De provincie Kirman.--Aardrijkskunde: de flora, de
fauna, het bestuur, het leger.--Geschiedenis: invallen
en verwoestingen.--De stad Kirman, de hoofdstad der
provincie.--Een seizoen op het Sardoe-plateau.
De provincie Kirman is altijd belangrijk geweest sedert haar eerste
optreden in de geschiedenis. Waarschijnlijk is, in aanmerking genomen
de physieke gesteldheid van het land, hare uitgebreidheid zoo ongeveer
dezelfde als voor twee duizend jaar. Aan den anderen kant is ook
het verschil uiterst gering tusschen den naam der klassieke oudheid
_Kermania_ en dien van Kirman.
Uit aardrijkskundig oogpunt is de provincie, bijna even
groot als Frankrijk, van veel belang, al was het alleen om de
klimaatsverschillen, de natuurlijke voortbrengselen en de volksstammen,
die men er aantreft. Over een groote uitgestrektheid is het land
vlak; de palmen groeien er goed; tarwe en gerst rijpen in den winter
en worden geoogst in het begin der lente. In sommige streken, in
Djiruft bij voorbeeld, vormen mooie plateaux, die tot 2700 M. hoog
worden, het zuidelijkste gedeelte van het perzische bergstelsel,
waarin de bergketenen zoo ongeveer in noordwestelijke richting
loopen. In het Zuiden van Kirman treft men toppen aan, die bijna tot
5000 M. reiken. In het Noorden en Oosten der provincie vermindert de
hoogte geleidelijk, maar de bergen dicht bij de hoofdstad zijn hoog,
om echter al spoedig voor de lage, eenzame vlakte van de Loetwoestijn
plaats te maken.
De beste beschrijving, die men van de geheele provincie kan geven,
is, dat zij voor een deel zuiver woestijnachtig is en voor een ander
deel verscheiden oasen vertoont. Zoo breidt zich de woestijn wel ten
westen, ten zuiden en ten oosten van Kirman uit, maar op een afstand
van eenige mijlen vindt men kleine dorpen en hier en daar grootere
nederzettingen, in stand gehouden door bronnen, die in 't bergland
opborrelen en welker water door _kanats_ naar de vlakte wordt geleid.
In sommige gevallen kan de eerste bron zich wel op 120 M. diepte
bevinden, en nieuwe putten moeten dan gegraven worden op kleine
onderlinge afstanden. Het is onmogelijk, de geduldige vlijt der boeren
niet te bewonderen, die erin slagen hun bestaan te verzekeren met zoo
groote inspanning. Dikwijls kan een hevige regen of een zandhoos de
kanalen verstoppen.
Natuurlijk zijn de rivieren van geen beteekenis. Alleen de Halil Roed
verdient te worden genoemd. Zij ontspringt ten zuiden van de groote
keten, die ik noemde, loopt door het district Djiruft en stort zich
in de Bampoer. Er is tot heden geen poging gedaan, om het water voor
besproeiïng te gebruiken.
Ook heeft men geen voordeel weten te trekken van den regenval. Daar
die te Teheran ongeveer 25 cM. bedraagt, mag men voor Kirman een
gemiddelde hoeveelheid van 17 cM. aannemen of iets minder. Maar er
zijn op dat punt groote verschillen tusschen de districten. Dat van
Djiruft is het meest begunstigd.
Op de hooge plateaux wordt het begin van 't voorjaar bedorven door
aanhoudende hevige winden en stormen, die uit het zuidwesten geweldige
massa's stof aanvoeren. De onweersbuien zijn in goede jaren talrijk. Te
Kirman zijn de dagen in het midden van den zomer warm, maar de nachten
zijn aangenaam, en er is in den namiddag meestal wat wind. De hitte
is voorbij tegen het einde van September. Na de herfstnachtevening is
er meestal eenige dagen lang mist en nevel. Dat zal wel de mist zijn,
waarvan Marco Polo zegt: "En gij moet weten, dat als de Caraona's
een strooptocht willen doen, zij sommige tooverspreuken bezitten,
waardoor ze duisternis kunnen brengen over het aangezicht van den dag,
zóó dat ge nauwelijks uw buurman, die naast u rijdt kunt herkennen,
en zij kunnen die verduistering tot zeven dagen doen duren."
Op deze uitzondering na is de herfst verrukkelijk, ofschoon de Perzen
de temperatuur te laag vinden en er koorts van krijgen. Dat laat
zich verklaren, daar zij teveel vruchten eten. In den winter vriest
het sterk en meestal is de lucht volkomen helder. Gewoonlijk valt er
eenige regen tegen het eind van November en een weinig sneeuw valt
in December. In Januari heeft men, als het een goed jaar is, drie of
vier dagen van zwaren sneeuwval; maar de sneeuw smelt spoedig in de
vlakte. Zoo zingt de dichter Omar Khaygam: "De hoop der wereld, waar
de menschen hun hart op stellen, wordt asch of wordt werkelijkheid;
maar dan, evenals de sneeuw op de stoffige woestijnoppervlakte,
schittert zij een kort oogenblik en verdwijnt."
Maar toch zou zonder de bergen, die de schatten aan sneeuw bewaren voor
de tijden van nood, zuidoostelijk Perzië volkomen onbewoonbaar zijn. In
Garmsir zijn de wintermaanden zeer aangenaam, maar zelfs in Maart
wordt een tent verbazend warm, en de zomer is drukkend en ongezond,
ofschoon op vele plaatsen gemakkelijk bestijgbare bergen koelte bieden.
De bevolking van deze groote provincie telt misschien 750,000 inwoners,
die men kan verdeelen in lieden met vaste woonplaatsen en in nomaden;
de laatsten zijn zeer talrijk. De menschen uit de steden en dorpen
zijn voor het meerendeel Iraniërs. De horden der overweldigers, die
achtereenvolgens kwamen opdagen, hebben bijna altijd een zwervend
leven geleid, een leven zoo ongeveer als ons in het Boek Job wordt
beschreven.
De reiziger, die uit Europa komt, vindt de onvruchtbaarheid van het
land verschrikkelijk, en wat treurig mag heeten, zij is bezig toe
te nemen. Naarmate de bevolking zich meer aan vaste woonplaatsen
gewent, raakt de voorraad hout meer uitgeput, vooral door het werk
der kolenbranders. Steenkolen zijn er in het land niet, en op bijna
geen enkelen berg vindt men een echt bosch. Meestal treft men min of
meer verspreide boschjes aan van struiken; die de gomsoort tragacanth
leveren of de _assa foetida_, die in de apotheek gebruikt wordt. Op
de bergen groeien, naar men mij zeide, allerlei Alpenplanten.
Reizen in Zuid-Perzië beteekent gewoonlijk gaan over een grond, die
een verblindend licht terugkaatst tusschen steenachtige hoogten. De
vermoeide reiziger begroet met geestdrift elk klein beekje, zelfs een
stumperige wilg lijkt hem een bewonderenswaardig ding bij zoo groote
uitgestrektheden zonder boomen.
Tegenwoordig wordt nog, als in de oudste tijden der perzische
monarchie, elke provincie bestuurd door een gouverneur-generaal, die
voor de inning der belastingen aansprakelijk is en zich verplicht,
aan den shah een pikasj of officieel geschenk aan te bieden. De
ministers ontvangen daarbij ook gratificaties. Dank zij der gewoonte,
om salarissen uit te betalen aan de afstammelingen van bijna alle
ambtenaren en aan elken khan, kan het gebeuren, dat alle inkomsten
eener provincie op de plaats zelve worden opgebruikt. Er is mij
verzekerd, dat een der ambtenaren 172 jaargelden genoot voor zich en
zijn bloedverwanten.
Om in de provincies de orde te bewaren, zijn in elk twee regimenten
infanterie geplaatst, waarvan vier compagnieën ongeveer altijd onder
de wapens zijn. Er zijn ook een klein aantal artilleristen met enkele
veldbatterijen. Bam en Narmasjir hebben te zamen één regiment, waarvan
de helft in garnizoen is in Beloetsjistan. De soldaten zien er over
't algemeen goed uit en zijn flink gehard. Maar hun wapens laten te
wenschen over, terwijl de roovers meestal Martini-geweren bezitten.
Volgens Herodotus vormden de Kermanii een der twaalf stammen van
Perzië, en de provincie Kirman maakte deel uit van de veertiende
satrapie. Strabo beschrijft ze reeds als vruchtbaar. Zooals wij
zoo aanstonds zullen zien trok Alexander er doorheen van 't Oosten
naar het Westen. Ik heb in 't geheel geen melding zien maken van
Kirman in den tijd der Parthen; maar de provincie werd beroemd,
toen na de verovering van Fars zij vermeesterd werd door Ardechis,
zoon van Papak, stichter van de nationale dynastie der Sassaniden,
die stand hield tot den tijd der arabische overheersching. Gedurende
de regeering van dit vorstengeslacht genoot deze provincie, die van
de west- en de noordgrens verwijderd lag, een volkomen vrede.
Op het tijdstip, toen de Nestorianen in Perzië veel aanhang kregen,
werd Kirman een diocees, dat afhankelijk was van den metropolitaan
van Fars. Merkwaardig genoeg, was Perzië zoozeer één geworden met
het christendom, dat in China een decreet van keizer Iwentsoeng de
kerken aanduidt met den naam van "perzische tempels".
De laatste der sassanidische koningen, de ongelukkige Yezdigerd,
terug moetende trekken voor de soldaten van Omar, hield eenigen tijd
te Kirman verblijf, vóór hij naar de woestijn vluchtte.
De opstand, die in Perzië plaats had na Omars dood, hechtte de banden,
door de verovering door de Arabieren gelegd, nog steviger vast, vooral
voor de provincies, die het dichtst bij het centrum van het bestuur
lagen, zooals met Kirman het geval was. Er werden forten gebouwd en
arabische kolonies gesticht, met name in de warmste deelen van het
land, daar de aanhangers van Zoroaster nog de hooge plateaux bezet
hielden, die te koud waren voor de Arabieren.
Wij zullen de geschiedenis van Kirman niet vervolgen gedurende de
twee eeuwen van arabische overheersching en na de stichting van
nationale dynastieën, onafhankelijk van het kalifaat. Dat zou de
geheele historie van Perzië uit dien tijd moeten zijn. Kirman zelf
had enkele onafhankelijke bestuurders, Aboe Ali, een rooverhoofdman
en de dynastie der Deïlamiten. En dan in den tijd der veroveringen
door de Seldsjukken, die op den dood van sultan Mahmoed de Ghazna
volgden, stichtte Malik Kaward, zoon van Sjaker-Beg, zich een
rijk uit de provincie Kirman; zijn dynastie hield anderhalve eeuw
stand. Deze periode heeft twee historie-schrijvers zien geboren
worden, wier werken niet in een europeesche taal zijn vertaald. De
twee belangrijkste souvereinen van deze dynastie waren Malik Shah en
Arslan Sjah. Die laatste bracht gedurende een regeering van veertig
jaren veel verbeteringen in Kirman aan, zoodat men die provincie
best bij Khorassan kon vergelijken en bij Iran. Karavanen kwamen er
heen uit alle richtingen en trokken door het land, terwijl Fars en
Oman aan Kirman onderworpen waren. Togroe Shah volgde hem op; maar
bij zijn dood bracht de oneenigheid tusschen zijn drie broeders de
provincie tot een staat van verval.
Zij werd toen vermeesterd door den stam der Ghazzen, die Merw
hadden geplunderd en de streek binnen korten tijd tot een woestijn
maakten. Deze stam werd ten slotte ten onder gebracht door het
leger van den atabeg Sed-bin-Zangi, en van dien tijd af herstelde
zij zich niet weer van de geleden rampen. Thans wonen er de Raï's,
een onbelangrijke nomadenstam.
Kirman had het zeldzame voorrecht te ontsnappen aan de verwoestingen
van een verovering door Mongolen, het ergste lot, waarvan de
geschiedenis gewaagt. Maar toch bleef de inval van Gengis-Khan niet
zonder indirecten invloed op zijn lot. Een officier van den khan der
Kara-Kitaï, namelijk Borak Hadjib, die door de provincie trok en zich
verbeeldde haar gouverneur te zijn, vroeg en verkreeg de erkenning van
Gengis-Khan. Hij stierf in 1234. Hij werd vervangen door zijn neef en
schoonzoon Koet-boe-din, die, nadat hem het gezag betwist was door
zijn schoonbroeder, de nieuwe gouverneur werd en in 1258 stierf aan
de gevolgen van een wond, hem door den stoot van een bok toegebracht
in de Djoeparketen in hetzelfde jaar, waarin khalief Mostasim-Billa
ter dood was gebracht door Hoelagoe, zoon van Gengis-Khan.
Op Koet-boe-din volgde zijn vrouw, onder wie het land tot bloei
kwam. Zij stichtte dorpen en liet putten graven, en zij zetelde op
den troon, toen Marco Polo door het land reisde op zijn terugweg. Zij
stierf in het jaar 1282. Een andere vrouw, die over Kirman regeerde,
was Padsjah Katoem, een merkwaardige vorstin, die een goeden naam had
als dichteres. In deze periode werd het eiland Ormoezd schatplichtig
aan Kirman. In 1470 werd de provincie Kain vereenigd met Kirman, en
drie jaar later werden beide bij Fars gevoegd onder het gouverneurschap
van Shah Kalib. Zij deelden in het lot van het overige rijk.
In October 1894 kreeg ik de opdracht een consulaat te vestigen te
Kirman en in Perzisch Beloetsjistan. Ik nam die met genoegen aan,
ofschoon er geen groote financiëele voordeelen aan verbonden waren,
en ik begaf mij erheen in gezelschap van mijn zuster, die haar
reisindrukken heeft weergegeven in haar werk, dat den titel draagt
_Through Persia on a side saddle_. Wij begaven ons naar onzen post
over Enzeli, Teheran, waar wij eenigen tijd bleven, Koem, Kasjan,
Yezd en Bahramabad.
Op vier mijlen afstands van Kirman kwam een generaal mij welkom
heeten en bood mij thee aan in zijn tent. De omstreken der stad hebben
buitendien ook eenige theehuizen. Tot mijn groote verbazing zag ik een
microscopisch paardje aankomen, met schitterend fluweelen dekkleed en
gouden tuig. Op dat beestje moest ik mijn entree maken in de stad. De
_Sahib Dwan_ had het speciaal voor mij gezonden. Gelukkig kon ik
die moeilijke verplichting van de hand wijzen, door te zeggen, dat,
daar ik in uniform gekleed was, ik genoodzaakt was, mij te bedienen
van een militair zadel, en dat mijn zadel natuurlijk niet paste voor
zulk een kleinen pony.
Toen wij het daaromtrent eens waren geworden, ging het in optocht
naar de stad met wanhopige langzaamheid en voorafgegaan door een
troep van ongeveer tweehonderd ruiters en talrijke bij den teugel
geleide paarden. De hindoesche kooplieden en de zoroastrische gemeente
heetten ons welkom. Bij de westelijke poort klonk een fanfare, en
een honderdtal menschen liep mee met den stoet, die langzaam door de
nauwe bazars ging, waar alle handel stilstond.
De tuin, die voor het consulaat gehuurd was, lag een mijl buiten de
wallen, maar ten slotte bereikten wij dien toch. Wij werden een trap
opgeleid en weer werd ons thee gepresenteerd. Daarna vertrokken tot
mijn groote verlichting allen, die aan de _istikbal_ of receptie
luister hadden trachten bij te zetten.
De hoofdstad van de provincie Kirman is reeds van den aanvang af
een belangrijk middelpunt geweest; maar het is zeker, dat het oude
_Karmana_ niet op dezelfde plek lag als de tegenwoordige stad. Zooals
met zooveel steden in Perzië het geval is, hangt ook Kirman van de
putten of kanats af voor zijn watervoorziening. De plaats ligt in
een inzinking, nog altijd 1730 M. boven het niveau der zee, aan den
voet van een kalkgebergte, dat geheel door woestijnen omgeven is;
maar daar er veel wegen samenkomen, is er een middelpunt voor den
handel ontstaan.
Als men van het Oosten te Kirman komt, lijkt de stad een vrij verwarde
opeenhooping van minarets en moskeeën, met bijna overal ruïnen
eromheen. De beide forten, die de stad beheerschen, waren vroeger
middelpunten van verkeer. Aan de westzij ligt een mooier gedeelte, de
Bag-i-Ziriss, waar veel tuinen zijn, een soort van uitspanningsoord,
dat een oppervlakte van 250 hectaren beslaat. De tegenwoordige stad
Kirman is omgeven door een muur in goeden staat, met zes poorten,
waarvan één, bekend onder den naam _Sultani_, het werk moet zijn
van Sjah Roek. De vorm der stad is onregelmatig; de middellijn van
oost naar west bedraagt juist een engelsche mijl of 1609 M., die
van noord naar zuid is een paar honderd meters langer. Er zijn vijf
wijken, met de namen Sjahr, Khodja-Khizr, Koetbabad, Meidan-i-Kala
en Sjah-Actil; men kan er de drie buitenwijken Gabri, Mahoeni en
Yoe-Moedi nog bijvoegen.
