In Beloetsjistan.--Makran, geschiedenis en aardrijkskunde
van de streek.--Sachad.
Op zijn eerste reis in 1893 vertrok majoor Sykes van Kirman, om zich
naar Boesjir te begeven aan de Perzische Golf. Van daar volgde hij
de kust tot Karatsji, welken post hij verliet, om zijn tweede reis te
ondernemen. Toen werd hij vergezeld door majoor Brazier Creagh van den
gezondheidsdienst bij 't leger, door sultan Soekhroe, officier van
een cavalerie-regiment uit Pendsjab, door twee sowars van het corps
gidsen en door twee hindoesche bedienden. Hij vertelt het volgende
van die tweede reis.
Uit Karatsji vertrokken, was onze eerste tocht naar Gwadoer, een
bezitting van den sultan van Mascate, waar zich veel ontvluchte
perzische slaven ophouden. Den volgenden dag voer onze stoomboot
bij mooi, stil weêr de baai van Sjahbar binnen, de veiligste en best
toegankelijke haven aan de kust. Voor den zuidwestmoesson is men er
beschut door het land van Oman, waar zich het lange voorgebergte Ras
Koelab uitstrekt, terwijl in het westen een lange klip een natuurlijken
golfbreker vormt. Maar bij de breedte van twaalf KM. en de diepte
van wel twintig KM. is het toch nog geen volkomen veilige ankerplaats.
Onze ontscheping ging niet zonder moeite door middel van een inlandsche
boot of _baggala_. Toen we aan land waren, brachten we al onze
_impedimenta_ naar 't naastbij zijnde postkantoor.
Beloetsjistan is de gewoonlijk gebruikte naam van een uitgestrekt
gebied, dat maar dun bevolkt is en verdeeld is tusschen Engeland
en Perzië. De afgelegen provincie beantwoordt zoo ongeveer aan
de zeventiende satrapie van Darius, waarvan Herodotus gewaagt. De
groote koning vermeesterde Hapta Sindoe of Pendsjab, waarschijnlijk
langs den weg van Beloetsjistan, terwijl een vloot onder bevel van
den griekschen admiraal Scylax den Indus afzakte en, zonder zich om
de gevaren ter zee te bekommeren, de kusten van Gedrosië en Arabië
exploreerde. Die expeditie had plaats in 512 vóór Jezus Christus,
en in zekeren zin vermindert zij den roem van Alexander, die zeker
niet wist, dat de Grieken al in de zee van Erythrea hadden gevaren,
verondersteld, dat zij het hebben gedaan, wat niet bewezen is.
In den tijd van Alexander was de Makrankust bekend als 't land
der Ichthyophagen, en het binnenland heette Gedrosië. Sir Thomas
Holdich ziet in het woord Makran een samentrekking van de beide
perzische woorden _Mahi_ en _Khoeran_, vischeters of ichtyophagen
beteekenend. Maar ik geloof, dat het woord veel ouder is en ik zou de
volgende etymologie voorslaan. De Assyriologen verschillen van meening
op het punt of de naam _Magan_ beteekent het Sinaï-schiereiland of de
kust van Arabië achter de Bahrein-eilanden met Oman er in begrepen;
in elk geval hebben wij het _Maka_ der opschriften, een vorm, die met
weinig verandering terug te vinden is in de Mykians of Mekians van
Herodotus. Nu was Makran in 't bijzonder bekend om zijn wortelboomen
of mangroven, want het land was gelijk aan de naburige kust, die men
de _Ran_ van Katsj noemt, een woord, dat afkomt van het Sanskriet
_aranya_ of _irina_ en dat een woestijn of een moeras beteekent. Is
het dus niet aan te nemen, dat de oorsprong van dit welbesproken woord
_Maka irina_ zal zijn, wat beteekent "de woestijn van Maka"? In Sind
is de uitspraak thans Makaran, juist de vorm, dien de beide woorden
vereenigd moesten aannemen.
Uit natuurkundig oogpunt breidt Makran zich uit tot de eerste
belangrijke keten, die een waterscheiding is. Tot op een dertigtal
kilometers van de kust vindt men een zandige vlakte, waar verschillende
waterloopen door gaan en die op vele plaatsen met tamarinden is
begroeid. Behalve na den regen loopen die rivieren maar voor een deel
aan de oppervlakte van den grond. Haar loop wordt dan onderaardsch,
't geen intusschen het voordeel heeft het water aan de verdamping
te onttrekken. Het district moest minder arm zijn dan het is, want
de grond is vruchtbaar en wordt voldoende besproeid, terwijl men er
uitstekende weiden voor kameelen vindt. Daarachter strekt zich een
reeks heuvels uit, laag en afgerond, die meer landwaarts in voor ruwe
kalksteenbergen plaats maken, de waterscheiding van Makran.
Sir Thomas Holdich beschrijft het landschap Makran uitstekend in
zijn werk _The Indian Borderland_ aldus: "Een eentonige reeks van
ketenen, de eene achter de andere als de ribben van een walvisch,
zich verheffend boven lage slijkheuvels met hier en daar een zoutige
plas en, als eenig versiersel, wat tamarinden met neutrale tinten
en gele stengels van vergeten gras van 't vorig jaar, zoo zag het
landschap er uit, dat wij maar al te dikwijls onder de oogen hadden".
De noordelijke hellingen van het kalkgebergte dalen af naar de
rivieren Bampoer en Mesjkil, die geen van beide de zee bereiken. In
het Noordwesten loopt de Loetwoestijn tot de rivier Bampoer, terwijl
in het Oosten van de Fahradsjvlakte de perzische bergketenen, die
van het Noordwesten naar 't Zuidwesten liepen, eene oost-westelijke
richting nemen, die zoo karakteristiek is in Zuid-Beloetsjistan en
die voor een deel den achterlijken toestand van die streek verklaart
door van de kust den toegang erheen zeer moeilijk maken. Meer naar
het Noorden eindelijk ligt het district Sarhad, waar twee naar het
Noordwesten gerichte evenwijdige ketenen deze hooge streek afscheiden
van de Loetwoestijn in 't Westen en van de eveneens lage Kharanwoestijn
in het Oosten.
Het centrale gedeelte van Beloetsjistan is zeer bergachtig; maar er
zijn geen maatregelen genomen, om van den aanwezigen watervoorraad
partij te trekken, en het land bestaat uit niet veel anders dan magere
weiden. De rivier, de Bampoer, zou tegen een geringe uitgaaf voor
irrigatiewerken met gemak een aanzienlijk aantal inwoners kunnen
voeden.
Sarhad, dat enkele jaren geleden nog een echt rooversnest was en nu
nog niet veel beters is geworden, heeft veel latente hulpmiddelen op
zijn hooge vlakten, die tot Koeh-i-Taftan loopen. Toch is het district
bijna niet bevolkt, ofschoon het graven van _kanats_ reeds eenige
resultaten heeft gehad en men in het land veel overblijfselen vindt
van vroegere cultures. De opening van de spoorlijn van Quettah naar
Seïstan zal wel haar werking uitoefenen, langzaam maar zeker. De
Engelsche regeering kan niet meer zooals vroeger onverschillig
blijven voor de razzia's. Buitendien begint Perzië zelf er ook de
orde te herstellen, en de razzia's zijn al niet meer, wat ze vroeger
waren, toen de Beloetsjen allen doodden, die zij gevangen namen of
bij uitzondering hen hielden als slaven en hen verminkten, om hen de
lust te benemen, naar hun vroegere woonplaats terug te keeren.
Wij weten niets zekers omtrent den oorsprong der Beloetsjen, want zij
hebben geen oude boeken, zijn zeer onwetend en zijn daar trotsch op,
zooals de baronnen uit de Middeleeuwen het waren. Sir Henry Pottinger
schrijft hun een turkmeensche afkomst toe; maar volgens professor
Rawlinson is het woord Beloetsje afgeleid van den naam Belus, dien
van een koning van Babylonië, dien men beschouwt als den Nimrod,
zoon van den Koesj uit de Schrift. Het woord _koesj_ komt ook wel
onder den vorm _koessoen_ voor. In Sjah Nameh van Firdoesi worden de
Beloetsjen genoemd als een stam, in Ghilan gevestigd onder de regeering
van Nosjirwan. Van daar zijn ze geëmigreerd naar Beloetsjistan door
Seïstan. Zeer waarschijnlijk zijn ze van arische afkomst; maar het ras
is veranderd door kruising met arabische immigranten, vluchtelingen
voor de vervolgingen, die na Hussein's dood plaats hadden. De hoofden
beweren, dat zij van arabische voorouders afstammen, en zij maken ook
den indruk te behooren tot een menschensoort, verschillend van die
der boeren. De Brahoeïs, die er dan nog zijn, hebben een eigen type;
ze zijn klein en hebben een rood gelaat, terwijl de Beloetsjen lang
en slank zijn met een langen vorm van hoofd. Die Brahoeïs spreken een
taal aan het Tamoel verwant en moeten van dravictischen oorsprong zijn.
