Op het hoogste punt staat het meteorologisch observatorium, dat als

eerste plaats van waarneming van dien aard in Europa, in 1876 ingewijd

werd. In 1648 had de Puy de Dôme reeds gediend om uit het verschil

in hoogte van eene kwikkolom den druk der atmosferische lucht aan

te toonen. Périer nam de proef op verzoek van Pascal. Nu bevindt er

zich, in ruime gebouwen, de meest volkomen inrichting tot het doen

van allerlei weerkundige waarnemingen. Het merkwaardigste van den

Puy de Dôme is echter de tempel van Mercurius, helaas wat te veel

een bouwval. Hij werd in 1874 ontdekt, toen men begon te bouwen

aan het observatorium. Eene heerlijke plek hebben die romeinsche

bouwheeren uitgezocht; het moet een treffend gezicht zijn geweest van

uit de vlakte, toen die gebouwenmassa zich daar verhief. Mij dunkt,

de bewoners van het dal hadden in de oude dagen grootscher uitzicht

op dien heidentempel daarboven, dan wij nu hebben van de hoogte af

op de cathedraal van Clermont, wier fijne omtrekken door den afstand

geheel verdwijnen, en wier twee slanke torens maar een onbeduidenden

indruk maken.

Van den Puy de Dôme heeft men een prachtig uitzicht op het hoogland van

Auvergne; de Franschen noemen het met groote ingenomenheid "une des

plus curieuses du monde". Zonder hen dit na te zeggen, want de heele

wereld heb ik niet gezien, geef ik hun gaarne toe dat het bijzonder

mooi is. 't Geen er vooral aantrekkelijk van is, is het neerzien op de

uitgebrande vulkanen van de bergketen, met hunne kraters, zoo duidelijk

zichtbaar, en op de zoo even reeds besproken lavastroomen. De geheele

vlakte van Limoges ligt voor ons, noordwaarts schijnt zij onbegrensd;

naar het oosten toe loopt ze op tegen de hoogten van Forez. Men zegt

dat bij gunstig weder de Mont-Blanc van hier zichtbaar is,--maar ik

had het genoegen niet. In het Zuid-oosten de bergen van Livradois

en de ketens van Velay. Zuidelijk de omtrekken van de Mont-dores en

westelijk de granietruggen van Limousin. Noordwaarts omlaag ziende,

heeft men vlak aan zijne voeten een ouden krater, de Nid de la Poule;

rechts den Puy de Dôme, de groote en de kleine Suchet, en weêr meer

links den Puy Pariou en den Puy des Gaules, waarvan men duidelijk de

vroegere krateropeningen waarneemt. Men denke zich echter daarbij geen

woest tafereel en geene wildernis; de vulkanen zijn allen met gras

begroeid, hier en daar met boschpartijen; de valleien zijn akkers en

de kraters vruchtbare weiden. Dat men aan een dier kraters den naam

van het hoendernest gaf, komt zeer begrijpelijk voor. De wetenschap

kan hier van vulkanen en kraters spreken; de toerist heeft voorloopig

nog het geloovig toekijken.

Ik bleef nog lang boven, om goed thuis te komen in de verschillende

toppen en hunne onderlinge ligging.

Bergafwaarts volgde ik denzelfden weg tot aan Le Font de l'Arbre,

maar stak daar den straatweg over in de richting van Fontanat,

een schilderachtig dorpje, waar ik geene levende ziel tegenkwam en

daarom met te meer aandacht de aankondigingen van het gemeentebestuur

las, voorschrijvende dat men rechts moest loopen en dat rij- en

voertuigen niet draven mochten. Waarschijnlijk maakte die gemeente zich

weerbaar tegen auto's. Voorbij Fontanat werd de weg zeer lommerrijk

en in de nabijheid van Royat, langs de oevers der Tiretaine, zeer

schilderachtig; hier en daar watervalletjes, prachtige boomgroepen,

kastanjes vooral, frissche boomgaarden, heerlijk groen en diepe

schaduw.

Royat is een der sierlijkste badplaatsen van hoog-Auvergne. Van

Fontanat afdalende, komt men eerst in de oude stad, beroemd om zijne

vestingkerk. Omstreeks de 13de eeuw werd zij tot eene versterking

omgebouwd, iets dat men toen meer deed. Een zonderling gezicht zoo'n

kerk met schietgaten en kanteelen boven het dak uit. Men had vooral

die versterkingen geheel gerestaureerd, en nam daartoe de steensoort

waaruit de kerk indertijd opgetrokken was, een materiaal dat men

in den naasten omtrek nog voor 't grijpen had. Mij scheen het toe,

dat de ligging der kerk haar weinig tot verdedigingspunt eigende,

en ik voelde de booze verdenking bovenkomen, dat hierbij meer

aan de fantasie van den bouwmeester gedacht moest worden, dan aan

den drang der omstandigheden. Ook de steenen der restauratie waren

fantastisch, want ze waren nog niet met het stof der eeuwen overtogen,

en vertoonden nog de grillige vlammen van pas uitgehakte lava. Dat

ontnam aan 't geheel de stemming. Het nieuwe Royat, de badplaats,

is zeer sierlijk en vol levendig en weelderig gedoe, maar heeft geen

bijzonder karakter. Ik keerde per tram van Royat naar Clermont terug.

De volgende dag was bestemd voor den tocht naar Montdore; eerst per

trein tot Issoire, en dan per diligence (_car alpin_)naar Montdore. De

reis was te ver om te voet te worden afgelegd.

Van plaatsbeschrijvingen van streken die men per spoor doorvliegt,

ben ik geen vriend. De snelheid waarmede 't eene 't andere opvolgt

kan in den regel niet dan verwarde algemeene indrukken geven. Daarom

slechts de vluchtige opmerking, dat de weg schilderachtig is, vooral

wanneer men de rivier de Allier kruist of op korten afstand de oevers

volgt. Bij de stadjes, die men langs komt, heeft men nog eene sierlijke

hangbrug over de rivier. Men komt voorbij Vic-le-Comte, voorheen de

hoofdplaats van Auvergne, waar de bloedigste tafereelen uit zijne

middeneeuwsche geschiedenis afgespeeld werden. Dan voorbij Coudes,

met bouwvallen van abdijen en kasteelen, verlaat dan de Allier weder

en komt in de vlakte van Issoire. 't Speet me zeer, dat ik geen tijd

had om te Issoire de groote kerk te gaan zien, die veel overeenkomst

heeft met de Notre Dame du Port te Clermont, doch deze in afmeting en

versiering overtreft, maar de car alpin waarmede ik naar Montdore zoude

rijden, staat aan 't station klaar, en hoewel de postillon op de vraag

of er plaats was, antwoordde dat er alleen gebrek aan reizigers was,

werd de reis met groote overhaasting aanvaard.

Een plaatsje naast den postillon werd door mij ingenomen, en spoedig

vernam ik van hem, dat ik maar 10 K.G. bagage vrij had, en dat mijn

handkoffer wel meer zoude wegen, maar dat hij zoo onheusch niet was,

om daar dadelijk op 't kantoor over te spreken. Alweder het oude type,

door dezen jongen man ten tooneele gevoerd; in één opzicht evenwel

verschillen die heeren daar, van het bij ons inheemsche soort. Zij

staan in de eerste plaats op den titel van postillon; koetsier is hun

wat min. En dan, ze zijn wondergraag met monsieur aangesproken. Dat was

me al meer opgevallen, een tramconducteur hoort ook gaarne monsieur,

ze laten dit spoedig merken; en wanneer men den koetsier van eene

car alpin of gewone diligence maar altijd met monsieur aanspreekt,

dan behoeft de fooi later nog niet eens zoo heel ruim te zijn, om op

voorkomendheid, ook aangaande het overwicht van den koffer te kunnen

rekenen. Niet dat die vrienden hooger geacht willen worden dan zij

zijn, maar ze zijn gaarne even hoog als ieder ander.

Bij het verlaten van Issoire stijgt de weg westwaarts langs den

linkeroever van de Causse d'Issoire. In 't verschiet teekenen

zich de omtrekken der Dore-bergen tegen den gezichteinder; rechts

verheffen zich de wanden der hoogvlakte van Pradines als muren steil

omhoog. Links enkele bergspitsen. Die steile wanden der hoogvlakte

van Pradines vertoonen op den rand de eerste vulkanische vorming

van eenigen omvang die ik nog zag; die bovenranden bestaan alle uit

rotsblokken, blijkbaar in vuurgloed gevormd; het zijn uitgedoofde

slakken in de grilligste gedaanten en van reusachtige afmetingen. Wat

verder, voorbij het dorpje Perrier, ziet men in de wanden vierkant

gehakte gaten; het zijn de overblijfselen van vóórhistorische woningen,

waarvan eenige nog bewoond worden door de gezinnen der bewakers van

de wijnbergen. Daar is ook eene pyramidaal omhoog gaande rots, die

te meer de aandacht trekt omdat er een torentje op gebouwd is; 't is

thans een bouwval, die toren van Maurifolet, en men kan hem volgens

de inlichtingen van mijnheer den postillon alleen bereiken door een

inwendig in de rots uitgebroken wenteltrap. De weg loopt overigens

tot St. Nectaire door eene zeer welvarende streek. De gedeeltelijk

ingehaalde oogst was van goede hoedanigheid en meestal tarwe. Ik

zag er verscheidene kweektuinen voor druiven, met opschriften dat

er puike gezonde stekken uit Californië, Australië en meer afgelegen

oorden te krijgen waren. De druivenziekte schijnt daar dus onder de

inheemsche boomen sterk huis te houden. Er werd veel geploegd, eene

zeer ondiepe voor, en 't trok mijn aandacht dat op dien vetten grond de

ploeg altijd maar met ééne koe--en 't vee is er niet zwaar--bespannen

was. Waarschijnlijk kon dit, omdat de grond sterk gemengd was met

lavagruis, en daardoor wat losser. Eigenaardig was het hanteeren

van den ploeg. Bij den kop der koe eene vrouw met een langen staak,

waaraan een platte beitel; daarmede stak zij voortdurend de vette

klei van de eene zijde der ploegschaar af en maakte daartoe met den

staak steeds een zwaai boven haar hoofd. De man die den ploeg stuurde,

verrichte bovendien dezelfde zwaai-beweging, om met zijn staakbeitel

de ploegschaar aan de andere zijde te bevrijden. Wanneer men dat werk

zoo aan den gang ziet, kan men zich aanvankelijk dat zotte gezwaai

met die staken niet verklaren.

Na een rit van 4 uur kwamen we te St. Nectaire, waar twee uur stil

gehouden werd voor het middagmaal. Ik liet mijn koffer doorgaan naar

Montdore en besloot het overige van den weg, nog 28 kilometer te voet

af te leggen en tevens St. Nectaire wat nader te bezien. We waren

te St. Nectaire-le-bas aangekomen, dat geen dorp is maar alleen eene

bad-inrichting, waaromheen hotels. Zijne bijzondere merkwaardigheid is

een _dolmen_, een steen van 4 M. lang en ruim 2 M. breed en 70 cM. dik,

rustende op drie steenbrokken; eenige schreden van daar vindt men

nog eene verzameling geplante steenen, die geheel den indruk geven

van een verwoest hunebed.

