Maconaura* was een buitengewoon knappe piaiman; wij Indianen plegen
een, die bijzonder uitmunt, een semi-chichi* te noemen. Wanneer hij
zijn val of knip* in het bosch uitzette, was hij altijd zeker een of
ander wild te vangen, hetzij vogels of dieren. [60] Maar eens op een
keer, toen hij weêr naar zijn knip ging zien, zag hij tot zijn groote
ergernis, dat de een of ander hem bestolen had, en het voor hem
bestemde vleesch had weggenomen. Hij peinsde zich suf, wie dat toch
gedaan kon hebben, want er waren geen voetstappen te zien, noch
afgetrokken takken, die de vlucht van een of anderen vreemden gast
verraden kon. Om nu den misdadiger te ontdekken, klom hij den volgenden
morgen in een boom boven zijn knip en hield van uit zijn verheven
zitplaats de wacht. Hij zag nu, dat er wild in zijn knip was en dat nu
en dan een stinkvogel binnensloop en probeerde met zijn mes [61]
stukken vleesch af te snijden, om het des te gemakkelijker eruit te
kunnen krijgen. Maar het mes van dezen gier was te bot, zoodat de vogel
wegvloog om den koningsgier* te halen, die een scherper mes had, en die
al het vleesch schoon van het wild kon afhalen. Dadelijk kwamen nu een
menigte stinkvogels aanvliegen om te helpen en in korten tijd was er
geen stukje vleesch meer in den knip overgebleven.
Maconaura zag dit alles, verscholen tusschen de boomtakken, rustig aan,
en telkens zag hij hetzelfde gebeuren; de koningsgier was altijd de
belhamel. Hij zon nu op een middel, om den prachtigen vogel machtig te
worden. Hij nam een hoeveelheid katoen [62], wikkelde zich er geheel
in, zoodat zelfs ooren, neus en oogen er geheel mede bedekt waren, en
legde zich doodstil vlak bij zijn val neêr, waarin zich wild bevond.
Zooals gewoonlijk kwam er al spoedig een stinkvogel aanvliegen, maar
zijn mes was te bot, om hetzij Maconaura buiten den knip, hetzij het
wild in den val aan te snijden. Ook nu weêr vloog de stinkvogel weg, om
zijn gouverneur, den koningsgier te gaan halen. Toen deze prachtige
vogel dichtbij genoeg was, greep Maconaura hem zóó stevig beet, dat de
kleinere stinkvogels, die spoedig reeds present waren, er van schrokken
en allen wegvlogen. De koningsgier vermoedde in zijn aanvaller dadelijk
een piaiman, want nog nooit had iemand hem zóó leelijk te pakken
gekregen. Eigenlijk doe ik verkeerd, hier van hem en zijn te spreken,
want de vogel was een vrouwelijk exemplaar, hetgeen Maconaura spoedig
zou merken, want plotseling legde de gier het veerenkleed af en
veranderde in een vrouw [63], en welk een vrouw!—een beeldschoon
meisje, zóó schoon, dat Maconaura smoorlijk op haar verliefd werd en
haar tot vrouw nam.
Vele jaren leefde het paar tevreden en gelukkig, en de stinkvogels
hielden het voortdurend gezelschap. Eens op een dag zond de vrouw
Maconaura met een korf naar de rivier om water voor haar te halen; maar
hoe hij het ding ook in het water dompelde, steeds liep het er door de
mazen even hard weêr uit. Toen hij het nog maar niet wilde opgeven,
kwamen er moeneri-mieren [64] opdagen, die zijn pogingen zagen en hem
vroegen, wat hij daar deed; en toen zij van hem hoorden, hoe hij alles
in het werk stelde, om aan het verlangen van zijn vrouw te voldoen,
boden zij hem aan, om alle openingen van zijn korf met „mierenbed”
dicht te stoppen. [65] Toen nu de mieren met hun karrewei gereed waren,
liep het water niet meer weg en zoo bracht Maconaura den korf, tot aan
den rand toe gevuld, huiswaarts.
Toen zijn vrouw dit zag, zei zij bij zich zelf: „Mijn man moet toch wel
een ware semi-chichi zijn, om voor mij water in een korf te kunnen
brengen.” Zij begreep er evenwel niets van en besloot hem nu een tweede
maal op den proef te stellen.
Zij zond hem er nu op uit, om een stuk bosch voor haar schoon te
kappen, maar toen hij iederen morgen het werk wilde voortzetten, zag
hij tot zijn bevreemding, dat alle boomen, die hij den vorigen dag
geveld had, weêr recht overeind stonden. Wat was de oorzaak daar wel
van? Wel, op verzoek van den koningsgier vlogen alle stinkvogels
iederen nacht naar het veld, en zetten de boomen, die op den grond
lagen, weêr overeind! Arme Maconaura! Hij begreep er nog steeds niets
van. Maar hij wist er iets op. Hij ging nl. naar de Koeshi-mieren* en
verzocht hen, al het gevelde: stam, takken en bladeren voor hem te
willen weghalen—hetgeen zij ook deden. Tegen zulke vernielers konden de
stinkvogels niets uitrichten, en met de hulp van dit kleine grut
gelukte het Maconaura het veld spoedig schoon te kappen.
Zijn vrouw, die steeds meer tot de overtuiging kwam, dat haar man een
groote piaiman was, wilde hem toch nog eens voor de derde maal op de
proef stellen. Zij zond hem er nu op uit, om een zitbank voor zijn
schoonmoeder te maken, met aan elk uiteinde de uitgesneden beeltenis
van de oude vrouw. Dit zou, dacht zij, voor hem wel geheel onmogelijk
zijn en Maconaura geloofde dit ook, want hij had nog nooit een oog naar
zijn schoonmoeder* geslagen. Hij dacht: „Nooit opgeven!” Maar iedere
keer, dat hij even in de richting der oude vrouw keek, bedekte zij
onmiddellijk haar gezicht met haar beide handen, en draaide het opzij
of naar beneden. „Hoe nu”, dacht Maconaura, „krijg ik haar gelaat naar
boven, zoodat ik er een goed gezicht op heb”. Daar kreeg hij een inval.
Zonder dat de vrouw het merkte, klom hij tegen het dak van haar hut, en
wierp hij een bajaboe* naar beneden, die in haar lendenkleed terecht
kwam, zoodat de oude haar armen uitspreidde en een klein oogenblikje
naar boven keek, juist lang genoeg, om zijn doel te kunnen bereiken.
Maconaura begon nu met zijn werk; hij hakte het blok hout in een
zoodanigen vorm, dat hij aan ieder uiteinde het goed gelijkende portret
van zijn schoonmoeder kon maken.
Toen het werk gereed was, bracht zijn vrouw het bankje naar de oude
vrouw, die hartelijk begon te lachen, toen zij de beide portretten zag.
Beide vrouwen verbaasden zich er over, hoe Maconaura het had
klaargespeeld, om een zóó goed gezicht op zijn schoonmoeder te hebben
gehad, en daardoor een zóó sprekend gelijkend portret van haar te
hebben kunnen maken.
De jonge vrouw begon nu werkelijk trots op haar man te worden, ja hem
te beminnen, omdat hij steeds aan haar wensch voldeed. Wanneer zij hem
vroeg, wat visch te brengen, ging hij naar de rivier, en als hij er
eenigen meebracht en zij pruilend haar lippen naar voren bracht,
daarmede te kennen gevend, dat het niet veel was, dat hij bracht, zei
hij, dat zij den korf moest openen, en de visschen zouden er, de een na
den ander komen uitduikelen—ja, in zulke hoeveelheden, dat de geheele
hut er meê gevuld zou worden.
Maconaura lachte maar; want hij was een piaiman, die buitengewone
dingen kon doen.
