II

De provincie Kirman.--Aardrijkskunde: de flora, de

fauna, het bestuur, het leger.--Geschiedenis: invallen

en verwoestingen.--De stad Kirman, de hoofdstad der

provincie.--Een seizoen op het Sardoe-plateau.

De provincie Kirman is altijd belangrijk geweest sedert haar eerste

optreden in de geschiedenis. Waarschijnlijk is, in aanmerking genomen

de physieke gesteldheid van het land, hare uitgebreidheid zoo ongeveer

dezelfde als voor twee duizend jaar. Aan den anderen kant is ook

het verschil uiterst gering tusschen den naam der klassieke oudheid

_Kermania_ en dien van Kirman.

Uit aardrijkskundig oogpunt is de provincie, bijna even

groot als Frankrijk, van veel belang, al was het alleen om de

klimaatsverschillen, de natuurlijke voortbrengselen en de volksstammen,

die men er aantreft. Over een groote uitgestrektheid is het land

vlak; de palmen groeien er goed; tarwe en gerst rijpen in den winter

en worden geoogst in het begin der lente. In sommige streken, in

Djiruft bij voorbeeld, vormen mooie plateaux, die tot 2700 M. hoog

worden, het zuidelijkste gedeelte van het perzische bergstelsel,

waarin de bergketenen zoo ongeveer in noordwestelijke richting

loopen. In het Zuiden van Kirman treft men toppen aan, die bijna tot

5000 M. reiken. In het Noorden en Oosten der provincie vermindert de

hoogte geleidelijk, maar de bergen dicht bij de hoofdstad zijn hoog,

om echter al spoedig voor de lage, eenzame vlakte van de Loetwoestijn

plaats te maken.

De beste beschrijving, die men van de geheele provincie kan geven,

is, dat zij voor een deel zuiver woestijnachtig is en voor een ander

deel verscheiden oasen vertoont. Zoo breidt zich de woestijn wel ten

westen, ten zuiden en ten oosten van Kirman uit, maar op een afstand

van eenige mijlen vindt men kleine dorpen en hier en daar grootere

nederzettingen, in stand gehouden door bronnen, die in 't bergland

opborrelen en welker water door _kanats_ naar de vlakte wordt geleid.

In sommige gevallen kan de eerste bron zich wel op 120 M. diepte

bevinden, en nieuwe putten moeten dan gegraven worden op kleine

onderlinge afstanden. Het is onmogelijk, de geduldige vlijt der boeren

niet te bewonderen, die erin slagen hun bestaan te verzekeren met zoo

groote inspanning. Dikwijls kan een hevige regen of een zandhoos de

kanalen verstoppen.

Natuurlijk zijn de rivieren van geen beteekenis. Alleen de Halil Roed

verdient te worden genoemd. Zij ontspringt ten zuiden van de groote

keten, die ik noemde, loopt door het district Djiruft en stort zich

in de Bampoer. Er is tot heden geen poging gedaan, om het water voor

besproeiïng te gebruiken.

Ook heeft men geen voordeel weten te trekken van den regenval. Daar

die te Teheran ongeveer 25 cM. bedraagt, mag men voor Kirman een

gemiddelde hoeveelheid van 17 cM. aannemen of iets minder. Maar er

zijn op dat punt groote verschillen tusschen de districten. Dat van

Djiruft is het meest begunstigd.

Op de hooge plateaux wordt het begin van 't voorjaar bedorven door

aanhoudende hevige winden en stormen, die uit het zuidwesten geweldige

massa's stof aanvoeren. De onweersbuien zijn in goede jaren talrijk. Te

Kirman zijn de dagen in het midden van den zomer warm, maar de nachten

zijn aangenaam, en er is in den namiddag meestal wat wind. De hitte

is voorbij tegen het einde van September. Na de herfstnachtevening is

er meestal eenige dagen lang mist en nevel. Dat zal wel de mist zijn,

waarvan Marco Polo zegt: "En gij moet weten, dat als de Caraona's

een strooptocht willen doen, zij sommige tooverspreuken bezitten,

waardoor ze duisternis kunnen brengen over het aangezicht van den dag,

zóó dat ge nauwelijks uw buurman, die naast u rijdt kunt herkennen,

en zij kunnen die verduistering tot zeven dagen doen duren."

