I.

Algemeene beschrijving van het Balkanbergland.--De West-Balkan

en de kloven van de Isker.--De Midden-Balkan en de zone der

kalkformatie.--Dronovo en zijn houtsnijders.--Trevna.--Radevtsi

en de mijnen.--Een schilderachtig steenkolenbekken.--Het

groote Balkanwoud.--Kleurrijke dorpstooneelen.--De herberg

Boroesjtitsa en het dorschen.--De zuidhelling van den

Balkan.--Seltsi.--De ontwouding.--Door de bedding van den

stroom.--De aankomst in het dal der rozen.

De Balkan, het oude Hemusgebergte, vormt in zekeren zin Bulgarije's

reden van bestaan, want meer dan in alle zoogenaamde Balkanstaten vindt

men daar den eigenlijken Balkan. Dat groote gebergte, dat bijna in een

rechte lijn, eigenlijk een zeer flauwe boog, loopt, is als 't ware

de middennerf van het land en scheidt twee vlakten van elkaar. Het

is de ruggegraat, waaraan de spieren zijn bevestigd. Geologisch

gesproken, is door bewegingen, die van den Balkan uitgingen, het

geheele schiereiland ontstaan.

Men moet zich intusschen op grond van de min of meer woeste reputatie,

die de Balkan in de geschiedenis heeft gekregen, geen Alpen,

zelfs geen Pyreneeën voorstellen. Het Rhodope-gebergte, ook nog in

Bulgarije, is vrijwat hooger in het land van Rila en Mies Alla, waar

het toppen van 2900 meter heeft. Daarbij zijn de toppen er steiler,

houden langer de sneeuw vast en maken met hun granieten steilten meer

een alpinen indruk.

De Balkan reikt niet hooger dan 2400 meter, en de kam van het bergland,

die voor het meerendeel uit gneiss bestaat, heeft een verweerd aanzien;

de zachte hellingen zouden doen denken, dat het bergland ouder is

dan in werkelijkheid het geval is. Op een afstand lijkt daardoor de

Balkan, gezien uit de vlakte van Sofia, uit Philippopoli of in het

noorden vanaf het plateau van Plewna of Tirnovo, op een zacht golvende

zee. De schilderachtigheid lijdt er onder, ten minste naar den zin der

alpinisten, die slechts van hooge hoogten en diepe laagten droomen;

maar de Balkan heeft juist aan die geringe hoogte zijn prachtigen

rijkdom aan eeuwenoude bosschen te danken, bosschen, die niet enkel

uit dorre dennen bestaan met hun lijkkleurige tint, passend bij een

land van sneeuw en nevel, maar waar forsche beuken staan met lichte

stammen naast hooge eiken, waardoorheen het zonlicht spelen kan en

lichtende plekken tooveren kan op het groen van het heestergewas aan

hun voet en op de grijze voetpaden.

Zooals bij zeer veel bergketenen het geval is, zijn ook bij den

Balkan de hellingen zeer verschillend, want terwijl aan den noordkant

het land langzaam in terrassen afdaalt, wordt de zuidelijke helling

plotseling door diepe dalen afgebroken, waarlangs zich een reeks van

warme bronnen vertoont.

Voor den geoloog is de Balkan de verheffing van den bodem, die

opgeworpen is tegelijk met de Alpenketen tusschen twee vaste kernen,

namelijk het plateau van de Donau en van Zuid-Rusland aan de eene, en

het Rhodope aan de andere zijde. Zoo vormt de Balkan een voortzetting

van de Alpen in Transsylvanië, beginnend bij Orsova aan de Donau

met een richting noord-zuid en zich oost-westwaarts ten noorden van

Sofia voortzettend, om daarna in noord-oostelijke richting gaande, bij

kaap Emineh aan de Zwarte Zee te eindigen. In dat laatste gedeelte,

voorbij Slivno, worden de verheffingen lager, er doen zich groote

vlakten voor en de kamhoogte neemt langzamerhand af van 800 meter

in het westen tot 400 in het oosten. De aardrijkskundigen rekenen

gewoonlijk een beperkter terrein tot den Balkan, namelijk van af de

Stara Planina tot ten oosten van de kloven der Isker.

Op de kaarten onderscheidt men buitendien in de keten tusschen Vratsa

en kaap Emineh een geheele reeks van plaatselijke Balkans, gewoonlijk

genoemd naar de naburige stad, waaronder, van het westen naar het

oosten gaande de belangrijkste zijn de Balkans van Berkowitza, van

Vratsa, van Etropole van Zlatitsa, Veliki Slivno en noordwaarts die

van Kodsja en Karnabad.

Ten noorden en ten zuiden bestaan er nog parallelle ketenen, zooals

de Balkan van Derbend en in het zuiden die van Toendsja, de Sredna

Gora of Karadsja-Dagh, die niet veel meer is dan een hooge heuvel.

Ik kom straks uitvoerig op den centralen Balkan terug, waar ik mijn

eerste exploratie in Bulgarije heb gedaan; maar eerst moet ik een

denkbeeld geven van den West-Balkan, door dien te volgen langs de

hoofdinsnijding, de kloven van de Isker, waar wij een geheel ander

landschap krijgen te zien dan in den centralen Balkan van Radevtsi.

Van Sofia naar Plewna en Roestsjoek is de weg, dien wij zullen volgen,

als het ware aangegeven door den eigenaardigen doorgang van de rivier

de Isker door het bergland. Logisch schijnt het bekken van Sofia zijn

natuurlijke afwatering te zullen hebben aan de zuidhelling van den

Balkan en in de lengte langs Zlatitsa, Derbend en de Toendsja. Een

rij van alluviale gebieden geeft op de kaarten der geologen dien

schijnbaar normalen loop aan, waar tegenwoordig verschillende vrij

hooge drempels in zijn, zooals te Derbend en te Kalofer, waar de

Balkan zich aansluit bij den Sredna Gora en het Rhodope-gebergte. In

plaats van zoo te stroomen, gaat de Isker dwars door den Balkan naar de

kust, snijdt het bergland nog eens op een plek, waar het 1400 tot 1500

meter hoog is, en moet dus door zeer diepe dalen stroomen, waarna zij

uitkomt op de Donau-vlakte ter hoogte van ongeveer tweehonderd meter.

Als men tegenover zulk een verschijnsel staat, dat niet zoo zeldzaam

is in bergstreken, vindt men dikwijls dadelijk de verklaring in het

feit, dat later in de buurt een groot hoofddal is gevormd, en dat

daardoor de oorspronkelijke weg is veranderd en de rivier lager dan

haar aanvankelijken loop is gebracht. Op die wijze staan de kloven

van Tamina bij Ragatz in Grauwbunderland in verbinding met een oude

bedding van den Rijn. De hoofdstroom, die een anderen loop had genomen,

heeft verder op een lager niveau gestroomd, en de Tamina heeft zich,

om die lagere bedding van den Rijn, dien zij bij Ragatz binnenvalt,

te bereiken, langzamerhand al dieper kloven uitgeschuurd.

Met de Isker is dat niet gebeurd, en omdat het bekken van Sofia

zijn afwatering vindt naar de Donau, moet men wel denken, dat in den

aanvang de natuurlijke helling in die richting liep, dus dat de kom,

waarin Sofia lag, een hooger niveau had dan de Balkan, of dat de

afscheiding tusschen dat bekken en de Donau zoo weinig beteekende,

dat zij voor den aandrang van het water bezweek. Daar de Balkan

zeker toen, vóór hij door erosie was afgesleten, veel hooger was

dan tegenwoordig, moet men voor het bekken wel een verlaging van

duizend meter aannemen, als men den primitieven toestand met den

tegenwoordigen vergelijkt. Dat bekken nu heeft geheel het voorkomen van

een instortingsbassin, de rechtlijnige en steile grenzen, een gordel

van rotsen van eruptieve gesteenten, en langs den geheelen zuidrand een

reeks van warme bronnen. Men is dus geneigd te veronderstellen, dat de

instorting zich nog in den jongsten tijd weer heeft voorgedaan, nadat

de tegenwoordige hydrografische gesteldheid vasten vorm had aangenomen.

Een andere aanwijzing voor die nog jonge beweging zou men in den

Balkan van Veliki kunnen vinden, waar er een groot verschil in hoogte

is tusschen den kam van het gebergte en de lijn der waterscheiding,

terwijl de hevige aardbevingen, waaraan Sofia dikwijls blootstaat,

waar toch over het geheel de centrale Balkan zeer stabiel is, een

bewijs te meer zijn voor het bestaan van een zwak gebied, dat een

algemeene lijn van dislocatie volgt. Hoe het zij, de Isker, die

in de vlakte van Sofia niet anders is dan een net van waterwegen,

die daar convergeeren, heeft al dat water tot een rivier vereenigd,

als zij langs Koemaritsa en Koerilo vloeit, om daarna in de kloven

van den Balkan te verdwijnen, en er op verschillende plaatsen een

echte geologische doorsnede te maken, die wij thans gaan beschrijven.

