Heel lang had een man reeds met zijn vrouw samengeleefd; zij was zeer
bekwaam in het vervaardigen van hangmatten, maar één ding beviel hem
niet in haar: zij schonk hem maar geen kinderen. Hij besloot daarom, er
een tweede vrouw bij te nemen ... en hij was nu gelukkig, want in den
kortst mogelijken tijd schonk deze hem een jongen. Het kind,
Koeroesiwari geheeten, groeide vlug op, en terwijl de stiefmoeder bezig
was, haar hangmatten te maken, gebeurde het dikwijls, dat de jongen,
die om haar heen aan het spelen was, aan het koord ging hangen,
waardoor het de noodige spanning verloor.
De oude vrouw liet dezen kleinen last eenigen tijd toe, maar eens op
een dag, toen de jongen ondeugender was dan ooit, zei zij: „ga weg, en
speel ergens anders”. De jongen gehoorzaamde, verwijderde zich, maar
kwam gauw weêr aangedribbeld en trok weêr aan het koord. De vrouw werd
nu boos, duwde den jongen op zij; maar zij deed het wat hardhandig,
zoodat de jongen viel en begon te schreien.
Niemand sloeg acht op dit voorval, en niemand zag het kind de hut
uitdribbelen ... de eigen vader en moeder ook niet, die maar steeds in
de hangmat lagen. Het was nu al laat op den dag, toen men merkte, dat
het kind verdwenen was. Zijn ouders kwamen nu te voorschijn en toen zij
overal begonnen te zoeken, vonden ze eindelijk hun kind spelende in een
naburige hut met andere kinderen. Hier legden zij uit, waarom zij
gekomen waren en al sprekende, kwamen zij van het eene in het andere,
en geraakten zij in een zóó levendig gesprek, dat zij geheel en al
vergaten, waarom zij gekomen waren; toen ze eindelijk met redeneeren
ophielden, bemerkten zij, dat niet alleen hun eigen kind, Koeroesiwari,
maar ook Matoe-wari, het kind van hun buren, verdwenen was.
De ouders van beide kinderen gingen nu aan het zoeken en vonden hen
eindelijk, toen zij een der naburige hutten binnentraden, druk spelende
met een ander kind, Káwai-wari genoemd. Hetzelfde, wat in de andere hut
was voorgevallen, herhaalde zich nu; met hun zessen ouders der drie
weggeloopen kinderen geraakten zij in zóó druk gesprek, dat zij niet
eens bemerkten, toen zij uitgepraat waren, dat alle drie de kinderen
verdwenen waren.
De zes ouders begonnen nu hun drie kinderen te zoeken, maar aan het
einde van den eersten dag staakte het derde ouderenpaar het onderzoek,
terwijl aan het einde van den tweeden dag ook het tweede paar het
opgaf. In dien tusschentijd waren de drie kinderen het bosch ingegaan,
en waren er zeer bevriend geworden met de Marabons*, die in die tijden
spreken konden en nog niet staken. Deze kinderen zijn het geweest, die
aan de zwarte soorten leerden, hoe ze steken moesten en aan de roode,
om koorts op den koop toe te geven.
Toen de drie kinderen eindelijk, na lang omzwerven, ten laatste aan het
zeestrand waren aangekomen, ontmoetten zij de ouders van het eerst
verdwenen kind. Zij waren blijven zoeken en hadden het niet, zooals de
ouders der twee andere kinderen, opgegeven. In al dien tijd waren de
kinderen reeds groote jongens geworden. Toen nu de ouders, dol blij
over het wederzien, zich wilden haasten om met hen naar hun dorp terug
te gaan, sprak de leider der drie jongens, Koeroesiwari, die het eerst
was weggeloopen, tot groote verbazing zijner ouders: „Ik kan niet
teruggaan, want toen mijn stiefmoeder mij wegstuurde, viel ik en
schreide ik, en u beiden zaagt niet eens naar mij om. Neen, ik ga niet
terug”.
Toen de ouders hem met betraande oogen smeekten, toch meê te willen
gaan, werd hij wat toegeefelijker en beloofde hij zijn vader, dat
wanneer hij een behoorlijken heboe-hanokoe [71] zou bouwen en hen met
tabak zou roepen, hij hen alle drie zou zien terugkomen. De ouders
keerden nu teleurgesteld naar hun dorp weêr en Koeroesiwari stak met
zijn beide makkers de zee over.
Onmiddellijk na den terugkeer der ouders begon de vader de gevraagde
heboe-hanokoe te maken en toen deze gereed was, brandde hij papaja-*,
katoen- en koffiebladeren, maar hij kon ze niet gebruiken, want geen
van allen bezat de noodige kracht. Alleen met tabak zou deze kunnen
worden aangewend. Maar in die dagen bezaten de Indianen nog geen tabak;
deze plant groeide heel ver weg, op een verafgelegen eiland.—Ik weet
niet of dit eiland Trinidad was of een ander, maar wel weet ik, dat de
Warraus het Niboe-yoeni (letterl: Man-zonder) noemen, omdat het alleen
door vrouwen werd bewoond [72], zooals heel oude menschen plegen te
vertellen.