Aan den westelijken muur grenst het Fort, waar de gouverneur-generaal
resideert. Daar zijn ook het telegraafkantoor, de kazernen en het
arsenaal. Die gebouwen zijn voor het meerendeel modern; ze zijn mooi
en goed onderhouden. Een groote tuin omgeeft de particuliere vertrekken
van Zijne Excellentie.
Tot 1896, het jaar toen het door een aardbeving verwoest werd, was
het merkwaardigste gebouw van Kirman de Koeba Sabz of Groene Dom. Het
was het graf van de dynastie der Karakhiten; het was een eigenaardig
cylindrisch monument, bijna 16 M. hoog met groenachtige mozaieken,
terwijl de vloer van binnen sporen van veel goud vertoonde.
Niet ver van daar is een steen, die prachtig gebeeldhouwd is en
waarop verzen van den Koran staan. Hij is gevoegd in den muur van een
vierkant gebouw, gedekt door een koepel en op dezelfde wijze versierd
als de Koeba Sabz. Een gewelf eronder schijnt er op te wijzen, dat
het ook een graf is geweest, maar de eenige inlichting, die ik op dit
punt te Kirman krijgen kon, was dat het gebouw der Khodja-Atabeg of
Sang-i-Atabeg heette.
Kirman, dat in de oostersche talen _Das-ul-Aman_ heet, dat is "Woning
des Vredes" kan met de voorsteden een bevolking van een weinig minder
dan 50,000 zielen tellen. Uit godsdienstig oogpunt is zij aldus over
de verschillende secten verdeeld: sjiiëtische Mohammedanen 37,000,
sunnietische 70, Babi's Behaï 3000, Babi's Ezeli 60, Sjeikhi's 6000,
Soefi's 1200, Joden 70, Zoroastriërs of Persen 1700, Hindoes 20.
De Babi's, aanhangers van Mirza-Ali-Mohammed van Sjiraz, in 1848 ter
dood gebracht, maken in 't geheim tal van proselieten. Zij hebben
verheven principes, willen vriendschappelijke betrekkingen tusschen
alle menschen, afschaffing van godsdienstoorlogen, studie van nuttige
wetenschappen enz. De uitbreiding van de leer der Babi's zou voor de
wedergeboorte van Perzië veel goed kunnen doen. Zij zijn verdeeld
in Ezeli's of Behaï's, al naarmate zij de leer van Mirza-Yahia,
sub-i-Ezel, den opvolger door den stichter der leer zelf aangewezen,
zijn toegedaan of volgelingen van Mirza-Husein-Ali, Beha Ulla, zijn
ouderen broeder, die zich in 1866 tot hoofd der sectie opwierp.
De secte van de Sjeikhi's heeft, ofschoon men het tegendeel heeft
beweerd, veel overeenkomst met die der Babi's. Zij is gesticht door
Sjeik Ahmad, d'Ahsa of Lahsa op de Bahreineilanden, die ongeveer 1750
werd geboren. De secte telt 7000 volgelingen in de provincie Kirman
en 50,000 in Perzië. Het tegenwoordige hoofd is Hadji Mohammed Khan,
een man met vriendelijke, wellevende manieren, die een uitgebreide
wereld- en menschenkennis bezit, aangenaam is in den omgang en vrij
blijkt van alle dweepzucht.
De Joden uit Kirman zijn er ongelukkig aan toe. Het zijn kleine
kooplui, bespottelijk inhalig en op hun voordeel uit. 't Is een tak
van een grootere kolonie, te Yezd gevestigd en die uit Bagdad gekomen
moet zijn.
De Zoroastriërs, interessant omdat zij aanhangers zijn van zulk
een ouden eeredienst, zijn ook belangwekkend om de zuiverheid van
hun bloed. Het zijn echte Iraniërs zonder die mengeling van arabisch
bloed of van mongoolsche en turksche elementen, door achtereenvolgende
invallen in Perzië ingevoerd. Zij vormen een schooner en gezonder ras
dan hun muzelmansche geloofsgenooten. Hun broeders in den geloove uit
Bombay geven een voorbeeld van physieken achteruitgang, waarschijnlijk
teweeggebracht door het klimaat van Indië.
Uit industriëel oogpunt was Kirman tot voor weinige jaren uitsluitend
bekend om zijn sjaals, maar tegenwoordig nog meer om de tapijten. Die
weergaloos mooie producten van zijn weefstoelen worden geweven
uit zijde en wol, en de fijnheid, de schitterende kleuren maken ze
inderdaad tot de schoonste ter wereld; alle andere weefsels schijnen
daarnaast banaal. De modellen zijn zeer oud en dagteekenen blijkbaar
uit den vóór-mohammedaanschen tijd. Er komen dikwijls menschenfiguren
op voor, maar meer gestyliseerde bloemen, alles met een prachtige
mengeling van kleuren.
Te Kirman zelf telt men ongeveer een duizendtal van die
weefstoelen. Elk tapijt wordt gemaakt door een meester-wever en
twee of drie kleine jongens, die naar een formule werken, welke zij
opzeggen en die veel verouderde woorden bevat. Het wordt beweerd,
dat die formules van mond tot mond zijn gegaan, overgeleverd van den
vader op den zoon, eeuwen en eeuwen lang. Er worden geen vrouwen,
noch meisjes aan dit werk gezet.
Anilineverfstoffen, die de tapijtindustrie onder de nomaden bijna
onmogelijk hebben gemaakt, worden zorgvuldig vermeden.
De sjaal wordt geweven uit geitehaar of wol. Evenals bij de tapijten,
worden de modellen van buiten geleerd; maar het werk is veel fijner
en kan alleen door kinderhanden worden verricht.
Andere industrieën van minder beteekenis zijn de fabrieken van vilt,
van _abba's_, dat zijn overkleeden van arabischen oorsprong en veel
door de Perzen gedragen, van voorwerpen uit brons gemaakt, enz.
Mijn verblijf te Kirman is altijd zeer aangenaam geweest; nergens ter
wereld zouden wij met meer achting behandeld hebben kunnen worden, en
naar mijne meening zijn de beleedigingen, die Europeanen zoo dikwijls
den Perzen naar het hoofd slingeren, volkomen onverdiend. De Perzen
zijn over 't algemeen bijzonder beleefd en geestig, en hun vlugheid
van begrip en repartie zijn spreekwoordelijk. Ze zijn als Franschen
door hun beleefdheid en hun zin voor complimentjes, en als Engelschen
in zoo ver zij het 't beste gebruik van geld achten, als ze het aan
voedsel en aan kleêren besteden.
De opvoeding der jeugd is tot hiertoe schandelijk verwaarloosd; maar
men kan tegenwoordig daaromtrent een heilzame ontevredenheid opmerken,
waardoor men later aan de kinderen nog wat anders zal onderwijzen
dan spreuken uit den Koran, die, daar ze in 't arabisch vervat
zijn, niet eens door hen begrepen worden. Thans is de positie van
een schoolmeester er even slecht als in het Engeland der 17de eeuw,
en de betaling gelijkt op die van een huisbediende. Het is dus niet
verwonderlijk, als men meesters ontmoet, die leeren, dat Londen de
naam is van een land, waarvan een der steden de Atlantische Oceaan is!
In Juni begonnen de nachten warm te worden, en mijn zuster leed veel
onder de aanvallen der muskieten. Dus besloten wij van verblijfplaats
te veranderen. Men had ons een koeler streek aangeraden. Daar ik er
zeer op gesteld was, den weg van Marco Polo terug te vinden, besloten
wij, ons eerst naar Koeh-i-Hazar te begeven of den "berg der tulpen",
daarna Sardoe een bezoek te brengen, waar ik zeker was, dat de groote
Venetiaan vertoefd had.
In vier étapes waren wij aan het dorp Hazar gekomen, en wij kampeerden
middenin de bergen op een hoogte van 3300 M. Ik kon er heerlijk jagen;
de bergstreek was bewaard gebleven voor den gouverneur-generaal,
en er was in verscheiden jaren geen jachtgeweer afgeschoten.
Op een dag volbrachten wij met mijn zuster de bestijging van den
berg met den langen oosterschen naam die "Heiligenberg" beduidt. Het
was de tweede in hoogte van de toppen van Zuidoostelijk Perzië, 4180
M. hoog. Op den top was een kapelletje, waarin een collectie munten
werd bewaard, waaronder één met het beeld van koningin Victoria en
het jaartal 1837.
