IV

Grensregeling tusschen Perzië en Beloetsjistan.--Van Kirman

naar de grensstad Koeak--De grensregelingscommissie.--Vraag

naar den voorrang.--Het werk der commissie.--Van Koeak

naar Kelat.

Ik was in Kirman in December 1895. Sinds eenige maanden hadden

onderhandelingen plaats met de perzische regeering ter zake van

de grenslijn tusschen Malik Sia en Koeak, die nog niet juist was

afgebakend, maar de winter was begonnen, zonder dat men tot een

beslissing was gekomen. Toen reisde in de laatste dagen van December

de perzische commissaris Ali Achraf Khan door Kirman, en enkele

dagen na zijn vertrek werd mij uit Teheran getelegrafeerd, dat ik

benoemd was tot de post van assistent-commissaris. Mijn zuster gaf

er de voorkeur aan, mijn reis, die vermoeiend en oncomfortabel was,

met mij mee te maken, liever dan de vriendelijke aanbieding van lady

Durand aan te nemen, bij haar te komen logeeren.

De toebereidselen voor den tocht waren nog al omslachtig, het was

een lange reis en wij moesten vooraf zorgen, hier en daar proviand

te vinden en daarbij hulpkameelen, als de andere vermoeid waren;

onderzoeken, waar water te krijgen was enz. enz. Bovendien waren

onze bedienden niet ingenomen met het denkbeeld van de reis door

Beloetsjistan en moesten telkens aangemoedigd worden.

Het was reeds zeer koud te Mahoen, onze pleisterplaats; te Hanaka,

waar de karavanseraï op een hoogte van bij de 2400 M. ligt, was

het werkelijk arctisch koud, maar te Rain, op de zuidelijke helling

van den Djoeparketen, werd het weêr gelukkig minder ijzig. Langs de

rivier, de Sandoe, ging het naar Abarik een moeilijk eindweegs door

het geaccidenteerde terrein. In de warmere streken gekomen, voelden

wij ons vermoeid en niet in staat tot eenige inspanning. Wij waren

in het district Fehroed, en Abarik en Fehroed zijn in Perzië berucht

om den hevigen wind die er veelal heerscht. In een gedicht heet het

dat, den wind wordt gevraagd, waar hij woont en dat hij antwoordt:

"Mijn armzalige woning is in Fehroed en ik bezoek dikwijls Abarik en

Sarbistan." Dit laatste dorp ligt aan den rechteroever van de rivier,

waar ik in 1894 bij hevigen storm kampeerde.

Een nog al vervelende rit langs de droge rivierbedding bracht ons te

Darzin. Het dorp is bekend om zijn vroegeren rijkdom. In de 12de eeuw

zegt een schrijver: "Wij stonden op het dak van het paleis te Darzin,

en wij zagen een groot aantal dorpen, die bijna elkander raakten

en heerlijke geuren verspreidden. Zein ed Din maakte de opmerking,

dat Fars een groot en vruchtbaar land was en dat hij het geheel had

doorreisd, maar dat hij zweren kon in heel Fars niet zulk een mooi

plekje te hebben gezien."

Helaas, hoe is alles veranderd! Darzin ligt in een ellendige

woestijn. Toch is er eenige vooruitgang, want een der oude kanats of

putten is hersteld, en daardoor zal het bebouwbare land toenemen.

Te Bam vonden wij een onderkomen in een nieuw gebouwd huis, dat uitzag

op een schaduwrijken tuin vol palmen. Bam is al sinds de oudste tijden

in Perzië een beroemde stad; een mijl van het tegenwoordige fort,

liggen de ruïnen van de oude stad. Ten tijde van de verovering door de

Arabieren was de stad zeer belangrijk en hoofdplaats der provincie. Bam

is herhaaldelijk belegerd en de moderne stad dateert van den jongsten

tijd. Het is nu het middelpunt van een rijk district, ligt op een

hoogte van 1100 M, heeft een bevolking van 13.000 inwoners, een

vruchtbaren bodem en een klimaat, dat even gunstig is voor de cultuur

van palmboomen als voor die van de producten der hoogere streken.

De zomerwarmte is er gematigd, want er waait dan een koele wind uit

het Noorden, en de belangrijkheid der stad wordt nog grooter door

het feit, dat zij in Oost-Perzië het laatste handelscentrum is vóór

Quettah. De bloei der plaats vloeit voort uit de productie van henneh,

want bijna de geheele opbrengst van die kostbare verfstof wordt in dat

district verkregen. De garnizoenen in Beloetsjistan bestaan gewoonlijk

uit soldaten uit die provincie, en de gouverneur is meestal een Bami.

Een reiziger verhaalt, dat Bam op een indische stad gelijkt. Die

opmerking heb ik niet gemaakt. Misschien zag men er dertig jaar geleden

op het tijdstip van die reis nog geen palmen, en zoo zou dan die indruk

zijn te verklaren. Ingevolge een bijzondere uitnoodiging bezochten wij

het beroemde fort, en wij constateerden, dat de oude stad nog stond,

omgeven door een hoogen muur en een gracht. Boven was de woning

van den gouverneur. Men heeft er een prachtig uitzicht. Achter ons

werden onze blikken getrokken door den Koeh-i-Hazar met zijn mantel

van versch gevallen sneeuw, en aan beide kanten van het dal teekenden

de bergen zich scherp af op den turkooizen hemel. Boven ons wuifden

de bouquetten van de dadelpalmen van Bam, en wij konden de rivier

van dien naam naar het Noordoosten volgen.

Vier mijlen van Bam verwijderd, bracht een steile daling ons tusschen

de gehuchten, die het dorp Bora samenstellen; er is een bevolking

van 5000 inwoners en het voert jaarlijks 120,000 pond henneh uit,

behalve granen en dadels.

Te Vakilabad, waar wij aankwamen, na langs een mooi, beschaduwd

riviertje te zijn gegaan, hadden wij het district Narmasjir

bereikt. Met zijn sierlijke tamarinden en mimosa's schijnt het land

een losgeraakt stukje van Sind. Het is er veel warmer dan in Bam. Tot

in het midden der 19_de_ eeuw was het in 't bezit van de Afghanen,

en tegenwoordig begint het eerst weer een weinig vooruit te gaan.

Ook verder bleef de streek goed besproeid, en er groeiden echte boomen,

tot we bij een reuzenuitgestrektheid jungle kwamen en van daar in

de woestijn, die weer door jungle gevolgd werd, te midden waarvan

het dorp Rigan is gelegen. Het lijkt nog al wat op de kaart, maar

het bestaat in werkelijkheid slechts uit een fort van gebakken leem,

waar een garnizoen ligt van tien soldaten, en uit eenige huizen voor

een bevolking van niet meer dan tweehonderd zielen. Te Rigan vonden

wij een wanhoopsboodschap van den perzischen commissaris, dien wij

bijna overvallen hadden, met verzoek onze komst uit te stellen. Wij

hielden met die smeekbede geen rekening.

Tusschen ons en Bampoer strekken zich 250 K.M. van de Loetwoestijn

uit. Maar daar het de beide vorige dagen zwaar geregend had, konden

wij over meer en beter water beschikken dan meestal de reizigers kunnen

doen, en wij legden den weg in negen dagen, bijna zonder ophouden, af.

Te Grazak, ongeveer op twee derden van den weg, verbaasde het ons,

eenige tenten van nomaden te zien en een boschje van palmen. Ten slotte

bereikten wij de rivier Bampoer bij Koesjgardan, waar ik reeds geweest

was. Daar ontmoetten wij eene afdeeling gewapende kameeldrijvers, en

ik heb zelden een woester en ongeregelder troep aanschouwd. Beschermd

door dat escorte en door onze cavalerie van kleine pony's, bereikten

wij Bampoer en van daar Fahradsj.

Op die plaats werden wij met groote staatsie ontvangen; het garnizoen

stond langs den weg geschaard, en de muziek speelde het volkslied. De

commissaris kwam kort na ons aan.

Wij huurden hier dertig beloetsjistansche kameelen, en kwamen overeen,

dat ik een dagreis vooruit zou gaan, om aan de grens tegenwoordig te

zijn, als de Perzen kwamen. De dagen begonnen zeer warm te worden. Te

Soran meldde een bericht van kolonel Holdich mij, dat zij Pandsjgoer

naderde, en dat hij de grens in het midden van Februari hoopte te

bereiken.

Te Isfandak vonden wij een bekoorlijk bosch van dadelpalmen, een

rivier met kristalhelder water, maar geen bewoners. Het dorpshoofd

had zich niet op zijn gemak gevoeld bij het idee, den commissaris

te ontmoeten, want hij was in verschillende plunderingen en andere

wandaden betrokken geweest. Bij gevolg bivouakkeerden hij en zijn

dorpelingen nu in de bergen, afwachtend, wat er zou gebeuren, en

ongetwijfeld der Commissie de schuld gevend van hun ballingschap.

Wij waren nu op den linkeroever van de rivier Mesjked of Mesjkil. Men

kan nog aan haar breede bedding en steile oevers zien, dat het vroeger

een groote waterloop geweest is, terwijl men nu, zelfs in den tijd van

hoog water, er gemakkelijk door kan waden. De wateren van de rivier

worden door de woestijn ingedronken, en ten oosten van Djalsk voeden

zij een gedeelte van de dadelboschjes.

Wij waren slechts twee uren nog verwijderd van ons doel, toen een

boodschapper ons kwam berichten, dat de britsche commissie aangekomen

was, en weldra konden wij de hand van landgenooten drukken na een

reis van meer dan 1000 KM., voor 't meerendeel door woestijnen, met

zeer weinig comfort te onzer beschikking, hetgeen wel een heldenstuk

mag heeten voor een per karavaan reizende dame.

Ik wil hier eenige bijzonderheden meedeelen over de grenscommissie,

die tusschen Perzië en Beloetsjistan werkte, of zooals zij wel genoemd

wordt, de perzisch-kelatsche commissie.

