in Sierra Leone
naar Florence M. Cronise en Henry W. Ward.
Sobah was een geboren handelsman en als zoodanig het type van zijn
stamgenooten, wier meest op den voorgrond tredende eigenschappen
koopmansgeest was.
Dikwijls had hij ver het land in tochten gemaakt, om waren te
verhandelen en hij had ook nu en dan een bootlading met produkten naar
de markt van Freetown [368] gebracht. Heden kwam de handelsman weêr bij
hem te voorschijn. Nadat hij zich van een zestal mannen voor den
boottocht had verzekerd, besteedde hij den dag om zijn waren bijeen te
brengen en in de boot te laden.
De lading bestond uit manden met rijst, palmolie, peper, kolanoten*,
kleedingstukken van het land, rubber en ivoor. Een witte vogel werd
voor in de boot geplaatst, in de vaste overtuiging, dat diens
tegenwoordigheid een voorspoedige reis zou kunnen verzekeren.
Laat in den namiddag, kort voordat de vloed voor eb plaats maakte en de
stroom meê werd, stak de boot van wal en namen de zes sterke
bootslieden de riemen op, om, den ganschen nacht doorroeiende, de
riviermonding te bereiken. Spoedig bewogen zij hunne riemen in
regelmatigen slag en door de eentonige melodie van het roeilied schenen
de boot, de stroom, de voor- en achterwaartsche bewegingen der
lichamen, en de slag der riemen tot een onafscheidelijke harmonie van
geluid en beweging samen te smelten.
Wanneer deze eenvoudige zielen evenzoo op de schoone en verheven
natuurtafereelen konden reageeren [369], als zij het doen op de
rythmische bewegingen en de melodieën van het bootgezang, zouden zij
zeker door het panorama zijn aangegrepen, dat bij een plotselinge
rivierbocht in het gezicht kwam.
Groote mangrove-boomen*, die aan beide oevers naar de rivierzijde
heenbogen, strengelden hunne stammen, gedragen door hunne op stelten
gelijkende luchtwortels, hier en daar tot een hoog gewelf boven den
stroom. Laag kreupelhout vulde overal de tusschenruimten op. Op touwen
gelijkende lianen kropen door alles heen, boomen en struiken in rijken
overdaad verstrikkend of in sierlijke guirlandes uit het groen van de
takken der boomen omlaag hangend.
Waterlelies vormden langs den oever een dichte massa, landwaarts in een
verrukkelijke varen-vegetatie overgaande. Uit de donkergroene massa op
de zandbanken in de rivier verhief zich het schitterende karmozijnrood
van het jonge gebladerte, dat op bloemen geleek, die de takuiteinden
kroonden. Elders ontplooide zich een wereld van bladeren, eindeloos
verschillend in vorm en tint, die soms aan bloemen deden denken.
Vogels, met de schitterendste kleuren getooid, zweefden hier en daar
tusschen de boomen; apen snapten en kijfden, terwijl hunne slanke
lichamen zich op hooge rietstengels in evenwicht hielden of uitgestrekt
lagen op een bed van mos. Krokodillen koesterden zich vadzig in de
avondzon.
Van de kromming de rivier benedenwaarts beschouwende, geleek de stroom
wel een onafgebroken laan van groen, waartusschen zich hier en daar
slechts een tikje kleur vertoonde. Wanneer de onheilspellende gedachte
aan de tegenwoordigheid van slangen en krokodillen niet onaangenaam had
gestemd, zou deze plek een stukje tooverland kunnen geweest zijn, zóó
stil en zóó eenzaam, alsof geen menschelijk wezen ooit deze heiligheid
had betreden. Het was voor den ontwikkelden sterveling een plek, om in
stille vereering te blijven wijlen bij den Geest der Oneindigheid.
Maar onze zwarte roeiers in hunne primitieve kleeding hadden nu geen
oog voor al de schoonheid, die zich hier ten toon spreidde, geen ziel
om in trilling te geraken tegenover dit geheiligde natuurtafereel. Hun
gemoed was te veel vervuld van vrees en bijgeloovigen angst. Voor hun
verduisterden geest scheen het een plek te zijn, waar onzichtbare,
booze geesten bij voorkeur ronddolen.
