NO. 20. ANANSI, HERT EN KIKVORSCH.

Hert en Kikvorsch waren vrienden. Zij gingen wel eens samen uit, doch

niet dikwijls.

Eens toen Hert in een weelderig woud aan het eten was, kwam vriend

Kikvorsch uit zijn poel, groette zijn vriend, vroeg naar zijn

gezondheid en waar hij heen ging.

„Waarom vraag je me dat?”

„Wel, ik verga van honger en wilde eens gaan uitzien; misschien zouden

we samen wat versch vleesch kunnen vinden”.

„Hm!”

„Kijk.... kijk.... daar.... een.... ee.... een.... sch..... schaap,”

stotterde Kikvorsch en stelde zijn vriend voor, het te slachten.

„Ik wil niets met jou te maken hebben, je mond kan nooit stilstaan”.

„Wat.... wat.... zeg je?”

„Wat of ik zeg. Heb je me niet gehoord? Zit er nog water in je ooren?”

„Ik ben toch niet gek! Denk je soms, dat ik me zou verraden en jou er

bij? Neen, hoor, dan ken je me niet”.

Kikvorsch haalde Hert over en samen slachtten zij het schaap.

„Nu opgepast, hoor”.

„Ja”, antwoordde tódo. [288]

Zij liepen samen verder en ontmoetten heer Spin.

Deze was zeer verheugd, zijn vrienden te zien en noodigde hen uit, om

de wijd en zijd bekende ’Ma Akoeba [289] te gaan begroeten.

In de woning van heer Spin gekomen, verzocht Kikvorsch hem om wat

water.

„Wat ruiken jullie lekker; het schijnt, dat de heeren gesmuld hebben”,

zei Spin.

„Wel neen, màti Anansi” [290] antwoordde Hert.

Kikvorsch keek zijn vriend aan, terwijl zijn mond slechts open en dicht

ging volgens gewoonte.

„Wat scheelt je, vriend?”

Spin viel hem in de rede met:

„Misschien wil hij wat zeggen”.

„Neen hij heeft dorst, daarom slaat zijn mond zoo”.

Zoo trachtte vriend Hert het te plooien.

„Neen, neen, hij heeft wat op het geweten, ik zie het aan zijn

gezicht... Kijk, hij wordt bleek!”

Hert begreep, dat alles nu verloren was.

„Man, wat scheelt je toch, ben je gek? Waarom sla je je bek als een

dolle gans?”

„Waarom word je toch kwaad? Ik sla mijn bek, pah.... pah.... pah....

maar ik zeg immers niet, dat we het schaap geslacht hebben”.

„Heb ik het niet gezegd”, riep Spin uit.

Hij gaf Kikvorsch wat water en joeg hem op staanden voet weg.

Tódo vluchtte naar een afgelegen plek. Van dien tijd af houdt hij zich

steeds schuil, uit angst voor heer Spin. Heeft hij honger, dan kwaakt

hij, doch vinden kan men hem niet.

Hert wilde ook wegloopen, maar helaas! Zijn gewei bleef in het web

vastzitten. Hij werd gevangen genomen en in een hok gezet. En van toen

af is dia [291] zoo bang voor de dieren en voor de menschen.

Dit alles is de schuld van heer Spin.

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 97 / 174 题