemd. Dat herderskamp was mij al aangeduid als de welkome vuurtoren,

die de haven aanwijst. Inderdaad was het huis van den boschwachter

vlak bij met zijn kachel, zijn bedden, zijn keuken, en wij vinden er

een aangename schuilplaats, juist op het oogenblik dat buiten de regen

in stroomen begint te vallen. Den gansenen nacht bleef het regenen.

De steenkolenlagen van Radevtsi sluiten bij die van Tsjoemerna

aan, en daaraan gingen wij nu midden in het bosch een bezoek

brengen. Vervolgens daalden we den volgenden dag af naar Bela en

Slivno. Naarmate wij lager kwamen, voelden we de warmte sterk toenemen,

de wolken verdwenen en zooals veelal in het bergland, vonden we buiten

de nevelachtige en koude zone den glansrijksten zonneschijn.

Onderweg stieten we op een interessant kamp van Karakatsjani's,

die daar al ruim twee jaren gevestigd waren, om met hun paarden aan

den kost te komen, door het naar beneden brengen van de steenkool

naar de vlakte. Op een weide aan de grens van het beukenbosch en

boven aan een steile helling waren eenige ronde hutten te zien,

geheel met bladeren gedekt, en met een lagen ingang als bij hutten

van Laplanders. Ik reed te paard omhoog te midden van een verwoed

hondengeblaf en zag daarop een troep vrouwen voor den dag komen, door

nieuwsgierigheid gedreven. Ze droegen bruine lijfjes en rokken en

hemden, die niet zoo hagelwit waren als die der bulgaarsche vrouwen,

maar die daarentegen geborduurd waren met rood en blauw borduursel,

zooals men in Griekenland en Roemenië ziet, met groote, eveneens

bewerkte mouwen, die zeer wijd van onderen waren.

Bij den spoedig daarop volgenden overtocht over de rivier kruisten

wij een troep turksche ruiters en kregen daarbij weer een oosterschen

indruk door de ontroering der fijne paarden met hoog opgeheven kop

de schitterende tuigen, met blauwe koralen versierd, de gekleurde

zadels, de rijke gordels, waarvan het rood zich spiegelt in het water,

en het woeste stappen en plassen der paarden door de schuimende rivier.

Inderdaad kwamen wij dan ook kort daarna in een klein turksch dorpje,

Sara Yar, een der zeer weinige plaatsen, waar de Turken zich in

deze streek gehandhaafd hebben. Interessante en bekende oostersche

tooneelen doen zich dus een oogenblik voor, en vervangen de bulgaarsche

kleederdrachten, die wel wat al te sober zijn met hun bruine, zwarte en

witte tinten, om aan het groen van het landschap veel reliëf te geven.

Ze zijn heel vriendelijk, deze Turken, en daar de paarden wat moeten

uitblazen, maak ik een schetsje van de getulbande heeren, zooals

zij daar zitten voor een café, in een groen priëeltje. Een van hen,

een forsche, groote, glimlachende man met kleine donkere oogen onder

een vooruitspringend voorhoofd, en een grooten witten tulband, met

een violette veêr, komt, zonder om de voorschriften van Mohammed

zich te bekommeren, vragen, of we zijn portret willen maken. Hij is

schoolmeester en tegelijk priester in het dorp. Eerst teekende ik

hem met de groep mee, maar hij vindt er zich te klein op, en toen

liet ik hem alleen voor mij poseeren met de hand aan zijn stok. Hij

was er verrukt van.

Toen wij weer vertrokken waren, hervatten al die brave menschen hun

werk van den geheelen dag, het rooken of alleen maar zitten soezen

in de schaduw van het groen priëel en het luisteren naar vertellingen

onder een kinderlijk gelach. Terwijl de Bulgaar van den morgen tot den

avond werkt, zonder café of herberg op te zoeken, nemen zij het leven

gemakkelijk op naar oosterschen trant, en alleen als het geld schaarsch

wordt, gaan ze weer een paar hout- of steenkoolladingen wegbrengen, om

daarna, voldaan dat ze eenige stuivers in den zak hebben, opnieuw met

ambitie te gaan rusten. Zoo is langzamerhand alle grond hun ontgaan en

in handen van de Christenen gekomen, wat niemand behoeft te verbazen.

Tusschen Sara Yar en Bela gingen wij door een heuvelachtig land,

vol groene boschjes, waar van tijd tot tijd een overtocht over een

rivier een schilderachtige afwisseling opleverde en den tocht van

onze karavaan vertraagde.

Bela, waar we des avonds aankwamen, is een aardig landelijk dorp in

den trant van Radevtsi, ofschoon op de zuidhelling, met een stroompje

tusschen hooge oevers, begroeid met wilgen. Over het water ligt hier

en daar een brugje, bestaande uit een enkelen balk met leuning, en

boven het dorp verrijzen tertiaire bergen, waar de roode leembanden

in horizontale lagen afwisselen met witte zandsteenvormingen. Ossen,

die door het water gaan, en ganzen, vliegend over hen heen, ziedaar

weer een schilderijtje.

Er zijn er vele in dit dorp, waar mijn reisgezelschap weinig

interessants vindt. De vrouwentypen zouden, als ik ze kon snappen, in

mijn schetsjes passen, niet om haar schoonheid, groote Goden! ofschoon

een gevoel van ongemotiveerde beschroomdheid ze bij mijn nadering

doet wegvluchten, maar om haar leelijkheid juist, die werkelijk heel

origineel is.

Het schijnt dat hier, net als te Slivno, een rest woont van den een

of anderen aziatischen stam, die nog sterk mongoolsch is, misschien

vermengd met negerbloed. Ze maken den indruk van Kalmukken met

sterk vooruitspringende jukbeenderen, zeer prominente onderlip en

een daarbij passend kapsel, met op het voorhoofd een rij van lange

ongekamde haren, die in donker door den een of anderen regimentskapper

schijnen te zijn geknipt, terwijl van achteren vier of vijf kleine

vlechtjes hangen, ten halve bedekt door een doekje en versierd met

een onzinnig groote bloem, bij voorbeeld een pioen of een groote

tros seringen. De verloofden voegen daar nog een heelen toren bij

van veêren en rozen en gekleurde linten met kettingen van op den

rug afhangende munten en verder colliers van penningen, armbanden,

ringen, een heelen galanteriewinkel, waardoor ze er echt als wilden

uitzien. Maar ze zijn ook halfwild en in verrassende mate onbeschaafd.

In dit dorp doen de vrouwen als in vele andere in deze streek nog aan

allerlei industrieën en op zeer primitieve manier, zoodat het blijkt

dat men er nog niets moet hebben van onze moderne machines. Overal ziet

men kleine ovens, waarin elk gezin zelf zijn brood bakt, terwijl men

voor eigen houtskool zorgt als brandstof en zelf zijn linnen spint

en weeft.

Van Bela reden wij naar Slivno met een omweg over de

steenkolenontginningen van Katsjarka. Weer overal begroeide

heuvels. Wij daalden langs een klein dal, dat te Slivno uitkwam,

nu eens de bedding der rivier volgend, dan de hellingen beklimmend,

om een bocht af te snijden. Men komt nog al wat menschen tegen, te

voet en te paard, maar in het geheel geen huizen, tot bij Slivno,

waar op groote onderlinge afstanden molens zich vertoonen, daarna

ook fabrieken en grootere gebouwen.

Het landschap krijgt werkelijk een grootsch karakter; de droge bedding

der rivier wordt breeder, heeft kale rotswanden en vertoont een echt

berglandaanzien.

Onze karavaan ziet er in dat breede dal vol steenen tusschen de

kleine witte wateradertjes en de hooge hellingen, waar geen of weinig

plantengroei is, min of meer algerijnsch uit.