Een krokodil schoot met een zachten plons in het water, en verdween uit
het gezicht. De zon daalde in het Westen neêr en wierp onheilspellende
schaduwen in het dichte gebladerte. De bootslieden werden van een
naamlooze vrees vervuld; hun gezang [370], zoo lang volgehouden, stierf
eindelijk geheel weg, en terwijl zij een zilverstuk in het water
wierpen, om den Geest van de rivier gunstig te stemmen [371], lichtten
zij de riemen uit het water, opdat het geluid, dat deze maakten, den
Geest van deze plek niet zou verontrusten. Daarop lieten zij zich te
midden eener ademlooze stilte door den stroom meêvoeren, totdat de boot
verderop breeder water had bereikt. Toen weêr vrijer ademend, gingen
zij met roeien voort, eerst langzaam, doch daarna met steeds toenemende
kracht, totdat het geluid der riemen met de echo van het bootgezang
volkomen harmonieerde.
Terwijl bij de eerste teekenen van den aanbrekenden dag de zandbanken
aan de riviermonding bereikt waren, maakte een sterke zeebries het
onmogelijk vooruit te komen, zoodat het gezelschap zich genoodzaakt
zag, voor onbepaalden tijd te stoppen.
Vermoeid van het roeien, den langen nacht door, bereidden zij zich twee
aan twee in minder gemakkelijke houding tot den slaap voor, waaruit zij
eerst na vele uren ontwaakten. Op de met steenen bedekte plaats vóór in
de boot werd nu een vuur aangelegd, en daarop een overvloedige
hoeveelheid rijst en visch gereed gemaakt. Nadat zij zich nu allen om
den grooten rijstpot hadden neêrgezet, begonnen zij het eten in zulke
groote hoeveelheden naar binnen te werken, als slechts een negermaag
kan bevatten.
Gedurende het geheele verdere deel van den dag bleef de zeebries met
slechts een kleine vermindering voortduren, zoodat het hun duidelijk
werd, dat ook de nacht rustend zou moeten worden doorgebracht, alvorens
de reis kon worden hervat. Het avondeten was een herhaling van den
morgen, de hoeveelheid niet uitgezonderd, en toen zij daarmede gereed
waren, hielden zij zich op hunne eigene bijzondere wijze bezig.
De volle maag bracht een beminnelijke gemoedsstemming te weeg, en de
toenemende schaduwen van den avond wekten bij het volk een gevoel van
saamhoorigheid en gezelligheid op, die de tongen losmaakt. Het uur was
nu gunstig voor vertellingen: het lichaam was in rust, men verzuimde
niets en de nachtelijke duisternis dreef den geest daar vanzelf heen.
In zulke omstandigheden waren vertellingen onvermijdelijk, en er was
slechts een ingeving voor noodig, om er meê te beginnen.
De buitengewone ruimte, die Dogbah tot zijn beschikking had, om zooveel
rijst te kunnen bergen, waarvan hij kort tevoren bij het avondeten
blijk had gegeven, was een ongezochte aanleiding, om een korte grap te
maken, waarover allen, het slachtoffer inbegrepen, hartelijk moesten
lachen.
Onwillekeurig bracht dit Sobah den ontzettenden eetlust van Heer Spin
in de gedachte, de personificatie van de deugden van den Neger, maar
ook van zijn ondeugden. Met een guitige flikkering in zijn oog en met
een veelzeggende schokschoudering nam Sobah een meer bevelende houding
aan, om zich voor zijn vertelling voor te bereiden.
De mannen, gewoon, om de helft hunner gesprekken door meer of minder
geheime teekens te voeren, begrepen dadelijk, wat er komen ging, en
zetten zich in luisterende houdingen neêr.
De vertelling was vol leven en beweging, en bracht spoedig zoowel den
verteller als de luisteraars in de stemming, die de vertelavonden, nog
beter vertelnachten bij de negers kenmerkten.
Nadat Sobah een tweetal vertellingen had gedaan, waarnaar de mannen met
aandacht geluisterd hadden, en die hen herhaaldelijk in onbedaarlijke
lachbuien hadden doen uitbarsten, begon hij in zijn geheugen naar een
of anderen daad van vriend Spin te zoeken, waardoor de weinig eervolle
rol, die deze kleine held in de beide vertellingen had gespeeld,
eenigzins zou kunnen worden goedgemaakt.
Met een „Wel! Spin, sterke kerel!” beantwoordde hij eenigzins vinnig
een minachtende opmerking van Dogbah, en als protest tegen diens
uitdagende bewering, begon hij het wonderbaarlijke heldenfeit van Heer
Spin te vertellen bij een wedstrijd in sterkte tusschen Olifant en
Hippopotamus [372]: