NO. 30. DE KOLIBRI, DIE TABAK BRENGT AAN DEN EERSTEN PIAIMAN. (W.)

Heel lang had een man reeds met zijn vrouw samengeleefd; zij was zeer

bekwaam in het vervaardigen van hangmatten, maar één ding beviel hem

niet in haar: zij schonk hem maar geen kinderen. Hij besloot daarom, er

een tweede vrouw bij te nemen ... en hij was nu gelukkig, want in den

kortst mogelijken tijd schonk deze hem een jongen. Het kind,

Koeroesiwari geheeten, groeide vlug op, en terwijl de stiefmoeder bezig

was, haar hangmatten te maken, gebeurde het dikwijls, dat de jongen,

die om haar heen aan het spelen was, aan het koord ging hangen,

waardoor het de noodige spanning verloor.

De oude vrouw liet dezen kleinen last eenigen tijd toe, maar eens op

een dag, toen de jongen ondeugender was dan ooit, zei zij: „ga weg, en

speel ergens anders”. De jongen gehoorzaamde, verwijderde zich, maar

kwam gauw weêr aangedribbeld en trok weêr aan het koord. De vrouw werd

nu boos, duwde den jongen op zij; maar zij deed het wat hardhandig,

zoodat de jongen viel en begon te schreien.

Niemand sloeg acht op dit voorval, en niemand zag het kind de hut

uitdribbelen ... de eigen vader en moeder ook niet, die maar steeds in

de hangmat lagen. Het was nu al laat op den dag, toen men merkte, dat

het kind verdwenen was. Zijn ouders kwamen nu te voorschijn en toen zij

overal begonnen te zoeken, vonden ze eindelijk hun kind spelende in een

naburige hut met andere kinderen. Hier legden zij uit, waarom zij

gekomen waren en al sprekende, kwamen zij van het eene in het andere,

en geraakten zij in een zóó levendig gesprek, dat zij geheel en al

vergaten, waarom zij gekomen waren; toen ze eindelijk met redeneeren

ophielden, bemerkten zij, dat niet alleen hun eigen kind, Koeroesiwari,

maar ook Matoe-wari, het kind van hun buren, verdwenen was.

De ouders van beide kinderen gingen nu aan het zoeken en vonden hen

eindelijk, toen zij een der naburige hutten binnentraden, druk spelende

met een ander kind, Káwai-wari genoemd. Hetzelfde, wat in de andere hut

was voorgevallen, herhaalde zich nu; met hun zessen ouders der drie

weggeloopen kinderen geraakten zij in zóó druk gesprek, dat zij niet

eens bemerkten, toen zij uitgepraat waren, dat alle drie de kinderen

verdwenen waren.

De zes ouders begonnen nu hun drie kinderen te zoeken, maar aan het

einde van den eersten dag staakte het derde ouderenpaar het onderzoek,

terwijl aan het einde van den tweeden dag ook het tweede paar het

opgaf. In dien tusschentijd waren de drie kinderen het bosch ingegaan,

en waren er zeer bevriend geworden met de Marabons*, die in die tijden

spreken konden en nog niet staken. Deze kinderen zijn het geweest, die

aan de zwarte soorten leerden, hoe ze steken moesten en aan de roode,

om koorts op den koop toe te geven.

Toen de drie kinderen eindelijk, na lang omzwerven, ten laatste aan het

zeestrand waren aangekomen, ontmoetten zij de ouders van het eerst

verdwenen kind. Zij waren blijven zoeken en hadden het niet, zooals de

ouders der twee andere kinderen, opgegeven. In al dien tijd waren de

kinderen reeds groote jongens geworden. Toen nu de ouders, dol blij

over het wederzien, zich wilden haasten om met hen naar hun dorp terug

te gaan, sprak de leider der drie jongens, Koeroesiwari, die het eerst

was weggeloopen, tot groote verbazing zijner ouders: „Ik kan niet

teruggaan, want toen mijn stiefmoeder mij wegstuurde, viel ik en

schreide ik, en u beiden zaagt niet eens naar mij om. Neen, ik ga niet

terug”.

Toen de ouders hem met betraande oogen smeekten, toch meê te willen

gaan, werd hij wat toegeefelijker en beloofde hij zijn vader, dat

wanneer hij een behoorlijken heboe-hanokoe [71] zou bouwen en hen met

tabak zou roepen, hij hen alle drie zou zien terugkomen. De ouders

keerden nu teleurgesteld naar hun dorp weêr en Koeroesiwari stak met

zijn beide makkers de zee over.

Onmiddellijk na den terugkeer der ouders begon de vader de gevraagde

heboe-hanokoe te maken en toen deze gereed was, brandde hij papaja-*,

katoen- en koffiebladeren, maar hij kon ze niet gebruiken, want geen

van allen bezat de noodige kracht. Alleen met tabak zou deze kunnen

worden aangewend. Maar in die dagen bezaten de Indianen nog geen tabak;

deze plant groeide heel ver weg, op een verafgelegen eiland.—Ik weet

niet of dit eiland Trinidad was of een ander, maar wel weet ik, dat de

Warraus het Niboe-yoeni (letterl: Man-zonder) noemen, omdat het alleen

door vrouwen werd bewoond [72], zooals heel oude menschen plegen te

vertellen.