Het is belangrijk op te merken, dat verscheiden duizenden Beloetsjen
wonen buiten Beloetsjistan, men treft ze veel aan in de grensprovincies
van Indië.
De eenige voorislamietische ruïnen, die ik ontmoet heb, zijn de
_Gorbasta_, dikwijls vergeleken bij de Cyclopenmuren van de Grieken. Ze
zijn gewoonlijk gebouwd bij den uitgang van een pas en dikwijls moesten
zij stuwen zijn voor het water, dat ter irrigatie dient. In sommige
gevallen vindt men ze op hellingen, en in vorstelijk Beloetsjistan
schijnt een talrijke bevolking voor haar levensonderhoud afhankelijk
te zijn geweest van deze dammen.
Maar kolonel Mockler heeft, toen hij een zestigtal kilometers ten
noordwesten van Gwadoer reisde, enkele oude steenen gebouwen opgegraven
en heeft ook steenen stuwwerken gevonden. Hij heeft mede beenderen
ontdekt en aardewerk en steenen messen. In andere gedeelten van Makran
heeft hij steenen graven gevonden, maar hij trekt geen enkel besluit
uit die ontdekkingen, evenmin als uit de opgravingen, door hem verricht
te Bahrein, waar ook gemetselde graven aan het licht zijn gekomen.
Beloetsjistan was schatplichtig aan het oude perzische rijk. Het is
zeker, dat Alexander de Groote het van het Oosten naar het Westen
doortrok, maar daarna heeft men het eenige honderdtallen van jaren
uit het oog verloren. Er is eerst weer sprake van, als men onder de
regeering van Nosjirwan besluit, de Beloetsjen voor hun strooptochten
te straffen en er groote moordpartijen aanrichtte. Zij hielden zich
toen rustig, ten minste gedurende één geslacht, hernamen daarna echter
weer hun roofzuchtige gewoonten, en hun onafhankelijkheid is nooit
duurzaam bedreigd geworden.
Toen de Mohammedanen kwamen opdagen, werd de provincie Kirman veroverd
in de eerste jaren na de Hedsjra, en Beloetsjistan trof weldra
hetzelfde lot. Maar het is twijfelachtig, dat het land permanent
door de Muzelmannen bestuurd is, vóór het veroverd werd door Yakoeb
bin Lais van de Saffaren-dynastie. Deze regeerde over een rijk, dat
zich uitstrekte van den Indus tot den Sjat el Arab, maar de voorspoed
duurde niet lang, want zijn broeder Amz werd gevangen genomen door
Ismaël van het geslacht der Samaniden en te Bagdad ter dood gebracht.
Intusschen bleven de Saffaren nog verscheiden eeuwen in het bezit van
Beloetsjistan, en zij vormden in den loop der tijden een vereeniging
van opperhoofden. Verschillende arabische reizigers, Masoedi, Istakhri
en Ibn Hankal bij voorbeeld, hebbens ons Makran in dien tijd als een
bloeiend land geschilderd.
Ten tijde van den inval der Mongolen kwam Djelaleddin van Kheiva uit
Indië naar Makran, om zich met de overweldigers te meten, en in 1223
zond Gengis-Khan, toen hij Herat had verwoest, Dehagataï erheen, om
Makran te verwoesten, ten einde de verbindingslijnen met Djelaleddin
af te snijden.
Op het einde van de 13de eeuw voer Marco Polo op zijn terugweg van
China langs Makran; maar het is niet zeer waarschijnlijk, dat de
groote Venetiaan op eenige plaats de kust heeft aangedaan.
In 1839 spreekt een intelligent reiziger Hadji Abdoel Nali van de
verschillende beloetsjistansche hoofden, die razzia's houden in Perzië
en lachen om de bedreigingen van den gouverneur-generaal van Kirman.
Maar sedert 1844 begint Beloetsjistan zijn vrijheid te verliezen. Twee
leden van den stam der Kadjaren werden aangewezen, om het woelige
district te besturen, maar zij slaagden niet in hun pogen, en het
was de verdienste van Ibrahim Khan, de verovering te voltooien van
wat tegenwoordig perzisch Beloetsjistan is. Hij wordt van wreedheid
beschuldigd, en hij had inderdaad een zekere neiging om de slaven te
exploiteeren; maar men moet rekening houden met alle geschenken, die
van hem gevorderd werden en alle geldsommen, die hij moest opbrengen.
Ibrahim Khan ontving de grensregelingscommissie onder bevel van
Sir Frederick Goldsmith niet al te vriendelijk, en pas was de
commissie, die de perzisch-beloetsjistansche grens geregeld had,
vertrokken, of hij maakte zich van Koehak meester, dat niet aan hem
was toegewezen. Hij stierf in 1884, na dertig jaren in dezen hoek
van Perzië het bestuur te hebben gevoerd. Zijn zoon stierf eenige
maanden na hem, en zijn schoonzoon werd gouverneur, maar werd in 1887
vervangen door een Turk, Aboel Fath Khan, om echter weldra weer tot
gouverneur te worden uitgeroepen. Deze Zein ul Abidin Khan regeerde,
toen ik er in 1893 kwam, en hij had later twee opstanden der Beloetsjen
te onderdrukken, één na den moord op den Sjah in 1896, en den anderen
in het daarna volgende jaar.
Tegenwoordig, nu de britsche regeering den verkoop van geweren
verboden heeft, is Beloetsjistan afhankelijker dan ooit; maar het
vooruitzicht is niet schitterend. De luiheid en onverschilligheid
van dit volk zijn zoodanig, dat ik meen te kunnen voorspellen, dat
binnen honderd jaar na dezen hun leven niet meer dan thans van dat
der patriarchen zal verschillen.
Voor onze reis waren, dank zij den heer Lovell, de kameelen
gereed. Maar de Beloetsjen hadden geen touwen, en buitendien bleek
het uiterst moeilijk, de lasten te verdeelen. Zij beklaagden
zich buitendien over de zwaarte der vrachten, die een perzisch
muilezeldrijver licht zou hebben gevonden. Wij deden hierbij de
belangwekkende waarneming, dat ieder kameel een eigenaar had, en dat
er soms een viertal aanspraak maakte op hetzelfde dier.
Wij besloten eindelijk onszelven met de verdeeling der vrachten te
belasten, en wij vertrokken laat in den namiddag, om tot Tiz te gaan
op twaalf kilometer afstands. Eerst gingen wij door het dorp Sjahbar,
waar veel hindoesche kooplieden woonden en waar alles vuil en leelijk
was, behalve de enkele boomen, die er stonden; vervolgens bestegen
wij geleidelijk het rotsachtige gebergte, dat het dorp scheidt van
Tiz. Die laatste plaats is veel beter gelegen dan Sjahbar, daar zij
zich bevindt aan den uitgang van den hoofdweg naar het binnenland
over Kasakand, die volkomen den weg langs de kust beheerscht, welke
oostwaarts in zigzag van het gebergte daalt en naar het Westen door
een opening tusschen de rotsen de zee bereikt.
Het was te laat, om de ruïnen te gaan zien, die trouwens nu uit niet
anders bestaan dan een duizendtal graven. Wij hadden nog juist den
tijd een blik te slaan op het oude perzische fort, twintig jaar geleden
gebouwd, om Sjahbar, door de Perzen veroverd op een arabischen sjeik,
te beschermen; kort daarna werd het reeds door het garnizoen verlaten.
In 1188 van onze jaartelling was Tiz blijkbaar een groote haven; de
karavanen, die van het Westen kwamen, volgden dien weg, toen tengevolge
van plaatselijke troebelen de haven van Ormoezd geblokkeerd was. Hun
weg leidde blijkbaar van Irak naar Kirman en van daar naar Bampoer,
Kasakand en Tiz; de andere weg, die mogelijk was, namelijk over
Geh bood teveel moeilijkheden voor de karavanen. De belangrijkheid
van Tiz lag ook hierin, dat de plaats het middelpunt was van den
suikerhandel in Makran en misschien de uitvoerplaats van het graan
uit Seïstan; stellig was het de zetel der kooplieden, die niet tot
Ormoezd wilden gaan.
Daar wij ons kamp hadden moeten opslaan in een nauw dal, waar
alleen wat water was in een paar vuile poelen, vertrokken wij
den volgenden dag in gloeiende hitte en richtten ons naar Parag,
een vuil dorpje. Daar wendden we onzen rug naar de zee en naar de
telegraaflijn, die dicht langs het strand loopt en veel van vocht
te lijden heeft. Daar onze paarden vermoeid waren door hun reis per
spoor en per boot, rustten wij eenigen tijd uit in de schaduw der
tamarinden, en wij zetten onze reis eerst voort in den koelen avond,
waarbij we over een lavavlakte gingen, waar enkele magere katoenvelden
te zien waren.
Ons kamp voor dien dag werd opgeslagen in het gehuchtje
Noer-Moehamedi. Den volgenden dag dwongen onze Beloetsjen onder
voorwendsel, dat hun kameelen, die 's avonds laat waren aangekomen,
rust behoefden, om stil te houden.
Een nieuwe marsch van 25 KM. bracht ons te Pich-Mant, welke naam
beduidt "plaats van den dwergpalm". De bladeren van dien daar veel
voorkomenden boom worden voor verschillende doeleinden gebruikt; men
maakt er sandalen van, matwerk en manden, daken, touwen enz. "en", zegt
de schrijver van _Eastern Persia_, "ook mutsen, sabelscheeden, zweepen
enz. De gedroogde bessen dienen voor het maken van rozenkransen;
de jonge spruiten worden gegeten, en de wortels zijn een uitstekende
brandstof, wat een groot voordeel is in het aan hout zoo arme land".
Toen wij de vlakte achter ons lieten, kwamen wij in een steenachtig
dal en van daar over een lagen pas op een plateau. Dien dag streek
een zwerm horzels op ons ontbijt neer en at het voor ons op.
De volgende dag bracht ons tot Ziarat, een gelukkig oord, omdat wij
er stroomend water vonden, waar onze paarden zich heerlijk aan te
goed deden.
De eenige Europeaan, die vóór ons in deze streek is geweest, is
kapitein Grant, een van de wetenschappelijke onderzoekers, op aandrang
van Sir John Malcolm naar Perzië gezonden in het eerste tiental jaren
van de 19_de_ eeuw. Zijn mededeelingen beteekenen niet veel.
Te Ziarat hadden wij de noordgrens bereikt van het kustdistrict,
waarvan de versterking, naar ons gezegd werd, voor ongeveer 5000
francs per jaar is toegezegd. Het water der rivier, die een paar
mijlen geheel verdwenen was, kwam wat hoogerop weer te voorschijn, en
wij gingen door een reeks kleine gehuchtjes en dadelboschjes, om ten
slotte te Nokinja stil te houden, waar wij ons bundels groene rijst
konden aanschaffen voor de paarden en eieren en melk voor onszelven.
Wij waren nu eindelijk buiten het gebied van de afgeronde heuvels,
en de bergketens, waardoor onze weg leidde, eindigden in spitse
kapen boven de bedding der rivier. Onmiddellijk boven Nokinja volgt
de samenvloeiing met de Sirha. Hooger nog was het ons een genoegen,
Geh te bereiken, de hoofdplaats van het district. Ik heb honderden
beloetsjische dorpen gezien, maar Geh, het _Bih_ van den reiziger
uit Arabië, blijft in mijn herinnering gegrift als het mooiste. Een
prachtig boschje van dadelpalmen verrijst bij de bron van twee
rivieren, de Gung en de Kisji; een oud schilderachtig fort staat op
een rots, en alleenstaande, kale heuvels in den omtrek verhoogen den
indruk, dien de frischgroene rijstvelden maken.
Het dorp ligt ongeveer 450 M. hoog. Hoewel wij op het einde van
October waren, wees de thermometer 's middags bij de 38° C.
Geh met Kasakand ten oosten en Bint ten westen vormen de drie steden
van perzisch Makran, waar de reiziger aankomt, als hij van de kust het
land in gaat. Ze moeten alle drie hetzelfde aantal inwoners hebben,
dat de twee duizend niet te boven gaat, naar het ons scheen.
Wij kregen een bezoek van Sjakar Khan, oudsten broeder van Sardar
Hussein Khan, die den ouden staat van zaken in de provincie
vertegenwoordigt en zich Beloetsjistan herinnert op den tijd, toen
het onafhankelijk was van Perzië; natuurlijk keurt hij de opgetreden
verandering af. Enkele inwoners spraken het Hindostansch, en wij
hoorden, dat zij een weinig handel dreven met de kust. Visch was een
der handelsartikelen; zij wordt nog verkocht, als ze reeds vrij oud is
geworden. De toestand der bevolking was er treurig, want de gouverneur,
die niet als in Perzië wordt in bedwang gehouden door de openbare
meening, noch de telegraaf heeft te vreezen, onderdrukte de menschen,
en veel inwoners verhuisden naar Karatsji, Maskate of Zanzibar.
Wij vertrokken, na onze kameelen te hebben weggezonden en eenige
gidsen uit Lasjar te hebben gehuurd, de sterkste en beste geleiders
voor reizen in het bergland. Wij moesten nu door het nog onbekende
district, dat ons van Fanoch scheidde. Wij volgden de steenachtige
bedding van de Gung stroomop en kwamen daarna in het gebied van de
Sirha, op welker beide oevers veel dorpen liggen. Wij hielden stil
te Maloeran aan een zijtak van de Rapsj. De bewoners, die blijkbaar
nooit van Europeanen hadden hooren spreken, keken ons achterdochtig
aan. Toen zij binnen het bereik van onze stem waren, beproefden wij
het middel, dat ons gewoonlijk gelukte en dat bestond in het geven
van een roepij aan een man, om hem te toonen, dat wij wenschten te
betalen voor wat wij zouden noodig hebben.
Dezen keer gelukte het niet. Een levendig gesprek begon; ik trachtte
van mijn kant duidelijk te maken, dat wij zouden betalen en dat wij hun
vrienden waren; maar het hoofd der bende, een schelm met een bijzonder
ongunstig uiterlijk, bleef bij zijn weigering. Ten slotte vloog een
der onzen op hem af en duwde hem in de rivier, waaruit de schurk
weer opdook met den mond vol slijk. Maar dadelijk daarna arriveerden
de gevraagde levensmiddelen. Men kan de tegenwerping maken, dat wij
geen recht hadden, tot geweld onze toevlucht te nemen; maar ik zou
mijn bedillers wel eens in een dergelijk geval geplaatst willen zien
en zou dan eens kijken, hoe zij te werk gingen. Bij slot van rekening
werden de menschen uit Maloeran onze beste vrienden en wij brachten een
geheelen dag onder hen door. Wij merkten de eigenaardige bijzonderheid
op, dat zij konden fluiten, een talent, dat in het Oosten zeldzaam is,
waar fluiten gemeenlijk voor een "taal des duivels" doorgaat.
Een moeilijke tocht was het naar de rivier Fanoch of Rapsj. In de
plaats van dien naam werden wij zeer vriendschappelijk ontvangen;
de zoons van Sjakar Khan waren er gouverneurs, en zij toonden zich
bijzonder geïnteresseerd bij het zien van onze geweren.
Begeerig, om het onbekende land in het Westen althans eenigszins te
leeren kennen, beklommen wij den Koeh-i-Fanoch, een lastige bestijging,
die vier uren duurde. De laatste 150 M. worden gevormd door een rots
van witten kalksteen, die bijna loodrecht is. Van den top konden
wij met gemak de vijf afzonderlijke stroomen volgen, die te zamen
de Fanoch vormen. Het was een prachtig panorama, en het gaf ons,
wat wij zoo vurig verlangden, een denkbeeld van de formatie van het
land. Naar het Westen werd het uitzicht voor een gedeelte beperkt
door hooge bergen; maar naar het Noorden zagen wij den prachtigen
Koeh-i-Bogman, die eenzaam tot 2700 M. boven de vlakte oprijst. Naar
het Oosten breiden zich het Azabadbergland uit en het district Lasjar.
Fanoch, waar wij een dag bleven rusten, om over onze vermoeienis heen
te komen, ziet er veel welvarender uit dan Geh, en verscheiden huizen
waren er van steen gebouwd. Er is een fort, dat zeer oud schijnt te
zijn; maar zooals gewoonlijk in Beloetsjistan konden wij volstrekt
geen inlichtingen krijgen over de geschiedenis van het gebouw.
Er waren in Fanoch schapen en gevogelte, eieren, melk, gerst, rijst
en tarwe in overvloed, en de dadels uit Beloetsjistan zijn beroemd;
maar het eenige industrie-artikel, dat er gemaakt wordt, zijn kleine,
met roode zijde geborduurde petten. Ik vroeg of Fanoch in Makran
lag. Er werd mij gezegd, dat de grens gevormd wordt door den kam van
den Band-i-Linag, ten noorden waarvan zich de stad bevindt; Basjkird
ten westen ervan wordt niet meer beschouwd als tot Beloetsjistan
te behooren.
Wij keerden terug langs denzelfden weg, dien wij gekomen waren, maar
voorbij Sartab sloegen wij een meer noordelijke richting in naar Tehan,
een welvarend dorp van wel duizend inwoners.
Te Geh terug zijnde, vonden we ons reisgezelschap goed uitgerust,
en toen wij twee dagen na onze terugkomst ons gereed maakten om naar
Fahradsj te vertrekken, werden wij aangenaam verrast door de aankomst
van twee Beloetsjen, die de gouverneur van perzisch Beloetsjistan
gezonden had, om ons tot gidsen te dienen, Mir khan Mohammed en
Moellah Basjan.
Eerst volgden wij een zijtak van de Sirha en daarna bereikten we den
hoofdstroom, aan welks oevers een weinig aan landbouw werd gedaan. Wij
kampeerden in de bedding zelve der rivier, en den volgenden dag hadden
wij den ellendigsten weg, dien ik ooit heb gezien. Een mijl stroomop
wordt het rivierdal nauwer, tot het niet veel meer dan 30 M. breed is
en wij kwamen bij rotsachtige trappen, waar de rivier in een waterval
bij neer viel. Iets verder weer een ander pretje, namelijk in de
bedding blokken rots van allerlei afmeting, van de grootte van een
omnibus tot die van een voetbal. Toen eindelijk verscheen een diepe
plas, die de gansche breedte van het dal vulde. Daarlangs liep een
smal pad, als voor geiten gemaakt, waar het ons onmogelijk leek voor
onze beladen beesten om zich op voort te bewegen. Maar tot mijn groote
verbazing liep alles zonder ongelukken af.
Onze paarden waren doodop, toen we bij de bron van de rivier
kwamen, in het dadelbosch van de Sirha, een groot, maar geheel
verwaarloosd terrein. Wij kampeerden ter hoogte van 990 M., en dit
was de eerste dag, waarop wij een temperatuur hadden van onder de 30°
C. Den volgenden dag was het ook betrekkelijk koel; wij stegen tot de
waterscheiding in Makran, op ongeveer 1100 M., en van daar begonnen we
te dalen rondom de hellingen van de groote massa van den Azbag, dien
wij gezien hadden vanaf den top Koeh-i-Fanoch. 's Avonds kampeerden
wij te Pip, de hoofdstad van Lasjar.
De gouverneur kwam ons begroeten. Hij was eerst zeer beschroomd. Zijn
gezicht klaarde echter op, toen wij hem naar de geschiedenis van
zijn geslacht vroegen. Hij was een jongen van zestien jaar. Pip is
een dorp van tweehonderd huizen, die rondom een versterkte vesting
gegroepeerd staan, op een zekeren afstand van een mooi dadelbosch. In
Beloetsjistan zijn de dorpen altijd gebouwd op boomlooze terreinen,
waaromheen koren verbouwd wordt. De verandering van lucht, van de
droge warmte der woestijn naar de betrekkelijk koele vochtigheid
van het dadelbosch, was zeer aangenaam, maar misschien gevaarlijk
voor hen, die vatbaar zijn voor koorts. Maar als men uren aaneen in
den brandenden zonnegloed heeft gereden, is de schaduw zoo welkom,
dat wij altijd zoo dicht mogelijk bij boomen kampeerden, en voor zoo
ver ik weet, heeft niemand onzer er leed van ondervonden.
Mijn reisgezel en ik waren van oordeel, dat de Lasjaren boven alle
andere Beloetsjen, die wij hadden ontmoet, uitmuntten. Physiek
waren het krachtige staaltjes van het menschenras en daarbij waren
ze altijd vroolijk en opgewekt, wat niet het geval is met de meeste
Beloetsjen, die begeerig en ijdel en niet zeer hulpvaardig zijn, en
daarbij stug en koppig als kameelen. Maar het is billijk er bij te
voegen, dat de Beloetsjen buitengewoon eerlijk zijn, en dat als men
hun brieven of dingen van waarde toevertrouwt, zij ze met gevaar van
eigen leven zullen verdedigen. Uit zedelijkheidsoogpunt staan ze ook
niet laag en hun vrouwen behandelen ze bijna als huns gelijken. Men
kan als voorbeeld van hun eerlijkheid het feit noemen, dat, om de
telegraafbeambten te betalen, men gewoon was een zak met roepijen
van den eenen post naar den anderen langs de lijn te verzenden, waar
ieder op zijn beurt zijn soldij uit nam. Een enkele maal maakte een
ambtenaar misbruik van dit vertrouwen, en hij moest zijn land verlaten,
wat voor een Beloetsje de zwaarste straf is.
Na een dag van welverdiende rust daalden wij verder langs het
vruchtbare dal der Pip. Te Ispaka waren we aangekomen in het district
Fahradsj, en wij ontdekten de eerste vertegenwoordigers van het
perzische element, in de gedaante van twee of drie soldaten en een
sergeant. Daar de Beloetsjen nooit met andere Perzen in aanraking
komen, dan met menschen, die belasting komen innen, zijn de Perzen
er zeer gehaat. Ze worden Gagars genoemd, verbastering van Kadjaren,
de naam der regeerende dynastie.
Den volgenden dag kwamen we op onzen tocht naar de rivier, de Bampoer,
in het dorp Kasimabad en daarna te Bampoer, het vroegere stadje,
dat de oude hoofdstad van Beloetsjistan is en waar nu niet meer dan
een paar honderd vuile hutten staan; een dadelbosch was er niet en
wij moesten kampeeren in een slordige omgeving, die oudtijds een tuin
zal zijn geweest.