Men vindt er verder ook eene grot met versteenend water, en

verder doorgaande, steeds langzaam stijgend, ziet men spoedig

St. Nectaire-le-haut sierlijk tegen een berg aangeleund, en op den top

van dien berg de fraaie kerk, een merkwaardig monument uit de 11de en

12de eeuw, in 1878 geheel gerestaureerd, met twee stompe torens aan

de voorzijde en een achthoekigen op het kruis. De gewelven rusten

ook hier niet alleen op gemetselde pijlers, maar bij afwisseling

op kolommen, en de versiering der kapiteelen is zeer opvallend; op

een er van komt de kerk zelf voor. In de sacristij bewaart men een

allermerkwaardigst beeld van St. Bauduin, van eikenhout, bekleed met

verguld koper; het hoofd en de hals van gedreven koper, met beweegbare

oogen van ivoor en hoorn. Al verder stijgende komt men te Boissières,

gebouwd op vulkanische gesteenten, waarin men hier en daar ook weder

holenwoningen ziet; dan weder afdalend in het dal der Couze, met een

zeer kale _Cheire_, zoo troosteloos als ik er nog geene zag, en dan

Murols, een smerig dorp, bekend om de prachtige bouwvallen van zijn

kasteel, thans eigendom van het departement. Sommigen schrijven deze

bouwvallen een zeer hoogen ouderdom toe, anderen gaan niet verder terug

dan de 15de eeuw. Ze staan op een bazaltheuvel van 729 m. hoogte,

en zijn een der merkwaardigste overblijfselen van den franschen

vestingbouw in deze streken. Een bewaarder vraagt u 50 centimes

toegang, maar laat u overigens vrij. Eerst komt men in een kring

van vestingwerken op eene ruimte, die het geheele kasteel omringt,

dan leidt een steil pad omhoog, en ziet men bij eene poort naast den

grooten toren twee romaansche kapelletjes, één uit de 11de en een

uit de 12de eeuw, tegen elkaar gebouwd. Het kasteel is dus om die

bestaande kapelletjes heen gebouwd, of het is zelf van nog ouderen

datum. De eigenlijke kasteelpoort is uit de 15de eeuw, en uit dien

tijd stammen ook de vestingwerken. Er is nog een klein gebouw, dat er

wat vroolijker uitziet en uit lateren tijd dagteekent. Het beklimmen

van den toren is zeer aan te raden, om het goede overzicht over het

geheel der gebouwen en om het prachtige uitzicht op den omtrek.

Voorbij Murols krijgt men een boschrijk dal, zoo bezaaid met

vulkanische brokken, dat men haast zou gaan denken aan eene

vóórhistorische verzameling van slakken-steenen; dan bereikt men

spoedig het verrukkelijk gelegen meer van Chambon, een waterplas van

ongeveer 60 hect. ter diepte van bijna 6 M., op 880 M. hoogte. Men

beweert dat dit meer gevormd is door een lavastroom, neerkomende

van den Tartaret, die de Couse afdamde. De oppervlakte vermindert

voortdurend; naar men zegt ontsnapt het water door spleten die in den

lavadam ontstaan. Spoedig zal dat meer echter nog wel niet verdwijnen,

en nog menigeen zal zich in de allerbekoorlijkste ligging kunnen

verheugen. Op den achtergrond ontwaart men de allergrilligst gevormde

rotsen van den Dent du Marais. Voorbij het meer krijgt men een prachtig

uitzicht op het dal van Chaudefour, en het dorp Chambon naderende,

ziet men eerst op het kerkhof eene kleine romaansche grafkapel, zoo

eerlijk en zuiver van stijl en zoo goed bewaard gebleven als maar

mogelijk is; zij dateert uit de 11de eeuw en wordt in de wandeling

zeer oneigenlijk het Baptistère genoemd.

Chambon is niet groot en niet zindelijk, maar aan de samenvloeiing

der Couze en der Surain zoo schilderachtig gebouwd, en zoo allerliefst

tusschen de boomen gelegen, dat men de onzindelijkheid spoedig vergeet

en besluit den maaltijd maar elders te nemen, om hier zijne oogen

met toenemenden lust te gast laat gaan. Alles is bij het bouwen aan

het toeval overgelaten, maar daaruit is een geheel ontstaan, dat de

bouwers niet droomden en niet bedoelden. De huizen op zichzelf hebben

niets bijzonders, maar het geheel aan de beide stroompjes en onder

het hout is bekoorlijk.

Van Chambon gaat het verder door het diepe dal van de Surain, overal

met dennenbosschen bedekt, met groote slingers omhoog tot aan het

gehucht Bressouleille. Ditmaal is het een gelukkig verschijnsel als

de wandelaar wat moede wordt, want bij het rusten is de klimmer altijd

geneigd om eens achteruit te zien hoe hoog hij al gekomen is; en juist

achteruit zijn hier de heerlijkste vergezichten. Een kleine bergstroom,

de Diane, ziet men van val tot val vooruit springen, en zijnen loop

volgende krijgt het oog een prachtig rustpunt in het meer van Chambon

en op zijne mooie omgeving. Het is van deze hoogte bijna nog mooier,

dan wanneer men aan de oevers staat! Van Bressouleille gaat het al

maar met groote slingers over eene hoogvlakte, dan door weiden, dan

door bosschen omhoog; verderop is de weg uitgekapt in de wanden van

den Puy de la Croix Morand; 't landschap wordt eentonig en somber, tot

men op den bergrug komende, den Col de Diane (1360 M.) bereikt en, na

zich eene korte wijle verheugd te hebben in een effen weg, op eenmaal

het prachtige dal der Dordogne voor zich heeft. Men ziet de badplaats

Bourboule in de verte, de meren Guéry en La Roche-Tuillière, hoewel op

grooten afstand, bijna aan zijne voeten. Nu met korte slingers snel

omlaag; in de weiden, voor 't eerst op deze reis, tal van bloemen;

om een rotsachtig voorgebergte heen, en daar ligt het vriendelijke

Mont-Dore voor u.

De wandeling was aangenaam geweest; de afwisseling groot en de laatste

verrassing: het uitzicht op het dal der Dordogne, zette de kroon op

het werk. Daar kon wel een tegenvaller op overschieten, en die kwam

ook. Ik vraag u, wat heeft een voetreiziger met den ransel op den

rug te verwachten, wanneer hij daar zoo om licht en donker in eene

fransche modebadplaats aankomt? Ik stapte naar het Hôtel des Etrangers,

waarvoor ik eene aanbeveling had van het Syndicat te Clermont,--maar

't was precies of men dacht dat ik niet eerlijk aan die aanbeveling

gekomen was; ik kon ternauwernood eene kamer krijgen, en toen mij

die niet beviel, was 't nagenoeg heel en al mis. Niet prettig in eene

plaats die ik wist dat overvol was! 't Is mij eerst aan 't einde van

mijn verblijf aldaar mogen gelukken, de madame een anderen indruk te

geven; een reiziger die, met zijne spoorwegbiljetten in den zak, toch

te voet het land doorkruist, is iets dat buiten den gedachtenkring

van die menschen ligt.

Le Montdore is een plaatsje met slechts 1866 inwoners, maar een

zeer druk bezochte badplaats; het ligt aan het einde van het dal

der Dordogne, die niet ver van de plaats haar oorsprong neemt. Twee

beekjes vloeien uit de bergen, de Dore en de Dogne en vereenigen

zich ongeveer een uur boven de plaats. De achtergrond van het dal

wordt gevormd door de donkere spitse uitloopers van den Puy de

Sancy. De omgeving van het bad is weelderig; groote, rijke hotels,

een aardig park en een casino, dat voor iedereen toegankelijk is;

maar de weelderige omgeving is klein, en wat verder Montdore uitmaakt

is meer dan eenvoudig. De omstreken zijn mooi, maar alléén gezonden

kunnen ze bereiken; de fraaiste punten zijn slechts met inspanning

toegankelijk. Een bergspoorbaantje komt hier aan tegemoet. Intusschen,

men behoeft slechts een avondbezoek aan het Casino te brengen om te

zien, dat er ook gezonden te Montdore verblijven, die langs allerlei

wegen hun tijdverdrijf zoeken.

's Morgens vroeg ging ik er weer op uit, en had het genot de

badgasten in de onmogelijkste costumes naar de thermes te zien

gaan; 't is grappig om te zien hoe men in badmantels nog mode kan

hebben! Versieringen aan die kleedij schijnen ook al een punt van

studie te zijn en aanleiding te geven tot eene "dernière création". Een

oude heer op klompen, in een badmantel met een sleep, naast eene

jonge dame met een mantel die heelemaal geen sleep had, terwijl zij

zich overigens vreemd toegetakeld had met eene prachtige badmuts en

zich een zeker cachet verschafte door in het vroege morgenuur eene

cigarette te rooken,--was wel 't koddigste van wat er zooal over de

Grande Place kwam. Ik ging met het bergspoortje als eenige passagier

naar boven, naar het Salon du Capucin, eene aardige uitspanning

onder prachtig hout; daar kocht ik van een kellner een courant van

den vorigen dag, en las daarin met alleraardigste schrijffouten de

namen van ons nieuwe ministerie. De kellner begreep er niets van,

dat ik in die oude courant zoo'n schik had. Van het Salon du Capucin

ging de weg, door een prachtig eiken- en mastbosch, langzaam omhoog

tot aan den voet van den Capucin, een rotsgevaarte dat daar steil

omhoog rees. Een pad er om heen brengt u aan de andere zijde, waar

een zachte helling het bestijgen gemakkelijk maakt. Van den top

(1463 m.) heeft men een goed uitzicht op Montdore, den Sancy en de

bergen van Bozat. Men vraagt u aan een herbergje aan den voet van den

Capucin 25 centimes voor het beklimmen. De meeste dier bergtoppen hier

zijn particulier eigendom, en worden aan kasteleins verpacht. Van de

herberg ging ik verder door in de richting van den Puy de Clièrgue,

die men voor zich ziet liggen en zoo over de kammen der bergen,

die doorloopen tot den Puy de Sancy, tot aan het Val de la Cour en

het Val de l'Enfer. Voor wandelaars, die niet gesteld zijn op een

paadje langs de diepte, is er nog een aangename weg om den top van

den Clièrgue heen,--maar hij is wat langer.

De Val de la Cour ligt tusschen een kring van bergkammen; de bodem

is een keurig gebloemd grastapijt. De Val de l'Enfer is van de eerste

gescheiden door een scherpen bergkam; het dal is als 't ware uitgehold

in vulkanische gesteenten, niet altijd rotsblokken, maar soms ook

wanden van los op elkaar gestapelde vulkanische overblijfselen. De

wanden zijn bijna geheel ontdaan van plantengroei; het zijn naakte

rotsen, die den vulkanischen stempel op het aangezicht dragen. Dit dal

schijnt een der oudste kraters van den grooten vulkaan der Dore-groep

te zijn; uit den bodem steken hier en daar soms geheele muren op;

men noemt ze hier _dykes_. Dit landschap, dat den Val del Bove van den

Etna moet evenaren, is zeer schilderachtig, maar tevens buitengewoon

somber en draagt zijn naam met eere. Plantenkenners kunnen hier een

rijken oogst vergaren. Van uit den Val de l'Enfer kwam ik weêr in

het dal der Dordogne en zoo, langzaam aan, terug te Mont Dore.

Langzaam aan, want het was drukkend warm dien dag, en in die enge

rotsdalen was geen schaduw en geen 't minste tochtje. 't Was daarom

eene aangename verrassing, 's avonds aan tafel te hooren vertellen dat

't begon te regenen. Die regen hield aan en werd een wilde donderbui,

en verstoorde den dampkring dermate, dat ik er nog een dag later

pleizier van had. De volgende dag toch was bestemd om den Puy de

Sancy te beklimmen en langs de andere zijde over Vassivières af te

dalen tot Besse.

Daar hadt ge 't alweêr: iemand die 's morgens vroeg uit zoo'n nette

badplaats per allereersten langzamen trein vertrekt, beteekent

niet veel; en ik moest naar het station om mijn koffer naar Bort te

verzenden. De hotelomnibus kon ik niet krijgen, en ik was al heel

blijde een der hotelknechts eene fooi vooruit te kunnen betalen,

waarvoor hij mijn koffer wel naar 't station wilde brengen.

De regen had opgehouden, maar 't weêr was zoo zoel gebleven, dat ik mij

op allen tegenspoed voorbereidde. De wandeling ging aanvankelijk langs

den zelfden weg, die me gister terugbracht van den Val de l'Enfer, maar

ik had nu het genoegen van een waterval te zien, la cascade du Serpent,

een der waarteekens van Montdore, maar die den vorigen dag droog

was. Spoedig kwam ik onder hoog masthout; sierlijke boomen die bijna

allen den eigenaardigen woekervorm vertoonden van doorgeschoten takjes,

die als miniatuurboompjes loodrecht op de grootere takken stonden.

Op 1200 M. hoogte houdt de straatweg op, en begint het gemakkelijke

slingerpad, dat tot bijna aan den top brengt. De bestijging was weinig

vroolijk, want o jammer! er kwam een dikke mist opzetten; ik liep in

eene wolk en bleef daarin tot bijna boven, toen het zachtjes begon te

regenen. Achter mij aan kwam een gezelschap, dat er erger aan toe was;

de lieden haddend en Puy de Sancy voor hunnen laatsten dag bewaard,

en moesten nu den zoo hoog geprezen weg, ten tweede-male afleggen,

zonder ook maar vijfentwintig pas van zich af te kunnen zien. Hoewel

we allen wisten dat het op den top niets beter zou zijn, bestegen

we toch moedig de spits (1886 M.); een slecht en door den regen

glibberig pad, waarvan de eenige deugd was, dat 't maar een kwartier

ver was. Spijtig! want van den top van den Puy de Sancy, den hoogsten

berg van midden-Frankrijk, moet men bij helder weder een wondermooi

uitzicht hebben, te aanlokkelijker voor mij, omdat daar de geheele

streek zichtbaar was, die ik van St. Nectaire af doorloopen had.

Onder de treurigste voorteekenen zette ik aan de andere zijde van

den berg de reis voort. Er was langs de verschillende hellingen

maar één bergpad, en dat had ik te volgen. Aanvankelijk teekende dat

pad zich duidelijk, maar spoedig begon het in 't gras te verloopen,

en het regende zoo hard, dat elk spoor van een pad een beekje werd,

en dus geen weg meer te onderkennen was. Eerst had ik nog een paar

bergtoppen waar ik koers op kon houden, maar die gingen ook schuil

achter de regenwolken. Geen geluid van mensch of dier was te vernemen;

van tijd tot tijd meende ik de bellen van grazend vee te hooren,

maar dat geluid kwam ook al uit dat grauwe voorhangsel, dat evenveel

achteruit ging als ik vooruit. Dank zij de voortreffelijke kaarten,

die ik te Clermont gekocht had, en dank zij mijn zakkompas, kwam ik

echter goed terecht. Na een paar uur geloopen te hebben zag ik rechts

beneden mij een meer, volgens de kaart dat van Chauvet; toen moest ik

links van mij een alleen staanden berg, den Puy de Pailleret krijgen;

en dat kwam ook uit, en daar midden tusschen lag het dorp Vassivières,

maar dat kwam niet uit, en ik was dankbaar eene kleine schapenhoedster

te treffen, die mij vertelde dat het onnoozele kleine kerkje met

die drie kleine huizen er om heen, daar beneden ons, de beroemde

bedevaartsplaats Notre Dame de Vassivières was. Ik kwam ongeveer 600

M. meer oostelijk uit, dan 't behoorde, en vergat onder dat geluk,

dat ik doornat was geworden.

Hooger in de bergen waren de weiden, waardoor het pad heette te

gaan, nog al flink, maar lager werden zij van minder gehalte en waren

daarentegen sierlijk doorstreept met bloeiende heide; deze vriendelijke

plantjes zag ik daarna overal in Auvergne weer. Behalve dat waren er

opvallend veel donkere viooltjes en wilde anjers van een heldere kleur;

zij stonden in die armoedige omgeving zoo vriendelijk te bloeien,

dat ik een der dichters van het land begon te begrijpen, die zegt:

"men kan mij naar hartelust uitlachen, maar ik trap er nooit op ... 't

lijkt me of hun dat pijn zoude doen!"

Zoo kwam ik dan te Vassivières. Het wonderdoende beeldje staat in een

bouwvallig kapelletje langs een voetpad; het is eene zoogenaamde zwarte

maagd. De hoogere waarde van dat zwarte heeft me niemand kunnen of

willen verklaren; het beeldje was van hout, en scheen me toe zwart van

ouderdom te zijn. De beeldsnijders uit die vroegere dagen in Auvergne

waren menschen van eenvoudige opvatting, en beeldden de moedermaagd

af als eene vrouw uit hunne omgeving, zoodat men de evenbeelden nog

overal en dagelijks ontmoet.

Voor vele jaren had men zich verstout dat beeldje van Vassivières, waar

nooit voldoende gelegenheid was om de bedevaartgangers te herbergen,

tot hun meerder gemak naar Besse over te brengen. De overlevering

zegt, dat het beeld echter telkens weder des nachts naar Vassivières

terugkeerde. Om aan de daaruit ontstaande beroeringen een einde te

maken, besloten de gezaghebbenden het beeld des winters in Besse te

plaatsen en des zomers te Vassivières. De rust was hersteld, en zoo

geschiedt nog tot op heden.

De herberg waar ik dien dag te Vassivières middagmalen moest, was het

huis van een kaaskoopman, wiens vrouw in den zomer de kaaspakhuizen

ontruimde en voor gelagkamers voor de bedevaartgangers inrichtte. Alle

kaas heet daar "St. Nectaire", en de gelagkamers getuigden van zijn

bijzonderen geur. De waardin had medelijden met mijn natte pak;

dadelijk werd het vuur opgestookt en werden mijn kleêren zooveel als

't kon te drogen gehangen, terwijl ik achter den gloeienden kachel

plaats nam en mij, onder de bedrijven door, met woord en daad zag

aangetoond, hoe heerlijk mijn maal toebereid werd.

Zoo'n huis daar is aardig ingericht, en bij veel grooter afmetingen

herinnerde het mij sterk aan de oud-saksische boerderijen in sommige

deelen van ons land. De stal voor 't vee is altijd klein; het vee wordt

gefokt of jong gekocht, in het voorjaar de bergen ingezonden en in

't najaar verkocht. Men komt met de buitendeur in een ruim vierkant

vertrek; de voorkant, waarin de deur is, heeft ook de ramen. De zijde,

waar de kachel tegen staat, ook de provisiekamers, de beide andere

zijden bestaan geheel uit deuren, die ten deele bedsteden of kasten

zijn en de toegangen tot verdere ruimten, hier de kaasbewaarplaatsen,

of tijdelijk de gelagkamers voor de bedevaartgangers. Toen de waardin

de tafel gedekt had, vroeg ze mij of ik mineraalwater uit flesschen,

of bronwater wilde drinken; ze kon mij het "eau de la Vierge" zeer

aanbevelen, eensdeels om zijn goeden smaak en anderdeels om zijne

wonderdoende kracht. Twee der kinderen werden uitgezonden om eene

frissche kruik aan de bron te halen, en 't kwam mij voor dat de

bijzondere aanbeveling steunde op het fooitje dat de kinderen voor

dat dienstbetoon ontvingen. Het maal smaakte, niettegenstaande de

opvallend rustieke samenstelling, na den bergtocht heerlijk, en toen

de regen wat op begon te trekken, talmde ik nog wat om te zien of er

soms nog een zonnestraaltje doorkwam. En zie, het kwam! Eerste gevolg

aan mijn dronk "eau de la Vierge".

Nog twee uur wandelens bracht mij te Besse, in het Hôtel de la

Providence. Na eene korte rust besloot ik dien avond nog de grotten

van Jonas te bezoeken. 't Werd wel een vermoeiende dag, maar den

volgenden dag had ik een gemakkelijke reis, en bij ongunstig weêr

was er eene diligence.

De weg naar Cheix, waar die grotten zijn, gaat van Besse in een

eng dal omlaag; in de diepte heeft de Couse de Besse zich een weg

gebaand; zij dringt onstuimig met vele aardige watervallen tusschen

hare rotsachtige oevers voort. De overzijde is vooral dicht

hij de beek prachtig begroeid; de andere zijde levert een geheel

verschillenden aanblik. De eerste indruk is die van verbazing; de

steile berghelling is ontzettend ruw; groote en kleine rotsblokken

betwisten elkander hunne plaats; hier en daar bergpuin, waarin men

getracht heeft op aangelegde terrassen wijn aan te planten; maar alles

is verdord, en gedeeltelijk weer onder nastortend bergpuin begraven.

De kleur der rotsen is donker roodbruin; ze zijn allen in den vorm van

uitgesmolten slakken; er staan ruggen van steen uit de berghelling op

als reuzenhanenkammen, en die ruggen dragen ook de kenteekenen van in

vuurgloed gevormd te zijn. 't Is ontzagwekkend en somber. Men gelooft

in een heksen brouwketel beland te zijn en geen wonder, want we hebben

hier te doen met een lavastroom, die uit een der omringende Puys, of

misschien uit een verdwenen vulkaan naar dit dal vloeide. Het verloop

van eeuwen heeft hier nog weinig doen verweeren; wat hoogerop wel, waar

men tal van dorpen vindt in zeer vruchtbare omgeving. Bij een draai in

den straatweg heeft men een aardig kijkje op het dorpje Cheix met zijn

landelijk torentje en op het gehucht St. Pierre Colamme; iets verder

verheft zich op eens uit het groen de helling van den Puy St. Pierre,

waarin men dadelijk de grottenwoningen ontdekt. Deze woningen zijn

uitgekapt in de bazalttuf, waaruit de berg gedeeltelijk bestaat; ze

zijn tot 30 en 40 m. boven elkaar aangebracht; thans zijn er nog 60

holen; door het voortdurend afstorten van den bergwand zijn er echter

veel verwoest en nog meer begraven. De holen zijn in een moeielijk

aan te wijzen tijdperk door menschenhanden gemaakt,--misschien zijn

ze wel uit het vóór-historische tijdperk,--en zij werden eeuwen lang

bewoond. De uitgekapte paden, die de verdiepingen onderling verbinden,

dagteekenen waarschijnlijk uit de middeneeuwen. In de rots ziet men

hier en daar nog sporen van leuningen, die ook in de rots uitgehouwen

zijn; in dienzelfden tijd werd er ook een soort van ridderburcht

uitgekapt, met een kapel (de muurschilderingen komen mij verdacht

voor), een keurige wenteltrap is vooral merkwaardig. In de grotten en

in de omgeving heeft men eenige oudheden gevonden, vooral munten en

enkele beeldjes. De grotten zijn nu staatseigendom en worden sedert

een twintigtal jaren wetenschappelijk onderzocht, tot nu toe zonder

belangrijke uitkomsten; men begint er wel achter te komen wat het

niet geweest is, maar verder is men nog niet. Sommigen zeggen dat

de ridderburcht met de wenteltrap en de kapel het werk zijn van

tempelridders, die na de vernietiging hunner orde hierheen vluchtten.

Op de terugwandeling heb ik mijne oogen nog eens te gast laten gaan

aan den ouden lavastroom. De indruk van woestheid werd vergroot, en 't

was inderdaad eene opluchting toen ik, hooger in het dal komende, het

vriendelijke Besse weder voor mij zag. Besse--'t heet eigenlijk "Besse

en Chandesse"--is een bijzonder plaatsje, dat nog al door zomergasten

bezocht wordt. Er was dan ook een goed bezette tafel in de eetzaal. Een

der gasten trok mijne aandacht; naar zijne vrouw te oordeelen was hij

een gegoed werkman of klein fabrikant; maar zijne handen waren zóó

net van vorm, dat daar toch ook weêr niet aan te denken viel. Hij nam

de leiding van een deel der tafel op zich, diende soep, sneed voor,

voerde onder de bedrijven door een luidruchtig algemeen gesprek;

de man bleef mij een raadsel; zou hij soms een kellner met verlof

zijn? Maar het raadsel werd spoedig opgelost; er werd eene ommelette

binnengebracht op een grooten schotel, te midden van brandenden rum,

tot groot ongerief der dienstmeisjes, die de vlam ten laatste niet

meer meester waren. Al de gasten waren opgetogen--de schrijver telt

niet mede--en madame nam de hulde over dien prachtigen schotel met

koninklijke bescheidenheid aan. De raadselachtige gast diende weêr,

en toen hij eindelijk wat van zijn eigen portie proefde, sprong hij

op, liep naar het dienstmeisje en riep vol ongeveinsde geestdrift uit:

"Zeg aan den kok, dat hij mij overtroffen heeft, ik heb nooit zoo iets

heerlijks gemaakt." De man was kok en liet er zich bij de omgeving

op voorstaan, dat hij chef was in een der groote hotels te Parijs!

Ik deel dit mede, niet om met mijn gebrek aan kokkennis te pralen,

ook niet om uwe bewondering op te wekken voor de ommelette in haren

waarlijk helschen vuurgloed, maar om u het gehalte der zomergasten

daar te leeren kennen.

Na dezen langen en aan gebeurtenissen rijken dag, als: het beklimmen

van den Puy de Sancy in den nevel; het afdalen in den regen; de

maaltijd te Vassevières met het "eau de la Vierge", het doorkruisen

van een dal der verschrikking op den weg naar Cheix; het bezoeken

van eene vóór-historische kazerne-woning, en het gebruiken van eene

ommelette brulée onder de leiding van een kok en villeggiatura,

genoot ik een welverdiende rust.

's Ochtends vroeg de stad in; 't is maar een stedeke van 1800 inwoners,

met eenige kronkelige straten, maar in deze vele eigenaardige

fraaie gevels. Eén huis, gezegd dat van Koningin Margaretha, munt

vooral uit; op de markt zag ik een betrekkelijk laag huis--ze zijn

allen uit de 15de en 16de eeuw--met eenvoudige, allerkeurigste

versieringen, eene deur om te stelen, zwaar eikenhout met gesmeed

ijzeren beslag. Een zonderlingen indruk maakte voor die deftige fraaie

vensters de uitstalling eener slagerij. De stad heeft nog ééne poort

met klokkentoren, een aardig gebouwtje uit de 16de eeuw. Zeer mooi

was de kerk, of liever zeer merkwaardig. Het oudste deel, het schip,

natuurlijk romaansch; de zuilen waren aardig versierd, zoo opvallend

eenvoudig en lief, men zou haast zeggen kinderlijk. Aan de eene

zijde der kerk zijn later kapellen aangebouwd in gothischen stijl. De

beschildering der muren in de kerk wordt zeer geroemd. Ze was kleurig

en druk. De eenvoudige versieringen in de kerken te Clermont en te

St. Nectaire vond ik echter veel mooier. De andere buitenzijde der

kerk had uitstaande muren, beneden ongeveer 3 M. dikker dan boven.

Besse is een middenpunt voor bergtochten; dien naar de grotten

van Jonas maakten wij reeds; de richting naar Vassivières had ik

afgewandeld, die naar het noorden met Murols als eindpunt had ook niets

bijzonders. Bleef nog die naar Condat en Feniers, juist de reisweg

dien ik mij voorgenomen had. Ik verliet het stadje door de oude poort

met den klokkentoren en had aanvankelijk den weg terug, waarlangs ik

den dag tevoren gekomen was. Een breed dal; de weg liep aan de eene

zijde ter halver hoogte van den bergrug; in de diepte een riviertje,

maar met zoo weinig water, dat 't gehoopte aangename gezelschap van

zoo'n druk bergstroompje ditmaal ontbrak. Aan de wegzijde enkele zeer

fraaie boschpartijen, en voorts langs bebouwde akkers; eene overoude

landhoeve, door esschen omringd, met prachtige roode vruchten, kwam

tegen den achtergrond van donker eikenloof mooi uit. Beneden in het

dal weidevelden, ook tegen de hellingen aan de andere zijde, zoo ver

men van berg tot berg zien kan; maar ditmaal magere, natte weiden; de

boerderijen lagen daarom ook ver uit elkaar; hier en daar een kaashuis,

"burons" worden die hier genoemd. Na een drie kwartier loopens een mooi

uitzicht op den Puy de Chambourget en den Puy de Montchal; langs een

voetpad de helling op, spoedig weder hout, en dan een der lieflijkste

landschappen die ik nog ooit zag: het meer Pavin (1197 M.) Dit meer is

bijna cirkelrond, en heeft 750 M. middellijn; de diepte bedraagt 97

M. en de oevers loopen bijna loodrecht omlaag. Langs de oevers gaan

de dicht begroeide hellingen omhoog. Aangaande het ontstaan van dit

meer, en van vele andere in Auvergne, geven de geleerden verschillende

verklaringen, die te ingewikkeld zijn voor den leek en ook voor hem

hare waarde verliezen, omdat ze met elkaar in strijd zijn; met de

wonderlijke volksoverleveringen komt men ook tot geene bevredigende

uitkomst, en daarom noodig ik u uit, alle wetenschappelijk geknutsel

op zijde te stellen en u te verkneuteren aan 't heerlijke natuur

tafereel. Het weêr was buiig, de waterplas, donkergroen van kleur,

was gewoonlijk sterk beschaduwd, en stak statig af tegen de dartele

lijnen van het veelsoortig groen langs de oevers; de zon brak door

en overgoot alles met haar heerlijk licht, om in een anderen vorm nog

mooier te geven. Er staat een visschershuisje, oud en schilderachtig;

daarlangs een pad onder hooge boomen, om het meer heen; we volgen

dat, aldoor genietende van de bevallige lijnen en keurige licht- en

kleurschakeeringen, tot we komen op een punt tegenover het bergpad

dat ons aan het meer bracht. Daar was de oever open; eene beek voerde

het water af en sprong met vervaarlijke sprongen van den eenen steen

op den anderen naar beneden, om onder in het dal de beek te gaan

versterken. De in het licht schitterende waterband vereenigt zich

met de sierlijke oploopende lijnen van den Puy de Chambourget. 't Is

heerlijk mooi; nog eens links het pad op, en nog weêr eens rechts,

en dan weêr eens onder de boomen gaan liggen; 't is en blijft mooi.

Langs de beek ging ik, of liever klauterde ik omlaag en toog verder

den straatweg op naar Condat. Het landschap werd boschrijker, de weg

loopt omlaag langs eene beek. Men komt door het dorpje Eglise neuve

d'Entraignies. De rivier verandert van naam en heet nu Rhue; in den

omtrek zijn vele minerale bronnen; naar aanleiding daarvan zij in 't

voorbijgaan gemeld, dat zich in de omgeving van die minerale bronnen

altijd eene zoutwaterflora ontwikkelt: vreemd is het dezelfde planten

als aan de zeekust, hier op eene beperkte plek midden in het land te

zien! De bewoners van dit Eglise Neuve hebben eene bijzondere manier

om hunne dooden te eeren; zij bouwen boven de graven kapelletjes

in den vorm van kleine huizen met kruisen er op; het kerkhof maakt

daardoor den onwillekeurigen indruk van eene verzameling poppenhuisjes.

De weg wordt al mooier en mooier; prachtig opgaand hout, vooral

eiken; de rivier door toevloeiing van beken krachtiger geworden,

wringt zich hier en daar door rotskloven en biedt een reeks van

schitterende landschappen. Na eenigen tijd wordt het dal ruimer en

ziet men "Condat en Feniers" in een breed bekken voor zich liggen. Op

zichzelf biedt de plaats niets bijzonders aan, 't is een stadje van

2600 inwoners, en het ligt in Cantal; er is veel handel in hout;

maar de ligging is tooverachtig mooi, drie berggroepen loopen daar

in een groot dal samen, 't Was heerlijk weêr, stil en niet te warm;

eene avondwandeling om de plaats heen gaf eene heerlijke ontspanning.