De bedroefde vader zond er nu een egret* op uit, om te trachten daar

wat tabakszaad voor hem machtig te worden—maar de vogel kwam niet

terug. Hij zond er toen met spoed verschillende soorten van zeevogels

heen; zij ondergingen echter allen hetzelfde lot: allen werden gedood

door de vrouw, die de wacht hield bij het tabaksveld.

Toen de man reeds alle hoop had opgegeven, ooit een der boodschappers

te zullen terugzien, raadpleegde hij een broeder, die hem een kraan*

bracht. Deze vloog naar de zeekust, waar hij wilde blijven rusten tot

den anderen morgen, om de vlucht van hier flink te kunnen inzetten.

Terwijl de vogel daar zoo zat, kwam er een kolibri langs vliegen, die

hem vroeg, wat hij daar zoo deed. „Ik maak mij gereed voor

morgenochtend” antwoordde hij. „Ik moet vliegen naar Niboe-yoeni, om

tabakszaad te halen.” De kolibri stelde hem daarop voor, in zijn plaats

de reis te maken, maar de andere vond het voorstel al te dwaas, en

herinnerde haar er aan, dat zij veel te klein was en stellig in zee zou

vallen. De kleine kolibri liet zich echter niet ontmoedigen, stond den

anderen morgen vroeg op, zooals steeds haar gewoonte is, en vloog weg,

uitroepende: „ik ben opgestaan.”

Toen nu de kraan, zoodra het licht was geworden, ook was opgestaan,

spreidde hij zijn vleugels uit en zocht hij zijn weg met prachtigen

vleugelslag boven de bewogen zee. Toen hij nu halverwege gekomen was,

ontdekte hij beneden zich het kolibrietje, dat met het water lag te

worstelen. Het had er wel een dappere vaart achter gezet, maar had niet

tegen den wind in verder kunnen gaan en was in de zee terecht gekomen.

De kraan pikte de kolibri uit het water op en nam haar op den rug van

zijn bij het vliegen achterwaarts gestrekte dijen. Maar haar lastdier,

dat zich een weinig wilde verlichten, bevuilde daarbij het gezicht van

de kolibri, zoodat deze genoodzaakt was, de vleugels weêr op te nemen,

en ditmaal met succes, want zij bereikte Nioboe-yoeni het eerst, waar

zij haar grooten vriend opwachtte, die kort na haar aankwam.

De kolibri verzocht nu den kraan niet verder te gaan en te wachten tot

zij van het tabaksveld zou zijn teruggekeerd. De kolibri was immers

klein, vloog snel, en niemand zou haar immers zien, als zij bezig was

het tabakszaad te stelen. Terwijl nu de kolibri met haar werk bezig

was, trachtte de vrouw, die het veld bewaakte, haar te schieten, maar

het vogeltje was haar te vlug af, en van plant tot plant vliegende,

verzamelde het kolibrietje zooveel zaad, als het dacht te kunnen

meenemen. Bij vriend Kraan teruggekeerd, zei de kolibri: „Vriend! laten

we nu huiswaarts gaan,” maar niet zoodra had zij deze woorden gesproken

of het kleine schepsel vloog pijlsnel weg en zoo bereikte het, nu het

den wind van achteren had, zonder ongelukken met zijn schat Kraan’s

meester, wien zij het zaad overreikte. Deze gaf den voorraad aan zijn

broeder, en vertelde hem hoe hij zaaien moest.

Nadat de nu overgelukkige vader het zaad, zooals was voorgedaan, in den

grond gelegd had, sproten er spoedig plantjes uit op, die zóó

merkwaardig hard groeiden, dat hij na korten tijd volwassen

tabaksbladen had, zoodat hij nu door den broeder geleerd kon worden,

hoe hij de bladen moest drogen. De broeder wees hem ook, hoe hij bast

moest zoeken, die geschikt was, om er de tabak, voor het maken van een

sigaret, in te rollen; hij bracht nl. winnamoroe* meê, d.i. juist

datgene, wat er voor noodig is. Nu zond de broêr hem er op uit, om de

heboe-mataro* te kunnen vervaardigen, en hij bracht kalebassen* van

allerlei grootten meê—maar het waren nog niet de goede. Eindelijk

keerde hij er met een terug, die hij van de oostzijde van een boom had

afgeplukt, en deze was degene, die hij voor het doel noodig had.

Dit hoorende, haastte de bedroefde vader zich, om den raad op te volgen

en de kalebas met steentjes en aarde, in tabakswater gedrenkt, te

vullen—er een rammelaar van te maken. Verrukt greep hij den rammelaar

beet en onmiddellijk, nadat hij al zingende het voorwerp eenige malen

heen en weêr had geschud, gaven zijn zoon en zijn beide makkers

antwoord, die dadelijk met hun drieën vóór hem stonden. Maar het waren

geen menschelijke wezens, het waren drie Geesten. Deze geesten van de

tabak* zijn het nu, Koeroesiwari, Matoe-wari en Káwai-wari, die altijd

antwoorden, wanneer de rammelaar van den Piaiman roept; en het spreekt

van zelf, dat de arme, bedroefde vader de eerste piaiman werd—dit alles

tengevolge van zijn groot verdriet, zijn kind verloren te hebben en

steeds verlangende, hem eindelijk eens weêr te zien.

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 40 / 174 题