De petrografische gesteldheid is hier zeer bijzonder door de

aanwezigbeid van steenkoolhoudende lagen en permische gesteenten. Langs

de Isker met haar geel water gaan we eerst zigzagsgewijze door roode,

bruine, zwarte of violette terreinen, waar de hellingen afgesleten

zijn en vol puin liggen, alsof men langs de Aumance, de Cher en de

Sioule ging.

Het eigenlijke karakter van die bulgaarsche kloven, dat hen

vergelijkbaar maakt, niet met de granietdalen van het centraal plateau,

maar met de cannons van de Jarn en de Jonte, openbaart zich eerst

verder, als het secundaire kalkgesteente met zijn horizontale lagen

voor den dag komt en in het landschap zijn tafelvormige banken brengt,

die als kleurige terrassen boven elkander zijn gelegen, verbonden

door zachte met gras begroeide hellingen.

Daar is de kalk verweerd en verscheurd in de hoogte, beneden vol

grotten, en zij vertoont al die vreemde erosieverschijnselen, die

verdwijningen en verschijningen van rivieren, al die kloven en

afgronden, die bij zulk een gebied behooren. De kleuren van het

gesteente loopen van het grijs tot het vermiljoen en het oranje,

afgebroken door het bleekgroen van grasvelden, waarop de struiken en

boomen donkerder vlekken werpen. Bij mooie lichteffecten kan het er

wonderbaarlijk schoon zijn.

De weg slingert zich en kronkelt, en telkens is de aanblik weer

anders. Een oogenblik komen kristallijne rotsen voor den dag, die aan

het landschap aan de Creuse herinneren; dan volgt weer kalkgesteente,

maar nu onderstboven geworpen of opgericht tot verticale wanden

en tot door den regen afgesleten kale steilten, die op wonderlijke

natuurlijke muren gelijken.

Als wij nu den centralen en oostelijken Balkan willen leeren kennen,

kunnen wij ons overgebracht denken naar het oude en merkwaardige

stadje Tirnovo, dat het uitgangspunt van onze reis zal zijn. Deze

Balkantochten, ondernomen eerst in September 1904, daarna in

Mei 1905, hebben achtereenvolgens tweeërlei wetenschappelijk doel

gehad, vooreerst de studie van de steenkoolformatie, die een groote

uitgebreidheid heeft tusschen Grabovo en Slivno, en dan het zoeken

van het hydrologisch verband tusschen den Balkan en het voorland der

Dobroedsja. Die studie, waarvan ik hier niet zal behoeven te spreken,

heeft mij ertoe gebracht met bijzondere zorg de streek na te gaan,

gelegen tusschen Trevna en Seltsi, dan het bergland tusschen Kazanlik

en Slivno te volgen tot Kotel, waarbij ik nu de eene, dan de andere

helling volgde.

Andere tochten voerden mij naar het Zuiden door den Sredna Gora naar

Nova Zagora, naar het Noorden tot Djoemaïa en Sjoemla, naar het

Oosten tot Yamboli en Boergas. Van al die streken ga ik nu een en

ander vertellen.

Bij het vertrek van Tirnovo heeft men een goeden weg, waar ook

spoedig een spoorweg zal loopen zuidwaarts naar Dronovo, Trevna en

Radevtsi, het voornaamste punt waar men tegenwoordig in den Balkan

aan steenkoolwinning doet. Na een laatsten blik op de stad Tirnovo,

die amphitheatersgewijze boven de Jantra is gebouwd, loopt de weg recht

over het plateau, en tot Trevna hebben wij het gewone schouwspel van

de voorbalkansche hoogvlakte, verbouw van koren en maïs, waar zich

hier mijnbouw bijvoegt.

Als men de bergen nadert, krijgt men aan den zuidkant meer beschutting,

en daar het er koeler is, heeft alles in het landschap ook een

frisscher aanzien. Daar doet zich aan den kant van den weg een herberg

voor, geheel omgeven door hooge bloeiende rozen. Die bloemrijke

hagen zouden wij niet hebben kunnen zien bij Plevna of Rasgrad,

en nu bespeuren we ook hier reeds de eerste uitloopers der bergen.

Dronovo, waar wij stil houden, is een zeer schilderachtig dorp in

oud-turkschen stijl; de bewoners hebben een zekere reputatie in het

houtsnijden, en geven er blijk van, dat ze die verdienen, door de wijze

waarop zij hun huizen hebben versierd. De donkerbruine balken zijn

voorzien van het mooiste beeldhouwwerk, en de omlijstingen van deuren

en vensters zijn eveneens sierlijk gegraveerd. In dat opzicht is het

't allermooiste stadje dat ik in Bulgarije heb gezien, niet banaal,

niet modern, maar bestaande uit huizen van zonderling ongelijken stijl,

met overhangende daken en luifels en winkels beneden aan de straat

als bij een turkschen bazar, die schuil gaan onder afhangende luiken.

Na Dronovo gaat het terrein meer afwisseling in hoogte bieden, en er

doen zich bosschen voor, groote wouden van prachtige eiken en beuken,

juist als bij de voorbergen van de Pyreneeën. Men passeert Trevna en

is dan midden in het bergland. De weg is dan meteen verdwenen. Wij

gingen intusschen nog verder langs het stroompje over een pad, dat

vroeger een weg was geweest, waarbij van onze vier paarden de helft

in de rivier, de andere helft op de helling liep, en zoo komen wij

eindelijk te Radevtsi, diep in het dal gelegen, op het punt, waar

plotseling de berg voor u staat, die dan enkel maar toegankelijk is

met muildieren of paarden.

Men kan te Radevtsi twee dingen duidelijk onderscheiden, een bekoorlijk

bulgaarsch dorpje, waar het wemelt van heerlijke schildersmotieven,

en twee kilometer verder een steenkolenmijn, waarvan men maar enkele

gebouwen ziet en een eindje spoorweg, terwijl al wat er verder

bij behoort hoogerop in den berg verscholen ligt achter een zwaar

beukenbosch. In het gebouw van de mijndirectie, dat vroeger een

veel te prachtig paleis was en nu ongebruikt is en verlaten zonder

glasruiten in de vensters, zoodat van alle kanten wind en regen er

kunnen binnendringen, installeeren wij ons, om er gedurende enkele

dagen ons hoofdkwartier te vestigen.

De volgende dagen begonnen de tochten rondom Radevtsi naar de

verschillende ontginningen der steenkool, die overal zwarte vlekken

vormen in het landschap, aan den rand der bosschen, der voetpaden

en in de diepe kloven. De bevolking is volkomen goed op de hoogte

van haar rijkdom, die met behoorlijke zorg geëxploiteerd wordt in

tallooze galerijen en waarvoor geregeld concessies worden uitgegeven.

De voornaamste van die steenkoollagen, die van de concessie van prins

Boris, zijn al in 1871, nog ten tijde van de Turken, ontgonnen onder

leiding van een oostenrijkschen ingenieur, den heer Schroeckenstein.

Later kwam een Franschman, die in het land was gekomen om er een

spoorweg aan te leggen, op het denkbeeld er ontginningen te doen

en vormde een fransche maatschappij, die na allerlei wisselende

ervaringen de mijnen nog in eigendom heeft. Maar de werken dier

maatschappij werden uitgevoerd met te veel pracht en weelde en

noodelooze installaties, en het gemis aan practischen zin, zoo dikwijls

kenmerkend voor industrieën, die van uit de verte bestuurd worden door

een parijschen raad van administratie, met een onbekwamen plaatselijken

chef, deed zich ook hier gevoelen. De onvoldoende afzet, dien men

wel dadelijk vooruit had kunnen zien, is aanleiding geweest, dat men

reeds lang het werk heeft gestaakt, en alleen als de ontworpen spoorweg

Tirnovo-Boroesjtitsa gereed zal zijn, zal het kunnen worden hervat.

Buiten die exploitatie, die een echt industriëel karakter heeft

gedragen, wordt er in het klein steenkool gewonnen, nu eens aan de

oppervlakte, dan in galerijen in den berg. De kool van de oppervlakte

wordt zeer gemakkelijk gewonnen, maar het vervoer per muilezelrug

langs de bergwegen tot aan de kleine industriestadjes in den Balkan

verhoogt zeer den prijs.

Een bezoek aan een steenkolenbekken levert gewoonlijk niets

schilderachtigs op, en er zijn weinig landen ter wereld leelijker

dan die van de belgische mijnen en die van Noord-Frankrijk en

Silezië. Ofschoon het mijnwerkersleven de stof kan leveren voor

forsch schilderwerk en mooie onderwerpen kan bieden aan de hand van

den beeldhouwer, wanneer een geniaal kunstenaar als Constantin Meunier

ze met antieken ernst behandelt, het leven zelf is vuil en treurig en

bedroevend, en in het algemeen behoeft men geen mijnwerker te worden,

om landschappelijk schoon te kunnen bewonderen. De tegenstelling

is veelal groot met een andere soort van mijnen, waar metaal uit

den bodem wordt gehaald aan de oppervlakte van de bergen, dikwijls

te midden van bosschen, waar in diepe uithollingen als grotten de

arbeiders vrij ademhalen en op hun gemak werken, om des avonds in het

licht van den ruimen horizon huiswaarts te gaan tot hun tweede leven,

dat van kleine landbouwers en hun bescheiden woning, die zij alleen

met hun gezin bewonen.

Maar de steenkolenmijnen in den Balkan hebben alle bekoorlijkheid,

die anders eigen is aan metaalmijnen, en onze dagelijksche ritten

te paard om ze achtereenvolgens te bezoeken, waren een prettige

uitspanning. Elken morgen trokken wij zoo door de prachtige

beukenbosschen, langs lichtende voetpaden, langs groene kloven,

waarin het water ruischte, naar de verschillende mijnen en naar de

hoogten, van waar men het dal overziet. Dan daalden wij daar dikwijls

in af en bestegen, over de rivier gaande, den tegenoverliggenden

kant. Overal vond men in die bosschen, die men zich als onbegaanbaar

en woest zou voorstellen, de heerlijkste wegen, waar men zich in een

park zou wanen, en als het ons lustte, ze voor eenige oogenblikken

te verlaten, konden we nog altijd te paard door het bosch rijden,

zonder voor een van die onaangename verrassingen bang te moeten zijn,

die u op eens brengen bij een diepen afgrond, zooals er spoedig een

den stoutmoedige zou tegenhouden, in wiens brein het zou opkomen,

een dergelijke poging in de Pyreneeën te wagen.

Ik durf niet hopen, dat het mij gelukken zal, door woord of beeld

een denkbeeld te geven van de bekoorlijkheid van dit land. Wie heeft

wel niet eens gezien, en wie kan zich niet voorstellen een bosch van

mooie beuken op een zachte berghelling, met frissche stroompjes in de

dalen en kloven? Maar de schoonheid aan de Balkanbergen eigen op hun

noordelijke helling en op hun toppen, is de verrassende uitgebreidheid

van dit woud, waar men geheele dagen lang op goed geluk door heen kan

rijden, in het door 't gebladerte gefiltreerde licht van een warme

oostersche zon, die aan de schaduwen nog haar glans verleent en u

toch niet hindert met haar gloed.

Aan den voet der bergen, zooals te Radevtsi, heeft men overal kleine

dalen vol planten, die toch niet somber zijn, met heldere beekjes,

voortstroomend onder de boomen, te midden van weiden, over beddingen

van witte steenen, kabbelende beekjes, molens met watervalletjes

en allerliefste dorpen. Hooger, op de eerste terrassen, volgen

boomgaarden met appel- en pruimenboomen, de korenvelden op de afgeronde

heuvelhellingen, en dan beginnen spoedig de beuken- en eikenwouden,

die alle hoogere deelen van het bergland bedekken.

Het zijn dichte bosschen met hier en daar enkele reuzenboomen, een

park, waar ons de weg gewezen wordt door een boer met bruine jas en

broek en bruine muts, die voor de leus een bijl over den schouder

draagt, alsof wij hier op deze gemakkelijke bergen ooit ons een weg

zouden hebben te banen.

Het dorp Radevtsi, waar wij bij onze tochten steeds op terugkomen,

is een der mooist gelegene en schilderachtigste onder de vele, die

in de dalen en op de hellingen van den Noord-Balkan liggen. De leemen

huizen zijn met een witte kalklaag bestreken, en onder het overhangend

dak, dat op palen rust, is een soort van veranda of terras, op die

palen gedragen. Rondom het huis staan de hooioppers en graanhoopen,

die gele vlekken vormen in het landschap. Hier en daar zijn ze reeds

aan de herfstbezigheid, om het met behulp van paarden en ossen te

dorschen. Bij de boerenhuizen staan verder de bakkersoven, de groote

kuip voor het koken der pruimen, en de hoopen dorre bladeren en takken,

die 's winters tot ligstroo moeten dienen voor het vee.

Denk u nu boomgaarden op den heuvel, waar de huizen tegenaan zijn

gebouwd, let op de heldere kleuren der tomaten op de velden en der

ritsen uien, die aan de balken der afdakjes hangen, en gij zult

begrijpen, dat een bulgaarsch dorp, waar de vrouwen ten overvloede

bonte hoofddoekjes en boezelaars dragen, veel kleurige tooneelen

oplevert.

Als bij die genoegelijke tochten door de eindelooze bosschen het uur

voor den maaltijd was gekomen, hielden wij stil aan den oever eener

beek, maakten een vuur aan van takken en braadden een stukje vleesch

of een mager kipje, waaraan de buitenlucht en de vermoeidheid den

fijnsten geur verleenden.

Dan gaat het weer verder op den ontdekkingstocht door de groote

bosschen, waar wij aan den rand de zon gloeiend zien ondergaan en

een langen blik kunnen slaan op de zacht golvende vlakten, die zich

tot heel in de verte, tot over de Donau uitstrekken.

Enkele dorpen en schilderachtige hoekjes hebben op die tochten,

voortgezet tot op een afstand van vijftien kilometer van Radevtsi,

een eigenaardige herinnering bij mij achtergelaten. Zoo bijvoorbeeld

dat kleine gehucht Boroesjtitsa, dat binnen korten tijd de eer zal

genieten, eindpunt te worden van een spoorweg, waaraan de naam van

Transbalkanspoorweg zal toekomen.

Het eerste beeld, dat er mij van is bijgebleven, is dat van het

overdekte terras, waar wij des middags zaten in een soort van herberg

en waar wij het uitzicht hadden op een prachtig ravijn vol zware

boomen. Achter ons waren twee deuren in den witten muur, toegang

gevend tot twee donkere ruimten. Daar zaten bulgaarsche boeren op

lage taboeretjes te eten en te praten. Op hun hoofd droegen zij de

bruine wollen muts in den vorm van een korten cylinder, waaraan men

dadelijk den Bulgaar herkent, ook hun buis is bruin, en laat, als het

openvalt, het witte hemd zien, de roode ceintuur en de bruine met

zwart gesoutacheerde broek. Wij zaten evenals zij om een zeer laag

tafeltje, etend uit de met den naam der herberg gemerkte schotels,

die de herbergierster gewoonlijk als bruidsgeschenk van haar ouders

ontvangt, en deden ons te goed aan het gewone gebraad van rundvleesch,

de pasterma.

In de andere kamer, waarin alleen door een zeer klein venster wat

licht viel, lagen twee kleine kinderen te slapen en tusschen hen en

ons liep de vrouw heen en weer, gekleed in het costuum der streek. Ze

droeg het haar in twee lange loshangende vlechten, met een doekje

eroverheen geslagen; een donker kleedje met korte mouwen was aan het

corsage een weinig uitgesneden en liet het witte hemd zien, terwijl

de gekleurde boezelaar en de roode ceintuur beide met een paar groote

metalen haken waren vastgehecht.

Op het soort van terrasje hingen overal aan den muur en aan balken

zakken van geitevel, ritsen uien, groenten, linnengoed en andere

nuttige zaken. Kippen vlogen heen en weer en verdwenen tusschen

het donkere latwerk. Het linnen, wat grof van draad, met donkere

rechtlijnige figuren, had de eigenaardige originaliteit van al die

stoffen, die ontsnapt zijn aan de regelmaat van de machine, een

bijzonder karakter, dat men in zooveel oostersche huizen terugvindt,

waar de stoffen door de dochters van den huize zijn gesponnen en

geweven en tot kleedingstukken vermaakt voor haar uitzet, om dan te

worden gebleekt en gedroogd op de naburige weide naast de ellenlange

nog onversneden stukken linnen.

Het andere kleurige beeld, dat in mijn herinnering is bewaard gebleven

van het dorp Boroesjtitsa, is het dorschen van het koren. Het was

toen in het midden van September, en de gansche gelende oogst werd

onder de harde slagen veranderd in volle zakken tarwe en gerst.

Dat dorschen is altijd een schilderachtig moment in het leven op

een boerenhoeve, zelfs in onze noordelijke landen, waar leelijke

machines ruw dit werk verrichten onder wolken van stof. Maar in dat

gouden stof heerscht algemeene vroolijkheid, want het omhult het

resultaat van veel arbeids en is nu gereed, om in goed en klinkend

geld te worden omgezet, wat op alle gezichten een vroolijken trek te

voorschijn roept. In landen echter, waar wat meer beschaving nog niet

is doorgedrongen, is dat barbaarsch vernielingswerk van het graan

een nog veel aantrekkelijker schouwspel.