Met boos humeur trok ik er den volgenden ochtend op uit; de menschen

zijn zeer ijverig te Condat, maar ze hebben er geen spoorwegen en

daarom geen haast. Men kan zich in dat goede land geen goed begrip

vormen van iemand die 's morgens om 4 uur op wil staan, om dan

voor zijn genoegen te gaan wandelen, en laat hem daarom ook maar

kalmpjes slapen; en ik moest dien dag naar Bort (32 K.M.), zoodat

het er op aankwam om den dag goed te verdeelen. Eenmaal op marsch,

kwam de goede stemming spoedig terug; de omgeving was prachtig! De

weg loopt bij het verlaten van Condat hoog boven de rivier, maar

altijd naast haar; eerst heeft men prachtige uitzichten op het bekken

van Condat, dat afwisselt bij elke kronkeling van den weg. Eindelijk

wordt het dal enger en komt men onder hoog geboomte langs prachtige

rotspartijen; aan de zijde der rivier ook steeds hoog opgaand hout,

zoodat men over de toppen der boomen de andere zijde van het dal ziet,

geheel bedekt met statige dennenbosschen, hier en daar onderbroken

door grillig gevormde rotspartijen. Bij Cornilloux heeft men de

eerste houtzagerijen, die altijd eene schilderachtige groep aan

de rivier vormen. De rotsen stapelen zich aan weerszijden hooger

en hooger op; dan slingert de weg van de rivier af tusschen woeste

rotsvormingen door, om haar weder te naderen waar ze bij een bocht

opnieuw een schilderachtige beek opneemt. Bij de "Pont de Soutre"

nog weer houtzagerijen; eene tweede Rhue, die van Cheylade, vereenigt

zich met de Rhue, die ik nu reeds, van Eglise Neuve volgde. Dit punt

is wel het schoonste van den geheelen weg, en alles was zoo heerlijk

mooi! Bij herhaling kruist men de rivier. Nog een prachtig punt ontmoet

men bij de "Rocher des Faux monnayeurs", een grot waarin volgens de

overlevering eens eene bende valsche munters langen tijd haar bedrijf

straffeloos uitoefende. Nu wordt het dal ruimer; nog een paar beken

komen de Rhue versterken en men ziet het gehucht Embort door de boomen

schemeren. Te Embort rustte ik wat en trof er een jongen kastelein,

die verzot was op photografeeren; hij maakte aardige dingen, die hij

altijd kwijt kon raken aan de fabrikanten van prentbriefkaarten. Maar,

vreemd, er waren in den omtrek zijner woning zulke allermerkwaardigste

vulkanische overblijfselen, en geen enkel dier punten werd door hem

genomen. Hij zeide mij telkens, als ik er op terugkwam: "maar mijnheer,

dat is toch leelijk, niemand wil dat koopen. Maar zie daar eens die

beek, en daar dat watervalletje, en dat groepje forellenvisschers! Dat

is mooi! en dat is mijn land!" Ik wilde hem vooruit betalen, als hij

kiekjes wilde nemen van de plaatsen, die ik hem aanwees; maar hij

liet zich met de dwaasheden van zoo'n tourist niet in.

Voorbij Embort, waar men aan alle zijden van uit het breede, vlakke dal

statige berguitzichten heeft, hielden de bosschen langzamerhand op;

de rivier kronkelde door sappig groene weiden; hoogerop werd alles

veel schraler, er staken in de velden overal rotsbrokken omhoog,

en hier en daar zag het er zelfs woest uit; vooral bij het hooger

gelegen gehucht Sarrau. Het was Zondag en de kerkgangers gaven eenige

gelegenheid tot een praatje. De zomer was er zeer droog geweest, de

oogst was tegengevallen en vooral de weiden waren treurig verbrand; de

laag teelaarde op den rotsbodem was hier nog te dun en dientengevolge

zeer gevoelig voor de uitersten van het weêrgetij. Daar waar ik meende

dat men de tweede snede maaide,--men werkt daar ook des Zondags in

het veld--bleek het de eerste te zijn; er zou van eene tweede snede

wel niets komen.

Toen ik Champs de Bort naderde, trok het klokgelui mijn aandacht. Dat

klonk opgewekt en gaf stemming aan de omgeving. De Guide Ioanne gaf

hier het Hôtel des Voyageurs aan als de plaats waar men verblijven

kon. Ik wenschte er mijn twaalfuurtje te nemen en minstens tot 3 uur

stil te zijn, om de grootste middaghitte te laten voorbijgaan. Daarom

naar de herberg des Voyageurs, eene niet al te weidsche kroeg; ik

kreeg tot bescheid dat ik tot na kerk moest wachten, en dat ik dan

aan de table d'hôte mede kon eten; onderwijl gebruikte ik een glas

vruchtensap en wachtte gelaten, maar niet zonder zorg, op de dingen

die komen zouden. De kastelein had ook een winkel van ellegoederen

en kruidenierswaren; na kerk stroomden de menschen er heen, mannen,

vrouwen en kinderen allen in 't zwart. De vrouwen eerst in den

winkel, later ook in de gelagkamer, waar de heeren dadelijk plaats

namen. Eerst een flesch wijn van het vat; dan brood en kaas en bier,

en dan nog eens, als de vrouwen en kinderen kwamen, afgetapte wijn

in oude champagne-flesschen, met harst of pik over den kurk en den

hals gesloten. Onder het genot van de tweede portie wijn werd het

gesprek levendiger en bereikte later, toen ik reeds aan tafel zat,

eene onrustbarende hoogte. De kastelein, die voorzat aan tafel,

verzekerde mij echter dat er nooit ongenoegen kwam, zoolang ze maar

geen spiritualiën dronken, en die waren alleen te verkrijgen in

kroegen van mindere soort.

Dat verblijf in die gelagkamer was wel interessant maar niet amusant;

te meer indruk maakte de nette eenvoudige kamer, waar een vrij

talrijk gezelschap heeren en dames de komst wachtte van den laatsten

gast. Het was een goed en allergezelligst maal; de gasten waren

eenvoudige menschen en gaven zich geheel zooals zij waren. Drie jonge

onderwijzeressen onder de hoede van eene oudere dame; de ontvanger der

registratie met zijne vrouw; de griffier van het kantongerecht, nog

twee ongenummerde paren; de kastelein en ik, ziedaar het gezelschap.

Het was nog drie uur ver, en 't was broeiend heet; van schaduw

was geen spraak meer. Aanvankelijk golfde de weg; op een der

hooge punten een prachtig uitzicht op de bazaltruggen van Bort;

vervaarlijke rotsblokken liggen langs den weg verspreid; dan het

dal der Dordogne. Een heerlijk landschap: het bekken van Bort, de

bazaltruggen, het orgel van Bort genoemd, en de diepe rotsbedding

der Rhue, vragen om strijd de aandacht. Naar de zijde van het dal der

Dordogne fraaie lijnen, afgeronde heuvels dikwijls met prachtig bosch

getooid, een heerlijk golvend landschap. Aan de andere zijde van alles

het tegendeel. Het was langs dien kant dat in den voorhistorischen

tijd de gletschers zich bewogen; men ziet niets dan strakke lijnen,

scherpe rotskanten, hoekige en loodrechtige wanden. Niet ver af,

bij een wilde rotspartij een merkwaardig voorbeeld van rotsen door

het ijs afgevlakt en gestriemd, de diepe gleuven zijn duidelijk

zichtbaar. Wat verder naar de Rhue afdalende, eene woestenij van

bergpuin, in 't oog vallend woest en kaal. Op deze plaats hebben de

natuurkrachten een ontzettenden strijd gevoerd, en het slagveld is

sinds dien in denzelfden desolaten toestand gebleven. Het uitzicht

op de Orgues de Bort trekt bij toeneming de aandacht, tot men,

neergedaald tot aan de rivier, in het stadje aankomt. Ik sloeg mijne

tent op in het hotel Amblart, waar ik eene aardige kamer kreeg, met

een prettig uitzicht op de Dordogne en op het oude stadje. De avond

en morgen te Bort waren allergezelligst; aan de middagtafel maakte

ik aangename kennissen en besloot den dag in hun gezelschap en met

eene avondwandeling door de stad en langs de Dordogne; in een café

maakte ik onder anderen kennis met een fabrikant van vilten hoeden,

die mij uitnoodigde den volgenden morgen zijn fabriek te komen zien.

Bort heeft 4000 inwoners, een paar flinke fabrieken en veel handel; de

uitzichten langs de rivier zijn zeer mooi, en die op de bazaltruggen,

de Orgues, zijn van zeer bijzonderen aard. 's Morgens vroeg trok ik

er reeds op uit; het is, na eene korte wandeling buiten de stad,

een flinke klim van ongeveer een uur, waarbij men des voormiddags

alles heeft, behalve het eenige noodige: schaduw. De boomen aan

den voet van de bazaltmuren zijn daarom dubbel welkom, en men

heeft daar reeds fraaie uitzichten, een voorproefje van 't geen men

boven zien zal. De bazaltzuilen te Bort--en er zijn er zoo meer in

Auvergne--zijn ontzagwekkend van afmeting. Men kent de stukken van

bazaltzuilen, die hier van den Rijn aangevoerd worden tot het maken van

sluismuren, zeeweringen en dergelijken. De kristalvorm is dezelfde;

maar wanneer zoo'n zuil van den Rijn eene grootste doorsnede heeft

van 40 centim. dan is het al een zwaar stuk. Hier zijn ze 8 tot 10

meter in doorsnede, die van 4 meter zijn stroohalmpjes. De lengte

is gemiddeld 90 meter, en men kan zich ter nauwernood den indruk

voorstellen, wanneer men dergelijke wanden ziet, die zich voor u

opheffen en zich verder uitstrekken dan men zien kan. De geologie

leert ons, dat die zuilen bij afkoeling gekristalliseerd worden uit

een gloeiende, vloeibare massa; wat moet dat voor een gloed geweest

zijn, toen zich daar kristallen vormden van die afmetingen! Hier

en daar zijn er enkele zuilen ingestort en de brokken, waar men

tusschen door klauteren kan, geven nog beter denkbeeld van de

reuzenafmetingen. Na eene korte rust in de lommer volgde ik het

voetpad naar boven en kwam op den top der kolommen (760 m.). Langs

de kanten komen die koppen bloot, maar op eenige meters van den kant

bestaat de bodem reeds uit goed bouwland, hier en daar afgewisseld

met weiden en bosch. Van den rand der bergvlakte geniet men een

der prachtigste uitzichten van midden-Frankrijk; men staat in het

middenpunt van een groot halfrond, gevormd door drie berggroepen,

van den Mont-Dore, van de Cezallier en van de Cantalgroep. Aan de

andere zijde van Bort, waar men 350 M. boven verheven is, over de

Dordogne heen en over het spiegelgladde, schitterende meer van Madic,

eene opeenvolging van heuvelruggen met diepe insnijdingen, die aan

den horizon afgesloten worden door de genoemde berggroepen. Bosschen,

heidevlakten in prachtig paarsen tooi; weidevelden en bebouwde akkers

versieren de heuvelen in allergelukkigste afwisseling. Enkele witte

vlekken, dorpen en stadjes, eene helle weêrkaatsing van een waterval,

schijnen kunstmatig aangebracht om dien fraaien tuin nog grooter

bekoorlijkheid te verleenen. Het kost den wandelaar meer dan een uur,

eer hij zich van dat vergezicht kan afwenden! De terugwegen naar Bort

zijn talrijk en men kan op goed geluk af elk pad kiezen; onder het

afdalen is de toren van Bort een onfeilbare wegwijzer.

Na het dejeuner toog ik naar de hoedenfabriek. Ik zal u niet vermoeien

met eene uitgebreide omschrijving van dit fabrikaat, dat we allen,

oud en jong, op het hoofd hebben of gehad hebben. Het meerendeel

van de fransche hazenhuidjes wordt te Bort verwerkt, dat wil zeggen

alléén het haar; maar de millioenen konijnenvellen, die jaarlijks uit

Australië naar Europa verscheept worden, komen allen in de fabrieken

van vilten hoeden terecht. Is het haar eenmaal gesorteerd, dan wordt

de hoed gemaakt uit water en haar, dat op een koperen vlechtwerk

gespoten wordt; dat vlechtwerk is in den vorm van een suikerbrood

en zoowat 75 c.M. hoog en 40 c.M. doorsnede aan het grondvlak. De

eerste vorm van een hoed is dus een reuzenhoed; nu wordt hij door

behandeling met heeten stoom, door pletten en vouwen en hameren inéén

gewerkt en verkrijgt zoo de vereischte vastheid, terwijl hij hoe

langer hoe kleiner wordt. Verder zullen we de fabrikatie maar niet

volgen; er wordt nog geverfd; er wordt nog gewasschen; er worden

zachte fijne vilten gemaakt; er komen dikke en minder plooibare te

voorschijn; het einde van alles is een opgemaakte hoed, dien men zoo

maar dragen kan. Door het bezichtigen van dat alles ben ik dan ook

tot het medeweten van een groot geheim gekomen; namelijk welk model

van hoeden in 1906 gedragen zal worden, zoowel door dames als door

heeren. De fabrikant legde mij echter daaromtrent het zwijgen op;

moeielijk te bewaren is dit niet, want waarschijnlijk hebben bij

't lezen dezer regelen de meesten het nieuwe model reeds gezien

of in gebruik. Als algemeene indruk der vilten hoedenfabrikaten,

kan men zeggen dat zij volkomen in strijd is met den gewonen loop

van zaken. Hoe grooter de hoed is bij zijn geboorte en hoe kleiner

hij is wanneer hij in gebruik genomen wordt, hoe beter hij aan de

gestelde eischen zal beantwoorden.

Het bleef dien dag broeiend heet, en ik had na de wandeling

over het "orgel" geen lust om nog meer te loopen; dus per spoor

naar Mauriac. Een genotvol ritje, want dat gedeelte van 't net der

Orleans-spoorwegmaatschappij is zeer bergachtig en wordt dientengevolge

uiterst langzaam bereden; het is een merkwaardig staaltje van

spoorwegbouw. Tal van heuvels, dikwijls door viaducten onderling

verbonden, hebben de ingenieurs niet afgeschrikt; op twee punten

hadden ze zelfs de lijn met slingers tegen de berghelling op moeten

brengen, en zag men de sporen die men bereden had, weder naast en onder

zich. Eene verbazend groote omnibus bracht mij van 't station naar

het hotel l'Ecu de France, een echt ouderwetsch plattelands-logement:

eenvoudig maar in de puntjes, en eene eerwaardige waardin, met een

vriendelijk praatje. Terwijl ik mij verfrischte, zuiverde eene heftige

droge donderbui de lucht, en woei het stof uit de straten, zoodat ik

voor donker nog eene wandeling door het stadje maken kon. Mauriac is

met Salers, dat ik den volgenden dag bezoeken zoude, het merkwaardigste

stadje van Auvergne; het ligt op 900 M., heeft 3500 inwoners, en

bezit belangrijke overblijfselen van vroeger aanzien; gesticht werd

het als klooster, omstreeks het jaar 560, door een kleindochter van

Clovis, op eene plaats van oudsher door de Gallo-Romeinen bewoond;

in de stad zelf en in hare omgeving werden tal van voorwerpen uit

dien tijd opgedolven; van de kloosterkerk van 't jaar 560 werden de

laatste overblijfselen in 1825 opgeruimd;--het was niet alléén in

Nederland dat in die dagen eene verwoestingswoede heerschte; maar

in de kerk Notre-Dame des Miracles bezit de stad nog een schitterend

overblijfsel van eenvoudige romaansche bouwkunde. De achthoekige toren

werd in de vorige eeuw nog al eerlijk hersteld. Het beeldhouwwerk

aan den hoofdingang is bijzonder merkwaardig; de gebeeldhouwde deuren

van 1582 zijn prachtige voorbeelden van de houtsnijkunst dier dagen,

al zijn ze wat geschonden. Inwendig trekt een doopvont de aandacht,

en eene zwarte madonna is ook hier weder het brandpunt der vereering

in wijden omtrek. Hier en daar trekken nog andere oude gebouwen de

aandacht, en de algemeene indruk is prettig; kronkelende straatjes;

huizen met terrassen, dikwijls alleraardigst begroeid of met planten

versierd; een stadje waar men zich dadelijk thuis gevoelt, en dat

den indruk geeft alsof de bouwmeesters van toen bedoeld hadden om,

zonder overdadige versiering en zonder in het oog-vallende middelen,

eens een keurig klein geheel te vormen.

Men kan van hier aangename uitstapjes maken naar de kloven der

Dordogne, naar St. Projet le Desert; mijn plan echter lag nu eenmaal

een anderen weg uit, en zoo liet ik die plaatsen onbezocht; andere

reizigers zullen echter wèl doen, ze in hun reisplan op te nemen. Ik

wandelde over Anglards-de-Salers naar Salers, eene wandeling die ik

om hare groote eentonigheid niemand aanbevelen kan; men doet beter

van Mauriac per spoor naar Drugeac te gaan en vandaar naar Salers te

wandelen. Na, buiten Mauriac, onder den spoorweg door te zijn gegaan,

komt men in eene kale, onvruchtbare glooiende vlakte; magere weiden met

veel rotsblokken; geen boomen; gelukkig veel bloeiende heide; hier en

daar eene kleine woning en eene verlaten kaashut. Anglards ligt aardig

op eene hoogte onder boomen; toevallig trof ik er eene kerkelijke

processie, een treurig streven om iets indrukwekkends te vertoonen;

te veel tooi om van eenvoudige onbeholpenheid te spreken. Het beste

gedeelte der bevolking woonde den optocht als toeschouwer bij en

verbaasde mij, voor zoover ik het verstaan kon, door zijne scherpe

opmerkingen; de vrouwen vertegenwoordigden daarbij het radicale

beginsel. Trouwens de bevolking dezer streek is van oudsher bekend

om haar stuggen onafhankelijkheidszin; als voorbeeld daarvan in den

nieuweren tijd dient, dat na den laatsten Fransch-Duitschen oorlog,

1870-71, te Bort als hoofdplaats, de republiek 24 uur eerder werd

afgekondigd dan te Parijs.

Naar Salers toe wordt de omgeving vruchtbaarder, er staan meer en

flinke boerderijen, men komt zelfs van tijd tot tijd iemand tegen en

het landschap trekt weder de aandacht. De uitzichten op de omliggende

bergen worden mooi. Salers ligt in een bekken, waar de dalen der

Maronne en der Aspre tezamen komen, op eene hoogte. Vreemd is de

indruk, dien het stadje--het heeft niet voluit 1000 inwoners--maakt

met zijne vele poorten, zware logge wallen en de grillige omtrekken der

daken, aanhoudend afgebroken door kleine torens. De bevreemding stijgt

met elken stap, wanneer men, door een der poorten binnengetreden,

die smalle straatjes doorloopt tusschen die oude hooge gebouwen.

Ik zocht het hotel Faure Serre; bij de kerk gekomen op de "Grande

place," een zeer beperkt pleintje, moest ik het opgeven en den weg

vragen, want niets duidde aan, dat ik nog een hotel zoude vinden;

een inwoner was zoo vriendelijk met mij mede te gaan, en bracht

mij in een achterbuurtje voor een oud, vervallen gebouw, waar met

groote vergulde letters in den voorgevel stond Faure Serre. Die

gulden letters waren het eenige frissche dat ik in Salers zag, en

toch was het er prachtig. Het hotel was donker en somber; uit eene

herberg-gelagkamer werd ik trapop, trapaf gebracht in een groote ruime

gang met booggewelven, om te komen aan een vroeger stellig prachtige

wenteltrap; na eenige treden geklommen te zijn,stond ik in eens in

de open lucht op een terrasje, en daar kwam de deur der voor mij

bestemde kamer op uit, een ruim vertrek met mooi uitzicht op tal van

tuintjes en binnenplaatsjes in Salers. Na eenige rust genomen te hebben

verliet ik mijne kamer weêr, naar ik meende langs denzelfden weg,

dien ik gekomen was, maar ik had op de wenteltrap een verkeerd bordes

genomen, kwam weer in een lange gang en voor eene zware houten deur,

die gelukkig niet op slot was. Buiten komende, stond ik in eene andere

stadsbuurt, en bespeurde dat de deur waardoor ik het hôtel verliet, ook

al eene merkwaardigheid was, fraai getimmerd en geheel met eenvoudig

maar keurig snijwerk versierd. Op goed geluk door een steegje verder

gaande, kwam ik op een ruim grasveld; dit was de Promenade de Barrouge,

op den top van eene steile bazaltrots met een verrukkelijk uitzicht

in de omringende dalen. Het plein was met fraaie boomen beplant en

omringd door een muurtje en was aan drie zijden vrij. De jeugd van

Salers vermaakte zich daar met kegelen; van de ongevraagde verklaring

van hun spel kon ik bijna niets verstaan. Verder gaande stond ik

bijna bij elken stap voor een ander monument van bouwkunde. Al die

huizen zijn uit de 15de en 16de eeuw; Auvergne leefde toen, met bijna

geheel Frankrijk op, na het eindigen van den honderdjarigen oorlog

met Engeland en werd aan zichzelven teruggegeven. Die oorlog had

ook de macht van adel en geestelijkheid gebroken, en de ontwakende

volksgeest gaf ook hier de hand aan de hervorming; de steden en het

platteland namen hunne belangen in eigen beheer; het land leefde op en

bloeide, en de welvaart uitte zich spoedig in prachtige woonhuizen. De

hervormingsoorlogen maakten verweer noodzakelijk, en door zijne

natuurlijke ligging was Salers aangewezen tot een middenpunt van

aanval en verdediging. Vandaar die gordel van oude vestingwallen,

nu in bloem- en groententuinen herschapen; vandaar die versterkte

poorten, zooals die van l'Horloge en der Martille, vestingen op

zichzelf. Maar zoolang men nog de kracht bezat om zich tegen de booze

machten van vroeger te verzetten, bleef de voorspoed bestaan en met

dien voorspoed de weelde in het bouwen. Het zoogenaamde Maison Lizet,

met een mooi portaal van jonger dagteekening, op de markt het Maison

du Notaire, en vlak daarbij het Maison des Templiers, en nog tal

van andere prachtige gebouwen zijn de bewijzen van dat korte tijdvak

van bloei. De kerk is uit de 15de eeuw en dus reeds uit het tijdperk

van den overgang van de romaansche tot de gothische bouworde; zij is

gedeeltelijk gerestaureerd, zeer fraai, maar door de restauratie te

nieuw in die omgeving. De ingang der kerk is een flink voorbeeld van

wijziging van den bouwstijl. Waren de deuren der romaansche kerken

aanvankelijk klein, zoodat men ze gemakkelijk openen en sluiten kon,

later werden die aan de hoofdingangen grooter en door een middenstijl

in tweeën verdeeld; ook liet men de portaalwanden schuins uitloopen,

zoodat er voor de binnentredenden meer ruimte ontstond. De daardoor

ontstaande vergroote zijvleugels werden hoe langer hoe kunstiger

versierd, nu eens met kolommen in verschillenden vorm, dan eens met

beelden in nissen; ook de middenstijl der deuren werd veelal een beeld.

Ik bleef aan 't ronddolen in dat allermerkwaardigste stadje; liep hier

en daar eene poort in, om op ruime binnenplaatsen te komen, die overal

de resten vertoonden van keurige bouwkundige versieringen. Treurig

echter was het, den diepen staat van verval te zien, waarin al dat

schoons gekomen was. Geen dier groote prachtige gebouwen werd nog in

zijn geheel bewoond, en hoewel ik niet mag beweren dat er armoede

heerschte, zoo was de levensstandaard zoo laag, en 't gebrek aan

orde en zindelijkheid zoo groot, dat men toch aan volslagen armoede

moest denken.

's Avonds aan tafel--want te Salers komen veel reizigers--maakte ik

kennis met een aangename familie, en zette na tafel het gesprek voort;

tot mijne verbazing vernam ik dat er geene plaatselijke verzameling

van oudheden of kunst was, en dat de overblijfselen van zulk een

schitterend verleden eerst sedert een veertigtal jaren de aandacht

hadden getrokken, om bijna allen hunnen weg te vinden naar Parijs,

in handen der oudheid-handelaren. Geen der merkwaardige gebouwen,

ook niet de oude kasteeltjes in den omtrek, waren nog in handen van

de oorspronkelijke families, en inwendig was er ook niets meer te

vinden. De prachtige betimmeringen waren uitgebroken en verkocht; hen

volgden de schoorsteenen, de trapleuningen, de versieringen van deuren

en vensters, het ijzer- en koper smeedwerk, tot er niets overbleef

dan bijna onbewoonbare vertrekken, die dan bij gedeelten verhuurd

werden. Men zeide, dat in vele gevallen de tegenwoordige bewoners, door

't langdurig bewonen, eigenaars werden en dat van vroegere eigenaren

dikwijls niets bekend was. Men verklaarde deze vreemde feiten altijd

door het tooverwoord "La grande Revolution". Ik werd in het levendig

gesprek met de pas gemaakte kennissen verrast door de waardin, die ons

tegen negen uur de brandende blakers bracht; het duurde haar te lang en

we moesten maar naar bed. Maar ook wij maakten "une grande revolution"

en onttrokken ons aan den druk der over ons gestelde machten; we

ontsnapten met de brandende blakers in de hand naar buiten. 't Was

heerlijk maanlicht; de blakers werden uitgeblazen en op de groote

markt in een der raamkozijnen van het maison du Notaire neêrgezet,

en we maakten een wandeling door de reeds in diepe rust gedompelde

stad. Niet licht zal ik die heerlijke avondwandeling vergeten,

en vooral dat prachtige uitzicht van de Promenade de Barrouze;

tegen half elf bereikte ons de arm der hoogste macht; de nachtwacht

kwam opdagen, en wij begrepen dat verder verzet onmogelijk werd;

we zochten onze blakers weder op, en sloopen door de zijdeur, die ik

's middags gevonden had, het hotel weer binnen.

Den volgenden dag stond mij eene inspannende wandeling te wachten. De

tocht van Salers naar den Puy Mary, en van dezen naar Murat, staat

bekend als de schoonste in Cantal, maar hij heeft het groote gebrek van

43 K.M. lang te zijn. Dat was een marsch van 11 uren! Zeer vroeg op;

vroeger dan het hotelpersoneel; met aanvankelijk treurige gevolgen. Ik

werd voor 't ontbijt in eene binnenkamer gelaten maar dit vertrek--de

woonkamer van het gezin--was erg bedompt en waarschijnlijk sedert

de grondvesting van het gebouw niet meer bijgeveegd; het was mij

ondoenlijk het ontbijt daar te voltooien, en ik was blijde, na mijne

rekening betaald te hebben, weder naar buiten te kunnen.

Er was een dikke mist; de weg loopt langs de berghelling boven het

dal der Maronne; van al de prachtige vergezichten en het heerlijke

landschap zag ik niets, dan van tijd tot tijd een kijkje door eene

opening in den nevel, maar dat was ook voldoende om mij te doen

beseffen wat ik door het slechte weer verloor. Op den Col hetzelfde;

de nevel begon regen te worden. Nu kwam ik, afdalende, in prachtige

bosschen; de weg kronkelde steeds voort; eenige vage omtrekken en

het luiden van klokken bewezen de nabijheid van dorpen; ik was in

de kloof van Falgoux. Gelukkig veroorloofde mij een flauw zonnetje

ter hoogte van den Roc des Ombres en den Roc du Merle, de fraaie

omtrekken dezer rotsgevaarten waar te nemen. Daar kwam ik aan den

voet van den Puy Mary, bij den Pas de Peyrol. Nu zou ik, behalve een

prachtig uitzicht, een der merkwaardigste punten van de reis zien;

van af den Puy Mary ziet men neer in een der grootste kratervormingen

van Europa. Wel te verstaan, buiten den mist en den regen gerekend,

die mij het beklimmen van den top vrijwel onmogelijk maakten en mij

in den vollen zin des woords druipstaartend naar beneden dreven. Ik

zag het beloofde land, maar mocht het niet betreden.

Bij den Col de l'Eglac was eene herberg, waar ik hoopte de schade

van mijn verzuimd ontbijt in te halen; maar 't ongeluk vervolgde mij,

men had daar niet op gasten gerekend. Als de kippen ook daar niet de

heilzame gewoonte hadden gehad van eieren te leggen, dan had ik mij,

na 21 K.M. geloopen te hebben, met een stuk oud brood en een brokje

kaas tevreden moeten stellen.

Over steeds terugkeerende kronkelingen ging de weg over den Col de

Serres; altijd door regen, maar nu onbetwistbaren stortregen; door het

gehucht Lauvegirie naar het dorp Dienne. Bij goed weder moet in deze

boomrijke streek het landschap mooi zijn--nu droop alles. Te Dienne--ik

was toen nog 10 K.M. van Murat--moest gemiddagmaald worden, en ik zocht

daartoe de best uitziende herberg uit; maar de maat der tegenspoeden

was nog niet volgemeten! Stellig kon men mij een warm dejeuner geven,

er kwamen veel menschen en allen waren altijd tevreden! Nu, ik heb bij

't heengaan ook maar zoo gedaan, maar 't was een allerwonderlijkste

maaltijd; de gerechten, die men mij voordiende, kende ik noch op

't uiterlijk noch naar den smaak.

Eindelijk klaarde het weêr wat op en ik stapte door naar Murat;

een mooie weg. Te Murat trof ik in het Hotel des Messageries een

aangenaam onderkomen. De stad is tegen eene hoogte aan gebouwd, op

den top waarvan vroeger een kasteel stond; in de plaats daarvan nu

een reusachtig Mariabeeld, als kunst van geen waarde; de wandeling er

heen loont echter zeer, omdat langs de hoogte weder zoo'n bazalt-orgel

te zien is. Hoe dikwijls men die vreemde vormingen ook ziet, ze maken

altijd denzelfden diepen indruk.

In de stad zelf--zij heeft 3000 inw.--heeft men de oude

O.L. Vrouwekerk, uit de 15de eeuw, maar herhaaldelijk gerestaureerd

en bijgebouwd, en een aantal mooie huizen in renaissance-stijl;

de straten zijn meestal glooiend, en de stad maakt een aangenamen

indruk. 's Morgens vroeg trof ik er de weekmarkt. Allerlei land-

en tuinbouwproducten werden er door de boeren en boerinnen te koop

aangeboden, en al de dames uit de stad schenen wel tegenwoordig te

zijn, om hare inkoopen te doen. Onder dat gewoel en gedrang viel

me een geestelijke op, die zelf zijne inkoopen deed; hij scheen

een goede bekende van de buitenlui te zijn en was volstrekt niet

verlegen om een kwinkslag met gelijke munt te betalen, die opgewekte

oude heer! Op de kaasmarkt was niet anders aangevoerd dan de soort,

genaamd St. Nectaire en kleine platte geitenkaasjes. Zooveel van

die kaas was mijn reukorgaan te machtig in die half natgeregende

menschenmenigte; hun beider kracht vereenigd verdreef mij uit die

overigens schilderachtige omgeving.

Dien namiddag trok ik per spoor naar Vic sur Cère, eene

aardig gelegen en druk bezochte badplaats; het groote hotel der

Orleans-spoorwegmaatschappij is aardig tusschen de heuvels gelegen

en eene eerste-klasse inrichting. Vic bestaat uit een oud en een

nieuw gedeelte; in het oude vindt men weêr enkele fraaie huizen,

maar de doorgaande reiziger komt te Vic om den Pas de la Serre te

zien. De weg er heen is overal door bordjes aangegeven; het is een

alleraardigst pad, dat u na een half uur in een weideveld brengt,

om dan spoedig in de kloof te komen. Het riviertje de Cère heeft zich

daar door rotsmassa's heen een moeielijken weg gebaand. De rotsen zijn

gedeeltelijk met mos bedekt en op de kammen weelderig begroeid. Het

geheel is allerliefst, 't maakt geen woesten, maar, bij het kalm

stroomen van 't riviertje door de eenmaal gevormde bedding, een indruk

van bevalligheid; jammer dat men vlak bij de kloof den stroom afgedamd

heeft ten behoeve van eene lichtfabriek. Men kan door de kloof heen

klauteren en komt dan door een steeds aanvalliger wordend dal bij de

kasteelen Tremoulet en Espinasse, beiden verrukkelijk gelegen.

Des namiddags maakte ik nog een wandeling naar de Mongudo, een klein

bergvlak, vermaard om de planten-fossielen die men er vindt. Die

overblijfselen der plantenwereld zijn uit een vroeger tijdperk

der aardvorming; de meeste soorten zijn sinds dien terplaatse

uitgestorven. Men vindt er prachtige afdruksels van beuken, van

esschen en van wijngaardloof, en van verscheiden bamboes-rietsoorten;

men vindt er zelfs veel afdrukken van pas ontloken knoppen, die recht

geven tot de onderstelling dat de vernielende vulkanische uitbarsting

in de lente plaats had; men ziet nog staande verkoolde stammen, die

groeiend begraven werden; ook aardige brokken versteend hout komen

voor. De wandeling terug naar Cère is weêr van zeldzame schoonheid;

de lijnen der bergen loopen van alle zijden op naar het hoogste punt,

den Plomb du Cantal, die den volgenden morgen beklommen zoude worden.

't Was weer regenachtig toen ik, voor dag en dauw, de wandeling begon;

't ging langs den straatweg naar Lioran, met verrukkelijke uitzichten

op het dal der Cère; een heerlijke wandeling die eindigt in den tunnel

van Lioran, een fraai bouwstuk van 1410 M. lengte, door den Puy van

Lioran heen; vlak bij den uitgang is het Hôtel des Touristes, ook

van de Orleans-spoorwegmaatschappij en een zeer aanbevelenswaardig

verblijf.

Denzelfden dag beklom ik nog den Plomb de Cantal (1858 M.). Een

keurig bergpad zonder bezwarend klimmen; aanvankelijk door fraaie

dichte bosschen, met hier en daar open plaatsen, van waar men dan

goede uitzichten heeft op den Puy de Griou en den Puy Mary. Tal

van beekjes stroomen u te gemoet, en voortdurend hoort men onder

't loover het kabbelend geluid van de vele kleine watervallen. Op

de hooger gelegen punten, die een ruimer uitzicht geven, zijn banken

geplaatst. Men komt, al wandelend en al rustend, langs dat fraaie pad

onder die prachtige boomen, ongemerkt op een uitgestrekt weidevlak,

waar twee groote kaashutten staan. Van hier uit heeft men een bijzonder

goed uitzicht op een ruim en diep bekken, begrensd door hoogere toppen

en onregelmatig rond van omtrek; 't is een oude krater, waarover

later meer. Voorbij de kaashutten, de burons van den Rambarter, gaat

men verder door weiden een smal bergpad op, dat hooger en hooger

eindelijk op een bergrug uitloopt, dien men al geruimen tijd als

een steilen wand voor zich zag. Die rug is weder de rand van eene

niet zeer uitgestrekte bergvlakte, aan 't einde waarvan de Plomb

du Cantal zich verheft. 't Is een zonderlinge bergvorm, een plompe

heuvel van bazalt, met gras bedekt. De Plomb is op één na de hoogste

top van midden-Frankrijk, en wordt van al de bergen daar het meest

bezocht. Er was dan ook een talrijk gezelschap en wij wedijverden

met elkander in het aanwijzen van de fraaiste punten van 't fraaie

panorama. Midden op den top stond een zwaar ijzeren geraamte van een

huis, met een opschrift, meldend dat het daar gebracht was door die

en die transportonderneming. Stellig een moeielijk werk en eene goede

reclame, maar 't was een schreeuwende wanklank in die omgeving.

Na in den ochtend wat regen te hebben gehad, was het in den voormiddag

iets helderder geworden, om in den namiddag weer aan 't pruilen

te geraken; onderweg raadde een herder mij nog aan, om maar niet

door te gaan, want 't zou boven niet helder zijn. Maar ik had het

uitzicht van den Puy de Sancy gemist, den Puy Mary had ik niet eens

kunnen beklimmen; ik wilde nu een laatste kans wagen. Gelukkig, want

boven was het helder tot de kimmen toe! Maar op eens begon het hard

te waaien, een paar tellens later te stormen, en die luchtstroom was

ijskoud. Men had haast geen tijd om te bedenken wat dat worden moest;

onder den wind bleef alles helder en mooi, maar in den wind was in

een oogenblik alles grauw en zwart geworden; 't volgende oogenblik

waren we in een dikken nevel gehuld, en een ieder zocht een goed

heenkomen. De wolk die ons bedekte was zóó dik, dat ik al spoedig

mijn gezelschap kwijt was en we elkaar eerst halverweg beneden weder

ontmoetten. Toen ik weer bij de burons van den Rambarter terugkwam,

werd het weer helder. Dat verrukkelijke uitzicht met den Puy Mary

en den Puy Griou aan de overzijde, deed mij watertanden. 'k Moest

nog naar den Puy Mary, om de hellingen waarop ik nu liep, in haar

geheel waar te kunnen nemen en mij eene duidelijke voorstelling van

den ouden krater te kunnen vormen. In dat bekken waren ontzettende

vulkanische bedrijven afgespeeld. Dat moest ik toch in zijn geheel

gezien hebben, en mijn laatsten dag wilde ik aan dat zware werk

besteden. Het inderdaad prachtige en zoo hoogst belangwekkende

landschap, dat zich voor mijne voeten ontplooide, was er de schuld

van dat ik besloot, als het den volgenden ochtend om 4 uur droog was,

nog van Lioran uit den Puy Mary te beklimmen.

In het hotel teruggekeerd, moesten de kleederen gedroogd

worden. Gelukkig had men in 't hotel de uittrekkende schapen geteld,

en bij 't lieve regenweer een flink houtvuur aangelegd, om de kleederen

spoedig weer draagbaar te maken. Die geen tweede pak bij zich had,

moest in zijn kamer verblijven tot na het drogen.

Gezelschap kon ik niet mede krijgen; niemand vertrouwde het weer

nog, zoodat ik den volgenden ochtend de reis alleen aanvaardde,

en met helder weer. Aanvankelijk ging het door bosschen en weiden

met indrukwekkende bergpanorama's aan alle zijden, over den Col

de Rombières tot aan den voet van de Roc de Bataillouze (1686 M.),

dan afdalen naar den Col de Cabre (1539 M.) waar men een merkwaardig

uitzicht heeft op het bekken van Mandailles, een halfrond en een deel

van den ouden krater. De bodem en de wanden bestaan uit verschillende

lavasoorten, die als 't ware eene staalkaart vormen van wat de

vulkaan gedurende eene reeks van tijden uitbraakte. Dat bekken heeft

eene doorsnede van 4 à 5 KM., de diepte wisselt af van 1787 tot 860

M. De omringende rotswanden zijn ongeveer 1600 M. hoog. Tal van beken

spoelen van den bergwand omlaag, de grootste, de Jordanne, ontspringt

op den Col de Cabre; de wanden zijn overigens afwisselend bedekt met

weiden en bosschen; de plantengroei is rijk, dank zij die vele beken;

de vele verspreide boerderijen getuigen van een vruchtbaren bodem. Van

den Col de Cabre loopt het pad naar den top van den Peyre-Arse, een

kalen top, dan langs een betrekkelijk smalle bergkam tot aan den Puy

Mary. Daar was ik er, en nu met goed helder weer; zonder te aarzelen,

had ik gewaagd en gewonnen!

De Puy Mary (1787 M.) heeft eene driehoekige spits, de beken vloeien

in drie richtingen af. Het uitzicht op de verschillende berggroepen

was schoon, mooier dan dat van den Puy de Dôme, of dat van den Plomb du

Cantal. Vlakten en bergen wisselen steeds af, en hier en daar ziet men

de rechte, horizontale lijnen der bazaltruggen, waaronder de orgels

van Bort duidelijk te onderkennen zijn. Aan zijne voeten heeft men

echter het mooiste uitzicht, de van den berg uitstralende dalen zijn

rijk in afwisseling; aan het einde van elk dal dichte dennenbosschen,

waarop dan helder gekleurde weiden volgen, met woningen bezaaid.

De geologen deelen ons mede, dat de verschillende bekkens of

bergkommen, waarin we van den top van den Puy Mary neêrzien,

de plaatsen zijn geweest waarboven zich vroeger de reuzenvulkaan

verhief. De toppen, die zich aan den rand verheffen, zijn oude

bijkraters, aan de zijwanden doorgebroken, ver beneden den top. De

eerste uitwerpselen van den vulkaan werden langzamerhand om den

hoofdkrater opgestapeld, en vormden het reusachtig omhulsel van den

kegel, een koek van ongeveer 80 KM. middellijn, waarvan de gezamenlijke

Cantalbergen nu de overblijfselen zijn. De koek is ongeveer 1000 meter

dik en bestaat uit eene groote verscheidenheid van lavagesteenten.

Dat alles was niet het werk van één dag; de vulkaan had langdurige

tijden van rust, gedurende welke zich een weelderige plantengroei

op zijne hellingen ontwikkelde. We bespraken dat reeds bij het

bezoek aan de bergvlakte van Mongudo. Dergelijke overblijfselen

worden op tal van plaatsen in Cantal gevonden. Daarna volgden de

uitbarstingen, die als vaste rotsen op de hellingen afkoelden:

het zijn de tegenwoordige Puy's, waarvan we enkele beklommen. Eene

derde reeks van uitbarstingen volgde, om weder andere rotsgevaarten

te vormen, tot eindelijk de vulkanische werking zich in eene vierde

reeks van uitbarstingen uitputte, en de licht vloeibare bazalt langs

alle zijden af deed stroomen; deze laag bazalt bedekte niet alleen de

vroegere lavagesteenten, maar ook de voor deze bestaande terreinen,

zoomede de heuvelen in wijden omtrek. Daaraan hebben de vlakten in

Cantal, bijv. de Planèze, haren oorsprong te danken.

Nadat de vulkanische werkingen opgehouden hadden, stortte de

hoofdkrater in en was de woeste massa verder aan de invloeden van den

dampkring onderworpen. De vervorming ging toen langzaam maar even zeker

voort. Groote sneeuwvelden bleven op de bergtoppen liggen en stortten

neer langs de hellingen, alles hullende in een vervaarlijk ijskleed,

dat aan geheel Cantal en Auvergne een aanzien gaf als nu bijv. in

Alaska. Men vindt overal onbetwistbare sporen van een ijstijdperk;

afgeronde heuvelbulten, ijsgleuven in de rotsen; opeenhoopingen van

bergpuin aan weêrszijden van vroegere gletscherbanen; ontzettende

zoogenaamde zwervende rotsblokken. De gletschers moesten echter ook

hunne heerschappij opgeven; hun gebied werd steeds kleiner, en wilde

waterstroomen ploegden de tegenwoordige dalen in de berghellingen. Nog

eens behaalde het ijs de overhand en verzamelde zich nu meer in de

dalen; van dit laatste gletscher-tijdperk was de mensch getuige, en het

land nam langzamerhand de vormen aan, die het nu ongeveer nog heeft.

Toen ik daar op den Puy Mary stond en in de berg- en dalvormingen om

mij heen zoo duidelijk voor mij zag wat de geologen leeren, stond

het bij mij vast, dat ik zou trachten eene korte beschrijving te

geven van de wordingsgeschiedenis dezer streek, tevens de algemeene

type van andere bergvormen, die zich vroeger en later evenzoo

ontwikkelden. Zooveel mogelijk vermeed ik het gebruik van vreemde

uitdrukkingen, en ik hoop dat mijn relaas den lezer van eenige nut

moge zijn, al zal de geoloog er de schouders bij ophalen.

Met deze laatste wandeling van Lioran naar den Puy Mary en terug,

was mijne voetreis in Auvergne afgeloopen. Langs den kortsten weg,

over Arvant en Clermont-Ferrand, spoorde ik terug naar Parijs en

naar Nederland.

Nog ten slotte een paar voorbeelden van de oude taal van Auvergne,

in zegswijzen, die nog al eens gebruikt worden.

De taal zelf is eene vertakking der "langue d'Oc", die tot in de

15_de_ eeuw in alle officieele stukken gebruikt werd, en eene niet

onbelangrijke litteratuur heeft; toen zij ophield de officieele

taal te zijn, geraakte ze naast het fransch in vergetelheid, men

hoorde er weinig meer van, tot in de 19_de_ eeuw, toen er wat nieuw

leven ontstond. Thans hebben de vrienden dier taal een eigen orgaan:

"Lo Cobreto"; zij werken krachtig samen met de Félibres van Provence,

en hun dichter Arsène Vermenouze schrijft verzen, die elke letterkunde

eer aan zouden doen.

En nu: _fransch_: Rien aussi bien reparti que l'esprit et les impôts;

chacun trouve qu'il en a assez.

Oud Auvergne'sch: N'ya re de si bhin parthi couma l'aima et la

tailla. Tsaum troba que n'a prou.

Fransch: Une chèvre et deux femmes, il y en a assez pour tenir

une foire.

Oud-Auvergne'sch: Na tsobra et dua feinnas, ni za prou pour tene

na feira.

Deze zegswijzen bewijzen u tevens dat de Auvergnaten toegerust zijn,

met wat men wel eens galgenhumor noemt; en de vreemdheid der taal

maakt het ook duidelijk, dat pogingen om gesprekken aan te knoopen

met Auvergnaten, die hun fransch vergeten hadden,--op niets uit

moesten loopen.

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906 · 第 27 / 49 题