M.

Maan. Ook de maan wordt bij de meeste I.-stammen mannelijk gedacht. Bij

vele stammen van Z.-Amerika wordt de maan aansprakelijk gesteld voor

zekere toestanden gedurende het tijdperk, waarin de vrouw kinderen kan

voortbrengen. Vandaar dat zij spreken van „maanziekte”, een onderwerp,

dat de I. met voorliefde in hunne vertellingen behandelen.

De I. spreken van manen, in plaats van maanden, hetgeen ongeveer op

hetzelfde neerkomt, daar een maand de tijd is, waarin de maan een

omloop om de aarde volbrengt.

Maconaura. (Makona-ura) was volgens Dance (D.) een I.-jongen, die

beroemd was om zijn zeldzame bekwaamheid in het visschen. Hij zou de

uitvinder zijn van de Mashwa of Masoewa. (Zie aldaar).

Maipoeri. C.-naam voor Tapir. (Zie aldaar).

Maïs of Turksch koren, in de verhalen in het algemeen koren genoemd.

Deze plant, vermoedelijk uit Mexico afkomstig, wordt zoowel door I. op

hunne kostgronden, als door de N. op hunne grondjes verbouwd. Van de

korrels wordt pap gekookt; de onrijpe, zachte korrels worden gekookt of

geroosterd gegeten. Men maakt er ook taartjes en koekjes van, enz. Door

I. en B. wordt een bijna zwarte maïssoort geteeld.

Makoe. N.E. en C.-naam voor muskieten (Anopheles-soorten), die de

overbrengers zijn van den malaria-parasiet, de grootste plaag der

tropische gewesten.

Makoenaima behoort, evenals zijn tweelingbroeder Pia tot de nationale

helden bij sommige I.-stammen. (Zie bij: Zon). De meening, die bij

sommige schrijvers gevonden wordt, als zou Makoenaima de Groote Geest

zijn, de Schepper van Hemel en Aarde, is door anderen (R. en K.)

weêrlegd.

Malaka = Maraka (zie aldaar). Daar de r en de l bij de N. en, naar het

schijnt, ook bij I. willekeurig verwisseld worden, springen de

schrijvers over deze volken naar willekeur met deze letters om.

Manari. Zeef, voor het zeven van Cassave-meel.

Manja. N.E. naam voor (Mangifera indica L.), een grooten uit O. I.

afkomstigen boom, wiens vruchten een oranjegeel vruchtvleesch en één

groote pit hebben, door een vezelige buitenlaag omgeven. Deze vezels

dringen in het vruchtvleesch door. Er zijn verschillende variëteiten,

wier waarde voor de cultuur afhangt van de grootte van de pit, van de

hoeveelheid vezels in het vleesch en van den geur. De manja is een der

weinige veredelde tropische vruchten.

Marabons. Creoolsche naam voor wesp. De steek van vele M.-soorten is

zeer pijnlijk en kan zelfs gevaarlijk zijn. De opzwelling, door den

steek veroorzaakt, gaat niet zelden met koorts gepaard.

Maraka noemen de A. de tooverrammelaar van den piaiman of

geestenbezweerder. De Creolen noemen dit voor hem onmisbare instrument

shak shak. Het instrument is gemaakt uit een kalebasschaal (van

Crescentia cujete L.) en wordt gevuld met een aantal kleine steentjes,

waaronder liefst een of meer kwartskristallen—voorwerpen, die de I.

bezield denkt en de dragers van verschillende Geesten voorstellen.

Vooral in de steentjes zit de kracht van de Maraka. Het gebruik van

tabakswater, waarmeê de inhoud gedrenkt wordt, is begrijpelijk uit het

geloof aan de aantrekkingskracht, die tabak en tabaksrook op de Geesten

uitoefenen. Kleine gaatjes in de kalebas verhoogen het geluid. Door de

kalebas heen is een stok gestoken, aan het uiteinde met papegaaieveeren

versierd, die levend uit het lichaam van het dier moeten getrokken

zijn.

Maripa-palm. Deze veel op lage terreinen voorkomende palm (Maximiliana

maripa Drude) heeft een merkwaardigen vruchttros, die 2–3 voet lang kan

worden en honderden vruchten bevat, van welke het dunne vruchtvleesch

om de steenharde zaden gegeten wordt. Vooral de groote Ara’s

(Papegaaien) zijn verzot op de zaden.

Maróedi. A. naam voor een aan de fasanten verwant boschhoen (Penelope

jacupeba).

Masoewa. Vierkante of cylindervormige mand van takken en bamboe, met

trechtervormigen ingang, zoodat visschen en kreeften er wel in, maar

niet uit kunnen.

Matta. Groote uit één blok gevormde houten vijzel, in S. algemeen

gebruikt voor het stampen van de S. koffie, om deze van de schil te

ontdoen, voor het stampen van rijst, van bananen (voor de bereiding van

tontom. (Z. a.) enz.)

Moetitté. Open korf of zak, gevlochten uit de bladeren van den

Pina-palm of van andere palmsoorten, en waarin de I. vruchten enz.

dragen. Aan een katoenen band of baststrook van den Oeman barklak (Zie:

Winnamoroe), die om het voorhoofd loopt, dragen zij de korf op den rug.

De gesloten korven der N. heeten eveneens moetitté.

Mopé. Zie: Pruim.

Mora of Peto, is een tot 45 M. hooge, tot de Vlinderbloemigen

behoorende boom (Dimorphandra exelsa Baill.), die in het W. deel van S.

op leemgronden langs de oevers van den Middenloop der rivieren in

groote complexen voorkomt en een waardevol timmerhout oplevert.

Morokot is een smakelijke riviervisch (Myletes pacu Schomb.), door de

C. Pakoe genoemd en die bij de watervallen niet zeldzaam is.

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 163 / 174 题