Heer Spin was bevriend met de ratten, zegt het verhaal. Dagelijks kwam
hij hen bezoeken, om zijn koeroe-koeroe* te laten vullen met hetgeen
zij gestolen hadden. Dit beviel hem uitermate en hij tapte dan ook
geregeld moppen met zijn nieuwe vrienden.
Eens vertelde hij hen, dat hij een kennis had, Ba’ Pina [262] genoemd,
die mooi zong en goed musiceerde. „O, ge moet hem hooren zingen, het is
wel de moeite waard”.
Indien de heeren er niets tegen hebben, zal ik hem eens meebrengen, dan
zal er gedanst moeten worden”.
De ratten keurden het goed.
„Wanneer komt hij dan?”
„Dat mag ik niet beslissen”.
„Breng hem dan meê, als je morgen komt; we zullen zorgen, dat er een
paar dames zijn; wat zullen we een pret maken, jongens!”
Spin ging weg, om met Ba’ Pina te spreken; en deze wilde terstond
meêgaan.
„Neen vriend, wacht tot morgen, dan gaan we samen; en, denk er aan, dat
je dadelijk begint te zingen, als we daar zijn”.
„Zingen? Wat bedoel je daarmede?”
„Wel, miauwen, en een gunstig oogenblik afwachten om aan te vallen, we
deelen eerlijk den buit natuurlijk!”
„Zonder twijfel, vriend”.
„Ze hebben me wel altijd goed onthaald, maar.... ik heb vleesch
noodig”.
„Je neemt toch een korf mede?”
„Ja zeker, en ik zal er jou inzetten, als we aankomen”.
„Wat is dat? Moet ik in jouw korf”.
„Wel, zeker!”
„En waarom?”
„Dwaas, je begrijpt toch wel, dat ze allen wegloopen als zij je aan
zien komen. Daarbij, je bent me veel te voorbarig. Luister naar mij, je
zult er zelf de goede gevolgen van zien. Vragen ze naar je naam, dan
zeg je: Ba’ Pina, niets anders. Dus opgepast”.
„Moet ik niet wat meenemen? Ik heb een moetitte*. Zou deze in je korf
kunnen?” vroeg Ba’ Pina.
Den volgenden morgen ging heer Spin op het gewone uur weg, vond Ba’
Pina en liet hem plaats nemen in zijn koeroe-koeroe.
„Goeden morgen, dames en heeren!”
„Goeden morgen, broeder! Je hebt ons goed voor den gek gehouden, waar
is jouw muzikant”.
„Hij wilde eerst niet meê komen, daar zijn voeten ziek zijn”.
„Hij maakt immers geen muziek met zijn voeten. Had hem maar
meêgenomen”, riepen de ratten.
„Hij is ook gekomen”.
„Waar is hij, ik zie hem niet”, vroeg een jonge rat.
Spin haalde Ba’ Pina voorzichtig uit den korf. Hij begon te miauwen en
alle ratten dansten om hem heen. Een oude rat, die zijn staart in een
val verloren had, sprak:
„Ik vertrouw dien muzikant even weinig als Spin; hij is heden hier
gekomen met een agasi* waarschijnlijk om er ons in te doen. Houdt hem
in ’t oog, want hij maakt U allen van kant. Ik heb hem meermalen
gezien; sluit hij zijn oogen, dan kunt ge op den dood rekenen”.
De andere ratten luisterden niet en voegden hem toe:
„Je spreekt zoo, omdat je niet meê kunt doen; het is onze schuld toch
niet, dat jij aan jicht lijdt. Kan je niet dansen, ga dan weg!”
„Eén uur van onbedachtzaamheid kan maken, dat men jaren schreit! Weest
voorzichtig met Ba’ Pina; hij zal jelui gauw genoeg opspelden!”
„Ga weg, oud wijf! alles wat je zegt, zeg je uit nijd; het is niets dan
nijd!”
De oude rat ging weg. Ba’ Pina begon weêr te zingen en wachtte
ongeduldig op een teeken van anansi, om een aanval te doen. Toen hij
luider begon te miauwen, kwamen uit alle hoeken en gaten de ratten te
voorschijn, om deel te nemen aan de danspartij.
Ba’ Pina hield het niet langer uit, sprong tusschen de aanwezige ratten
en doodde het grootste deel.
„Goed zoo”, zei Spin, „dat heb je netjes gedaan!”
Heer Spin vulde zijn korf; Ba’ Pina at zich zat en vertrok. Waarheen
wordt echter niet verteld.
Anansi bezweek haast onder den last en thuis gekomen, droogde hij de
ratten, waardoor hij weêr voedsel had voor een heel jaar.
„Heb ik niet gelijk gehad?” vroeg de oude rat.
„Ja”, riepen de overgeblevenen, en voortaan gelooven zij wat hij zegt.
Heer Spin durfde nooit meer bij zijne vrienden terug te keeren.