Het is nu meer dan dertig jaar geleden, dat toen er sprake was van een

telegraaflijn van Britsch-Indië over land, Sir Frederick Goldsmith dat

afgelegen gebied bereisde, en het eindresultaat was toen, dat er een

grenslijn getraceerd werd van Koeak naar de zee. Koeak, dat toen als

een sterke vesting werd beschouwd, was te dien tijde onafhankelijk en

bleef dat ook. In het Noorden tot Seïstan was het land nog onbekend,

en men wist eigenlijk niet, aan wien het behoorde, zoodat men daar geen

moeite deed voor de vaststelling der grens. Perzië had toen het geluk,

er een uitmuntende gouverneur te hebben in den persoon van Ibrahim

Khan. Hij deed al wat hij kon, opdat men zich van de vaststelling

der grens zou onthouden; maar toen hij het niet kon verhinderen,

maakte hij zich van Koeak meester, zoodra de engelsche commissaris

vertrokken was. Die daad werd niet erkend door onzen minister van

Buitenlandsche Zaken; maar daar wij nog tien jaren lang geen notitie

namen van ons protectoraat over Kelat, bleef alles bij het oude.

Maar toen wij troepen te Pandsjgoer hadden liggen, en de razzia's

ondragelijk werden, gaven wij Zijner Majesteit Nasr ed Din in

overweging, het nog onbepaalde gedeelte der grens definitief vast

te stellen, terwijl wij terzelfdertijd de quaestie van Koeak zouden

oplossen. Er had op die punten een drukke briefwisseling plaats; een

oogenblik dreigden de onderhandelingen te zullen worden afgebroken,

daar de shah er tegen opzag, zich de kosten te getroosten voor een

commissie, die niet ten doel had, zijn inkomsten te vergrooten,

toen plotseling Naoroz, khan van Kharan, de palmboschjes van Mesjkil

bezette. Dit nieuws bereikte Kirman, waarna de gouverneur mij een

officiëelen brief schreef, om mij te verzoeken, de indringers van

den perzischen bodem te verdrijven. In mijn antwoord deed ik hem

opmerken, dat dergelijke incidenten onvermijdelijk waren, zoolang de

grens niet vastgesteld was, en dat het mij onmogelijk was, in dien

tusschentijd handelend op te treden. Een copie van dien brief werd

door den gouverneur naar Teheran gezonden, en Zijne Majesteit kon zich

dus rekenschap geven van de gevaren zijner onverschilligheid. Toen

besloot de shah toe te geven en de commissie te benoemen, die op het

einde van Februari te Koeah bijeenkwam.

Onze commissie was niet zeer talrijk; voorzitter was kolonel, thans

Sir Thomas Holdich, de commissieleden waren kapitein A.C. Kemball

en mijn persoon. Luitenant-kolonel R. Wahab leidde de topografische

expeditie, en luitenant C.V. Price voerde het bevel over het escorte,

dat uit twee compagnieën fuseliers en eenige sowars bestond.

Wij waren te Koeak aangekomen vier dagen na de engelsche commissie

en het perzische commissielid kwam den volgenden dag, doch als wij

geen haast hadden gemaakt, zouden we ons werk niet voltooid hebben

in het koude seizoen. Zelfs op dat oogenblik was de zon om ruim tien

uur reeds te brandend heet, om niet gevaarlijk te zijn, en de tijd

van helderen hemel, zoo noodig voor topografische opnemingen, duurt

slechts tot einde Maart en wordt gevolgd door zes maanden nevel.

Toen allen bijeen waren, deed zich de moeilijke vraag voor, wie het

eerste bezoek moest brengen. Onze meening was, dat omdat wij het

eerst waren aangekomen, het de Perzen waren; maar dezen, zich op

hun etiquette beroepend, hielden een redeneering in tegengestelden

zin. Kolonel Holdich, beweerden ze, was slechts een afgevaardigde

van den onderkoning van Indië, terwijl de perzische afgevaardigde

den koning der koningen zelven vertegenwoordigde. Het debat zou zich

dagen aaneen hebben kunnen voortzetten; het liep hierop uit, dat,

daar de perzische commissaris en de gouverneur van Beloetsjistan mij

te Kirman een bezoek hadden gebracht en te Fahradsj, zij niet konden

nalaten, nu hun opwachting bij mijn superieur te maken.

Toen de Perzen kwamen, bewezen wij hun alle mogelijke eer. Maar wij

hadden samen slechts een zeer kort gesprek, wat voor een deel het

gevolg was van het feit, dat het Perzisch, 't welk in Indië wordt

gesproken en dat van Iran twee geheel verschillende talen zijn. Men

had in Indië niet genoeg met dat verschil rekening gehouden, zoodat

onze tolk, die voor zijn bemoeiïngen een zeer hoog salaris kreeg,

zelfs niet in staat was een brief te vertalen, en dat de geheele taak

der vertolking op mij neerkwam.

Het uitgangspunt voor het werk der commissie lag aan de Mesjkil

tegenover Koeak; een kunstmatige heuvel werd op den linkeroever

opgericht, niet zonder eenigen tegenstand. Maar voor de plaatsing

van den tweeden grenspaal was langere discussie noodig. Als mijn

zuster den heuvel niet beklommen had, waar wij den hoop steenen

opstapelden, zou nooit de dikke gouverneur van Beloetsjistan in de

beklimming hebben toegestemd. Eenmaal boven, werd hij, na op adem te

zijn gekomen, weerspannig en verklaarde, dat wij hem een kostelijke en

vruchtbare provincie afnamen; feitelijk was het een lapje van twintig

aren. Het feit, dat de grenzen reeds zóó te Teheran waren getraceerd,

beteekende voor hem niets; wij lieten zijn vrienden hem kalmeeren.

De onvermoeide kolonel Wahab verliet ons hier, om de Siaharketen te

bestijgen, en wij gaven hem het denkbeeld aan de hand, zich te doen

vergezellen door Soliman Mirza, vertegenwoordiger van den gouverneur

van Kirman. Deze stemde daar slechts noode in toe; maar hij besteeg

toch piek na piek met zijn engelschen collega, die een volleerd

bergbestijger was.

De beide commissies begaven zich toen in twee étapes naar Isfandak

en van daar naar Djalsk over den Bonsazpas, aan welks begin

wij kampeerden. Daar deed zich een nieuw incident voor, want de

perzische commissaris had laten rondstrooien, dat een grenspaal ten

westen van den pas was geplaatst, hetgeen de gemoederen ten hoogste

verontrustte. Wij gingen ons overtuigen, dat het niets anders was dan

een paal voor de triangulatie, en wij drukten er onze spijt over uit,

dat men ons van zulk een daad verdacht had, waarover de Perzen zich

op hun beurt teleurgesteld toonden.

De beide commissies waren uit de meest verschillende elementen

samengesteld, Engelschen, Perzen, Beloetsjen, soldaten der geregelde

en ongeregelde troepen. Wij hadden veel kameelen bij ons en ezels en

muildieren, alsook een kudde schapen en geiten.

Wij bleven veertien dagen te Djalsk, gedurende welken tijd men de

grenspalen zette, die de palmboschjes van Mesjkil bij Kelat voegden,

zooals te Teheran was afgesproken. Het meer noordelijk gelegen

district was slechts woestijn, en kolonel Holdich stelde, om een

nieuwe wintercampagne te vermijden, voor, als grens de ketenen aan

te nemen, die naar 't Zuidoosten liepen van den Koeh-i-Malik-Sia af

en dan alleen een vliegende colonne uit te zenden voor de exploratie.

Toen de Pers dat goed had gevonden, bleef er niet anders te doen dan

te beschikken over enkele niet belangrijke palmbosschen. Daar ik er

in 1893 in Sarhad over had hooren spreken en ik enkele aanteekeningen

over die quaestie had gemaakt, ging de zaak gemakkelijk.

De oase van Djalsk is zeer groot, zij beslaat een tiental vierkante

kilometers. Men vindt er overal dadelpalmen, waaronder gerst en

tarwe en boonen groeien, en in de tuinen treft men granaatappelen,

vijgenboomen en wijnstokken aan. Een moerassige plas ligt midden in

de oase, die acht verspreid liggende dorpen telt.

In de oase zijn een zeker aantal bouwwerken in het bezit van koepels;

zij bevatten de graven van een oud vorstengeslacht, dat over

Beloetsjistan heeft geregeerd.

Op het perzische Nieuwjaar 21 Maart, even vóór wij uiteen zouden

gaan, onstonden nog weer quaesties over den voorrang tusschen den

gouverneur van Beloetsjistan en den vertegenwoordiger van den Shah,

maar door wat schikken en plooien liep alles goed af.

Den volgenden dag vertrokken wij vroeg van Koeak na een

allerhartelijkst afscheid. Zoo eindigde het werk van de

perzisch-beloetsjistansche commissie.

Wij moesten nu tot Quettah door Britsch Beloetsjistan reizen. Dat

land heeft nog geen historieschrijver gevonden tot heden, ofschoon het

materiaal voor zijn historie gereed ligt. Aardrijkskundig breidt het

westelijk deel zich als woestijn naar het Noorden uit tot de woestijn

Helmand en bestaat in het midden en het Zuiden uit lange, smalle dalen,

die met de grootste regelmaat van het Noordoosten naar het Zuidwesten

loopen. Meer oostwaarts komt men in de beloetsjistansche bergen,

takken van den machtigen Hindoekoesj en op die groote hoogvlakte

liggen Kelat en Quettah. Zooals men kan begrijpen, is het klimaat

van het westelijk deel des lands bijna gelijk aan dat van perzisch

Beloetsjistan, en men vindt te Pandsjgoer dadels, die tot de beste der

wereld behooren; maar tusschen Kelat en Quettah is de koude soms vrij

hevig, en ik herinner mij, dat de kolonel Wahab mij een plek wees,

waar zijn expeditie door een storm was overvallen. In de duisternis

hadden zij hun tenten geplaatst achter een heuvel, naar zij meenden,

en den volgenden dag bleek het, dat het een hoop ossen waren, die

door de vorst waren omgekomen.

De bevolking van britsch Beloetsjistan is zeer gemengd, en zij is

nog in 't geheel niet gewend aan de beperkingen die het leven in de

beschaafde maatschappij meebrengt. Men vergeet echter wel eens, dat

de eerste vertegenwoordiger van Groot-Brittannië pas voor nog geen

twintig jaar te Pandsjgoer verscheen in den persoon van Sir Robert

Sandeman. Daar de Indische regeering niet graag noodeloos groote

uitgaven wilde doen, begon zij gedurende vele winters alleen een

officier op expeditie naar het land te zenden. De Beloetsjen wachtten

dan slechts op zijn vertrek, om hun onderlinge twisten te hervatten.

In 1891 beval majoor Muir, die de rechtspraak in handen had, de

gevangenneming van Mir Sjahdad, een bekend roover. Deze verzette

zich met zijn aanhangers; een ongewapende bediende werd gedood, en de

majoor zelf ernstig gewond, terwijl Shahdad er in slaagde, zich uit de

voeten te maken. Toen hij daarna op de hoogte was gebracht van mijne

aanwezigheid te Kirman, gaf hij zich ten laatste over aan Kemball,

toen deze zijn reis ondernam in 1894 en 1895. Er werd toen een paar

jaar lang een klein garnizoen te Pandsjgoer onderhouden; maar dat

werd in 1896 ingetrokken, daar het land tot rust gebracht scheen.

Eenige kilometers van Koeak verwijderd, werd de eentonigheid van de

reis op aangename wijze verbroken door de verschijning van twee beren,

de eerste, die ik in Beloetsjistan onder de oogen kreeg; zij joegen

Tumbull, die hen had ontmoet, op de vlucht. Wij gingen ze achtervolgen,

maar konden ze niet onder schot krijgen. Beren moeten er zeer zeldzaam

zijn, en ik heb buiten dezen eenen keer nog slechts een enkele maal

hun sporen gezien.

Wij gingen over de Mesjkil, die ongeveer een voet diep was en

koffiekleurig water had en betraden toen het Raksjandal. Die rivier

is breed en ondiep, maar had ziltig water, dat ook de minst verwende

onzer soldaten ondrinkbaar vonden, en het speet ons zeer, dat wij

een vat bier aan onze perzische collega's hadden afgestaan en dat

ons meel beschimmeld en oneetbaar was.

Wij stegen intusschen aanhoudend, zooals ook onze aneroïde barometers

aanwezen. De tochten waren uiterst eentonig; de eene dag volgde

den anderen, zonder dat men ergens een teeken van leven te zien

kreeg. Intusschen waagden wij ons aan gissingen omtrent de oorzaken,

die de bevolking uit het dal hadden doen vluchten. Wij zagen op

de terrasvormige hellingen hier en daar nog hoopen aardewerk

en gereedschap. Natuurlijk had de krijg velen verdreven; maar

buitendien had in dit district, zoowel als in de naburige provincies,

de vernieling der bosschen een vermindering in de hoeveelheid regen,

die er viel, teweeggebracht, had de bronnen doen opdrogen en had ten

laatste de bevolking op de vlucht gedreven.

Toch kan men zich hier wel water verschaffen, en artesische

putten zouden zeker uitstekende diensten kunnen bewijzen; maar wat

mij vooral trof, was de geschiktheid van het land voor de teelt

van kameelen. Overal was de grond dicht bedekt met kreupelhout,

terwijl het klimaat deed denken aan dat van een groot deel van

Afghanistan. Kameelen, die daar werden grootgebracht, zouden zeker

den dienst over de grenzen kunnen waarnemen, wat niet het geval is

met de kameelen uit de vlakte. Zelfs in den jongsten afghaanschen

oorlog heeft, zegt men, de miskenning van deze waarheid den dood van

zes-en-dertig duizend kameelen veroorzaakt, en niet alleen bracht dat

verlies den geheelen transportdienst in de war, maar het veroorzaakte

ook veel ziekten. Het blijft in elk geval te betreuren, dat men geen

gebruik maakt van deze woeste streek, waar wij 320 K.M. ver geen

teeken van leven zagen.

Te Nagha Kelat, waar wij twee dagen bleven, om onze kameelen te laten

uitrusten, maakten wij van het oponthoud gebruik, om de reusachtige

ruïnen, die er zich bevinden, te gaan zien; vooral die van groote

waterréservoirs of _gobasta's_ waren interessant.

Het werd einde April, toen we Kelat bereikten, de hoofdstad van

Beloetsjistan, op de aanzienlijke hoogte van 2100 M. gelegen. De

stad heeft een bevolking van bij de 50,000 inwoners, die in aantal

wisselt met de seizoenen; midden in den winter is de stad zoo goed als

verlaten. De bazars zijn zeer middelmatig, en men ziet aan alles, dat

de hier wonende menschen ver beneden de Perzen staan in de vorderingen

der beschaving.

In 1838, in den eersten oorlog met Afghanistan, werden britsche

officieren naar Kelat gezonden, om de medewerking van den khan te

krijgen bij het noodzakelijk reizen door zijn land op den tocht

naar Kandahar. Men kreeg eenig wantrouwen, dacht aan verraad, en in

November 1839 viel een britsche krijgsmacht Kelat aan en maakte er

zich bij verrassing van meester.

In 1877 kochten de Engelschen Quettah, en in den volgenden oorlog met

Afghanistan bewees Khoedabad, khan van Kelat, ons groote diensten. Zijn

zoon Mahmoed Khan is hem opgevolgd en regeert thans over Kelat.

Maar om mijn verhaal te vervolgen. Wij trokken over een niet zeer

hoogen pas in de bergen en kwamen tegenover een schilderachtig gelegen

fort, waar zich de broeder van den khan bij de britsche commissarissen

aansloot met eenige juist aangeworven lansiers. Ons bivak werd dichtbij

de armoedige gebouwen opgeslagen, waar de politieke agent woont; maar

wij hadden geen reden tot klagen, want de tuin leverde ons de beste

groenten, die wij sinds we te Djalsk waren, hadden geproefd. Daar

had men ons een heerlijken schotel linzen voorgezet. Wij waren nu

weer aan de telegraaflijn, die wij te Kharan hadden verlaten, en

twee étapes verder, na door het heerlijke Mastangdal te zijn gegaan,

bereikten wij den weg van Kelat, die toen in aanleg was en die nooit

geheel voltooid is geworden.

In ons laatste kamp konden we den spoorweg zien over den Bolanpas,

zoo goed als geheel voltooid. Onze perzische bedienden kwamen zeggen,

wat het was, blij dat ze ons wat nieuws konden vertellen. Onze

paarden namen hier met niet veel genoegen de noodige rust en gingen

bijna op hol, toen ze eerst een spoorwaggon en toen het station

zagen. Wijzelven waren verrukt van de frischgroene omgeving en de

mooie lanen, en toen wij eindelijk het consulaat van Quettah hadden

bereikt, voelden wij neiging, om uit te roepen: "Hier moet werkelijk

het paradijs zijn geweest!"

De vriendelijke ontvangst van Sir James Brown, zijn mooi huis met

het echt engelsche aanzien en vol van smaakvolle weelde, besloten

op aangename wijze deze reis, en mijn zuster kon voortaan aanspraak

maken op de eer, de eerste vrouw te zijn geweest, die te paard van de

Kaspische Zee naar Indië reed over een afstand van meer dan 3000 K.M.

V

Seïstan.--Zijn geschiedenis.--De delta van de

Helmand.--Vergelijking van Seïstan met Egypte.--Uitstapjes

in Helmand.--Terugkeer van Yezd naar Kirman.

Een nieuwe tocht ter grensvaststelling was noodig, om het werk te

voltooien van de engelsch-perzische commissie, tusschen Afghanistan,

Beloetsjistan en Perzië. Op 2 Januari 1899 waren wij te Robat-Kelat

aangekomen, dichtbij den zuidwesthoek van Afghanistan, en we zouden

Seïstan binnentreden. Zonder weer het werk der grensregeling te

beschrijven, wil ik een en ander meedeelen over de aardrijkskundige

gesteldheid van dit land, dat tot nu toe zoo onvoldoende bestudeerd is.

Seïstan is het land der roemrijke geslachten van krijgers, waar Rustem

uit is voortgekomen, de held van Firdoesi's heldendicht, die nu nog,

als vóór duizend jaren, de nationale held der Perzen is. Al wat men

niet begrijpt, wordt aan hem toegeschreven, zelfs bij voorbeeld de

sassanidische beeldhouwwerken op de rotsen te Persepolis.

De tijd der dynastieën van Parthen en Sassaniden wordt in die

provincie door geen merkwaardige gebeurtenissen gekenmerkt; maar

de arabische veroveraars zijn er misschien verantwoordelijk voor,

dat de zeer oude steden Keikobad en Garsjap totaal verwoest zijn,

en dat op die plekken arabische steden zijn verrezen.

In 1363 maakte hij, die later de beroemde Timoer worden zou, zich van

verscheiden dorpen meester; maar hij werd verslagen en moest zich in

Makran terugtrekken. In dezen veldtocht deed hij de wonde op aan den

voet, die hem den bijnaam _lang_, den kreupele, bezorgde, waardoor hij

Timoerlang of Tamerlan werd. Hij verscheen weer één-en-twintig jaren

later, maar als veroveraar en moordenaar en maakte zich van Zirra,

daarna van Zalidan meester, dat toen waarschijnlijk de hoofdstad der

provincie was. Het garnizoen der stad werd aan zijn degen geregen, en

de ruïnen bleven aan de jakhalzen overgelaten, die er nog leven. Tot

overmaat van ramp vernielde Timoer het groote afdammingswerk, dat

den naam van _Band-i-Rustem_ droeg.

Door zulke rampen veranderde geheel het voorkomen der

provincie. Seïstan, bestaande uit het meer en de delta, door de

Helmand gevormd, was op dat oogenblik door aanslibbing der rivieren

aan de noordzij van het meer ontstaan, terwijl het latere bewoonde

Seïstan op de plaats lag van het verdwenen en uitgedroogde meer.

Dat Alexander de Groote op zijn tocht deze streken passeerde, bewijst,

dat zij toen niet zoo droog waren als tegenwoordig, en op een groot

deel van Azië is ditzelfde van toepassing.

Het tegenwoordige Seïstan heeft de Helmand of Hilmend tot oostgrens,

terwijl zich in het Noorden en Westen de hamoen uitstrekt, de

lagune. In het Zuidoosten van het bewoonde Seïstan bevindt zich de

_Gand i Zirra_ of het Zirrahol, waarin het water der lagune gebracht

wordt door den Sjelag, een waterloop van 350 M. breedte met 15 M. hooge

oevers, waar ik er overheen trok. Het groote bekken zelf is minstens

160 KM. lang en 50 KM. breed; het heeft zeker al het water opgenomen,

dat men nu in het meer vindt, of ten minste al het overvloedige

van de hooge waterstanden, anders kan men zich onmogelijk de groote

uitgestrektheid verklaren. Als het meer veel water heeft, is de Sjelag

een rivier met zout water, die met de Helmand evenwijdig loopt maar

in tegengestelde richting en daarvan gescheiden is door zandduinen. In

't algemeen is er niet anders dan een moeras in de laagste inzinking,

en zelfs in het voorjaar bedekken de wateren geen tiende deel van

zijn oppervlakte. Volgens Istakhri liep de Helmand uit in het meer

Zirra. Vóór de aankomst van Tamerlan was de rivier afgedamd en van

dien dam, de Band-i-Aok of Akoa ging een breed kanaal uit, dat diep

was en waaruit het district in het Zuiden werd besproeid. Men vindt

er nu niet anders dan de resten van groote steden. De grootste was

Hauzdar, waar volgens de legende de zoon van Rustem gedood werd.

De hoofdarm van de delta vloeide toen naar het Noordwesten, maar toen

na den inval der Tartaren en de verwoesting der kanalen Hauzdar zijn

toevoer van water verloor, werd Sekoeba de hoofdstad van Seïstan.

Voor zoo ver wij weten, hadden er geen groote veranderingen plaats,

tot een zestigtal jaren geleden volgens Conolly, die er kort daarna

een reis ondernam, de nieuwe afdammingen door het water weggesleurd

werden en Seïstan tot droogte veroordeelden. Tusschen 1840 en 1850

heeft men weer nieuwe leidingen aangelegd.

Toen Sir Frederick Goldsmith als scheidsrechter was benoemd tusschen

Perzië en Afghanistan, plaatste hij de grens aan de rivier, waarvan

de loop niet was veranderd. Maar acht jaren geleden baande zij zich,

door de alluviale aanslibbingen waarschijnlijk, een doorgang naar

het Westen, en op den tijd van ons bezoek stroomde de hoofdarm van de

Helmand onder den naam van Roed Perian naar het Oosten en evenwijdig

met de Roed Nasroe, die Djahanabad, Ibrahimbad en Djalalabad had

verwoest, de wieg der kejanische dynastie. Men begrijpt, dat de rivier,

die geen tegenstand meer ontmoette, haar oorspronkelijken loop hernam,

en van toen af konden de Afghanen zich terecht beklagen, dat zij op

een droogje werden gelaten, daar de arm de Nad-i-Ali slechts weinig

water had.

Om op de geschiedenis terug te komen, het land werd na Tamerlan

bestuurd door den stam der Kejaniërs, die voorgeeft, af te stammen

van de koninklijke familie der Achemeniden. Het hoofd was nu en dan

onafhankelijk, maar toen de dynastie der Saffaren haar hoogtepunt

van macht had bereikt, moest hij zich onderwerpen en erkende het

oppergezag van Perzië.

Toen Isfahan belegerd was geworden door de Afghanen, kwam Malik

Mahmoed, de regeerende vorst, te hulp met 10,000 soldaten, maar daar

de overweldigers hem het bezit van Khorassan hadden beloofd, liet hij

de koningsstad aan haar lot over. Kort daarna werd hij te Mesjed door

Nadir gevangen genomen, die zich op de eerste plaats begon te dringen,

en zijn erfgenamen, twee broeders, hielden een beleg van zeven jaren

uit op den Koeh-i-Khoya; maar zij verzoenden zich ten laatste met

den overheerscher en onderwierpen zich.

Bij den dood van Nadir Sjah werd het koninkrijk Afghanistan gesticht

door shah Ahmed, die geheel Oost-Perzië in bezit had, met Kain

en Seïstan erin begrepen, provincies, die van Herat uit bestuurd

werden. De stam van de Kejani's verdween langzamerhand; op het eind der

18de eeuw werd de stam der Nahrveï's uit Beloetsjistan uitgenoodigd,

zich in Seïstan te vestigen, om een tegenwicht te vormen tegen de

Sjahreki's en Sarbandi's.

Tegen 1850 werd Ali khan, het hoofd der Sarbandi's, schatplichtig

aan Perzië en verkreeg de hand der dochter van Bahram Mirza, een

bloedverwant van den shah. Doch deze werd overwonnen en gedood door

een van zijn neven Tadsj Mohammed, die eerst erkend werd, doch later

in de gevangenis geworpen, toen ontsnapte en verder een zwervend

leven leidde, dat hij te Quettah eindigde.

Daarna nam de perzische regeering geleidelijk Seïstan in bezit en

begon de forten aan de overzij van de Helmand weer te bezetten. Maar

Sjïr Ali, de beheerscher van Afghanistan trachtte dat te beletten,

en om een oorlog tusschen Perzië en Afghanistan te voorkomen, stemde

de britsche regeering erin toe, scheidsrechterlijk op te treden,

volgens het tractaat van Parijs.

Het was een moeilijk geval. De scheidsrechter had niet alleen

tusschen tegenstrijdige eischen te kiezen, maar moest ook den waren

_status quo_ vaststellen. Toen generaal Goldsmith echter inzag, dat

een volledige enquête onmogelijk was, kwam hij naar Teheran terug en

liet van daar zijn beslissing vallen, waardoor de Helmand de grens

werd, en Perzië het geheele gedeelte kreeg, waar eenige opbrengst

van was te verwachten. Toch kwamen beide partijen in hooger beroep,

en de beslissing werd uitgesteld.

Seïstan werd een weinig uit het oog verloren. Maar de openstelling

van den weg Quettah-Noesjki-Khorassan, een der resultaten van de

perzisch-afghaansche onderneming tot vaststelling der grens, vestigde

er weer de aandacht op, en kapitein Webb Ware bracht er een bezoek

aan in 1897. Er werd een russische vice-consul benoemd in den herfst

van 1898, en in datzelfde jaar kreeg ik de opdracht, er een britsch

consulaat te vestigen.

Intusschen waren wij aangekomen bij de zwarte, lage bergketen

Koeh-i-Malik-Sia, die alleen belangrijk is, omdat daar de drie rijken,

Groot-Brittannië, Perzië en Afghanistan aan elkander grenzen.

Ik ontmoette Wood en zijn expeditie bij het station Hoermak, het

laatste waar wij vóór Helmand nog versch water zouden vinden. Dan zou

een eindelooze, dorre vlakte volgen, die een troosteloozen aanblik

opleverde.

Den volgenden morgen kwamen wij aan den oever der Sjelag, die groote

zoutwaterplassen vormde, waar eenige eenden in rondzwommen. In een

diagonaal passeerden wij de breede, diepe bedding der rivier, en na den

linkeroever te hebben bereikt, zagen wij de eerste ruïnen. Wij sloegen

ons kamp op te Girdi-Sjah, waar ik mijn post moest vestigen niet ver

van de Ramroed-ruïnen, waar de huizen, van leem opgetrokken en reeds

zoo lang verlaten, nog zoo goed als bewoonbaar waren. Girdi-Sjah,

de eenige plaats, die mijlen ver in 't rond drinkbaar water had aan

te bieden, wordt altijd aangedaan door de karavanen, die uit Perzië

of uit Afghanistan komen. Mijn sowars hebben er wat koren gezaaid en

hebben de putten en bronnen schoon gemaakt, zoodat daar later een dorp

zal kunnen ontstaan, wat een groote weldaad voor de karavanen zal zijn.

De volgende etape bracht ons door een gebied van verlaten steden

en dorpen. We passeerden de ruïnen van Koendar en Hauzdar, en we

kampeerden te Asak-Sjah, waar wij eenige bronnen met vrij goed water

aantroffen, in de buurt waarvan groote kudden schapen graasden. We

waren nu dicht bij het bewoonde Seïstan.

Over een grasvlakte rijdend, kregen wij weldra het eerste

besproeiïngskanaal te zien, dat wel 5 M. diep was. Onze paarden waren

overgelukkig, en zij dronken zoo begeerig, dat wij hen wel tot hun

eigen heil moesten weghalen. Langs door het water afgesleten rotsen

kwamen we bij Varmal, een groot dorp, bevolkt met een duizendtal

inwoners. In ons kamp aangekomen, genoten we van de verrassing, daar

zakken met gerst en meel te vinden; we waren nu weer in een land

van overvloed.

Ik ben getroffen geworden door de overeenkomst, die er bestaat tusschen

Seïstan en Egypte aan den eenen kant, en Sarhad en Palestina aan

den anderen. Seïstan is even afhankelijk van de rivier de Helmand

of Hilmend als Egypte van den Nijl, en de beide districten zijn de

korenschuren voor de omringende gebieden. Eveneens maakt de droogte

juist als in Palestina het land in Sarhad onbewoonbaar; de kudden

schapen en geiten sterven door gebrek aan voedsel. Als ik in Sarhad

onderzoek deed naar een stam, die er vroeger had gewoond, luidde

onveranderlijk het antwoord, dat hij naar Seïstan was gegaan.

Zooals Abraham en Jacob genoodzaakt waren naar Egypte te gaan, om

het bestaan van hun gezinnen te verzekeren, zoo vereenigen de nomaden

zich in Seïstan en in de buurt. Om de vergelijking te voltooien nog

dit, dat, zooals de reiziger in Egypte door de arabische woestijn

trok met het oog gericht op de Middellandsche Zee, zoo sleepen zich

de herders, die van hongersnood te lijden hebben, met moeite door de

woestijn naar Seïstan en zien daar de breede Helmand en de moerassen,

het vochtige land, dat herders en kudden van den dood zal redden.

Ons eerste bezoek aan het meer vertoonde ons een groote uitgestrektheid

water, volkomen open en bedekt met myriaden wilde vogels. Als ze

opvlogen maakte dat hetzelfde geluid als de zee kan maken, als de

golven breken op de kust. Zij waren buiten het bereik van onze geweren,

en wij hadden geen boot om erbij te komen.

In het kamp teruggekeerd, vonden wij er een ambtenaar, dien

de gouverneur gezonden had, om ons naar zijn residentie te

geleiden. Gedurende den tocht naar Nasratabad vielen velen onzer

kameelen met hun lasten neer, soms in de irrigatie-kanalen. Er is

geen treuriger aanblik, dan zoo'n arm schip der woestijn in het water

te zien.

Op zes kilometer afstands van Nasratabad voegde zich de gouverneur,

Mir Masoem Khan, bij ons. Maar na enkele begroetingen en wat muziek

ter eere van den avond, die aan den Ramadan voorafgaat, liet men ons

in ons kamp met rust.

Het fort van Nasratabad, vroeger Nasirabad, is gebouwd door den emir

van Kain, nu zoowat dertig jaar geleden, in den tijd toen Perzië zich

in Seïstan vestigde, in de onmiddellijke nabijheid van Husseinabad,

een belangrijk dorp van twintig duizend zielen. Het bestaat in een

omsloten ruimte van een weinig meer dan 50 HA. oppervlakte, omringd

door negen meter hooge muren van aanzienlijke dikte, waar torens op

zijn geplaatst dicht bij elkaâr. Daaromheen een overdekte weg met

schietgaten en een diepe gracht, die soms vol water is.

In het inwendige ziet men van vijftig tot honderd winkels, waar

soldaten zich met den handel bezig houden tijdens hun verblijf in

Seïstan. Ook treft men hier en daar enkele kleine, bebouwde velden

aan en overal ontmoet men ezels als rij- en lastdieren. Het garnizoen

van Nasratabad bestaat uit twee regimenten.

Mir Masoen Khan, de gouverneur, is een jonge man van negentien jaren,

wien ik op 't eerste gezicht vijf-en-twintig zou hebben gegeven,

misschien gedeeltelijk omdat hij een blauwen bril droeg. Wij brachten

hem den dag na onze aankomst een bezoek. Hij had een bleeke, ongezonde

tint, en ik vond hem zeer onwetend en lichtelijk ijdel, wat in die

omgeving van perzische hovelingen niet te verwonderen was.

Van Nasratabad keerden wij naar Varmal terug, waar ik samen zou komen

met de expeditie Webb Ware. Twee dagen later verliet zij ons, en om

het gevoel van eenzaamheid te overwinnen, besloot ik den Koeh-i-Khoya

te gaan bezoeken.

Het is de eenige berg van Seïstan, en hij speelt een groote rol in

de oude heldengeschiedenis van het land. De berg is niet hoog en

vlak, en men zou hem zeker den Tafelberg hebben genoemd, als de

Perzen tafels hadden. Alleen van het zuiden en zuidoosten was de

berg toegankelijk. De geheele oppervlakte was overdekt met openingen,

resten van mijnen en grachten, van waterleidingen en réservoirs van het

regenwater, of men vond er gesloten graven, waar ruw opeengestapelde

steenblokken op lagen of een koepeltje van leem was gebouwd.

Van den Koeh-i-Khoya ging ik naar Band-i-Seïstan aan de Helmand. Te

Dolatabad, stond de omgeving onder water en het dorp was een eiland

geworden. De huizen zijn ellendige leemen hutten met modderpoelen

ervoor en een ezel ernaast. Zoo is het heel Seïstan, ook te Sehkoeba,

het volgende dorp, dat doorgaat voor de hoofdstad van Seïstan.

Wij brachten meer dan één bezoek aan de Helmand, de Etymander uit

de oude aardrijkskunde. Het is een mooie rivier, even breed als de

Theems vóór den Tower van Londen, en na vele maanden reizens door de

woestijnen, was voor ons de aanblik bijzonder verkwikkend.

De dam bij Band-i-Seïstan scheen zeer weinig soliede. Maar misschien

ligt zijn kracht in zijn zwakheid, want hij kan gemakkelijk hersteld

worden, terwijl een steenen dam, op die plek aangelegd, een verandering

zou kunnen teweegbrengen in den loop der rivier.

Ten tijde van de expeditie naar Seïstan had hij de volgende

afmetingen. De totale lengte was 220 M. de grootste breedte 33 M.,

de hoogte 5 1/2 M. Op den tijd van mijn bezoek waren breedte en hoogte

van den dam sterk verminderd, en ofschoon het laag water was, vloeide

de stroom erdoor of er overheen. Het eenige hout, dat erbij gebruikt

was geworden, was dat der tamarinde; palen van geringe dikte waren

in de bedding der rivier geslagen en dunne takken waren er doorheen

gevlochten. Om de constructie steviger te maken, worden er takkebossen

aan toegevoegd, die ieder jaar vernieuwd moeten worden. Zoo is Seïstan

feitelijk zonder water, als de toevloed, teweeggebracht door het

smelten der sneeuw op de Berberbergen opgehouden heeft, en duizenden

dorpelingen moeten dan aan het werk gaan, om den dam te herstellen.

Er wordt beweerd, dat de Helmand uitstekende visch levert; maar die

wij vingen, was altijd flauw en smakeloos. De oevers van het kanaal,

dat Madar Ab of Moeder der wateren wordt genoemd, zijn bedekt met

een dichten plantengroei van lage tamarinde, een der weinige jungles,

die ik in Perzië heb gezien.

Wij gingen in den omtrek op snippen en eenden jagen. Het was geen

kwaad jachtterrein; maar wij liepen onophoudelijk door het water,

en zoo werd het zwaar werk. Al dit land, dat nu met tamarindestruiken

en hoog riet bedekt is, was nog slechts enkele jaren bebouwd.

Men vindt er ook nog ruïnen van oude steden, als Sjahristan en

Zahidan. De belangwekkendste waren die van een toren van gebakken

steen, omstreeks twintig meter hoog. Een breede bres aan de zuidzijde

bedreigt hem met verval en instorting, welke ramp niet lang meer kan

uitblijven. De toren, waarop koefische opschriften zijn te lezen,

was blijkbaar de minaret van een verdwenen moskee.

Nadat wij weer eenige dagen in het kamp te Nasratabad hadden

doorgebracht, toog ik er op uit voor eene nieuwe excursie, waarbij

ik mij voorstelde, de lagune te bezoeken. Rondom het dorp Haldimi

woont aan de oevers der lagune de stam der Sajaden, die mij belang

inboezemden, omdat ze waarschijnlijk tot de oorspronkelijke bevolking

van het land behoorden. Dat beweren ze ten minste, en hun uiterlijk

schijnt het te bevestigen.

Dichtbij hen wonen de Gaudars, wier kudden zich te goed doen aan

het jonge riet van de lagune. De koeien van Seïstan genieten een

goede reputatie.

De Sajaden zijn volgens hun zeggen de eenige echte Seïstani's,

en dat is mogelijk, want zij alleen hebben kunnen ontkomen aan de

mongoolsche horden, door voorraden mee te nemen aan boord van de

groote vlotten en zich ermee in het riet te verbergen. De stam telt

ongeveer vierhonderd gezinnen.

Wij gingen door Djalalabad, vroegere bezitting van den stam der Kejans,

nu een onbeteekenend plaatsje. De nieuwe loop van de rivier heeft het

dorp gespaard, maar 't bouwland vernield. Wij bezochten de ruïnen aan

de Roed Nasroe. Men vindt daar overblijfselen van steenen huizen, die

op een beteren bouwtrant wijzen dan de gewone leemen verblijven. Zeker

hebben Timoer en shah Roek aan de perzische beschaving een zwaren

slag toegebracht, waardoor de loop der geschiedenis een wijziging

heeft ondergaan.

Mian Kangi bleek een dichte jungle van tamarindestruiken tusschen die

Roed Persian en de Helmand, waar op de open plekken dorpen lagen. De

rivier, de Helmand, is er zeer ondiep; de bedding was bijna droog,

toen wij erdoor trokken. Daar wij niet door de dichte struiken konden

marcheeren, moesten wij wel de rivier volgen, en in de weinige dorpen

hoorden wij telkens verhalen over de onderdrukking door de Afghanen.

De uit Europa gekomen schrijvers zijn naar mijn bescheiden meening veel

te streng, als zij over toestanden in Perzië oordeelen. Om alleen maar

over deze provincie Seïstan te spreken, vóór de perzische regeering

er bezit van nam, was het leven van geen enkel reiziger er veilig. En

ten tijde van de eerste zending naar Seïstan was daarin reeds veel

verbetering gekomen, terwijl men nu in het district even veilig is

als in de meeste landen van Europa. Een geregelde immigratie heeft

er plaats uit Afghanistan, en zoo neemt het bebouwde deel van het

land steeds toe; het is wel verviervoudigd onder de regeering van

Nasr ed Din.

Mijn beide excursies hadden mij Seïstan goed doen zien, en ik kan er nu

met kennis van zaken over oordeelen. Het wordt, zooals ik heb gezegd,

in twee deelen verdeeld, de boomlooze streek en de jungle. In beide is

de grond dezelfde en bestaat in hoofdzaak uit een lichte leemsoort. Op

sommige einden treft men veel vierkante kilometers van zandheuvels, die

toch wel voor bebouwing geschikt zouden zijn. Rondom Nasratabad bevat

de grond veel zout en men vindt er veel gaten en kuilen en ondiepe

plassen, die een opperbeste kweekplaats opleveren voor schadelijke

muskieten. Gelukkig dat er van April tot Juni in Seïstan een nog al

krachtige wind waait, die het district bewoonbaar maakt en, hoewel

warm en niet aangenaam, toch de malariadampen wegvoert.

Lord Curzon behandelt in zijn boek over Perzië uitvoerig de quaestie

van Seïstan uit politiek oogpunt. Ik heb haar slechts beschouwd met het

oog van den geograaf. Er is reeds opgemerkt, dat het een klein Egypte

was, een korenschuur voor de omliggende streken. Dat karakter wordt nog

meer in het oog vallend door de ligging van het land halfweg tusschen

de russische bezittingen en de Perzische Golf, met aan beide zijden

zeer weinig bevolkte landstreken. Daarbij is het 't eenige bebouwde

district tusschen Quettah en de provincie Kirman. Aan den anderen kant

bestaat het bebouwbare Seïstan met een bevolking van nauwelijks 100,000

inwoners, 7000 nomaden daaronder begrepen, uit niet veel meer dan de

delta der Helmand. Ik geloof niet, dat de groote hoeveelheden water,

die tegenwoordig ongebruikt worden gelaten door een andere mogendheid

dan die, welke den bovenloop der rivier in haar bezit heeft, kunnen

worden gebruikt, en in die omstandigheden kan men niet verwachten,

dat de bebouwde gronden sterk zullen toenemen in den eersten tijd.

Auvergne.

(Puy de Dôme en Cantal).

Door G. Bosch.

In den afgeloopen winter speelde het toeval mij kort na elkaar boeken

en tijdschriften in de hand, die den geologischen toestand van het

hoogland van Auvergne behandelden.

Het gelezene wekte zoo zeer de belangstelling op, dat uitgebreider

lektuur over dit onderwep gezocht en gevonden werd, en langzamerhand

het plan tot rijpheid kwam om in den zomer die streken eens te gaan

bezoeken.

De eerste bronnen, die voor de reis geraadpleegd werden, waren

natuurlijk reisgidsen en onder deze bijzonder die van Ioanne "Auvergne

et Centre", omdat voor eene streek in Frankrijk een fransche reisgids

het beste geacht moest worden. Toch bleek later dat dit niet geheel

uitkomt. De schrijver toch van dien gids is niet kunnen ontsnappen

van het algemeen gebrek zijner landgenooten. De Franschen houden

namelijk zoo verbazend veel van hun land, dat zij niet kunnen nalaten

zich aan overdrijving schuldig te maken, als zij er over spreken

of schrijven. Wat bekoorlijk en lief is, wordt prachtig; wat minder

goed en minder fraai is, wordt verzwegen. Mijn indruk van het land,

in korte woorden saâmgevat, is, dat de vorming van het land, bijna

aan alle zijden en bij elken stap herinnerende aan zijnen vulkanischen

oorsprong, zoo hoogst belangwekkend is, en dat daarnaast de historische

gebouwen, zoowel de nog in hun geheel aanwezige als de bouwvallen, zóó

mooi en zóó belangrijk zijn, dat de reiziger niet eens de inderdaad

fraaie natuurtafereelen, die niet zelden naast en dikwijls boven

het andere de aandacht trekken, noodig heeft om zich schadeloos te

stellen voor het minder aangename dat eene minder bereisde streek

hem soms bieden kan.

Wanneer de fransche gids (uitgave van 1904) zegt, dat men, buiten

de meer bezochte streken komende, verstandig zal doen een inwoner

mede te nemen als gids, omdat de bevolking in opschudding zou komen

indien een toerist zich alleen vertoonde, en omdat de politie zich

verontrusten zou en hij zich aan vervelende onaangenaamheden zou

blootstellen,--waarom men in elk geval van een soort van paspoort of

ander officieel stuk voorzien dient te zijn,--dan maakt die fransche

schrijver zich, ten koste van zijn eigen volk, schuldig aan eene

flauwe overdrijving. Gedurende een veertiendaagschen tocht heen en

weer door 't gansche land, alléén en als toerist, met den ransel

op den rug, afgelegd, had ik mij nergens minder over te beklagen,

dan over de plattelandsbevolking. De menschen waren overal even

vriendelijk en beleefd. Bij het maken van een praatje in eene

herberg of op eene boerderij,--langs den weg ontmoet men er weinig

menschen,--deed zich echter een ander, minder prettig verschijnsel

voor. De menschen verstonden mij wel, maar konden dikwijls niet in

het fransch antwoorden. Kinderen en jongelieden, die ik bijv. naar

den weg vroeg, gaven altijd vlug, nauwkeurig en beleefd antwoord

in een benijdenswaardig zuiver fransch; zij leeren dat op de

school; maar de Auvergnaten hebben van ouds hunne eigene taal, de

"langue d'Oc". Zoo lang zij in de steden of op de buitenplaatsen

als dienstboden verkeeren, of zoo lang de mannen hunnen dienstplicht

vervullen, onderhouden zij hun fransch; maar in de dorpen teruggekeerd,

vergeten zij het op lateren leeftijd en spreken onderling alléén de

eigen taal. Het is mij meermalen voorgekomen, dat men mij in een

gesprek, dat al dadelijk niet vlotten wilde, zeide: "ik heb mijn

fransch vergeten". Misschien hebben zij aan dat onbeholpene den naam

van stuursch en teruggetrokken te zijn te danken.

"De guide Ioanne" overdrijft nog aan eene andere zijde. Opzettelijk

prijst hij de hotels, zelfs op de kleine plaatsen, en noemt maar een

paar dorpen op, waar de zindelijkheid twijfelachtig zoude zijn. Nu

is mijne ondervinding wel eenigzins anders. Op het platteland

en in de kleinere steden krijgt men overal in de herbergen goede

maaltijden. Heerlijk grappig waren de zelden ontbrekende menu's, met

onbeholpen hand geschreven en, met minachting van alle taalregels,

zuiver naar den klank gespeld! De bedden zijn ook in den regel goed;

maar de netheid der vertrekken laat wel eens te wenschen over. De wijze

van ontvangst is evenwel overal zoo echt fransch beleefd en aangenaam;

de gesprekken waarin men door waard of waardin gewikkeld wordt zijn

zoo gezellig, dat men ongemerkt veel over 't hoofd ziet. Als heer

alléén kan men zich overal redden, en er is aan alle zaken ook een

vroolijken kant,--maar aan dames zoude ik niet aanraden in Auvergne

op andere plaatsen te logeeren, dan in de grootere badplaatsen en

verder te Clermont Ferrand, te Vic-sur-Cère en te Lioran. In deze

beide laatste plaatsen vindt men hotels van den Orleans-spoorweg,

die niets te wenschen overlaten. Gelukkig kunnen de belangrijkste

punten van die plaatsen uit bezocht, en kunnen van daar uit prachtige

bergtoeren ondernomen worden, zoodat Auvergne met glans op de lijst

der pleizier-reizigers gehandhaafd blijft.

Naast deze opmerkingen nog eenige algemeene zaken.

Wat gaat men in Auvergne zien?--De vulkanische vormingen en de

monumenten van middeneeuwsche bouwkunde.

In de eerste plaats de vulkanische vorming van het land. Ik geloof niet

dat er een streek in Europa is, die den leek na eenige voorloopige

lectuur over vulkanen, zoo goed op de hoogte kan stellen van de

vervormingsgeschiedenis der aarde. Ik wil niet verbergen, dat toen

Auvergne op mijn reisprogram kwam, mijne vulkanische wetenschap niet

van aanbelang was. Vesuvius en Krakatau, met Gruadaloupe, ziedaar de

voornaamste punten; eene duidelijke voorstelling van wat ik er moest

gaan zien, had ik niet. Gelukkig kwam ik in aanraking met een geoloog,

die zoo vriendelijk was, mij in algemeene en zeer juiste trekken een

en ander mede te deelen. De lezer houde mij eenige vreemd klinkende

woorden ten goede, de toelichting is zonder die lastige namen niet

te geven; ze zijn trouwens niet talrijk.

De vulkanen, zoo zeide mijn deskundige, worden verdeeld in

_massa_-vulkanen, en in _strato_-vulkanen. De _massa_-vulkanen voeren

in hunne gloeiende lava geene gassen en dampen mede; ze breiden zich

rustig uit en de lava bouwt de kegels op. De _strato_-vulkanen voeren

daarentegen in de lava vele dampen en ontploffende gassen mede. Het

gevolg daarvan is onverhoedsche en heftige uitbarstingen, waarbij

steenen, asch en waterdampen de lucht ingeslingerd worden. Bij

het terugvallen der vaste stoffen, bouwen deze dan ook weder de

kegels op. De meeste vulkanen van den tegenwoordigen tijd zijn

_strato_-vulkanen, en hiertoe behooren ook de nu uitgedoofde in

Auvergne. De plotselinge uitbarstingen der _strato_-vulkanen hebben

eene voortdurende verandering der kegels ten gevolge, en dikwijls

vernielen zij de bestaande. Bij de _massa_-vulkanen is de voortdurend

betrekkelijk rustig uitvloeiende lava oorzaak, dat de kegels steeds

hooger op gebouwd worden. De meeste vulkanen hebben meer dan één

krater, of eene reeks er van, die om den hoofdkrater zijn geschaard. De

Vesuvius bijv. heeft ongeveer 900 van die bijkraters. Soms ook is er

geen hoofdkrater, en vloeit de lava uit spleten naar buiten.

De kegel van een _strato_-vulkaan is dus opgebouwd uit eene

onzamenhangende massa asch en steenen. Komt er aandrang van binnen,

dan zijn de wanden van den kegel dikwijls niet stevig genoeg om

weerstand te bieden tot de lava zich boven ontlasten kan, en men

krijgt dan zijdelingsche ontladingen, die instorting der kegels

tengevolge hebben. De kegels krijgen dan den vorm van een hoefijzer,

dat op het overblijvende deel van den kegel rust. Dergelijken heb ik

in Auvergne veel gezien.

_Strato_-vulkanen staan altijd langs de zeekust of bij groote

binnenmeren; over den geheelen aardbodem vindt men daar voorbeelden

van, zooals Japan, Formosa, de Sunda-eilanden. In Auvergne treft

men als 't ware twee reeksen van vulkanen aan, en die hebben dan ook

vroeger aan de kust gestaan. Door de nabijheid van water worden de

_massa_-vulkanen _strato_-vulkanen; de waterdampen hebben dan spoedig

heftige uitbarstingen tengevolge. De vulkanen in Auvergne werkten toen

Noord-Frankrijk, België en Nederland nog niet bestonden en Auvergne een

kustland was. Zij werkten--nu komen een paar erg vreemde woorden--in

het jonge tertiaire tijdvak. Nederland is in 't opvolgende tijdperk,

het quaternaire, ontstaan.

Ziedaar wat ik vernam, en wat voldoende was, om 't geen ik later

zag te begrijpen. Eene verdere vraag, aangaande de kenteekenen der

verschillende voorkomende gesteenten, als daar zijn graniet, basalt,

lava en nog heel veel andere, kan voor een leek niet voldoende

beantwoord worden. In het algemeen is lava niet zoo vast van vorm;

het heeft poriën, dikwijls grootere holten en gaten, en ziet er

soms ook weer glasachtig uit; maar er zijn tal van soorten, wier

bijzondere kenmerken alleen door den deskundige te vatten zijn. De

overige vulkanische gesteenten zijn niet zoo eenvoudig aan te duiden;

zij gaan buitendien te veel in elkander over; de kleuren zijn ook

niet vast, maar wijzigen zich naar den warmtegraad waaronder zij

gevormd werden, en later onder den invloed der lucht.

De ouderdom der vulkanen; de tijd waarin zij werkten en sinds wanneer

zij rusten, laat zich niet anders dan bij duizendtallen eeuwen meten.

Wat nu aangaat 't geen men in Auvergne in de tweede plaats gaat

zien, de monumenten der middeneeuwsche bouwkunde, daarover kan beter

gesproken worden bij het bezoeken der monumenten zelve.

Zijn deze aanduidingen omtrent de vulkanen wellicht te algemeen,

bij latere bespreking der landstreek valt er wellicht nog meer ter

toelichting te zeggen. Van harte hoop ik dat de lezer aan 't gegevene

genoeg heeft;--zoo niet, dan helpe hem verdere studie en een onderzoek

ter plaatse!

Ik noodig u thans uit, de reis met mij te aanvaarden,--zonder paspoort

en zonder zorg voor onaangename ontmoetingen, als gevolg van dien. Nog

eene aangename mededeeling vooraf. Het reizen in Auvergne is zeer

goedkoop, en gidsen zijn overal overbodig; men komt er wel.

En nu van Amsterdam met den morgentrein naar Parijs, denzelfden avond

nog van het P.L.M. station naar Clermont-Ferrand, om daar tegen 4

uur in den ochtend aan te komen en nog een aangename nachtrust te

genieten eer we de stad gaan bezichtigen. In het Hôtel de la Poste,

op de Place de Jaude, vinden we alles wat we wenschen kunnen.

Clermont-Ferrand is eene aangename, ruim gebouwde stad met 52000

inwoners. Het oude gedeelte, dat tegen en over de hoogte gebouwd is,

heeft zeer schilderachtige hoekjes, en hier en daar mooie oude huizen,

een enkel in romaanschen, meest alle in renaissance-stijl. 't Zijn

echter gewoonlijk maar enkele deelen die de aandacht trekken: eene

fraai gebeeldhouwde deur, eenige mooie vensters, eene binnenplaats met

een wenteltrap. Want er is in Clermont maar weinig geheel onaangeroerd

gebleven; 't meeste is sterk vernieuwd of geheel nieuw.

De stad is gebouwd ter plaatse van eene oude gallische nederzetting,

en zelfs in de latere tijden gaven enkele opgedolven voorwerpen

recht tot de onderstelling, dat er vóór de Galliërs reeds een ouder

oorspronkelijk volk woonde. De Romeinen noemden het Augusta Nimetum;

de tegenwoordige naam komt eerst in de achtste eeuw voor. Spoedig na

de stichting werd het de zetel van een bisdom, en niettegenstaande de

inwoners zich in den loop der tijden herhaaldelijk eenige zelfregeering

trachtten te verschaffen, is hun dit eigenlijk nooit voor in den

nieuwen tijd gelukt. Zij kregen eerst een eigen bestuur tijdens

de groote omwenteling, en zijn daar toen wel wat ruw bij te werk

gegaan. Een zelfde geschiedenis is die van geheel Auvergne; bij de

verwisseling van de overmacht der geestelijken heeren tegen die van den

adel kwam de bevolking altijd van den regen in den drop; dat dit tot

het einde der 18de eeuw heeft kunnen duren, mag ons eenige verwondering

baren, omdat het bij ons meer geleidelijk is gegaan, en daarom bij

ons dan ook het overgangstijdperk niet zoo heftig is geweest.

Museums zijn er te keur in Clermont, maar er worden geene groote

merkwaardigheden in bewaard, en daarom ging ik ze voorbij. Op den

Cours Sablon bewonderde ik de fontein van Amboise, een keurig monument

uit de 16de eeuw, bestaande uit een achthoekigen staander, die in

een kleine gotische lantaarn uitloopt. Zij heeft twee bassins boven

elkaar, keurig in steen gebeeldhouwd. Het is een sierlijk stuk werk.

Het middenpunt van verkeer is de Place de Jaude, een ruim plein,

versierd met een ruiterstandbeeld van Vercingetorix in steen en een

bronzen standbeeld van generaal Dessaix. Het uitzicht op den Puy

de Dôme, dat men van dit plein heeft is opmerkelijk mooi. Behalve

het monument "du Centenaire", dat men bijna in elke fransche stad

van eenige beteekenis heeft, is er nog een standbeeld van Blaise

Pascal: de beroemde schrijver is geplaatst in een bloemrijk parkje,

in smaakvolle omgeving.

De cathedraal, in 1248 begonnen, is in zuiver gothischen stijl,

maar maakt geen indruk; ze werd gerestaureerd door Violet le Duc en

is van buiten geheel in donkere Auvergne-steen. 't Inwendige is kaal;

de mannen der revolutie hebben ook daar huisgehouden. Het beeldhouwwerk

is ook niet bijzonder. De gothische stijl is in Auvergne nooit gewild

geweest, wellicht omdat hij opkwam toen het land in oorlogen gewikkeld

was. De romaansche stijl kwam er vroeger, in voorspoedige dagen, tot

hoogen bloei, en een keurig voorbeeld is de Nôtre Dame du Port, een

juweel van bouwkunst, thans verscholen in onaanzienlijke straten en

staande in eene diepte,--en met alle juwelen dit gemeen hebbend, dat

de leek in de bouwkunst het schoone er van begrijpen en genieten kan.

Wat is nu het bijzondere dier romaansche bouwkunst? Natuurlijk zou

daar niet zoo bijzonder bij stilgestaan worden, indien de schrijver

niet eene bijzondere voorliefde voor dien bouwstijl had. Eene

voorliefde te omschrijven is moeielijk, maar 't kwam mij altijd

voor, dat die uiting der kunst in de middeneeuwen zoo beminnelijk

eenvoudig was; dat zij alles gaf wat men toen kon daarstellen, en

nooit naar kunstmiddelen van verdacht gehalte zocht, om 't geen men

zich toch wel bewust was dat er aan ontbrak te bedekken. Dat werd in

latere tijden wel eens over 't hoofd gezien, en men verkreeg daardoor

gebouwen die niet bevredigen. De romaansche bouwstijl uitte zich het

meest volkomen in de kerken, en werd daarin ook het best bewaard. In

den eersten tijd van het Christendom was de grondvorm van alle kerken

een langwerpig vierkant [1]; de binnenruimte werd door twee of meer

rijen van pijlers in drie of meer afdeelingen (beuken) overlangs

verdeeld. De wanden werden versierd met kleuren en figuren; het dak

was een gewoon schuin dak, zooals men zich dat in den eenvoudigsten

vorm op ieder huis denkt; de dakgebinten waren gewoonlijk geheel

zichtbaar. Van die monumentale kerken--men noemde ze "basilica"--zijn

nog enkelen uit dien vroegeren tijd over in Klein-Azië, maar vooral in

Italië; te Rome nog uit den tijd van keizer Constantijn. Later in de

middeneeuwen, en wel tijdens en onmiddellijk na Karel den Grooten,

ontwikkelde zich voor de kerken een nieuwe bouwstijl; hij had de

oud-romeinsche kunst tot grondslag en ontleende daaraan zijn naam

"romaansch". Een zijner voornaamste kenmerken, de ronde bogen,

werd uit de romeinsche bouwkunst overgenomen.

In plaats van het langwerpig vierkant kreeg nu de kerk den vorm van

een kruis. De korte bovenarm werd het koor; de zijarmen heetten het

transept; de lange arm het schip. Aan weêrszijden van het schip waren

zijgangen, evenals in de basilica, alleen er van afgescheiden door

kolommen. Langs het transept en het koor werden spoedig kapellen

bijgebouwd; later werden de zijgangen ook om het koor heen gebouwd,

en nog weêr later ook om de zij-armen van het transept heen; overal

kwam daardoor langs die zijbeuken gelegenheid tot het aanbrengen

van kapellen. De ronde bogen werden niet alleen aangebracht boven

ramen en deuren, maar ook tusschen de pijlers; en de gewelven die

schip en koor en zijbeuken bedekten, in afwijking van het vroegere

schuine dak, waren ook rond; aanvankelijk zoogenaamde tongewelven,

later kruisgewelven, maar alles altijd half cirkelvormig.

De krypten of onderkerken, die zich aanvankelijk alleen onder het

koor, later onder de geheele kerk uitstrekken, werden algemeen. De

ingangen tot die onderkerken zijn meestal naast het koor. De krypten

zijn allen overwelfd; zij zijn zeer eenvoudig gehouden, met wel de

soberste versiering die men zich denken kan: een enkel gebeeldhouwd

kapiteel aan eene kolom. Maar dat is dan ook alles.

De torens waren aanvankelijk achthoekig en laag, geplaatst boven de

vierkante ruimte waar de armen van het kruis elkander snijden. Bij

latere kerken komen ook torens voor aan weerszijden van den ingang,

en die ingang was dikwijls uitgebouwd en daksgewijze afgedekt, of tot

een karakteristiek klokkentorentje opgetrokken. Was eene romaansche

kerk inwendig arm aan versieringen, des te meer werk werd er gewoonlijk

van den ingang gemaakt.

We hebben dus, in afwijking van het vroegere, een kerk in kruisvorm

en eene overspanning door gemetselde gewelven, waar in de vroegere

kerken de bedekking eenvoudig uit een gewoon schuin dak bestond,

iets dat trouwens bij de romaansche kerk als buitenste afdekking

bleef bestaan, 't Spreekt van zelf dat bij de uitsluitende toepassing

van halfronde bogen en gewelven, de kerken altijd wat lager bleven;

zoodra men in later tijd voor goed had bevonden, dat een gemetselde

boog ook spits kon toeloopen en dientengevolge ook spitsbooggewelven

gebouwd konden worden, werd de vorm der gebouwen ook slanker; en toen

er eenmaal slankere kerken ontstonden, maakten de vroegere den indruk

van plomp en gedrukt te zijn. De bouwmeesters in Auvergne hebben dat

niet kunnen overwinnen; langs den Rijn en in Engeland waren ze in

dat opzicht wat gelukkiger.

Er zijn nog meer bijzonderheden aan den toenmaligen bouwstijl

eigen. Bijv. de kolommen, die de zijbeuken van het schip scheiden,

zijn nooit allen gelijk, maar om den anderen werd eene doorloopende

zuil geplaatst. De versieringen aan de kapiteelen en den voet der

kolommen waren allen hoogst eenvoudig en steeds weinig uitspringend,

de groote muurpanden die ontstonden boven de halfronde bogen waren

vlak en later dikwijls beschilderd. Na de 12_de_ eeuw kwam de tijd

der spitsbogen; de bouworde bleef in hoofdzaak romaansch, maar de

nieuwe bogen kwamen steeds meer op den voorgrond en de wijze van

constructie der gebouwen moest dientengevolge gewijzigd worden;

gedurende een betrekkelijk lang tijdperk kreeg men een gemengden

stijl. De bouwmeesters zochten naar verbetering en brachten allerlei

versieringen aan, waaruit ten laatste de gothische stijl ontstond;

deze ontwikkelde zich uit het romaansch, zooals het romaansch zich uit

het romeinsch ontwikkeld had, maar nam weer van zijnen voorganger over.

In Auvergne waren weinig overblijfselen van romeinsche bouwkunst; in

het naburige Provence en elders juist veel; de Auvergnaten konden dus

minder van de romeinsche voorbeelden overnemen, en zoodoende kregen

hunne gebouwen een bijzonder karakter; en dit te meer omdat zij,

arm aan voorbeelden, rijk waren aan goede bouwstoffen en daardoor een

anderen weg opgingen bij het versieren van hunne gebouwen. Al dadelijk

door verschillende steensoorten te gebruiken, sommige glad, sommige

poreus, dan weer van verschillende kleuren, die zij alle in hunne

bergen voor het nemen hadden. Het bijzonder karakter der monumenten in

Auvergne moet dus meer beschouwd worden als een gevolg van bestaande

toestanden, dan wel als de gewilde uitkomst van eene kunstschool.

De Notre-Dame-du-Port beantwoordt geheel aan de gegeven algemeene

trekken van den romaanschen bouwstijl. De geheele kerk is overwelfd, de

zijbeuken zijn door halve tongewelven gedekt. De kapiteelen der zuilen

dragen als versiering bloemen, fantastische voorstellingen van dieren;

enkele dragen menschelijke figuren met opschriften. Prachtig is dit

beeldhouwwerk niet; de beeldhouwers in Auvergne stonden niet zoo hoog

in kunstvaardigheid als de bouwmeesters; maar de kinderlijke eenvoud

der voorstelling houdt gelijken tred met de wijze van uitvoering,

en maakt een zeer aangenamen indruk. De muurvakken zijn alle wit;

hier en daar zijn met zachtgekleurde steenen figuren aangebracht,

geen van alle buiten het vlak der muur uittredende. Eene ruit,

een vierkant, een cirkel, een kruis, een klaverblad, alles in

heerlijken eenvoud, maar aardig doende in die stemmige omgeving. De

buitenmuren van het schip vertoonen kleurige figuren, verkregen door

het inmetselen van verschillende steensoorten. De kerk is gebouwd

in de 11de en begin der 12de eeuw. De hoofdingang is eene dubbele

deur, door een gebeeldhouwden stijl gescheiden. Aan de zuidzijde is

nog een ingang, met aan weerszijden groote figuren in laag relief;

het halfcirkelvormige boogschild boven de deur (het tympaan) is rijk

met kleine figuren voorzien; jammer genoeg zijn deze wat geschonden.

De Notre-Dame-du-Port te Clermont, de kerk te Issoire en die te Orcival

zijn de fraaiste typen van den romaanschen stijl in deze streken.

Er zijn te Clermont twee versteenende bronnen, die de moeite van

een bezoek overwaard zijn. Het bronwater bevat veel koolzuur en kan

daardoor eene groote hoeveelheid ijzer- en kalkverbindingen opgelost

houden. Zoodra het koolzuur aan de lucht ontsnapt, slaan de ijzer-

en kalkzouten neer; van deze eigenschappen heeft men gebruik gemaakt

tot het vervaardigen van aardige voorwerpen. Men voert het water door

buizen, waarin men er eerst zoo veel mogelijk het ijzer aan ontneemt,

en laat het dan als regen neerkomen op de voorwerpen die men versteenen

of, beter gezegd, met eene kalklaag overdekken wil, zooals mandjes met

vruchten, druiventrossen, vogelnestjes met eieren, enz. De uitkomst

is inderdaad verrassend. In de tuinen om de bronnen heen zijn allerlei

versteende wonderen tentoongesteld; menschen, vee, paarden; natuurlijk

waren het poppen of opgezette exemplaren, en daar nu het verkalken van

dergelijke voorwerpen langen tijd vordert en op de eene plaats al wat

dikker uitvalt dan op de andere, winnen de voorwerpen niet in losheid

en natuurlijkheid, 't Kwam mij voor, dat deze reeds van af de straat

zichtbare lokvogels wel wat al te veel van een boerenkermis hadden.

Eene andere merkwaardigheid van Clermont-Ferrand is niet daar, maar

te Mont-Ferrand te vinden, dat ongeveer drie kwartier van de stad

ligt. De tramrit er heen geeft weder een verrassend mooi uitzicht op

den Puy de Dôme. Mont-Ferrand is een stadje van 3500 inwoners, dat men

alleen bezoekt om enkele oude huizen te zien. Het huis _l'Elephant_,

aldus genaamd naar een geschilderden dikhuid boven een der ramen,

dagteekent waarschijnlijk uit de 12_de_ eeuw. Het huis _Adam_ en _Eva_,

naar een gevelsteen. Het huis van den apotheker is, evenals het vorige,

uit de 16_de_ eeuw; de eerste verdieping is in steen, de twee volgende

in houten vakwerk, telkens boven elkaar vooruitspringend; boven in den

topgevel zijn een paar beeldjes aangebracht, die aan het huis zijn

naam gaven. Er zijn nog verscheidene andere merkwaardige huizen, 't

eene bekend om een deur met keurig smeedwerk, 't andere om eene aardig

versierde binnenplaats; dan weer een met een fraaie wenteltrap. Jammer

is het dat van instandhouding geen sprake is. Die huizen zijn thans

alle in gedeelten door kleine neringdoenden bewoond, en inzonderheid de

binnenplaatsen en wenteltrappen van eene ongeëvenaarde onzindelijkheid

en in diep verval.

Met het bezichtigen van dit alles bracht ik den eersten dag door. Den

volgenden ochtend vroeg zou ik uitgaan op eene wandeling in den omtrek

en de bestijging van den Puy de Dôme. Daartoe wenschte ik, gelijk ook

voor de verdere reis, eenige nadere inlichtingen te hebben en begaf me

naar het kantoor van het "Syndicat" (Vereeniging ter bevordering van

het vreemdenverkeer) van Clermont. Al mijne vragen werden voorkomend

en beleefd beantwoord, en de inlichtingen bleken naderhand geheel

juist te zijn. Kaarten kon ik niet koopen, maar men gaf mij 't adres

van den besten winkel voor die zaken op. Doch eene fout mag ik niet

onvermeld laten. Men ontraadde mij een diligence-rit over Beaumont

naar Montdore, en beval mij aan om per spoor tot Issoire en van

daar per diligence naar Montdore te gaan. De beide routen zijn goed,

maar 't bleek me later op de diligence, onder een vriendschappelijk

gesprek met den koetsier, dat de aanbevolen rit eene onderneming van

het Syndicat was, en de rit over Beaumont eene van een mededinger

te Montdore. 't Is te betreuren dat zulke syndicaten zich niet

buiten dergelijke ondernemingen houden; zij verliezen daardoor

het zoo hoog noodige onzijdig karakter. Onder het gesprek met den

beambte van het syndicat bleek mij ook, dat voetreizigers hier tot

de uitzonderingen behooren; in den tijd der auto's krijgen ze een al

te sterke ouderwetsche tint. Ik ontmoette dan ook op den geheelen

tocht geen collega's en in de meeste hotels (herbergen) werd ik

duidelijkshalve als "le Touriste" aangeduid.

Behoorlijk uitgerust met eene kaart, uitgave van het Ministère de

l'Intérieur, toog ik er den volgenden ochtend op uit; van Clermont den

weg naar Royat op, naar Chamalières en van daar langs voetpaden naar

Villars. De omgeving was mooi, maar de wegen waren ongemakkelijk en

hier en daar bitter slecht onderhouden. Gunstig stak daarbij af een

deel van eene oud-romeinsche heerbaan, die me tot Villars bracht;

het is een stuk van den ouden weg van Clermont naar Limoges. Aan

weêrskanten een flink verhoogd voetpad; de rijweg belegd met regelmatig

behakte, langwerpig vierkante lavablokken, trots de eeuwen van zijn

bestaan nog een voorbeeld hoe wegen gelegd moeten worden. Van Villars

loopt het pad verder over La Baraque, maar men kan ook door het dorpje

Cheix gaan, al naar dat de vele kronkelingen er u heenleiden. Ik trof

onderweg een vriendelijk oud vrouwtje uit Cheix aan, die mij in de

hitte niet verder wilde laten gaan, eer ik bij haar eene verfrissching

had gebruikt. Na Cheix heeft men nog een aardig kijkje op het dorp

Orcines en gaat dan over den straatweg voorbij het kruispunt Le Font

de l'Arbre naar den Col de Ceyssat. Gedurende die wandeling heeft

men den Puy de Dôme steeds rechts voor zich en begint het hoe langer

hoe duidelijker te vinden hoe hij aan dien naam kwam. Op den Col de

Ceyssat staan een drietal herbergen, die zich alle drie met den naam

van hotel tooien, en waar men u keur van maaltijden aanbiedt. Men

heeft dan nog 432 M. te klimmen, en hoe de meeste reizigers er toe

komen om daar eerst een dejeuner te gebruiken voor men met klimmen

begint, wilde mij niet recht duidelijk worden.

Het pad naar den top (1465 M.) is vol afwisseling en een aangenaam

bergpad. Eerst door weiden, spoedig in dennenbosch, om later wat

steiler, over en langs rotspartijen, boven te komen. De uitzichten

worden bij elke kronkeling in het pad mooier, en hier en daar is voor

eene bank gezorgd. Men krijgt spoedig den indruk dat geen der bergen

daar hoog is, het uitzicht gelijkt meer op eene vlakte met heuvels.

Bij Villars was ik reeds langs eene _cheire_ gekomen; dat zijn

oude lavastroomen, die, nog onverweerd, volkomen onvruchtbaar

bleven. Wanneer men er zoo van boven opziet en de kronkelingen

waarneemt,--de gladde, bruinroode oppervlakte spiegelt zelfs hier en

daar in de zon,--dan krijgt men eerst voor goed den indruk van zoo'n

lavastroom, en heeft men een voorproef van de vele overblijfselen

van het vulkanisch tijdperk in Auvergne. Hier en daar langs het

pad ziet men ook rotsblokken op en door elkaar, die u doen denken

aan uitgebrande steenkoolslakken. In deze omgeving maken ze echter

meer den indruk van merkwaardig grillige vormen, dan van vulkanische

overblijfselen.

Boven op den Dôme is ook eene cantine, waar het eenvoudige maal zeer

goed smaakt.

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906 · 第 26 / 49 题