B.

Baboen. N.E. voor Brulaap (Mycetes seniculus). De C. noemen deze

schreeuwer der wouden van G. Aloeatta, de A. Atoeli. Het vervaarlijk

gebrul, dat de baboen, vooral in het vroege morgenuur, laat hooren,

wordt teweeggebracht door een zakvormige holte aan het strottenhoofd,

die gesteund wordt door een balonvormige uitbreiding van het tongbeen.

Het oude mannetje, dat het gebrul inleidt en aanvoert, noemen de N. de

dominee. (Zie C. b., waar een afb. van deze klankbodem voorkomt).

Baboenland. De voorstelling, die in No. 11 van de I.-serie door deze

voortreffelijke natuurwaarnemers van het Baboenland hoog in de boomen

van het oerwoud, gegeven wordt, is begrijpelijk voor wien het

familieleven van een troep brulapen op een hoogen boom aan den oever

van een der Surinaamsche rivieren heeft mogen gadeslaan (C. b.).

Bacove. Zie bij Banaan.

Bactris. Geslacht van Palmen, waarvan de stam met lange, gemakkelijk

loslatende stekels bedekt is. B. minax, Miq., de Kiskissi makà der N.,

heeft blauwzwarte vruchten, die gegeten worden.

Bajadoe. A. naam voor duizendpoot (Z. a.).

Bakkeljauw. Amerikaansche gedroogde visch.

Bakróe. Soort geest, die gezegd wordt in een dwerg te huizen. Deze kan

ook den vorm van dieren aannemen en tijdelijk in levenlooze voorwerpen

zijn verblijf opslaan. De bakróe, waaraan ziekten en allerlei

ongemakken toegeschreven worden, kan, zoo gelooft men, alleen door de

Wisiman (Z. a.) uitgedreven worden. De Bakróe neemt in het

neger-bijgeloof een belangrijke plaats in. (Zie verder: Encyclopedie v.

W. I. en P. b.).

Banab. Tijdelijke hut, die de I. bouwen tot bescherming gedurende den

nacht.

Banaan of Pisang, is een var. v. Musa paradisiaca. De vrucht heeft een

hoog zetmeelgehalte en vertoont vele variaties, die met bepaalde namen

worden aangeduid. De I. planten op hunne kostgronden bananen aan; hun

gerecht, dat tom-tom heet, wordt uit bananen bereid.

Bananenbek. Het geslacht Cassicus telt onder de vogelfauna van G.

meerdere soorten, die verwant zijn aan de prachtig gekleurde

troepialen, en door zijn voorkomen in groote troepen er onze spreeuwen

vervangen. De meest bekende is C. decumanus, wier buidelvormige nesten

bij menigte aan de boomen hangen.

Banja. Negerdans, waarbij eertijds het Afrikaansche snareninstrument,

de kwakwabanja begeleidde. Oorspronkelijk had deze dans een

godsdienstig karakter (vereering der voorouders); alle deelen van het

lichaam doen daarbij meê, en volgen de muziek, hoe snel het tempo ook

is. (C. a., bij den dans der B.).

Barbakotten is het drogen, rooken en roosteren van vleesch en visch,

meestal boven een houten rooster of stellage, om het te kunnen bewaren.

Als het vleesch iederen avond op nieuw gebarbakot wordt, blijft het

lang goed. Naar Dr. Brinton zou het woord (in Eng. G. als babrakot

uitgesproken) ontleend zijn aan de taal van de oorspronkelijke bewoners

der Antillen.

Bastiaan. Negeropzichter op een plantage in den slaventijd.

Beltiri, ook wel Sakoerá genoemd, is een taaie, vaste massa, uit

gebrande Cassave (Z. a.) bereid, soms ook uit verschillende palmzaden.

De I. hebben op reis steeds beltiri bij zich, om het in het drinkwater

op te lossen.

Bijl. Zie: steenen bijl.

Bittere Cassave. Zie: Cassave.

Boa. Zie: Camoedi.

Boschrat. Onder dezen naam worden verschillende dieren der fauna van G.

verstaan. De eigenlijke boschrat schijnt een aan het tamme Guineesche

biggetje (ook uit Amerika herkomstig) verwante knaagdiersoort te zijn

(Cavia aperea Erxl.), die in Z.-Amerika inheemsch is. Eigenlijke ratten

worden ook wel eens boschratten genoemd en ten slotte ook de Awari (Z.

a.).

Boschvarkens. Zie Piengo en Pakira.

Broodboom, ook Otaheite, in het N.E. Njamsi-brédebon genoemd, behoort

tot het geslacht Artocarpus der Moraceae. Deze boom (A. incisa L.)

heeft groote, tot de helft ingesneden bladeren, en een verzamelvrucht

van de grootte van een menschenhoofd, waarvan het vleesch de

voedingswaarde van brood heeft, zoodat drie boomen voldoende zijn om

een mensch te voeden. De boom werd in 1792 uit Tahiti naar Jamaica

overgebracht, van waar hij zich naar andere tropische landen verspreid

heeft. A. integrifolia heeft een met stekels bezette vrucht en wordt

kastanje-broodboom genoemd. Verschillende legenden zijn van den Br. in

omloop.

Zie ook Dokóen.

Bruinvisch. Deze vischachtige zoogdieren zwemmen, evenals dolfijnen en

zeekoeien, niet zelden van uit de zee de rivieren van G. op en hebben

aanleiding gegeven tot het geloof aan watergeesten en waternimfen,

zoowel bij I. als B. algemeen.

Brulaap. Zie: Babóen.

Bunia-vogel. Groote giersoort, tot het geslacht Ostinops behoorend.

Volgens de C. hebben luchtwortels van een epiphiet (Clusia grandiflora)

hun ontstaan te danken aan dezen vogel, die, rustend in den boom,

waarop deze plant zich heeft vastgehecht, zijn uitwerpselen laat

vallen, waarna deze in hout veranderd zijn. In deze en andere

giersoorten kunnen, volgens de meening van verschillende

Indianenstammen, boschgeesten hun verblijf opslaan en in dien toestand

als Kenaima’s (Z. a.) optreden.

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 152 / 174 题