De lucht was volkomen helder, en het panorama verrukkelijk mooi. In
het Noorden zagen wij de hoekige keten, aan welker voet Kirman ligt;
in het Oosten de reusachtige Koeh-i-Hazar, die hooger is dan 4000
M. Het is een prachtige berg, op den weg naar Beloetsjistan op meer
dan 100 mijlen afstands zichtbaar en in staat om de oogen van meer
dan één Kermani van trots te doen stralen. In het Zuiden liggen Sardoe
en de reeks groote ketenen, die onder verschillende namen het plateau
van Iran dragen. Bijna naar elke richting van den horizon hadden wij
een inderdaad nooit door Europeanen betreden land voor ons; op de
kaarten zijn enkel hoofdwegen aangegeven, en aan beide kanten ervan
heeft men op korten afstand totaal onbekende streken.
Van daar gingen wij naar het plateau van Sardoe. Te Rahboer brachten
wij een bezoek aan den gouverneur, en we ontmoetten ten zijnent
een grijsaard van den stam der Mehni, die beweerde 125 jaar oud
te wezen. Zijn gelaat had de kleur van was; zijn haren geleken
zilverdraad.
Bij het verlaten van Rahboer hielden wij bij benadering een oostelijke
richting en gingen over verschillende armen der Halil Roed, waarvan
één vrijwat dieper was, dan wij hadden gewenscht. Des nachts hielden we
stil bij een tuin, waaromheen een vijftigtal gezinnen kampeerden. Het
was de maand Moharram, en uren aaneen moesten wij het klaaglied uit
de Lijdensweek aanhooren. Toch kwam er tot onze groote voldoening een
eind aan, en het had wel iets van een grappige vertooning, toen wij de
opvoeringen overal weer aantroffen. Dit was eigenlijk de eenige maal,
dat ik in Perzië iets anders dan echte vroomheid bij de godsdienstige
plechtigheden zag; maar de nomaden zijn over 't algemeen minder stipt
in de opvolging der voorschriften van den godsdienst dan de menschen
met vaste woonplaatsen.
De volgende dagreis voerde ons door het vruchtbare district Herza,
waar de vele boomen een aangename tegenstelling vormden met de gewone
kaalheid der velden. Over een pas van 2700 M. gaande, bereikten
wij geleidelijk door golvende tarwevelden Dar-i-Mazar, hoofdstad
van Sardoe. Men ziet er een goed onderhouden heiligdom ter eere
van sultan Sejid-Ahmad-Saghis, die van den imam Moesa afstamt. Het
omringende terrein is eigendom van het heilige gebouw, en boeren, die
zich sjeiks noemen, zijn zoo goed als de eenige vaste bewoners van het
district, daar de nomaden, ten getale van vierhonderd gezinnen ruim,
in deze streken slechts de weinige zomermaanden doorbrengen. Rondom
het heiligdom ziet men een twaalftal winkels, en een badhuis is er
onlangs verrezen. Eenige Kermani waren er van het heerlijk koele
klimaat komen genieten.
Wij kampeerden verderop bij den pas van Sarbizan, waar men de ruïnen
van een karavanseraï vindt, gebouwd door den zevenden Seldsjukkensultan
Malik Mohammed. Het was er best jagen, en wij zouden er wel een
maand hebben willen blijven. Maar de Sahib Dwan was teruggeroepen,
en zijn opvolger werd plechtig geïnstalleerd, en dus moesten wij te
Kirman terugkeeren vóór de aankomst van Zijne Hoogheid.
Een weinig vóór Kerstmis 1895 kwamen twee Duitschers, die gewed hadden
een reis om de wereld te doen en daarbij hun eigen kost te verdienen,
te Kirman aan. Het zou voor onze kolonie een slechten indruk hebben
gemaakt, dat Europeanen bedelden, dus achtte ik mij verplicht den
reizigers zooveel mogelijk hulp te bieden. Maar ik kan niet zeggen,
dat het mij gespeten heeft te hebben vernomen, dat hun onderneming
ten slotte mislukt was; zulke zonderlinge, excentrieke menschen doen
niets dan kwaad, vooral in het Oosten. De inlichtingen, die zij geven,
hebben meestal geen waarde en kunnen gevaarlijk worden. Bovendien is
er geen enkele oosterling, die geen minderwaardige voorstelling van
Europeanen krijgt, als hij er ziet, die zonder bedienden reizen en
in de eerste de beste plaats hun logies goed genoeg vinden.