DOOR OOST-PERZIË

Reis van Majoor Percy Molesworth Sykes,

Consul-Generaal van Engeland te Khorassan.

I

Aankomst te Astrabad.--Vroegere belangrijkheid der stad.--Het

land der Turkomannen.--Mesjed, zijn moskee en zijn handel.--De

Loetwoestijn.--Op den weg naar Kirman.

Perzië heeft altijd een groote bekoring uitgeoefend op mijn geest. Ik

had lang in Indië gediend, zonder gelegenheid te hebben, er een bezoek

aan te brengen. Het werd Januari 1893 eer ik, na mijn Kerstvacantie

in Engeland te hebben doorgebracht, mijn plan ten uitvoer brengen

kon en een reis door Perzië kon maken, om te Boesjir de boot, die

mij daar wachtte, te bereiken.

Uit Engeland komend, was ik per spoor over Weenen naar Odessa gereisd,

waar ik mij naar Batoem inscheepte; van Batoem naar Bakoe volgde ik

de bekende transkaukasische lijn. Daarna scheepte ik mij te Bakoe in,

niet voor Enzeli en Resjd, wat de gewone weg is, maar voor Bandar-Gaz.

De stoomboot op de Kaspische Zee moest eerst stoppen te Oezoen-Ada,

toen nog uitgangspunt van den transkaspischen spoorweg. Na een ruwen

overtocht, waar een heele dag mee heenging, voeren wij langzaam

het smalle kanaal binnen, waar een voor anker liggend schip ons

waarschuwde, voorzichtig te zijn, en ofschoon wij slechts negen meter

diepgang hadden, moesten wij voortdurend van den oever afhouden,

om niet vast te raken. De ondiepe zee was bedekt met een dun laagje

ijs. In elk opzicht leek Oezoen-Ada mij een zeer slechte basis voor

een spoorweg. Dus vernam ik dan ook een jaar daarna met genoegen,

dat Krasowodsk, veel dichter bij de open zee en in 't bezit van een

diepe haven, ten slotte gekozen was, om Oezoen-Ada te vervangen.

Wij verlieten met moeite het nauwe toegangskanaal en wendden den steven

zuidwaarts, om na vijftien uren de russische grensstad Tsjitsjikar

te bereiken. De aanlegplaats is bijna buiten het gezicht der stad;

dus kon ik er geen bezoek aan brengen. Maar er is niet veel te zien,

en zij heeft geen beste reputatie, wat betreft den bodem en het

klimaat. Door Astrabad staat Tsjitsjikan met het telegraafnet van

Perzië in gemeenschap; maar de transkaspische spoorweg heeft aan

dezen militairen post al zijn belangrijkheid ontnomen.

Toen wij onzen weg naar het zuiden vervolgden, zagen wij al spoedig,

hoe het klimaat snel veranderde. Na het dejeuner bevonden wij ons

tegenover het russische marine-station Asjoer-Ada, en vóór ons lag,

in dichte nevelen gehuld, Iran.

De Asjoer-Ada-eilanden maken deel uit van een zandbank, door den

noordenwind gevormd, die de heerschende is in deze streken. Daarachter

breidt zich een wijde lagune uit, _Murdal_ of dood water geheeten,

waarin zich veel rivieren uitstorten, die alluviale aanslibbing

aanvoeren. Men treft veel van die lagunen langs de kust aan; die

van Enzeli is het meest bekend; maar de baai van Astrabad, om ons

te bedienen van den naam die gewoonlijk op de kaarten staat, is het

diepst. De stoombooten kunnen er tot vlak aan de kust komen en zijn

niet genoodzaakt te lossen vóór de zandbank, zooals te Enzeli.

Asjoer-Ada, dat een verschrikkelijk ongezonde post moet zijn, werd

in 1858 door Rusland bezet, toen men besloot een eind te maken aan

de zeerooverijen van de Turkomannen. De regeering van den czar is

herhaaldelijk uitgenoodigd, zich terug te trekken van de plek, die,

in strikten zin genomen, nog perzisch grondgebied is; maar zoo zij aan

dien wensch gevolg gaf, zou de zeerooverij maar al te spoedig weer

het hoofd opsteken. Daar tengevolge van het tractaat van Gerlistan

de perzische vlag niet over de Kaspische Zee mag waaien, wordt alle

politie daar uitgeoefend door de groote mogendheid van het Noorden.

Drie aanlegplaatsen waren bij het eiland aangebracht, 'twelk zoo smal

is, dat het schuim der golven er bij slecht weer overheen vliegt. Na

een langzame vaart door de stille en rustige lagune, legden wij aan

bij een vuurtoren tegenover Bandar-Gaz. Wij namen onze bagage bijeen

en werden in een roeiboot overgebracht naar een havenplaatsje in een

treurigen staat van verval. Tegen het vallen van den avond bevonden

wij ons op perzischen grond, bestaande uit dikke, glibberige modder.

Ik had geen voorkeur, waar wij zouden heengaan; maar Joessoef Abbas,

een geleerde Pers, dien ik te Odessa aan mij had verbonden, en die meer

gereisd moet hebben dan iemand van zijn leeftijd, zei, dat we zouden

kunnen logeeren bij een ambtenaar van de telegraaf. Deze ontving ons

inderdaad zeer vriendelijk en ik kon weldra ten zijnent genieten van

een echten pilaw, het perzische gerecht bij uitnemendheid.

Bij dag kwam Bandar-Graz mij als een zeer melancholiek plaatsje

voor. Er is zooveel slijk, dat een paar stelten van nut zouden kunnen

zijn. De hutten van boomstammen zien er vuil en ellendig uit.

Mazanderan, de perzische provincie die met Ghilan de zuidkust van de

Kaspische Zee inneemt, is een belangrijke provincie, al was het maar om

het sprekend contrast, dat zij maakt met de andere deelen van Perzië,

of zelfs met de andere districten aan de binnenzee gelegen. Als men

uit de lagune komt, waar men veel rottende planten ziet, heeft men

eerst een strook jungle van afwisselende breedte, dicht struikgewas,

waar het van allerlei insecten, vooral muskieten, krioelt, die er

in den zomer iemand het leven ondragelijk maken. Het heet ook, dat

er nog veel tijgers zijn, maar het gebeurt niet dikwijls, dat er een

geschoten wordt.

Als men de bergen heeft bereikt, verandert het land plotseling van

aanzien, en de reiziger kan zich in Kaschmir verplaatst wanen. Hij

vindt er dezelfde boomen en weiden, en hooger de kale hellingen

der bergen. Een prachtig soort van hert komt, evenals daar ook hier

veelvuldig voor.

De bewoners der provincie Mazanderan hebben een geelachtige, ongezonde

gelaatskleur, maar ze zijn niet klein of lichamelijk slecht ontwikkeld,

zooals men verwachten zou in dat arme land. Zij kleeden zich in wol

en voeden zich met rijst, die ze in groote hoeveelheden tot zich

nemen. Het is een gelukkig volkje, en ik ontmoette niemand, die het

land zou willen verlaten; zij kunnen in andere streken van Perzië

niet aarden.

In twee dagen bereikten wij Astrabad langs een zeer slechten weg. De

zon ging onder; wij kwamen de stad binnen door een ingang zonder poort

en zonder bewaking, en het eerste wezen, waar ons oog op viel, was

een jakhals. Eindelijk zagen wij een man in de verlaten straten. Hij

bracht ons op de vriendelijkste manier naar het huis van Mirza Taki,

den engelschen agent, waar wij de groote voldoening smaakten, droge

kleêren te kunnen aantrekken. De vereeniging van vocht en koude is

zeer onaangenaam, om niet te zeggen gevaarlijk in het Oosten, nog

meer dan elders, en ik gevoelde mij gelukkig, dat ik zonder slechte

gevolgen de streek van de koorts was doorgekomen en een der bekendste

steden van Perzië had bereikt.

Astrabad, dat in den bloemrijken stijl van het Oosten _Dar-ul-Muminin_,

dat is de Woning der Geloovigen heet, is voor zoover men kan nagaan,

geen oude stad, hoewel de plaats volgens de legende gesticht is

door Nosjirevan, met geld, gegeven door Azad Mahan, gouverneur

der Keronans. Voor Engeland is de stad buitendien interessant om de

mislukte poging, in de 18de eeuw gedaan, om er een engelsch-perzischen

handel te vestigen.

In het begin der 19de eeuw heeft men zich van het belang van Astrabad

te veel voorgesteld. Napoleon en czar Paul I hadden het plan gevormd,

langs dien weg een aanval te wagen op Britsch-Indië. Het werd weer

opgevat door Rusland tijdens den Krim-oorlog; maar zoowel in het eene

als in het andere geval zou de uitvoering zeker op een noodlottige

ramp zijn uitgeloopen.

Thans heeft de transkaspische spoorweg het stadje alle gewicht

ontnomen, ofschoon bij een aanval op Perzië uit het Noorden de

bezetting van Sjahroed, na de verovering van Astrabad, de hoofdstad

zou afscheiden van Medsjed.

Astrabad beslaat nu misschien de helft van de oorspronkelijke

oppervlakte, en er wordt mij gezegd, dat de bevolking niet meer

dan tien duizend zielen bedraagt. De meeste straten zijn geplaveid,

waarschijnlijk door shah Abbas, en de huizen zijn van natuursteen of

van gebakken steen opgetrokken met daken van roode pannen, wat een

vroolijk gezicht geeft zelfs in den winter; daar op de muren overal

bloemen zijn geplant, moet het er in het voorjaar aardig uitzien. Er

zijn in de stad veel zeepfabrieken; potasch wordt er bereid uit

planten van den oever der rivier. Ook kruit wordt bereid in Astrabad,

maar dat is dan ook alle plaatselijke industrie.

Er begon veel sneeuw te vallen, een zonderling gezicht, terwijl de

oranje-appels aan de boomen hingen. Ik vertrok op de jacht, hopende

dat de sneeuw de herten uit de bergstreken naar beneden drijven

zou. Ik zag er niet één, hoeveel moeite ik mij ook een heele week lang

gaf. Daarentegen zag ik wel veel wilde zwijnen, en ik doodde er een,

om mijn nieuw geweer te probeeren.

Toen ik te Astrabad terugkeerde, waren de toebereidselen voor mijn

bescheiden expeditie in het turkmeensche land afgeloopen, en ik begaf

mij in noordelijke richting op reis. Terwijl het woud bijna den

zuidkant der stad bereikt, is het land in 't noorden vlak en open

en veelal bebouwd. Na door een paar gehuchten te zijn getrokken,

bereikten wij de Kara Soe of Zwart Water, een rivier met langzaam

stroomend, slijkerig water. Er ligt een brug over naar het land der

Turkomannen. Enkele mijlen trokken wij voort door een zeer vruchtbare

vlakte en kwamen toen aan de oevers der Gurgan, een rivier, waarvan de

naam denzelfden wortel heeft als het woord Hyrcanië. Een tweede brug,

even stevig als de eerste, ligt bij het fort Akkala of het Witte Fort,

een oude plaats van de Kadjaren, waar nog een garnizoen is en die er

indrukwekkend uitziet. Wij gingen den stroom niet over, maar trokken

langs den linker oever, om zoo te komen in het kamp van Moesa khan,

hoofd der Ak-Atabai, voor wien ik een brief had van kolonel Stewart.

Om u een alasjoek of Turkomannen-woning voor te stellen, moet ge

denken aan een kring van omgebogen takken, min of meer in den vorm

van een bijenkorf en zoowat twintig voet in diameter; zwart vilt is

over alles heen getrokken, en het resultaat is een beweegbaar huis,

dat ten minste als het koud weêr is, de voorkeur verdient boven een

tent. Binnenin wordt het hebben en houden van den eigenaar bewaard

in reuzenpakken, terwijl de karabijn van den heer des huizes binnen

het bereik van zijn hand is. Stukken tapijt bedekken de reten en

spleten van het vilt, en als er vuur brandt op den open haard, kan men

zich comfortabel voelen in zulk een verblijf. Alleen de rook blijft

een groot bezwaar. Ieder kamp werd bewoond door een aantal gezinnen

tusschen tien en dertig. Zij brengen zoo vijf maanden door ten zuiden

van de Gurgan, halen hun oogst binnen en laten daarna weer hun kudden

weiden dichtbij de Atrek.

Men kan als vaderland der Turkomannen beschouwen een strook gronds,

die beginnend bij de baai van Astrabad doorloopt tot het punt, waar

de drie staten Rusland, Perzië en Afghanistan samenkomen.

Hun eerste belangrijk optreden in de geschiedenis dagteekent van de

12de eeuw, toen zij sultan Sandjar van den troon stieten. In de 19de

eeuw gaf Shah Abbas bij zijn troonsbestijging aan talrijke koloniën

van Koerden grondgebied in die streken, wat een slag was voor de

turkmeensche roovers; maar zij bleven tot hun definitieven val, na de

inneming van Khiwa en van Merw, een ware plaag voor Perzië. Men kan

daar goed over oordeelen, als men, zooals ik, vroegere gevangenen

van hen heeft gezien en gehoord heeft wat zij hadden te verdragen,

te meer daar bij de natuurlijke wreedheid der Turkomannen zich de

haat voegde van de Sunnieten tegen de Sjiïeten. De heer Vambéry heeft

mij verteld, dat, hoewel hijzelf tijdens zijn gevangenschap aan de

Atrek heel goed werd behandeld, hij getuige moest zijn van allerlei

tooneelen, die hem de Turkomannen deden verfoeien.

Zeer tegen mijn zin was Moesa khan voor den nacht naar Astrabad

gegaan. Ik maakte van den dag, dien ik wachtende moest doorbrengen,

gebruik, om de ruïnen van de stad Kizil-Alan te gaan zien. Er zijn

ook verschillende hoogten, die verspreid in het dal der Gurgan

liggen, waar door reizigers veel onderzoekingen zijn gedaan. Enkelen

hebben er reeksen van seinposten in willen zien. Het is eenvoudiger,

te veronderstellen, dat het ruïnen van dorpen of steden zijn. Wij

kunnen er niet meer van zeggen, vóór men systematische opgravingen

zal hebben gedaan. Dan zal een rijke oogst de exploratie van het oude

Hyrcanië beloonen.

Zoodra hij was aangekomen, liet Moesa khan mij door Joessoef weten,

dat hij het niet op zich durfde nemen, mij door het turkmeensche land

te laten gaan. Ik kon er zeker van zijn, te worden gedood of bestolen,

en hij zou er door de perzische regeering voor aansprakelijk worden

gesteld. Het kostte mij zeer veel moeite, hem op zijn besluit te

doen terugkomen. Eindelijk, na verloop van drie dagen, gaf hij toe op

de bedreiging, dat zijn naam van gezaghebbend hoofdman er in Europa

onder zou lijden, en zoo beloofde hij, mij een geleide te bezorgen

tot de Atrek. Drie bloedverwanten van hem zouden mijn verdere reis

organiseeren.

Dus scheidde ik van mijn gastheer op de plek, waar wij de Gurgan

over moesten trekken, en wij trokken noordwaarts door de besneeuwde

steppe. Eerst was die geheel vlak, maar bij het naderen van de Atrek

gingen wij over een keten van lage bergen, bekend onder den naam

Kara-tapa of Zwarte heuvels. 's Avonds bereikten wij in een sneeuwstorm

een kamp van den stam der Atabaï, waar wij den nacht doorbrachten. Die

stam telt ongeveer twee duizend gezinnen in Perzië en duizend in

Rusland. Wij zetten toen den tocht langs de Atrek voort onder het

geleide van een turkmeenschen mollah, Hak Nafas, die niet erg zeker

van zijn zaak was. Ik vernam van Joessoef, dat het een roover was,

die niet viel te vertrouwen.

Vóór hij van ons wegging, had hij op fluisterenden toon een gesprek

gevoerd met enkele mannen van ons gevolg, 's Avonds van dien dag,

toen wij de rivier waren overgegaan, kampeerden wij bij een groep van

vijf tenten. Wij kregen niet als gewoonlijk een uitnoodiging om binnen

te komen in de alasjoeks, en het viel niet moeilijk, uit een en ander

op te maken, dat men iets tegen ons in den zin had. Ik barricadeerde

dus mijn tent en bleef wakker, wat niet al te moeilijk was, aangezien

ik gekweld werd door hevige kiespijn. Tegen middernacht kwamen de

Turkomannen op onze tent af, kruipend en met geladen geweren. Toen

ze op vijfhonderd meters afstands waren, ging Joessoef zeer beleefd

naar hun gezondheid informeeren. Waarop zij, zonder een woord te

zeggen, verdwenen. Wij belaadden onze muildieren vóór zonsopgang,

en Joessoef, die al dien tijd zich kranig en dapper hield, sprak

de dieven in partibus, die bij ons gebleven waren, krachtig toe en

verweet hun de schending van de wetten der gastvrijheid, hen dreigend

met allerlei verschrikkelijke straffen. Ten slotte verdwenen zij ook

en lieten ons met rust. Denzelfden dag waren wij bijna overvallen door

onze gidsen van den vorigen dag, die ons op den anderen oever van de

Atrek volgden. Maar zij trokken zich terug, waarschijnlijk overtuigd,

dat de Sahib machtige beschermers hebben moest, en dat hij anders

zich ook nooit in deze streken zou hebben gewaagd.

Te Aksjanim, beneden een kloof, waar de Atrek door vloeit, kwam ik op

het grondgebied van de Goklan-Turkomannen. Dit was de eerste plek,

waar mij een vriendelijke ontvangst bereid werd. Mijn gastheer,

Mustapha Koeli, was in 1874 verbonden geweest aan de zending van den

Honorable G. Napier naar de Gurgan.

Wij passeerden daarna langs een zeer sterke helling den doorgang,

die bekend is onder den naam Hanaki-pas; de top is 1020 M. hoog. Van

daar deed het dal, dat wij juist waren doorgegaan, zich voor als een

reliëfkaart; op den achtergrond verhief zich de Sonar Dagh. Overal

om ons heen waren sneeuwvelden, en de wolken dreigden met nieuwen

voorraad. Dus haastten wij ons, en toch was het maar even vóór

zonsondergang, dat wij het fort Amend, waarvan niet veel meer dan

een puinhoop over is, bereikten. Er waren enkele tenten der Toktimasj

omheen gegroepeerd.

Den volgenden dag ging het met moeite door het dal der Insja, om daarna

weer over een pas te trekken en den daarop volgenden dag bereikten

wij in een bebouwde streek en op den weg van Astrabad naar Boesjnoert

het dorp Semalgan, waarschijnlijk Samangan van sjah Nameh, een der

talrijke dorpen, die aan de Koerden behooren. Onnoodig te zeggen,

dat ik blij was, het land der Turkomannen achter mij te hebben,

maar ook dat het mij aangenaam was, een blik te hebben mogen werpen

op hun gewoonten en hun denkbeelden, wat mij nooit zou zijn gelukt,

als ik met een uitgebreid escorte had gereisd.

De Koerden ontvingen mij vriendelijk. Zij hadden nog veel herinneringen

bewaard van kolonel Napier. Maar ik werd er een weinig verlegen mee,

dat ik na hem dit bezoek aflegde; hij had edelmoedig geschenken

uitgedeeld en ik trok door met ledige handen.

Over den Halinurpas gaand, die door een hooge bergketen een weg

opent, kwamen wij eindelijk in het stadje Boesjnoert. Ik werd er zeer

vriendelijk door den gouverneur ontvangen, die mij geluk wenschte met

het ongedeerd volbrengen van zulk een gevaarlijke reis. En inderdaad,

nu eerst begon ik mij rekenschap te geven van de gevaren, die ik had

geloopen. Kolonel Yate, die een jaar later met zeventig man door

deze streek trok en een gewapend geleide bij zich had, noemt haar

"het meest woeste en onafhankelijke gedeelte van het gebied der

Turkomannen, waar de Perzen geen voet durven zetten."

De provincie Khorassan, die wij nu pas hadden betreden, ligt in

den noord-oosthoek van Perzië; de naam beteekent Land der Zon. Zij

besloeg vroeger een verbazende uitgestrektheid; ze strekte zich van

de Kaspische Zee tot Samarkand uit en zuidelijk tot de grenzen van

Sind. Tegenwoordig reikt zij van den transkaspischen spoorweg in het

Noorden tot Seïstan in het Zuiden en van Afghanistan in het Oosten

tot Astrabad in het Westen. De oppervlakte is door lord Curzon geschat

op 375,000 tot 435,000 vierkante kilometers.

Op den avond van mijn aankomst legde ik een bezoek af bij den

Saham-u-dola, een hoofd, dat hoog in aanzien stond. Ik zei hem eerst

niet, dat ik een officier was, die voor mijn genoegen reisde; maar

toen ik bemerkte, dat hij in mij een deelgenoot zag van de een of

andere bijzondere zending, vertelde ik hem de waarheid. Hij geloofde

mij niet, natuurlijk. Een Oosterling reist nooit anders, dan om geld

te verdienen of als pelgrim.

Boesjnoert is een stadje van misschien tien duizend inwoners. Er is

maar één lange straat; de plaats is door een telegraaflijn met Mesjed

verbonden, en er gaat wekelijks een post tusschen beide steden. De

straat is vol winkels, waar men russische samovars en manchestersch

katoen ziet. Ik kocht er drie turkmeensche tapijten voor ongeveer

zeven pond. Een goed gesternte had mij bij den koop geleid, want ze

waren in Engeland vier- of vijfmaal die som waard.

Daar drie dagen voldoende bleken, om alle merkwaardigheden van

Boesjnoert te bekijken, huurden wij versche muildieren en gingen

op weg naar Koetsjan. Door de Mesjedpoort vertrokken, reisden wij

langs de oude stad, waar nog slechts ruïnen van over zijn en daalden

af naar de Atrek. Onder de vele dorpen, waar wij doorheen trokken,

hadden enkele vierkante torens, gelijkend op die van engelsche kerken;

overal was welvaart te bespeuren, veel meer dan wij hadden gevonden in

het door de natuur rijker bedeelde district Astrabad. Den volgenden

dag gingen wij over een in goeden staat zijnde brug, en bij Sissah

betraden wij het gebied van Koetsjan. Het dal wordt breeder; de grond

is zeer vruchtbaar, en de dorpen zijn even talrijk als in sommige

deelen van Pendsjab.

Op onzen tocht waren wij getuigen van een nog in wezen zijnd oud

gebruik, het huwelijk bij roof. Wij ontmoetten eerst het geleide

van een bruid te paard; zij was gekleed in een rijk wit met rood

gewaad. Iets verder vonden wij andere ruiters, die bij de nadering der

dame een soort van gevecht nabootsten, tot zij een teeken had gegeven,

dat zij zich overgaf.

Te Sjirwan kwam ik weer in bekende streken en wel op den weg naar

Koetsjan daar, waar een levendige handel wordt gedreven met Geok

Tepe, het punt, dat het dichtst bij den transkaspischen spoorweg is

gelegen. De Atrek was hier niet veel meer dan een groote beek. Een

tocht van 35,000 mijlen door een der vruchtbaarste dalen van

Perzië bracht ons te Koetsjan. Het district, waar die plaats de

hoofdstad van is, moet als het belangrijkste der drie koerdische

districten worden beschouwd; tot in den jongsten tijd was het half

onafhankelijk. Nadir Shah werd vermoord in 1747, toen hij een poging

deed, het te onderwerpen. De _ilkhani_ is reeds door lord Curzon op

amusante manier beschreven; hij is gewoonlijk in een toestand van

ontoerekenbaarheid door de uitwerking van opium of alcohol, en men

moet hem altijd drie dagen van te voren, een bezoek aankondigen. Ik

onthield mij van een visite, daar ik geen tijd wilde verliezen.

Ik vond te Koetsjan een brief van den engelschen consul-generaal

te Mesjed, den heer Elias, die zoo vriendelijk was, mij te melden,

dat hij mij op een dagreis afstands van de stad een _sowar_ en twee

paarden had tegemoet gezonden. Wij namen een wagen, om ons met onze

bagage naar de stad te brengen.

Het land was vruchtbaar maar eentonig. Door de strenge vorst was de weg

hard en vlak. In den namiddag van den derden dag ontdekte ik een man

in de verte, die de sowar bleek te zijn, en in minder dan vijf minuten

draafde ik in de richting van Mesjed, terwijl Joessoef in het rijtuig

volgde. Vóór ons schitterde op vele mijlen afstands de prachtige

vergulde koepel als een vuurzee in de stralen van de ondergaande zon.

Een nieuwsgierige menigte wachtte ons af op de pleinen der stad. Door

de Khiaban, de hoofdstraat, iets als het _Unter den Linden_ der

plaats, daarna door de kronkelende straatjes, kwamen wij aan het

Consulaat-generaal, waar wij hartelijk werden ontvangen. Nu ik

twee maanden lang buiten de beschaafde wereld had verkeerd, was

ik onuitsprekelijk gelukkig, mij weer in een bevriende omgeving

te bevinden.

Mesjed, welks naam beteekent "Graf eens Martelaars", heet zoo,

omdat men er het graf vindt van een heilige Reza, den achtsten

iman. Zijn monument behoort tot de rijkste en meest bezochte van

Azië. De schatten, die er bewaard worden, bestaan niet alleen uit

ruime jaarlijksche schenkingen van geld en kostbaarheden, maar het

graf ontvangt ook giften en legaten in grond en tuinen, en wel van

alle klassen der bevolking. Het is niet toegankelijk voor christelijke

bezoekers, een regel, waaraan men zich in Perzië bij vele instellingen

houdt. Toch is hij niet steeds in acht genomen, en de spaansche gezant

aan het hof van Timoer, Ruy Gonzalez de Clavyo, vertelt, dat hij de

moskee te Mesjed heeft bezocht.

Het tegenwoordige heiligdom ligt, naar ik hoor, in het midden tusschen

drie groote pleinen. De bouwtrant, de opengewerkte lantaarn en het

gouden traliewerk geven er van buiten een ernstige schoonheid aan,

geschikt om een diepen indruk op vrome gemoederen te maken.

Mesjed is tegenwoordig een belangrijke stad uit het oogpunt van den

handel en de politiek. Van engelsch standpunt gezien, zou het een goede

post zijn ter bewaking van westelijk Afghanistan en een bruikbaar

entrepôt voor den engelsch-indischen handel. Maar voor Rusland is

de post van nog veel grooter beteekenis, daar Mesjed de hoofdstad

is van de provincie Khorassan, waarvan Askhabad voor zijn onderhoud

afhankelijk is. Zooals men wel kan begrijpen, zijn de bazars voor

't meerendeel gevuld met russische goederen, maar de voorwerpen van

engelsche herkomst worden op niet minder hoogen prijs gesteld. Men kan

hier een beeld vinden van den strijd tusschen de beide mogendheden,

die elkaâr den invloed in Perzië betwisten.

Ten tijde van mijn bezoek werd het ambt van britsch consul-generaal

waargenomen door den sedert overleden heer Ney Elias, den deken van

een reeks van bekende reizigers in Centraal-Azië. De belangen van

Rusland waren toevertrouwd aan den heer Vlassof, die nu een ruimer

arbeidsveld gevonden heeft in Abessynië. Zooals dat dikwijls het

geval is, hadden hij en zijn secretaris engelsche vrouwen getrouwd,

wat voor mij de genoegens van het samenzijn nog grooter maakte. Ik ben

nooit ergens vriendelijker ontvangen dan in die kleine maatschappij,

de europeesche kolonie van Mesjed. En toen ik dan ook na verloop van

een week vertrok, om mij naar Kirman te begeven door de Loetwoestijn,

deed het mij innig leed de vrienden te verlaten, van wie ik een week

te voren geen enkele kende.

Na het verlaten van Mesjed volgden wij den weg van Teheran naar

Sjerifabad. Hij loopt door een golvend terrein en maakt een bocht op

het punt, waar de uit het Zuiden komende pelgrims voor de eerste maal

den heiligen koepel der groote moskee aanschouwen.

Den tweeden dag na ons vertrek ging het over den Bidarpas, waar wij tot

onze groote verbazing een dikke sneeuwlaag vonden. Van dien pas, die

bijna 2000 M. hoog is, daalden wij naar een rivierdal. De benedenloop

van den stroom heet Kal-i-Sala. Er ligt een pas gebouwde brug over,

een vreemd verschijnsel in Perzië.

Na weer door heuvelachtige streken te zijn getrokken, kwamen wij

te Turbat, stad van 15000 inwoners, nog op ouderwetsche manier

Turbat-i-Haidari genoemd, naar het graf van rooden steen van een

beroemd heilige, Kutb-u-Din-Haider. Tegenwoordig gebruikt men meestal

den naam Turbat-i-Ichak-Khan, naar een hoofd van de Karaï's, die ter

dood gebracht werd nadat hij beproefd had, Mesjed te veroveren aan

de spits van een vereeniging van stammen.

Turbat, dat te midden van tuinen ligt, is sinds 1901 een belangrijk

russisch centrum geworden; een russisch dokter is er gevestigd

onder bescherming van Kozakken voor de gevallen van pest- en

cholera-epidemieën. Zijde was oudtijds het hoofdproduct van deze

streek, en tegenwoordig begint men weer meer aan die cultuur te

doen, hoewel de nawerking der ziekte van de zijderupsen zich nog

doet gevoelen.

Na Turbat volgden wij den loop der Kal-i-Sala en moesten dikwijls van

richting veranderen. Het was belangrijk op te merken, hoe alle op de

kaart aangegeven dorpen verwoest waren, terwijl er in de nabijheid

nieuwe gehuchten waren ontstaan, en tot onze nog grootere verbazing

was de rivier, die zich naar het Westen wendt, voorgesteld als naar

het Zuidoosten stroomend.

Vervolgens reden wij naar Djangal, Bimurgh, Beidukht. Het laatste

dorp is bekend als de woning van den groot-murschid van Perzië, een

man, die zeer grooten invloed uitoefent, vooral op de kooplieden van

Teheran. Zijn naam is Hadji Mullah sultan Alé, hij heeft een mooie

school of _mederssch_ laten bouwen, waar hij dagelijksch lessen geeft

en preekt. Hij moet ongeveer zestig jaar zijn.

Djouvein, de hoofdstad van het district Gunabad, bestuurd door den

gouverneur van Turbat, heeft een bevolking van 8000 inwoners en een

kleinen bazar. Men maakt er een soort van aardewerk, zoo grof en zoo

leelijk, dat ik geen enkel stuk ervan kon koopen.

De vlakte van Gunabad ligt aan den voet van een bergketen, die van

het Zuidoosten naar het Noordwesten loopt, en hier het betrekkelijke

hooggelegen land, dat ik doorreisd had, scheidt van de sombere

Loetwoestijn, die ik weldra zou betreden. Verder naar het Westen sluit

het terrein zich aan bij het noordelijk deel van die woestijn. Na

die keten te zijn doorgetrokken, kwamen wij te Toen, een ommuurde

stad van 4000 inwoners. Binnen de stad zelf waren veel tuinen, en

het algemeene aanzien van de plaats was niet onbehagelijk.

Zoo had ik dan de noordgrens bereikt van de groote woestijn, die

ik voor de eerste maal zou doorgaan, en waar ik nog dikwijls zou

terugkeeren. Laat ik er een korte beschrijving van geven. Eerst moet

ik meedeelen, dat verschillende aardrijkskundigen zonder voldoende

reden de groote perzische woestijn verdeeld hebben in twee deelen, een

noordelijk, het Dasjt-i-Kavir, en een zuidelijk, het Dasjt-i-Loet. Lord

Curzon, die drie afleidingen mogelijk acht van het woord _havir_, kiest

terecht het arabische _hafr_, dat beteekent "zoutmoeras". Dat woord is

nog voortdurend in gebruik in Zuid-Perzië. Wat de uitdrukking _Loet_

betreft, die is stellig afgeleid van Lot, en de gidsen wijzen nog

dikwijls in de groote woestijn de Sjahr-i-Loet of "steden van Lot". Zij

leggen dan uit, dat de Almachtige ze door hemelvuur verwoestte,

juist als de plaatsen, die nu bedolven liggen in de Doode Zee.

Na langdurige onderzoekingen ben ik tot het besluit gekomen, dat de

geheele woestijn van Perzië niet anders heet dan Loet (Dasjt-i-Loet

is een weinig gebruikte uitbreiding), en dat zij een aantal _kavirs_

bevat, die alle eenzelfde karakter hebben. Ik geef intusschen toe,

dat zij talrijker zijn in het Noorden, waar nog het meeste water

wordt aangetroffen. Een Pers, in Engeland opgevoed, heeft mij gezegd,

dat hij wel den weg Yezd-Pabas had aangewezen gezien op de kaart als

het punt, waar twee woestijnen bij elkander komen, maar dat al zijn

pogingen, om op de plaats zelve zich te overtuigen van het bestaan

eener woestijn Dasjt-i-Kavir, mislukt waren. Dat had zijn eerbied

voor de europeesche kaarten aan het wankelen gebracht.

De groote Loetwoestijn breidt zich van de buurt van Teheran tot de

grens van britsch Beloetsjistan uit over een lengte van meer dan 100

KM. Het is de oostelijke afhelling van die groote uitgestrektheid, die

het dorp Basiran draagt, het hoogste punt op 1400 M. Ik heb het dorp in

1899 bezocht. De gemiddelde hoogte der woestijn is ongeveer 600 M.; de

laagste punten bij Khabis liggen ter hoogte van 300 M. Het slechtste

gedeelte van de Loetwoestijn is dat tusschen oostelijk Perzië en

Khabis, dat in het midden der 19de eeuw door Khemikoff doorreisd werd.

Ziehier wat hij schrijft: "Men zal zich gemakkelijk ons genoegen

kunnen voorstellen, dat wij veilig en ongedeerd waren, nadat wij

een woestijn waren doorgetrokken, die in dorheid door geen andere

in Azië overtroffen wordt; vergeleken bij den Loet, zijn de Gobi en

de Kizel-Koem inderdaad vruchtbare weiden. Ik heb den troosteloozen

aanblik van de landengte van Suez gezien. Veel gedeelten van die

dorre streek schijnen getroffen door dezelfde onvruchtbaarheid als

de Loetwoestijn; maar dit karakter is dan nooit over zoo groote

uitgestrektheden heerschend."

Gemeenlijk neemt men aan, dat de Loet een oude binnenzee is

geweest. Die meening is onder anderen gegrond op het bestaan van

een werkzamen vulkaan, te Sarhad, van den uitgedoofden vulkaan

Koeh-i-Bazamn, en op veel legenden.

Ik ben ook van oordeel, dat door de moordende oorlogen, waar

Perzië onder heeft geleden, de grenzen der woestijnachtige streken

uitgebreid zijn. Perzië is een woestijn met dorpen, waartusschen zich

enkele bebouwde mijlen uitstrekken en die met moeite door middel van

irrigatie worden in stand gehouden. Als er geen water meer is, gaan de

dorpelingen heen, en omgekeerd, als de dorpsbewoners gedood zijn, raken

de kanalen en waterleidingen verstopt, en de woestijn wordt grooter.

Buiten de Loetwoestijn zijn er gebieden in Perzië, waar men drie of

vier dagreizen lang geen enkel dorp ziet. Al die kleine woestijntjes

lijken op de groote. Ik moet er bijvoegen, dat, zooals uit alles

blijkt, de regenhoeveelheid verminderd is. Oorzaak en gevolg van dat

feit is, dat het land zoo goed als in 't geheel geen boomen heeft. De

twee groote zaken, waaraan Perzië behoefte heeft, om materiëel een

herleving te ondergaan, zijn het water en het woud.

Ik heb de pretentie, die ik meen dat gerechtvaardigd is, dat ik de

eerste Europeaan ben, die dit deel van de Loetwoestijn doorkruist heb,

hoewel ik op het oogenblik dat ik de zaak in studie nam, meende,

dat ik de sporen van Marco Polo volgde. Buitendien biedt de weg,

als men de noodige voorzorgen neemt, geen groote moeilijkheden aan,

ten minste gedurende zeven maanden van het jaar. Het is de hoofdweg

van Kirman naar Mesjed, en bij gevolg wordt hij nu door duizenden

reizigers, vooral pelgrims, betreden.

Voorbij Toen sloegen wij de richting van het Zuiden in, en nadat

wij de bebouwde streken achter ons hadden gelaten, kwamen we in een

district van lage, door de zon verbrande, zwarte heuvels. Alle vier

mijlen troffen wij waterreservoirs, bekend onder den naam van _hauz_

en bestaande uit onderaardsche gewelven, waarin men langs trappen

neerdaalt. Het water, dat erin is, smaakt gewoonlijk slecht en in

droge jaren vindt men er vaak niets in.

Gedurende den tweeden dag zagen wij, terwijl we met moeite door de

vlakte voortsukkelden, een keten met besneeuwde bergen, die op geen

enkele kaart stond aangeduid. Den dag daarna waren we bij het dorp

Dahuk in een inzinking van dat gebergte, dat wel 2700 M. hoog moet

zijn en Moer Koesj heet.

De inwoners vertoonden een verbazende nieuwsgierigheid, en geen

wonder, want zij zagen voor het eerst Europeanen in hun land. Die

belangstelling was nog grooter geworden, daar ze, naar hun zeggen,

van pelgrims hadden gehoord, wat voor wonderen de Farangi's konden

verrichten en tot stand hadden gebracht, vooral te Bombay.

Dit deel van de Loetwoestijn was veel dichter bevolkt, dan wij gedacht

hadden. Wij gingen door de dorpen Arababad en Zenagoen, van waar

een vijftig mijlen lange weg ons naar Naïband voerde. Wij hielden

stil te Ab-i-Garm, een echte _havir_ maar van een abnormaal type. Het

omliggend district werd gedraineerd door het moeras, waarin zich brak

water bevond. Er waren veel tamarinden, enkele stuks hoornvee aten

van het harde gras en wij schoten eenige eenden.

In den avond verloren wij in een storm het paadje, dat onzen weg

verbeeldde. Toen ik bespeurde dat we geen water meer hadden, en

daar wij niet wisten hoe ver Naïband nog verwijderd was, ging ik den

volgenden morgen bij het aanbreken van den dag er alleen op uit te

paard, om mijn gezelschap water te kunnen toevoeren.

Bij een bocht van den weg had ik eensklaps een vizioen van een

feeënland. De bergen aan de overzijde waren bedekt met palmboomen,

die hun kruinen wiegden op de lucht en waarmee het groene koren de

liefelijkste tegenstelling vormde. Op een hoogte stond schilderachtig

een oud rood fort. In het bosch van palmen binnentredend, zag ik in

alle richtingen waterstroomen. Ruime grotten maakten de omgeving nog

aantrekkelijker en mooier.

Ik zond mijn reisgezellen een hoeveelheid water, en weldra kwamen

zij ook zelf. Wij sloegen ons kamp op bij den top van den berg,

waar wij tusschen de groene palmen de gele woestijn zagen liggen,

de brandende Loetwoestijn, die zich tot den horizon uitbreidde. Ik

hoorde, dat het dorp Naïband twee eeuwen geleden als vooruitgeschoven

post tegen de Beloetsjen gebouwd werd. Wij kwamen nu in het gebied

der strooptochten van dat volk.

Daar de muildieren rust behoefden, bracht ik twee dagen door met een

onderzoek van het naburig gebergte, dat bijna 2800 M. hoog was. Water

vond men er zoo goed als niet.

Onze volgende etappe zou veertig mijlen bedragen. Zij voerde

ons door echte steden van Lot, heuvels met steile hellingen, die

vizioenen wekten van torens en huizen en menschelijke gedaanten in

een schitterenden maneschijn. Wij bereikten dien dag de karavanseraï

Darband, bewaakt door een eenzamen soldaat, die zijn kost verdient met

het verkoopen van proviand tegen hongersnoodprijzen. Den volgenden

dag kwamen we in 't stadje Rawar, dat 8000 inwoners telt en beroemd

is om zijn vijgen en granaatappels, terwijl het tevens een middelpunt

is van de tapijtindustrie. Te Ab-Bid zagen wij ons plotseling omringd

door een bende Arabieren, die, nadat ze bij ons tevergeefs om geld

hadden aangeklopt, besloten de karavanseraï te plunderen. Twee mannen

kwamen ons dat vertellen en smeekten ons hen te helpen, om hun bezit

terug te krijgen. "Heel graag," was ons antwoord, en het was een waar

genoegen de bandieten te dwingen het gestolene terug te geven. In het

begin trokken ze hun messen, maar het zien van onze revolvers joeg

hun schrik aan en ten slotte gaven ze alles af wat ze gestolen hadden.

Ons volgend kamp lag te Hur, een gehuchtje, waar oorspronkelijk enkele

soldatengezinnen woonden, die daar waren geplaatst om het land te

bewaren voor de invallen en strooptochten der Beloetsjen. Vervolgens

kwamen onze etapen van Gwark en Tejen. Vóór we Khabis bereikten,

ging de weg door den beroemden pas Kar-i-Sjikan of pas van den Dood

der ezels. Een enorme rots sluit hier den weg af, zoodat men alle

lastdieren moet ontlasten en hun lichte vrachten moet laten dragen. Een

weinig dynamiet zou voldoende zijn, om dadelijk dat euvel te verhelpen.

Het stadje Khabis, waar wij toen aankwamen, heeft ongeveer 8000

inwoners; het brengt uitnemende dadels voort, oranjes, henneh, de

veelgebruikte verfstof, en is een druk bezocht winterstation. Het

stadje was vele malen in handen der Afghanen, voor de Kadjaren-dynastie

in Perzië stevig gevestigd was. De reverend A.R. Blackett van de

_Church Missionary Society_, die als predikant en zendeling Khabis in

1900 heeft bezocht, vertelt mij, dat hij er de ruïnen heeft gevonden

van wat waarschijnlijk een christelijke kerk was, onder een groep

gebouwen een mijl ten oosten van de plaats.

Vóór wij te Kirman kwamen, moesten wij nog de Koehpara-keten passeeren

over een hoogen pas; we kampeerden in het dorpje Amarestan en bereikten

den volgenden morgen de Kirman-vlakte. Het aanzien der oude, perzische

stad is niet zeer indrukwekkend, alles is er khaki-kleurig. Langs

enkele tuinen en huizen buiten de muren, traden wij voor 't eerst

Kirman binnen, zonder dat ik vermoedde later zooveel met die stad

uit te staan te zullen krijgen.

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906 · 第 23 / 49 题