Slivno, waarvan de naam beteekent "samenvloeiing", omdat het aan het

punt van samenkomst van drie dalen ligt, is een industriestadje van

24000 zielen, het vijfde van Bulgarije. Er zijn veel lakenfabrieken,

een tiental wel in het dal, waardoor wij rijden, en overal zagen wij

vrouwen bezig met het uitspreiden, drogen, omkeeren of oprapen van

hoopen witte of bruine wol, die op de steenen in de rivier hadden

gelegen.

Daar is dan eindelijk het stadje, een indruk van rood tegen een

achtergrond van donkere heuvels, en dichterbij gekomen, zien we

leelijke, onsmakelijke voorstadjes met lage huizen, een onthoofde

minaret, een paar openbare gebouwen in tuinen en, onder veel lage

woningen, enkele van wat beter voorkomen.

Twee zijden van Slivno zijn wel aardig, de bovenstad met de

Zigeunerwijk en de blauwe rotsen, en dan de benedenstad aan het

stroompje, dat zich in de Toendsja stort. Ik ga eerst omhoog, zooals

een conscientieus reiziger altijd moet doen, om een overzicht van

het geheel van een stad te krijgen.

Aan den noordkant leunt de stad tegen rotsachtige kalkgebergten met

een voor Bulgarije ongewoon voorkomen, dat aan Dolomietgebergten doet

denken. Ze worden prachtig door de ondergaande zon verlicht, en in de

diepten liggen zware donkere schaduwen van blauwe tint, die den naam

van Blauwe Bergen verklaren. Aan het andere einde van de stad, meer

naar beneden, ziet men in de verte een groote rivier over een breede

steenachtige bedding zich spoeden naar een reeks van donkere heuvels

aan den overkant van een reuzenvlakte, alsof ze daar de zee vermoedde.

Terwijl ik dit mooie schouwspel voor oogen had onder een dreigenden

onweêrshemel met heldergele strepen tusschen de zwarte wolken, werden

mijn oogen getrokken naar een druk bewegende menigte in een weide op

de berghelling boven de stad. Daar begaf ik mij onmiddellijk heen,

om het tooneel van dichtbij te zien. Het was daar een leelijke,

armoedige wijk, die de stad ontsierde, en zelfs voor een vreemdeling

kan men het geen schilderachtige plaats noemen, maar ze is wel amusant

door de verschillende typen en kleederdrachten.

Daar houden zich de Zigeuners op, met zwarte haren en een tint,

zoo donker, dat de menschen wel negers lijken, vooral ook door de

ver vooruitspringende onderlip en den platten neus. De mannen droegen

turksche kleeding, en de vrouwen hadden buitensporig groote bouquetten

in het haar van kunstbloemen of natuurlijke bloemen, met veêren

en andere sieraden, zooals ik al noemde bij de vrouwen van Bela. De

dichte menigte menschen was druk in de weer, schreeuwde, gesticuleerde

en scheen de brandende zon in het geheel niet te voelen, want telkens

gingen er paren dansen, in een ronden kring, of in lange rijen.

Langs de weide aan den kant stonden lage hutjes van leem, geel en

vuil en vensterloos, terwijl de stad op den achtergrond te zien was

met pannen daken op de in het groen verscholen huizen. Toen ik er

was binnengegaan, vond ik er niet veel bekoorlijks, maar een rij van

turksche winkels zorgde toch nog voor de noodige kleur.

Een eind ten zuiden van de stad ligt een warme bron, waar een badplaats

bij is ingericht met al wat daarbij behoort, zoodat het niet enkel een

gewoon turksch bad is. Van daar uit ben ik op mijn eerste reis naar

het station Karamenli gegaan, aan de lijn van Yamboli naar Nova Zagora,

om naar Sofia terug te keeren. Maar enkele maanden later arriveerde ik

weer te Nova Zagora, om over den Sredna Gora naar Tvarditsa te gaan,

dan naar Slivno en verder den Balkan over te trekken langs Kotel

naar Djoemaïa. Eenige schetsjes, ontleend aan dat tweede uitstapje,

zullen de algemeene voorstelling van den Balkan voltooien, gezien

dezen keer niet in den bescheiden tooi van September, maar in het

groene kleed van Mei.