Op deze uitzondering na is de herfst verrukkelijk, ofschoon de Perzen

de temperatuur te laag vinden en er koorts van krijgen. Dat laat

zich verklaren, daar zij teveel vruchten eten. In den winter vriest

het sterk en meestal is de lucht volkomen helder. Gewoonlijk valt er

eenige regen tegen het eind van November en een weinig sneeuw valt

in December. In Januari heeft men, als het een goed jaar is, drie of

vier dagen van zwaren sneeuwval; maar de sneeuw smelt spoedig in de

vlakte. Zoo zingt de dichter Omar Khaygam: "De hoop der wereld, waar

de menschen hun hart op stellen, wordt asch of wordt werkelijkheid;

maar dan, evenals de sneeuw op de stoffige woestijnoppervlakte,

schittert zij een kort oogenblik en verdwijnt."

Maar toch zou zonder de bergen, die de schatten aan sneeuw bewaren voor

de tijden van nood, zuidoostelijk Perzië volkomen onbewoonbaar zijn. In

Garmsir zijn de wintermaanden zeer aangenaam, maar zelfs in Maart

wordt een tent verbazend warm, en de zomer is drukkend en ongezond,

ofschoon op vele plaatsen gemakkelijk bestijgbare bergen koelte bieden.

De bevolking van deze groote provincie telt misschien 750,000 inwoners,

die men kan verdeelen in lieden met vaste woonplaatsen en in nomaden;

de laatsten zijn zeer talrijk. De menschen uit de steden en dorpen

zijn voor het meerendeel Iraniërs. De horden der overweldigers, die

achtereenvolgens kwamen opdagen, hebben bijna altijd een zwervend

leven geleid, een leven zoo ongeveer als ons in het Boek Job wordt

beschreven.

De reiziger, die uit Europa komt, vindt de onvruchtbaarheid van het

land verschrikkelijk, en wat treurig mag heeten, zij is bezig toe

te nemen. Naarmate de bevolking zich meer aan vaste woonplaatsen

gewent, raakt de voorraad hout meer uitgeput, vooral door het werk

der kolenbranders. Steenkolen zijn er in het land niet, en op bijna

geen enkelen berg vindt men een echt bosch. Meestal treft men min of

meer verspreide boschjes aan van struiken; die de gomsoort tragacanth

leveren of de _assa foetida_, die in de apotheek gebruikt wordt. Op

de bergen groeien, naar men mij zeide, allerlei Alpenplanten.

Reizen in Zuid-Perzië beteekent gewoonlijk gaan over een grond, die

een verblindend licht terugkaatst tusschen steenachtige hoogten. De

vermoeide reiziger begroet met geestdrift elk klein beekje, zelfs een

stumperige wilg lijkt hem een bewonderenswaardig ding bij zoo groote

uitgestrektheden zonder boomen.

Tegenwoordig wordt nog, als in de oudste tijden der perzische

monarchie, elke provincie bestuurd door een gouverneur-generaal, die

voor de inning der belastingen aansprakelijk is en zich verplicht,

aan den shah een pikasj of officieel geschenk aan te bieden. De

ministers ontvangen daarbij ook gratificaties. Dank zij der gewoonte,

om salarissen uit te betalen aan de afstammelingen van bijna alle

ambtenaren en aan elken khan, kan het gebeuren, dat alle inkomsten

eener provincie op de plaats zelve worden opgebruikt. Er is mij

verzekerd, dat een der ambtenaren 172 jaargelden genoot voor zich en

zijn bloedverwanten.

Om in de provincies de orde te bewaren, zijn in elk twee regimenten

infanterie geplaatst, waarvan vier compagnieën ongeveer altijd onder

de wapens zijn. Er zijn ook een klein aantal artilleristen met enkele

veldbatterijen. Bam en Narmasjir hebben te zamen één regiment, waarvan

de helft in garnizoen is in Beloetsjistan. De soldaten zien er over

't algemeen goed uit en zijn flink gehard. Maar hun wapens laten te

wenschen over, terwijl de roovers meestal Martini-geweren bezitten.

Volgens Herodotus vormden de Kermanii een der twaalf stammen van

Perzië, en de provincie Kirman maakte deel uit van de veertiende

satrapie. Strabo beschrijft ze reeds als vruchtbaar. Zooals wij

zoo aanstonds zullen zien trok Alexander er doorheen van 't Oosten

naar het Westen. Ik heb in 't geheel geen melding zien maken van

Kirman in den tijd der Parthen; maar de provincie werd beroemd,

toen na de verovering van Fars zij vermeesterd werd door Ardechis,

zoon van Papak, stichter van de nationale dynastie der Sassaniden,

die stand hield tot den tijd der arabische overheersching. Gedurende

de regeering van dit vorstengeslacht genoot deze provincie, die van

de west- en de noordgrens verwijderd lag, een volkomen vrede.

Op het tijdstip, toen de Nestorianen in Perzië veel aanhang kregen,

werd Kirman een diocees, dat afhankelijk was van den metropolitaan

van Fars. Merkwaardig genoeg, was Perzië zoozeer één geworden met

het christendom, dat in China een decreet van keizer Iwentsoeng de

kerken aanduidt met den naam van "perzische tempels".

De laatste der sassanidische koningen, de ongelukkige Yezdigerd,

terug moetende trekken voor de soldaten van Omar, hield eenigen tijd

te Kirman verblijf, vóór hij naar de woestijn vluchtte.

De opstand, die in Perzië plaats had na Omars dood, hechtte de banden,

door de verovering door de Arabieren gelegd, nog steviger vast, vooral

voor de provincies, die het dichtst bij het centrum van het bestuur

lagen, zooals met Kirman het geval was. Er werden forten gebouwd en

arabische kolonies gesticht, met name in de warmste deelen van het

land, daar de aanhangers van Zoroaster nog de hooge plateaux bezet

hielden, die te koud waren voor de Arabieren.

Wij zullen de geschiedenis van Kirman niet vervolgen gedurende de

twee eeuwen van arabische overheersching en na de stichting van

nationale dynastieën, onafhankelijk van het kalifaat. Dat zou de

geheele historie van Perzië uit dien tijd moeten zijn. Kirman zelf

had enkele onafhankelijke bestuurders, Aboe Ali, een rooverhoofdman

en de dynastie der Deïlamiten. En dan in den tijd der veroveringen

door de Seldsjukken, die op den dood van sultan Mahmoed de Ghazna

volgden, stichtte Malik Kaward, zoon van Sjaker-Beg, zich een

rijk uit de provincie Kirman; zijn dynastie hield anderhalve eeuw

stand. Deze periode heeft twee historie-schrijvers zien geboren

worden, wier werken niet in een europeesche taal zijn vertaald. De

twee belangrijkste souvereinen van deze dynastie waren Malik Shah en

Arslan Sjah. Die laatste bracht gedurende een regeering van veertig

jaren veel verbeteringen in Kirman aan, zoodat men die provincie

best bij Khorassan kon vergelijken en bij Iran. Karavanen kwamen er

heen uit alle richtingen en trokken door het land, terwijl Fars en

Oman aan Kirman onderworpen waren. Togroe Shah volgde hem op; maar

bij zijn dood bracht de oneenigheid tusschen zijn drie broeders de

provincie tot een staat van verval.

Zij werd toen vermeesterd door den stam der Ghazzen, die Merw

hadden geplunderd en de streek binnen korten tijd tot een woestijn

maakten. Deze stam werd ten slotte ten onder gebracht door het

leger van den atabeg Sed-bin-Zangi, en van dien tijd af herstelde

zij zich niet weer van de geleden rampen. Thans wonen er de Raï's,

een onbelangrijke nomadenstam.

Kirman had het zeldzame voorrecht te ontsnappen aan de verwoestingen

van een verovering door Mongolen, het ergste lot, waarvan de

geschiedenis gewaagt. Maar toch bleef de inval van Gengis-Khan niet

zonder indirecten invloed op zijn lot. Een officier van den khan der

Kara-Kitaï, namelijk Borak Hadjib, die door de provincie trok en zich

verbeeldde haar gouverneur te zijn, vroeg en verkreeg de erkenning van

Gengis-Khan. Hij stierf in 1234. Hij werd vervangen door zijn neef en

schoonzoon Koet-boe-din, die, nadat hem het gezag betwist was door

zijn schoonbroeder, de nieuwe gouverneur werd en in 1258 stierf aan

de gevolgen van een wond, hem door den stoot van een bok toegebracht

in de Djoeparketen in hetzelfde jaar, waarin khalief Mostasim-Billa

ter dood was gebracht door Hoelagoe, zoon van Gengis-Khan.

Op Koet-boe-din volgde zijn vrouw, onder wie het land tot bloei

kwam. Zij stichtte dorpen en liet putten graven, en zij zetelde op

den troon, toen Marco Polo door het land reisde op zijn terugweg. Zij

stierf in het jaar 1282. Een andere vrouw, die over Kirman regeerde,

was Padsjah Katoem, een merkwaardige vorstin, die een goeden naam had

als dichteres. In deze periode werd het eiland Ormoezd schatplichtig

aan Kirman. In 1470 werd de provincie Kain vereenigd met Kirman, en

drie jaar later werden beide bij Fars gevoegd onder het gouverneurschap

van Shah Kalib. Zij deelden in het lot van het overige rijk.

In October 1894 kreeg ik de opdracht een consulaat te vestigen te

Kirman en in Perzisch Beloetsjistan. Ik nam die met genoegen aan,

ofschoon er geen groote financiëele voordeelen aan verbonden waren,

en ik begaf mij erheen in gezelschap van mijn zuster, die haar

reisindrukken heeft weergegeven in haar werk, dat den titel draagt

_Through Persia on a side saddle_. Wij begaven ons naar onzen post

over Enzeli, Teheran, waar wij eenigen tijd bleven, Koem, Kasjan,

Yezd en Bahramabad.

Op vier mijlen afstands van Kirman kwam een generaal mij welkom

heeten en bood mij thee aan in zijn tent. De omstreken der stad hebben

buitendien ook eenige theehuizen. Tot mijn groote verbazing zag ik een

microscopisch paardje aankomen, met schitterend fluweelen dekkleed en

gouden tuig. Op dat beestje moest ik mijn entree maken in de stad. De

_Sahib Dwan_ had het speciaal voor mij gezonden. Gelukkig kon ik

die moeilijke verplichting van de hand wijzen, door te zeggen, dat,

daar ik in uniform gekleed was, ik genoodzaakt was, mij te bedienen

van een militair zadel, en dat mijn zadel natuurlijk niet paste voor

zulk een kleinen pony.

Toen wij het daaromtrent eens waren geworden, ging het in optocht

naar de stad met wanhopige langzaamheid en voorafgegaan door een

troep van ongeveer tweehonderd ruiters en talrijke bij den teugel

geleide paarden. De hindoesche kooplieden en de zoroastrische gemeente

heetten ons welkom. Bij de westelijke poort klonk een fanfare, en

een honderdtal menschen liep mee met den stoet, die langzaam door de

nauwe bazars ging, waar alle handel stilstond.

De tuin, die voor het consulaat gehuurd was, lag een mijl buiten de

wallen, maar ten slotte bereikten wij dien toch. Wij werden een trap

opgeleid en weer werd ons thee gepresenteerd. Daarna vertrokken tot

mijn groote verlichting allen, die aan de _istikbal_ of receptie

luister hadden trachten bij te zetten.

De hoofdstad van de provincie Kirman is reeds van den aanvang af

een belangrijk middelpunt geweest; maar het is zeker, dat het oude

_Karmana_ niet op dezelfde plek lag als de tegenwoordige stad. Zooals

met zooveel steden in Perzië het geval is, hangt ook Kirman van de

putten of kanats af voor zijn watervoorziening. De plaats ligt in

een inzinking, nog altijd 1730 M. boven het niveau der zee, aan den

voet van een kalkgebergte, dat geheel door woestijnen omgeven is;

maar daar er veel wegen samenkomen, is er een middelpunt voor den

handel ontstaan.

Als men van het Oosten te Kirman komt, lijkt de stad een vrij verwarde

opeenhooping van minarets en moskeeën, met bijna overal ruïnen

eromheen. De beide forten, die de stad beheerschen, waren vroeger

middelpunten van verkeer. Aan de westzij ligt een mooier gedeelte, de

Bag-i-Ziriss, waar veel tuinen zijn, een soort van uitspanningsoord,

dat een oppervlakte van 250 hectaren beslaat. De tegenwoordige stad

Kirman is omgeven door een muur in goeden staat, met zes poorten,

waarvan één, bekend onder den naam _Sultani_, het werk moet zijn

van Sjah Roek. De vorm der stad is onregelmatig; de middellijn van

oost naar west bedraagt juist een engelsche mijl of 1609 M., die

van noord naar zuid is een paar honderd meters langer. Er zijn vijf

wijken, met de namen Sjahr, Khodja-Khizr, Koetbabad, Meidan-i-Kala

en Sjah-Actil; men kan er de drie buitenwijken Gabri, Mahoeni en

Yoe-Moedi nog bijvoegen.

Aan den westelijken muur grenst het Fort, waar de gouverneur-generaal

resideert. Daar zijn ook het telegraafkantoor, de kazernen en het

arsenaal. Die gebouwen zijn voor het meerendeel modern; ze zijn mooi

en goed onderhouden. Een groote tuin omgeeft de particuliere vertrekken

van Zijne Excellentie.

Tot 1896, het jaar toen het door een aardbeving verwoest werd, was

het merkwaardigste gebouw van Kirman de Koeba Sabz of Groene Dom. Het

was het graf van de dynastie der Karakhiten; het was een eigenaardig

cylindrisch monument, bijna 16 M. hoog met groenachtige mozaieken,

terwijl de vloer van binnen sporen van veel goud vertoonde.

Niet ver van daar is een steen, die prachtig gebeeldhouwd is en

waarop verzen van den Koran staan. Hij is gevoegd in den muur van een

vierkant gebouw, gedekt door een koepel en op dezelfde wijze versierd

als de Koeba Sabz. Een gewelf eronder schijnt er op te wijzen, dat

het ook een graf is geweest, maar de eenige inlichting, die ik op dit

punt te Kirman krijgen kon, was dat het gebouw der Khodja-Atabeg of

Sang-i-Atabeg heette.

Kirman, dat in de oostersche talen _Das-ul-Aman_ heet, dat is "Woning

des Vredes" kan met de voorsteden een bevolking van een weinig minder

dan 50,000 zielen tellen. Uit godsdienstig oogpunt is zij aldus over

de verschillende secten verdeeld: sjiiëtische Mohammedanen 37,000,

sunnietische 70, Babi's Behaï 3000, Babi's Ezeli 60, Sjeikhi's 6000,

Soefi's 1200, Joden 70, Zoroastriërs of Persen 1700, Hindoes 20.

De Babi's, aanhangers van Mirza-Ali-Mohammed van Sjiraz, in 1848 ter

dood gebracht, maken in 't geheim tal van proselieten. Zij hebben

verheven principes, willen vriendschappelijke betrekkingen tusschen

alle menschen, afschaffing van godsdienstoorlogen, studie van nuttige

wetenschappen enz. De uitbreiding van de leer der Babi's zou voor de

wedergeboorte van Perzië veel goed kunnen doen. Zij zijn verdeeld

in Ezeli's of Behaï's, al naarmate zij de leer van Mirza-Yahia,

sub-i-Ezel, den opvolger door den stichter der leer zelf aangewezen,

zijn toegedaan of volgelingen van Mirza-Husein-Ali, Beha Ulla, zijn

ouderen broeder, die zich in 1866 tot hoofd der sectie opwierp.

De secte van de Sjeikhi's heeft, ofschoon men het tegendeel heeft

beweerd, veel overeenkomst met die der Babi's. Zij is gesticht door

Sjeik Ahmad, d'Ahsa of Lahsa op de Bahreineilanden, die ongeveer 1750

werd geboren. De secte telt 7000 volgelingen in de provincie Kirman

en 50,000 in Perzië. Het tegenwoordige hoofd is Hadji Mohammed Khan,

een man met vriendelijke, wellevende manieren, die een uitgebreide

wereld- en menschenkennis bezit, aangenaam is in den omgang en vrij

blijkt van alle dweepzucht.

De Joden uit Kirman zijn er ongelukkig aan toe. Het zijn kleine

kooplui, bespottelijk inhalig en op hun voordeel uit. 't Is een tak

van een grootere kolonie, te Yezd gevestigd en die uit Bagdad gekomen

moet zijn.

De Zoroastriërs, interessant omdat zij aanhangers zijn van zulk

een ouden eeredienst, zijn ook belangwekkend om de zuiverheid van

hun bloed. Het zijn echte Iraniërs zonder die mengeling van arabisch

bloed of van mongoolsche en turksche elementen, door achtereenvolgende

invallen in Perzië ingevoerd. Zij vormen een schooner en gezonder ras

dan hun muzelmansche geloofsgenooten. Hun broeders in den geloove uit

Bombay geven een voorbeeld van physieken achteruitgang, waarschijnlijk

teweeggebracht door het klimaat van Indië.

Uit industriëel oogpunt was Kirman tot voor weinige jaren uitsluitend

bekend om zijn sjaals, maar tegenwoordig nog meer om de tapijten. Die

weergaloos mooie producten van zijn weefstoelen worden geweven

uit zijde en wol, en de fijnheid, de schitterende kleuren maken ze

inderdaad tot de schoonste ter wereld; alle andere weefsels schijnen

daarnaast banaal. De modellen zijn zeer oud en dagteekenen blijkbaar

uit den vóór-mohammedaanschen tijd. Er komen dikwijls menschenfiguren

op voor, maar meer gestyliseerde bloemen, alles met een prachtige

mengeling van kleuren.

Te Kirman zelf telt men ongeveer een duizendtal van die

weefstoelen. Elk tapijt wordt gemaakt door een meester-wever en

twee of drie kleine jongens, die naar een formule werken, welke zij

opzeggen en die veel verouderde woorden bevat. Het wordt beweerd,

dat die formules van mond tot mond zijn gegaan, overgeleverd van den

vader op den zoon, eeuwen en eeuwen lang. Er worden geen vrouwen,

noch meisjes aan dit werk gezet.

Anilineverfstoffen, die de tapijtindustrie onder de nomaden bijna

onmogelijk hebben gemaakt, worden zorgvuldig vermeden.

De sjaal wordt geweven uit geitehaar of wol. Evenals bij de tapijten,

worden de modellen van buiten geleerd; maar het werk is veel fijner

en kan alleen door kinderhanden worden verricht.

Andere industrieën van minder beteekenis zijn de fabrieken van vilt,

van _abba's_, dat zijn overkleeden van arabischen oorsprong en veel

door de Perzen gedragen, van voorwerpen uit brons gemaakt, enz.

Mijn verblijf te Kirman is altijd zeer aangenaam geweest; nergens ter

wereld zouden wij met meer achting behandeld hebben kunnen worden, en

naar mijne meening zijn de beleedigingen, die Europeanen zoo dikwijls

den Perzen naar het hoofd slingeren, volkomen onverdiend. De Perzen

zijn over 't algemeen bijzonder beleefd en geestig, en hun vlugheid

van begrip en repartie zijn spreekwoordelijk. Ze zijn als Franschen

door hun beleefdheid en hun zin voor complimentjes, en als Engelschen

in zoo ver zij het 't beste gebruik van geld achten, als ze het aan

voedsel en aan kleêren besteden.

De opvoeding der jeugd is tot hiertoe schandelijk verwaarloosd; maar

men kan tegenwoordig daaromtrent een heilzame ontevredenheid opmerken,

waardoor men later aan de kinderen nog wat anders zal onderwijzen

dan spreuken uit den Koran, die, daar ze in 't arabisch vervat

zijn, niet eens door hen begrepen worden. Thans is de positie van

een schoolmeester er even slecht als in het Engeland der 17de eeuw,

en de betaling gelijkt op die van een huisbediende. Het is dus niet

verwonderlijk, als men meesters ontmoet, die leeren, dat Londen de

naam is van een land, waarvan een der steden de Atlantische Oceaan is!

In Juni begonnen de nachten warm te worden, en mijn zuster leed veel

onder de aanvallen der muskieten. Dus besloten wij van verblijfplaats

te veranderen. Men had ons een koeler streek aangeraden. Daar ik er

zeer op gesteld was, den weg van Marco Polo terug te vinden, besloten

wij, ons eerst naar Koeh-i-Hazar te begeven of den "berg der tulpen",

daarna Sardoe een bezoek te brengen, waar ik zeker was, dat de groote

Venetiaan vertoefd had.

In vier étapes waren wij aan het dorp Hazar gekomen, en wij kampeerden

middenin de bergen op een hoogte van 3300 M. Ik kon er heerlijk jagen;

de bergstreek was bewaard gebleven voor den gouverneur-generaal,

en er was in verscheiden jaren geen jachtgeweer afgeschoten.

Op een dag volbrachten wij met mijn zuster de bestijging van den

berg met den langen oosterschen naam die "Heiligenberg" beduidt. Het

was de tweede in hoogte van de toppen van Zuidoostelijk Perzië, 4180

M. hoog. Op den top was een kapelletje, waarin een collectie munten

werd bewaard, waaronder één met het beeld van koningin Victoria en

het jaartal 1837.

De lucht was volkomen helder, en het panorama verrukkelijk mooi. In

het Noorden zagen wij de hoekige keten, aan welker voet Kirman ligt;

in het Oosten de reusachtige Koeh-i-Hazar, die hooger is dan 4000

M. Het is een prachtige berg, op den weg naar Beloetsjistan op meer

dan 100 mijlen afstands zichtbaar en in staat om de oogen van meer

dan één Kermani van trots te doen stralen. In het Zuiden liggen Sardoe

en de reeks groote ketenen, die onder verschillende namen het plateau

van Iran dragen. Bijna naar elke richting van den horizon hadden wij

een inderdaad nooit door Europeanen betreden land voor ons; op de

kaarten zijn enkel hoofdwegen aangegeven, en aan beide kanten ervan

heeft men op korten afstand totaal onbekende streken.

Van daar gingen wij naar het plateau van Sardoe. Te Rahboer brachten

wij een bezoek aan den gouverneur, en we ontmoetten ten zijnent

een grijsaard van den stam der Mehni, die beweerde 125 jaar oud

te wezen. Zijn gelaat had de kleur van was; zijn haren geleken

zilverdraad.

Bij het verlaten van Rahboer hielden wij bij benadering een oostelijke

richting en gingen over verschillende armen der Halil Roed, waarvan

één vrijwat dieper was, dan wij hadden gewenscht. Des nachts hielden we

stil bij een tuin, waaromheen een vijftigtal gezinnen kampeerden. Het

was de maand Moharram, en uren aaneen moesten wij het klaaglied uit

de Lijdensweek aanhooren. Toch kwam er tot onze groote voldoening een

eind aan, en het had wel iets van een grappige vertooning, toen wij de

opvoeringen overal weer aantroffen. Dit was eigenlijk de eenige maal,

dat ik in Perzië iets anders dan echte vroomheid bij de godsdienstige

plechtigheden zag; maar de nomaden zijn over 't algemeen minder stipt

in de opvolging der voorschriften van den godsdienst dan de menschen

met vaste woonplaatsen.

De volgende dagreis voerde ons door het vruchtbare district Herza,

waar de vele boomen een aangename tegenstelling vormden met de gewone

kaalheid der velden. Over een pas van 2700 M. gaande, bereikten

wij geleidelijk door golvende tarwevelden Dar-i-Mazar, hoofdstad

van Sardoe. Men ziet er een goed onderhouden heiligdom ter eere

van sultan Sejid-Ahmad-Saghis, die van den imam Moesa afstamt. Het

omringende terrein is eigendom van het heilige gebouw, en boeren, die

zich sjeiks noemen, zijn zoo goed als de eenige vaste bewoners van het

district, daar de nomaden, ten getale van vierhonderd gezinnen ruim,

in deze streken slechts de weinige zomermaanden doorbrengen. Rondom

het heiligdom ziet men een twaalftal winkels, en een badhuis is er

onlangs verrezen. Eenige Kermani waren er van het heerlijk koele

klimaat komen genieten.

Wij kampeerden verderop bij den pas van Sarbizan, waar men de ruïnen

van een karavanseraï vindt, gebouwd door den zevenden Seldsjukkensultan

Malik Mohammed. Het was er best jagen, en wij zouden er wel een

maand hebben willen blijven. Maar de Sahib Dwan was teruggeroepen,

en zijn opvolger werd plechtig geïnstalleerd, en dus moesten wij te

Kirman terugkeeren vóór de aankomst van Zijne Hoogheid.

Een weinig vóór Kerstmis 1895 kwamen twee Duitschers, die gewed hadden

een reis om de wereld te doen en daarbij hun eigen kost te verdienen,

te Kirman aan. Het zou voor onze kolonie een slechten indruk hebben

gemaakt, dat Europeanen bedelden, dus achtte ik mij verplicht den

reizigers zooveel mogelijk hulp te bieden. Maar ik kan niet zeggen,

dat het mij gespeten heeft te hebben vernomen, dat hun onderneming

ten slotte mislukt was; zulke zonderlinge, excentrieke menschen doen

niets dan kwaad, vooral in het Oosten. De inlichtingen, die zij geven,

hebben meestal geen waarde en kunnen gevaarlijk worden. Bovendien is

er geen enkele oosterling, die geen minderwaardige voorstelling van

Europeanen krijgt, als hij er ziet, die zonder bedienden reizen en

in de eerste de beste plaats hun logies goed genoeg vinden.

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906 · 第 24 / 49 题