In Bulgarije gebruikt men den dorschvlegel, als men het stroo wil

bewaren voor dakbedekking, maar meestal, wanneer men niet bang is,

de halmen te breken, laat men er een houten slede over gaan, waaronder

rijen van scherpe kiezelsteenen zijn bevestigd, echte steenen messen

uit den steentijd. Wij zagen dat werk op alle hoeven aan den gang op

den dag van ons verblijf te Boroesjtitsa in het licht van de mooiste

herfstzon en in den glans van de heldere kleuren der kleederen van

vrouwen en kinderen.

Tusschen de loodsen en schuren lag de buitendeel van hard gestampte

aarde, omgeven door leemen wanden, waar de schaduw van allerlei

vruchtboomen op viel. De bruine palen van het terrasje, waar wij hadden

gezeten, waren eveneens in schaduw afgeteekend op den blinkend gladden

grond en rechts zag men allerlei ouderwetsch houten gereedschap van

zonderlinge vormen. Daar was het weefgetouw der vrouwen, de slede,

waarmee het gezin in den winter zich bewoog over de besneeuwde

berghellingen.

Op de heldere vlakte lagen de blinkende halmen uitgespreid, en

vlug bewoog er zich het gevaarte overheen, dat met twee ossen was

bespannen en door een vrouw met ernstig uiterlijk werd bestuurd. Zij

voedde onderwijl haar baby, terwijl op den wagen een meisje zat,

om er grootere zwaarte aan te geven. Zij geleek op de godin, die een

romeinsche zegekar mende. Soms waren alle jeugdige leden der familie

op het voertuig vereenigd en hadden de allergrootste pret. De vrouw

en het meisje, met haar zilveren armbanden, haar muntenkettingen om

den hals, haar gestreepte rokjes, witte mouwen en vaak met een groote

bloem in het haar, maken met het gekleurde doekje op de hangende

vlechten een bepaald schitterenden indruk. En altijd wisselen de

schaduwen van den stoet over het glanzig gouden graantapijt. Als dan

de ossen overal zijn geweest, zamelen vrouwen, kinderen, mannen zelfs,

de korrels in en harken het koren te zamen.

Naast den dorschvloer hebben de hooge graanoppers, door de toevallige

zonnestralen beschenen, de tinten van meer of minder oud stroo, de

mooiste gamma van nuancen, die op de verlichte gedeelten van saffraan

tot chroom overgaat, en dan van oker en gebrand sienna tot oranje,

terwijl in de schaduw blauw, lila en bruin zijn te herkennen.

Toen wij eindelijk Radevtsi verlieten, om naar de streek ten zuiden

van Boroesjtitsa te gaan, en door den Balkan onzen tocht naar Seltsi en

Maglisch voort zetten in het dal der Toendsja, ging het weer door het

bosch van lichtende beuken over de prachtige, slingerende voetpaden,

die zachtjes stegen, tot wij ongemerkt op de zuidhelling van den

Balkan waren gekomen.

Voor ons rezen de bergen nog vele honderden meters hoog boven

onze hoofden; maar spoedig bemerkten we, dat de beekjes nu in

tegenovergestelde richting vloeiden en zich in zuidelijke richting

bewogen. Het stroompje, dat wij gingen volgen, liep nu eens rechts

dan links door een meer of minder ingesloten dal en ging met ons mee

tot Seltsi en Maglisch, om dan zich in de Toendsja te storten, die

zelve een zijtak is van de Maritsa en dus naar de Aegeïsche zee vloeit.

Kort voor wij te Seltsi waren, houdt het bosch op, en het land

verandert geheel van aanzien, doordat het kalktriasgesteente aan de

oppervlakte komt en steile rotsen vormt. Aan den voet der steilten,

waarlangs het pad zich in tallooze kronkels beweegt, lag het dorp

Seltsi aan het riviertje met weer de zelfde lage en wijd uiteenstaande

huisjes, gedekt met steenen of stroo, met groote dorschvloeren,

waar haver wordt stuk geslagen, met boomgaarden om de woningen en

fel gekleurde oppers, terwijl hier de donkere achtergrond der bergen

alles nog veel mooier deed uitkomen.

Als in alle Balkandorpen waren de onderwerpen voor schetsen in den

grootsten overvloed voorhanden. Daar was de rivier met haar houten

brug, de wilgen aan den oever, de koeien, die wat voedsel zoeken in de

steenachtige bedding, de dorschers met de op- en neergaande vlegels,

het licht op het witte linnen en het spel der schaduwen, door de

donkere terrasjes gespeeld op den witten grond, zonder dat ergens

de leelijke rechte lijn zich voordoet, waartoe wij in de beschaafde

wereld veroordeeld zijn.

Voorbij Seltsi naar den kant van Maglisch moet er afscheid worden

genomen van het bosch; de natuur der rotsen is veranderd, en in

plaats van zandsteen, geschikt voor den groei van lage planten

en boomen, is gneiss gekomen, dat overal verbrokkeld is en los,

verscheurd tot diepe kloven of tot zandige vlakten verpoeierd. Het

karakter van het land is nu echt dat van de zuidhelling geworden,

dat, waarschijnlijk onder den invloed van de Turken, die vroeger

hun gezag veel krachtiger op de zuidhelling lieten gelden, bijna al

haar bosschen heeft verloren. Wanneer men gewoon is geraakt aan het

rijden tusschen de heerlijkste beukenwouden, bedroeft men zich nog

meer dan anders over zulk kaal land, waartegen gelukkig de regeering

maatregelen begint te nemen, door het aanleggen van bosschen, nu nog

arme kleine boompjes, niet bestand tegen het knagen van de grazende

geiten, en dus maar langzaam groeiend.

Tusschen Seltsi en Maglisch zou het stroompje, dat al te nauw door de

rotsen wordt ingesloten, geen bruikbaren weg meer voor ons opleveren,

dus begonnen wij tegen de begroeide hellingen op te klauteren, waar

het vol lag met losse steenen, om iets verder weer in de bedding

af te dalen. Daarbij wonnen wij vooreerst een prachtig gezicht op

de kloven, als met zaagtanden in de rotsen geslagen, en waar aan

den eenen kant alle afloopende terrassen in donkere schaduw liggen,

terwijl zich de overkant in een zee van licht baadt. Daarna vertoont

zich bij het overtrekken van een bergpas plotseling voor onze oogen een

driehoek van schitterend licht, een vlakte, waar door het azuurblauw

een zilveren lint zich slingert, en waar men op den achtergrond zich

een rij donkere bergen ziet verheffen. Dit is de eerste verschijning

op onzen weg van het dal der rozen, een weinig vermooid door den

afstand. Het is het dal der Toendsja, door mijn bulgaarsche vrienden,

zooals ik maar dadelijk zal zeggen, ofschoon ik hun enthousiasme niet

deel, voorgesteld als een hemelsch land van Kanaän.

Om er te komen, moeten wij nog naar beneden. Wij beginnen daartoe,

met de droge bedding van het riviertje een oogenblik te volgen onder

het dicht gebladerte, als door een mooie laan van fijn zand, die geheel

in de schaduw ligt, en waar overal fijn jong beukengroen uit opschiet,

net als ook aan de oevers terzijde, terwijl boven ons hoofd de takken

der forsche boomen aan weerszijden elkander ontmoetten bij den top

der heerlijke boschgewelven.

Daarginds is een terras van stoppelland, zacht-gele overgang tusschen

den Balkan en de vlakte, en even later brengt een laatste daling door

velden van rozen, die in dit seizoen haar bloementooi hebben verloren,

ons naar het Maglischdal.

Dit dal, dat in heel Bulgarije bekend is om zijn rozencultuur, heeft

groote aantrekkelijkheid in den bloeitijd der rozen, want de cultuur

is er zeer intensief; maar die heerlijke tijd duurt slechts veertien

dagen in het jaar, wanneer de rozen bloeien. Daar ik er de eerste

maal in September was, en de rozenstruiken er toen als magere heesters

uitzagen, ben ik er nog eens weer heengegaan in Mei, enkele dagen te

vroeg, om de knoppen ontloken te zien, zoodat ik maar van hooren zeggen

mee kan praten over den luisterrijken bloei. Deze omvat echter slechts

de smalle zone tusschen de bosschen op de zuidhelling en de vlakte.

De rest van het dal is een groote wijde ruimte van bouwland, nu in den

herfst kaal, nu de oogst is binnengehaald, maar in de lente groen en

getuigend van welvaart en vruchtbaarheid. Aan den eenen kant verrijzen

de kale bergen betrekkelijk steil omhoog, alsof het Apennijnen waren,

zooals die zich voordoen ten zuiden van Rome in de Lepini-bergen,

aan den anderen kant geeft een lijn van lage, afgeronde heuvels den

Sredna Gora aan.

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906 · 第 39 / 49 题