Zein ul Abidin Khan, de gouverneur, had mij geschreven, dat hij
mij te Fahradsj wachtte, dat op vier mijlen afstands lag en veel
belangrijker is, daar het ongeveer twee duizend zielen telt, het
garnizoen erin begrepen. Zein ul Abidin Khan ontving ons vrij koel;
onze belangstelling kwam hem blijkbaar wat verdacht voor, zooals zij
dat veel Oosterlingen doet, maar na enkele moeilijkheden werden wij
ten slotte goede vrienden.
Ons doel was nu eerst het district Sarhad, waarvan nog zoo weinig
bekend is en waarheen wij den eersten December 1895 ons op weg
begaven. Een der eerste dagen, toen wij, na het dal der Konar
Rud te zijn doorgegaan, te Sonar waren, werden wij eenige dagen
opgehouden door een aanval van dysenterie van Brazier Creagh. Met
twee kameeldrijvers deed ik de volgende dagen de bestijging van
den Hamant, om het land te verkennen. Die berg is 2320 M. hoog, hij
is ten onrechte voor een vulkaan gehouden. De tocht was moeilijk,
vooral het dalen ging bezwaarlijk. Van den top hadden wij een ruim
uitzicht over het zuiderdistrict, dat een eentonig veld van lage
bergen geleek; maar in alle richtingen was het panorama prachtig,
al konden wij tot onze spijt den grooten vulkaan Sahrad niet zien.
Twee dagen later overschreden wij op 1680 M. hoogte de waterscheiding
tusschen de Bampoer en de Mesjkil, en daalden af naar het dorp Magaz,
dat ongeveer 2000 inwoners telt en 't beste klimaat heeft van heel
Beloetsjistan. Den weg naar het Noorden inslaand, trof onze blik
den Koeh-i-Taftan, die op den afstand van honderd mijlen ongeveer,
waarop wij hem zagen, op een witten kegel geleek.
Het district Sarhad deed zich het eerst aan ons voor van een pas,
van waar het ons voorkwam, niets dan kale bergen te bezitten, zonder
eenig dorp, zelfs zonder een tent van nomaden. Toch vonden wij er het
fort Kïvasj met een garnizoen van ongeveer 450 soldaten, infanterie
en cavalerie. Met enkele zwarte tenten was dat fort de hoofdstad van
het district. Landbouw werd er niet beoefend.
De verwaarloozing van Sarhad is droevig, want het is de eenige streek
tusschen Quettah en Kirman, die koel mag worden genoemd. In vroegeren
tijd woonde er een dichtere bevolking, zooals ook uit de overblijfselen
van putten of kanats blijkt, en men mag de hoop koesteren, dat het land
later een belangrijke weg zal zijn tusschen Quettah en Zuid-Perzië.
Van Kivasj uit wilde ik den Koeh-i-Taftan bestijgen, ofschoon de
gouverneur het mij afried. Twee dagen later echter kampeerden wij
op bijna 2000 M. hoogte in het kleine dorp Waradji, en den volgenden
dag klauterde ik tegen den top op, ongelukkig zonder Bazier Creagh,
die een zweer aan zijn voet had. De laatste uren der bestijging waren
lastig en onaangenaam. Eerst moest men over groote rotsblokken klimmen,
en daarna ging het door een dikke laag witte asch, die uit de verte aan
den berg het voorkomen had gegeven, alsof hij met eeuwige sneeuw bedekt
was. Wij bereikten den top eerst om twee uur in den namiddag, na acht
uren bijna aanhoudend te hebben geklommen. De Koeh-i-Taftan eindigt
in twee toppen, den noordelijken of hoogsten en den zuidelijken,
den vulkaan, dien wij wenschten te bezoeken.
De krater, waaruit verblindende zuilen van zwavelachtigen damp
opstegen, heeft twee openingen, ieder ongeveer drie meter in omtrek
en van boven gescheiden door een afstand van één meter. Er was
geen enkele versche lavastroom te zien, en er wordt van geen enkele
uitbarsting melding gemaakt. Het gezicht, dat men van den top had,
was 't mooiste, dat ik ooit in Perzië heb gezien; alle bergtoppen
waren duidelijk zichtbaar. Zooveel ik heb kunnen nagaan, vereeren de
bewoners van het dal den vulkaan al sinds overoude tijden.
Bij het dorp Bagman voegde zich onze colonne weer bij de bagage en
de reis door Sarhad leerde ons, dat het district water genoeg heeft,
om bij een goed bestuur een welvarend land te worden.