Foenkete! Foenkete! [244]

„Er is niemand hier,” zei de duivel.

„Ben ik dan niemand?” vroeg het jonge meisje.

„Ja, ik ben hier,” antwoordde de jongeling.

„Wat doe je hier?”

„Ik kom mijn vader halen”.

De duivel slikte hem in, maar hij kwam weêr ongedeerd te voorschijn.

Zoo deed hij verschillende malen, maar zonder gevolg. Toen nam hij een

langen ijzeren staaf, maakte hem gloeiend heet, en stak hem daarna in

het lichaam van den jongeling, maar ook nu stierf hij niet.

De duivel vroeg hem:

„Slaap je?”

„Neen”.

„Waarom niet?”

„Die pokken doen pijn, ik kan niet slapen”.

Heer Spin, de medewerker des duivels, gaf hem den raad, den jongeling

een slaapmiddel te geven. „Maar, wees voorzichtig”, vermaande hij,

„want, als het lichaam slaapt, waakt de ziel”.

„Heb jij dan een ziel, anansi?”

Didibri vroeg toen den jongen man: „Wat zal ik je geven?”

„Mijne moeder gaf mij soep van keisteenen, dat was het eenige middel”.

De duivel ging toen voor kok spelen, maar de keisteenen wilden niet

zacht worden.

„Ga naar het strand,” beval heer Spin zijn schoonbroêr, „ik zal je wel

daarheen brengen”.

„Jij hem brengen?” vroeg de duivel.

„Ik zal er voor zorgen”.

„Goed, ik reken er op”.

Den volgenden morgen ried anansi zijn schoonbroêr aan, in het belang

van zijn gezondheid een bad te gaan nemen, daar hij anders wel nooit

zou genezen.

Spin ging met list te werk, daar hij, noch de duivel er in slaagde, den

jongeman te dooden.

„Goed, zwager, maar wees voorzichtig met mij, denk niet, dat ik je

vrouw ben, en dat je me zal kunnen dooden”.

„Maar, zwager, je kent me toch”.

„Nu, en of ik je ken”.

Zij gingen naar het water en heer Spin begon te zingen:

Foenkete! Foenkete!

De duivel kwam uit het water, slikte den jongeling in, maar hij kwam er

weêr levend uit.

„Nu vermoord ik jelui beiden, jou en Spin”.

„Neen, Mijnheer! Ik heb toch niets gedaan. Heer Spin heeft mij een nimf

aangeboden, en ik heb haar gekocht”.

„Waar is mijn vader?”

„Hij is dood”.

„Daarom zal ik je dooden”.

„Ik zal je vader het leven teruggeven”.

„Ik zal het zelf doen”.

Heer Spin beefde van angst.

De duivel slikte den jongeling weêr in, maar deze doorstak hem met een

speer.

Heer Spin zweefde over het water en zette zich op een boom. De

jongeling vervolgde hem; maar Spin sprong naar beneden en maakte zich

uit de voeten.

Toen ging de jongeman zijn zuster bevrijden en zijn vader het leven

teruggeven, waarna zij samen in hun land terugkeerden.

Heer Spin durfde zich niet meer te vertoonen en sedert dien tijd heeft

hij zijn intrek in reten en hoeken genomen.

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 73 / 174 题