Nova Zagora, dat nog al pompeus op de kaarten staat, is slechts

een stoffig dorp, groot en somber, waar onze eenige interessante

bezigheid hierin bestond, dat wij niet zonder moeite er een rijtuig

huurden voor ons uitstapje in den omtrek van de volgende dagen. Daar

blijft men in dezelfde eentonige vlakte, die alle centrale laagten

van Bulgarije inneemt, en zich voortzet tot de eerste heuvelrijen,

hier voorgesteld door de voortzetting van den Sredna Gora.

Maar als men die hoogten over is, en naar de Toendsja afdaalt, is de

verrassing groot en alleraardigst. In plaats van een steenachtige

bedding, als zooveel rivieren in het Oosten hebben, of een dun

waterloopje, vloeit hier een breede stroom van helder water, omzoomd

door groote boomen, bezet met kleine eilandjes en met telkens molens

aan zijn oevers. Hij beschrijft tal van bochten en gaat zigzagsgewijs

gneissheuvels door, die heerlijk begroeid en door de zon verguld zijn.

Waar de weg en de rivier elkaar ontmoeten, is de badplaats, waar wij

zullen logeeren, en die door enkele gebouwen wordt aangewezen. Daar

rondomheen is een overvloed van groen; veel wilgen en populieren

steken hun kruinen helder af tegen het goud van de ondergaande zon

op den achtergrond van blauwe heuvels.

Men zou, en dat is geen gering compliment, zeggen, dat het een mooi

riviertje van Frankrijk was, iets tusschen de Loir en de Sioule in

Auvergne. Het moet voor de Bulgaren een waar genoegen zijn, uit hun

warme vlakten van Yamboli, Zagora of Philippopoli zich hierheen

te verplaatsen, naar dit coquette badplaatsje, om er de baden te

gebruiken en van allerlei kwalen genezen te worden, door in de schaduw

te wandelen langs de oevers van het rustige riviertje en des morgens

te ontwaken door het gezang der vogels.

Toen wij zelf op die manier wakker werden, was het prachtig helder

weêr; de velden waren groen, zoowel weide als bouwland, in deze mooie

Meimaand, en overal was het land golvend en door boschjes afgebroken,

die hoogerop tot groote eikenbosschen werden. Zoo daalden wij af in

het dal der rozen, dat we in het najaar geheel kaal en ledig hadden

gevonden, en dat nu herschapen was in een oneindige groene vlakte.

Ongelukkig waren de rozenstruiken van Tvarditsa, wier bloei ons

was beloofd, dit jaar ten achteren, ofschoon het al de 17_de_ Mei

was, zoodat wij nog maar enkele knoppen geopend zagen. Van Tvarditsa

bereikten wij bij Binhos het dal der Toendsja. Het land is niet bepaald

heuvelachtig, maar is toch niet zoo eentonig als de vlakte. Het is

daarbij van het helderst groen, waartegen de witte koeien in de groote

weide sprekend uitkomen, evenals de zwarte buffels en de hier en daar

verspreide paarden, die langs de rivier op de weide liepen te grazen.

Als men Slivno achter zich heeft gelaten, volgt de weg naar Kotel nog

drie uren lang de vlakte, voor hij begint te stijgen. Altijd hetzelfde

vruchtbare en eentonige dal, dat wij nu langzamerhand wel grondig

kennen. Eindelijk wenden wij ons naar het Noorden en passeeren eerst

een heuvel van een honderd meters, om daarna in het Mokrenidal te

dalen. Daar houdt men gewoonlijk rust op het terrasje, waar men het

uitzicht heeft op den tuin, en een twintigtal bulgaarsche boeren aan

een tafel ziet zitten, met hun bruine mutsen en roode gordels tegenover

elkaar gezeten, alsof ze zoo een koor uit een opera zullen gaan zingen.

Na Mokreni volgt de Balkan, die nog niet steil is en waarvan,

ten minste tot Kotel, de hellingen ongeloofelijk zacht zijn. Het

groote centrale woud van den Balkan bestaat ongelukkig hier niet,

en wij moeten ons met het lage eikenhout te vreden stellen, dat door

de administratie van het boschwezen angstvallig wordt bewaakt en dat

mogelijk eens in den loop der tijden mooie bosschen zal opleveren. Op

vijfhonderd meter kregen wij een plateau met prachtig uitzicht; groote

blauwe vogels vlogen voor ons op, in de weiden graasden talrijke kudden

buffels, waarvan de Turken de haarlok op het voorhoofd met henneh

kleuren, juist zooals zij de haren en de nagels hunner vrouwen graag

gekleurd zien. Heldere bronnetjes spelen in het groen en vluchten

weg onder de wilgen. De roode vlek van een gordel of een fez zorgt

voor een fanfare, die de aandacht trekt.

Hoe verder men naar het Noorden komt, des te dichter worden de bosschen

en des te meer groote boomen ontmoeten wij erin. Voor Kotel doen

zich echte kloven voor tusschen de beboschte hellingen, met witte en

grijze kalkrotsen. Overal bloeien in het bosch de seringen, zoodat alle

vrouwen, die we op den weg ontmoeten, die bloemen in het haar dragen.

Eindelijk volgt een breed dal, dat tusschen boschrijke heuvels langzaam

naar het stadje Kotel opstijgt, zooals het daar op een helling voor

ons ligt.

Kotel is een oud, in de historie bekend stadje van den Balkan, een

vroeger belangrijk provinciaal hoofdplaatsje, maar nu vrij ongeschikt

gelegen in den bergpas. Een tiental jaren geleden is het bijna

geheel afgebrand, dat was in 1895; misschien had men goed gedaan,

toen van de gelegenheid te profiteeren en de plaats bij den herbouw

naar elders te transporteeren. Men maakte er echter een quaestie van

patriottische gevoelens van, en een nationale inschrijving werd in

geheel Bulgarije geopend met het gevolg, dat ter eere der nationale

herinneringen, Kotel op dezelfde plek weer werd opgebouwd, maar als

een steenen in plaats van een houten stad. De huizen staan nu alle

netjes in de rij, zijn alle banaal en aan elkaar gelijk en geven aan

het geheel een schijntje van een industriestad.

Gelukkig bestaan er nog enkele hoekjes van het oude Kotel in de

benedenstad, waar aan de rivier veel molens liggen en waar men

de fabrieken van bulgaarsche tapijten vindt met hun ouderwetsche

weefgetouwen. Des morgens bezochten we die wijk, om daar in de buurt

de groote watervallen te zien, die als hun broeders uit Dalmatië,

Bosnië en den Karst uit de kalksteenrotsen te voorschijn komen en

dan in bruisende vaart diepe kommen vullen en zoo krachtig stroomen,

dat de molens er lustig van draaien.

Dit was een aardig uitstapje, vooral omdat de rivier, die door

de vallen wordt gevoed, zoo liefelijk door de met boomen beplante

weiden stroomt onder houten bruggetjes door en langs de molens, waar

de vrouwen aan het keuvelen zijn onder het ontwarren van de wol of

het spinnen van het garen.

De echte kam van den Balkan, rijst vlak achter Kotel omhoog en wordt

gevormd door die kalkbergen, welker spleten zooveel water absorbeeren

en voedsel geven aan rijkvloeiende bronnen. Dit deel van onzen weg

was geheel kaal, als de passen op de groote hoogten van de Alpen,

waar men boven de grens van den boomgroei is. Beneden in de weiden

ontmoetten wij een kamp van Zigeuners, vertooners van apen en beren. De

mannen lagen in het gras en amuseerden zich met het oefenen van hun

beesten. Hun donkere gezichten, bruine haren met roode vlekken erin

en de bonte doeken en lappen, die rondom hingen, leverden een vreemd

en boeiend tooneel op.

De Kasanpas is ook kaal met zijn steile kalkrotsen boven mager bosch;

maar dan gaat het vlug naar beneden naar Titsja, waarbij geologisch

een groote verandering intrad, waardoor ieder moet worden getroffen,

ook al kent men er noch de verklaring, noch de ware beteekenis van.

Het is de plotselinge vervanging van het tafelland door het

bergland. Hier zijn het horizontale kalklagen, die in de plaats

komen van de verbrokkelde bergen, die wij sinds Kotel steeds voor

oogen hadden gehad. Bij een rivierovergang kon men die horizontale

structuur precies volgen, door de watervallen, die zich van de

terrassen stortten. Toen verscheen Titsja aan den oever der rivier

met de lage huizen, alle van hout en de kleine moskee.

Even namen wij den tijd, om de paarden te laten uitblazen, en gingen

toen weer verder door het kreupelbosch, waar gewapende mannen met

het voorkomen van roovers hier en daar de wacht hielden met het oog

op den toevloed van menschen, door de groote kermis van Djoemaïa

aangetrokken, waar zich de berenleiders en de goochelaars zouden

vertoonen. Door de vlakheid der terreinen scheen het altijd, of wij

de treden van een trap op of afgingen, want het geheele land had het

karakter van een tafelland aangenomen, zooals ook eigen is aan het

groote voorbalkansche plateau tot de Donau toe.

Osman Bazar ligt op een hooge vlakte met zijn roodgedaakte huizen,

die op zijn turksch zeer laag zijn, en met vier of vijf minarets. Wij

hielden stil op een groot, leêg plein tegenover een vierkanten toren,

waarop een klokkentoren van hout, en waarnaast rechts een rij van

lage huizen is te zien, terwijl links een oud bouwvallig bouwwerk

waarschijnschijnlijk een overblijfsel is van een turksch bad. Er ging

een weg omhoog naast onze herberg naar een grooten put met langen

hefboom, een bewijs, dat we uit het gebied der bronnen zijn gekomen

in dat van den eigenlijken Balkan.

Op het plein speelden kinderen vroolijk allerlei spelletjes, turksche

kinderen met roode fez, roode of witte tulbanden en roode, paarse of

oranje kieltjes.

Na Osman Bazar begon terstond een bosch van groote eiken, het eerste

echte woud in dit deel van het gebergte, en vervolgens doet zich het

land voor als een groene, golvende vlakte, met hagen en boomen in

het veld en veel stroomend water.

Eindelijk gaan wij door den Dewentpas, een bergplooi in het tafelland,

die een eigenaardig bergland vormt, verbrokkelde rotsen en door erosie

uitgespoelde terreinen, naast steile bergen en diepe kloven.

In die kloven werden de bosschen en het kreupelhout weer bewaakt

door gewapende Turken of Bulgaren, die op roovers geleken. Bloeiende

seringen gaven aan de boschjes een lila tint. Daar zijn we eindelijk

weer in de vlakte, volgend op het bergland, zooals dat laatste op

het plateau was gevolgd. Het is, of wij van een hoog terras naar

beneden zijn gedaald, en met ons doen dat de ontelbare stroompjes en

wateradertjes, die door de bergen zijn gefiltreerd.

Nog enkele kilometers, en de Balkan verwijdert zich al verder van

ons; tegen het vallen van den avond komen wij het volkrijk stadje

Djoemaïa binnen, en treffen er de schilderachtige tooneelen, eigen

aan die groote turksche markten of kermissen, die gedurende enkele

dagen uit verren omtrek de menschen doen toestroomen als naar een

geïmproviseerden bazar.

Malta en de Maltezer Orde.

Naar het Fransch van GASTON VUILLIER.

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906 · 第 40 / 49 题