De bedroefde vader zond er nu een egret* op uit, om te trachten daar
wat tabakszaad voor hem machtig te worden—maar de vogel kwam niet
terug. Hij zond er toen met spoed verschillende soorten van zeevogels
heen; zij ondergingen echter allen hetzelfde lot: allen werden gedood
door de vrouw, die de wacht hield bij het tabaksveld.
Toen de man reeds alle hoop had opgegeven, ooit een der boodschappers
te zullen terugzien, raadpleegde hij een broeder, die hem een kraan*
bracht. Deze vloog naar de zeekust, waar hij wilde blijven rusten tot
den anderen morgen, om de vlucht van hier flink te kunnen inzetten.
Terwijl de vogel daar zoo zat, kwam er een kolibri langs vliegen, die
hem vroeg, wat hij daar zoo deed. „Ik maak mij gereed voor
morgenochtend” antwoordde hij. „Ik moet vliegen naar Niboe-yoeni, om
tabakszaad te halen.” De kolibri stelde hem daarop voor, in zijn plaats
de reis te maken, maar de andere vond het voorstel al te dwaas, en
herinnerde haar er aan, dat zij veel te klein was en stellig in zee zou
vallen. De kleine kolibri liet zich echter niet ontmoedigen, stond den
anderen morgen vroeg op, zooals steeds haar gewoonte is, en vloog weg,
uitroepende: „ik ben opgestaan.”
Toen nu de kraan, zoodra het licht was geworden, ook was opgestaan,
spreidde hij zijn vleugels uit en zocht hij zijn weg met prachtigen
vleugelslag boven de bewogen zee. Toen hij nu halverwege gekomen was,
ontdekte hij beneden zich het kolibrietje, dat met het water lag te
worstelen. Het had er wel een dappere vaart achter gezet, maar had niet
tegen den wind in verder kunnen gaan en was in de zee terecht gekomen.
De kraan pikte de kolibri uit het water op en nam haar op den rug van
zijn bij het vliegen achterwaarts gestrekte dijen. Maar haar lastdier,
dat zich een weinig wilde verlichten, bevuilde daarbij het gezicht van
de kolibri, zoodat deze genoodzaakt was, de vleugels weêr op te nemen,
en ditmaal met succes, want zij bereikte Nioboe-yoeni het eerst, waar
zij haar grooten vriend opwachtte, die kort na haar aankwam.
De kolibri verzocht nu den kraan niet verder te gaan en te wachten tot
zij van het tabaksveld zou zijn teruggekeerd. De kolibri was immers
klein, vloog snel, en niemand zou haar immers zien, als zij bezig was
het tabakszaad te stelen. Terwijl nu de kolibri met haar werk bezig
was, trachtte de vrouw, die het veld bewaakte, haar te schieten, maar
het vogeltje was haar te vlug af, en van plant tot plant vliegende,
verzamelde het kolibrietje zooveel zaad, als het dacht te kunnen
meenemen. Bij vriend Kraan teruggekeerd, zei de kolibri: „Vriend! laten
we nu huiswaarts gaan,” maar niet zoodra had zij deze woorden gesproken
of het kleine schepsel vloog pijlsnel weg en zoo bereikte het, nu het
den wind van achteren had, zonder ongelukken met zijn schat Kraan’s
meester, wien zij het zaad overreikte. Deze gaf den voorraad aan zijn
broeder, en vertelde hem hoe hij zaaien moest.
Nadat de nu overgelukkige vader het zaad, zooals was voorgedaan, in den
grond gelegd had, sproten er spoedig plantjes uit op, die zóó
merkwaardig hard groeiden, dat hij na korten tijd volwassen
tabaksbladen had, zoodat hij nu door den broeder geleerd kon worden,
hoe hij de bladen moest drogen. De broeder wees hem ook, hoe hij bast
moest zoeken, die geschikt was, om er de tabak, voor het maken van een
sigaret, in te rollen; hij bracht nl. winnamoroe* meê, d.i. juist
datgene, wat er voor noodig is. Nu zond de broêr hem er op uit, om de
heboe-mataro* te kunnen vervaardigen, en hij bracht kalebassen* van
allerlei grootten meê—maar het waren nog niet de goede. Eindelijk
keerde hij er met een terug, die hij van de oostzijde van een boom had
afgeplukt, en deze was degene, die hij voor het doel noodig had.
Dit hoorende, haastte de bedroefde vader zich, om den raad op te volgen
en de kalebas met steentjes en aarde, in tabakswater gedrenkt, te
vullen—er een rammelaar van te maken. Verrukt greep hij den rammelaar
beet en onmiddellijk, nadat hij al zingende het voorwerp eenige malen
heen en weêr had geschud, gaven zijn zoon en zijn beide makkers
antwoord, die dadelijk met hun drieën vóór hem stonden. Maar het waren
geen menschelijke wezens, het waren drie Geesten. Deze geesten van de
tabak* zijn het nu, Koeroesiwari, Matoe-wari en Káwai-wari, die altijd
antwoorden, wanneer de rammelaar van den Piaiman roept; en het spreekt
van zelf, dat de arme, bedroefde vader de eerste piaiman werd—dit alles
tengevolge van zijn groot verdriet, zijn kind verloren te hebben en
steeds verlangende, hem eindelijk eens weêr te zien.