en doodde daarop den vorst. Hij begroef hem achter zijn woning en
stelde den dood der prinses uit, daar hij niet meer dan één persoon per
dag mocht doen sterven.
Heer Spin stelde voor, den koning op te eten, maar de duivel wilde er
niet van hooren.
Het meisje had een broêr, van wien zij niets hield en dien zij zooveel
mogelijk vermeed. Deze jonge man leed aan framboesia tropica* en
onttrok zich aan ieders oogen. Hij was zeer ervaren in het tooveren en
bezat formulieren, die elke menschelijke kunst te boven gingen. Toen
hij vernam, dat zijn vader door zijn schoonzoon gedood was, dacht hij
bij zich zelf:
„Bloed moet door bloed gewroken worden; oog om oog, tand om tand”, en
hij zocht dadelijk Spin op.
„Waarde zwager, waar is mijn vader?”
„Wie is jouw vader?”
„Jouw schoonvader!”
„Schoonvader?” Spin haalde de schouders op.
„Houd me niet voor den gek, want ik vermoord je!”
„Ga naar het naburige huis, je vader is er op bezoek”.
„Goed”.
„De jongeman kwam in de hel. In de verte zag hij den duivel aankomen,
waarop hij zich achter zijn zuster verschool.
Didibri kwam thuis. Anansi zong hem toe: