„In Afrika heerschte er hongersnood. Ook de dieren konden geen voedsel
vinden, want tengevolge van langdurige droogte was het gras
verschroeid, waren de planten verdord.
In die troostelooze wereld ontmoette Spin op zekeren dag Olifant. „Wel!
Hoe gaat het?” vroeg Spin. „Niet best”, antwoordde Olifant. „Maar, wat
ik zeggen wil, hoe kom jij aan den kost? Ik heb al in dagen niets
gegeten”.
Spin, die niets bezat en van den honger rammelde, wilde dit echter niet
laten blijken en zei dus: „Het is waar, alles ziet er dor en dood uit,
maar ik zal spoedig wel een gelegenheid vinden, om mij en mijn gezin
rijkelijk van voedsel te voorzien”. „Als je dus een plaats vind”—liet
Olifant er op volgen, „verzuim dan niet, mij dadelijk te roepen”.
Spin beloofde dit op zijn woord van waarachtig. „Het gaat mij aan het
hart, je zoo mager te zien” zei Spin, „je wordt met den dag kleiner.
Vroeger was je zoo reusachtig groot en dik en nu ben je haast van mijn
postuur. Je ziet er uit, of je te veel drinkt. Ik geloof stellig, dat
ik in staat ben, je van den wal in de rivier te trekken”.
Olifant begreep niet, dat Spin hem een poets wilde bakken en het op
zijn leven gemunt had; de goede slungel ging daarom gaarne op de
uitdaging van Spin in en riep uit: „Ik zal je toonen, wie sterker is;
kom maar op!”
„Goed”, zei Spin, „we zullen touwtrekken en ik zal voor een mooi, dik
touw zorgen”.
Hij ging nu naar het bosch op zoek naar een liaan*, een boschtouw, en
vond er al spoedig een, zoo dik als een krokodillenkop. Hij sneed dit
af en bracht het naar den rivieroever. Daar keek hij uit naar vriend
Hippopotamus*, en toen hij dezen zwemmende ontdekte, riep hij hem toe:
„Wedden, dat ik sterker ben dan jij en je uit het water trek?”
Hippopotamus begon te lachen en antwoordde: „Wat een bluffer ben je
toch; je bent immers veel te klein voor zoo iets. Met mijn kleinen teen
[373] trek ik jou met gemak van den kant in de rivier”.
„Best”, zei Spin. „We zullen zien. Wanneer zullen we de proef nemen?”
„Morgen ochtend”, riep Hippopotamus terug.
„Afgesproken”, riep Spin, „ik zal het trektouw wel meêbrengen”.
Spin liep daarop het bosch in naar Olifant en maakte met hem dezelfde
afspraak voor den volgenden morgen.
De beide groote dieren hadden in het minst geen vermoeden, dat zij
tegen elkaar zouden moeten trekken.
Spin stond op de afgesproken plaats en was met het boschtouw gereed,
bond het eene einde daarvan om Olifant, het andere om Hippopotamus, en
zorgde dat zij elkander niet konden zien. Toen hij nu zoover gereed
was, riep hij de dieren, die met de koppen van elkander afgewend
stonden, toe: „houd je gereed; ik begin nu te trekken!”
Spin plaatste zich nu in het midden van het touw, deed er een ruk aan
en kroop toen achter een boom weg.
De twee reusachtig sterke dieren begonnen nu met alle macht te trekken.
Zij trokken en rukten, tot zij bijna niet meer konden. Spin vuurde hen
voortdurend aan met zijn geschreeuw. Geen van beiden wilde het opgeven
en zij trokken zóó lang, tot zij buiten adem waren. Hun ijdelheid
belette hen te erkennen, dat Spin de sterkere was.
Maar de ijdelheid werd hen noodlottig, want na lang worstelen, vielen
zij beiden dood neêr”.— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
Woorden alleen kunnen geen juisten indruk geven van de werkelijkheid.
Sobah wist dezen ook niet bij zijn schildering van den wonderlijken
strijd teweeg te brengen, want, geheel medelevend met de toenemende
spanning van het verhaal, was hij overeind gaan staan, en ging hij nu
zóó geheel op in den strijd, dien hij schilderde, dat hij door toon,
blik en gebaar op ieder moment van den verschrikkelijken strijd
reageerde, totdat hij bij het van vermoeienis dood neêrvallen der beide
strijders eveneens op zijn zitbank uitgeput neêrzonk.
Het was een zeldzaam stukje ongeoefende welsprekendheid. De lange
pauze, die de verteller op den dood der beide groote dieren liet
volgen, was noodig om de gespannen aandacht weder te vestigen op het
slot van het verhaal. Daarna ging hij tot een zachter stemming over,
toen hij aldus vervolgde:
„Spin was in zijn nopjes, toen hij de dieren zag bezwijken, en hij riep
uit: „Jullie heeten sterker dan ik, maar dat is mis hoor! Ik ben
sterker, omdat ik meer verstand heb”. [374] Toen nam hij de dieren op
en bracht ze een voor een naar een veilige plaats”.
Dit was een wonderbaarlijk heldenfeit, zelfs voor Heer Spin zelf, en
Sobah wierp een blik uit een zijner ooghoeken, om te zien, hoe dit feit
door zijn toehoorders ontvangen was geworden. Op hun gelaat stond
duidelijk te lezen: „hoe kan dat? Zoo’n kleine spin kan toch geen
olifant dragen!” De verteller had echter zijn antwoord dadelijk gereed
en zei:
„Toch is het zoo! Spin is te lui om te werken; de lichtste taak valt
hem zwaar, maar geroofd voedsel kan hij altijd tillen. Spin droeg dus
de dieren naar een plaats, waar hij ze kon villen en in stukken hakken.
Hij liet nu dieren aanrukken, om hem bij te staan en het vleesch naar
huis te brengen. Zijn helpers beloonde hij op keurige wijze met afval
van Olifant en Spin en zijn gezin leefden nu rijkelijk van het door
list verkregen voedsel, totdat de hongersnood langzamerhand uit het
land verdwenen was”.
„Vóór dien tijd”, moeten jelui weten, „leefden er nog geen visschen in
het water. Toen Spin zijn gedoode dieren had afgehakt en het vleesch
had weggedragen, wierp hij de rest van den afval in de rivier en ziet,
toen kwamen er visschen te voorschijn. Zoo is dus Spin eigenlijk de
schepper der visschen geworden, en zoo heeft alles wat visch eet, veel
aan hem te danken”. [375]
Deze geheel nieuwe verklaring van den oorsprong der in het water zoo
overvloedig voorkomende dieren, scheen voor het kinderlijke brein der
zwarte bootslieden niet zoo heel ongeloofelijk. Het water rondom hun
boot wemelde op dat oogenblik van visschen, [376] en als Spin ze niet
had voortgebracht, wie had het dan gedaan?
Hobahky, voor wiens neus de geur van een dampenden vischpot een
heerlijkheid was, uitte dadelijk zijn gevoelens met: „Spin, goed man
is; hij gemaakt heeft visch, en wij kan eet die!”
Oleemah was geneigd, geloof te schenken aan het verhaal van Spin, en
vereerde in stilte zijn Held, die door zijn behendigheid en list voor
zich en zijn familie gedurende den hongersnood aan eten had weten te
komen.
In dien tusschentijd was de wind verminderd, en naar een gunstiger kant
gedraaid. De wolken, die de maan in den vroegen avond verduisterd
hadden, waren opgetrokken. De volle maan verspreidde zijn zilveren
glans over het water en Sobah, die met zijn geoefend oog den toestand
van weêr en water had geïnspecteerd, besliste, dat het oogenblik nu
gunstig was, om de reis voort te zetten.
De kleine mast werd nu omhoog gezet, het zeil geheschen en onmiddellijk
daarop joegen de mannen voort in de richting van Freetown, hunne
gedachten aan Spin voor minder inspannende uren bewarende.