Inmiddels was de gelukkige echt gezegend door een knappen jongen en
.... begon de jonge vrouw heimwee te krijgen en te verlangen, haar man
en kind aan haar eigen volk te laten zien. Haar verlangen werd zóó
groot, dat zij van Maconaura gedaan wist te krijgen, met hem en den
zoon het dorp te verlaten, want zij wilde terugkeeren naar haar vaderen
boven en beneden de wolken.
Zij verlieten dus het dorp, kwamen in hun nieuw verblijf aan en bleven
langen tijd bij hun verwanten, de stinkvogels. De vrouw kon niet
nalaten, telkens van de groote kunde van haar man te vertellen, die
alles kon doen, wat zij hem maar vroeg. De stinkvogels, daardoor
nieuwsgierig geworden, begonnen hem allerlei dingen te vragen, die,
naar zij meenden, onmogelijk waren—maar al het gevraagde bracht hij tot
stand. De stinkvogels konden die knapheid niet velen en begonnen
jaloersch te worden, zoodat zij eindelijk overeen kwamen, den man
gezamenlijk te dooden.
Maconaura, die een echte piaiman was, wist, wat zij met hem voor
hadden, en zei: „Uitstekend, laat mij naar mijn dorp terugkeeren en
mijn vrienden gaan opzoeken. Wij zullen het daar wel uitvechten”.
Onmiddellijk nam hij zijn vrouw en zijn zoontje meê, en met hun drieën
togen zij weder huiswaarts. Hier aangekomen, verzamelde hij alle vogels
uit den omtrek, en vertelde hun, dat zij voorbereid moesten zijn op een
stormloop der stinkvogels.
Toen deze er dan ook aankwamen en het groote leger vogels zagen, gereed
om hen te ontvangen, besloten zij door middel van een krijgslist zich
de overwinning te verzekeren, hetgeen hun door kracht alleen niet zou
gelukken.
Het voornemen der stinkvogels was nl., de geheele wereld in brand te
steken, met Maconaura en al zijn vrienden er bij. Zij legden dan ook
overal in het rond vuren aan en meenden, dat hun vijanden niet ontkomen
zouden, maar nog juist bijtijds ontdekte Maconaura den zwarten
Koeri-Koeri*, die hoog in de lucht vloog, en die aan al zijn vrienden
verzocht, hem te volgen, om zich bij zijn verwenschingen aan te
sluiten. En ziet—onmiddellijk begon de regen bij stroomen neêr te
vallen, die alle vuren uitdoofde.
Toen nu Maconaura bemerkt had, dat zijn vrouw bang voor hem was
geworden, omdat hij het doel van haar eigen volk, de stinkvogels, om
nl. de geheele wereld in brand te steken, verijdeld had, verliet hij
haar en ging hij zijn eigen weg. Zijn vrouw zond toen haar zoon er op
uit, om haar man heimelijk te overvallen, en hem te dooden, maar of hij
dit snoode plan tot uitvoering heeft gebracht, is mij niet bekend.
NO. 29. HOE HET ONGELUK OVER DE MENSCHEN KWAM. DE GESCHIEDENIS VAN
MACONAURA EN ANOEANNAÏTOE. (A.)
Heel, heel lang geleden, voor nog de grootvaders van onze grootmoeders
geboren waren, was, zooals de Caraïben vertellen, de wereld geheel
anders dan nu. De boomen droegen altijd vruchten; de dieren leefden in
volkomen eensgezindheid en de kleine Agoeti* speelde, zonder vrees te
hebben, met den baard van den Jagoear. Er leefden toen nog geen giftige
slangen; de rivieren stroomden gelijkmatig, er was geen buitengewone
droogte, noch had men last van overstroomingen, en de watervallen
gleden langzaam van de hoogste rotsen.
Er waren toen nog geen menschen op de wereld, en Adaheli, die wij nu
als God aanroepen, [66] doch die toen Zon heette, werd verontrust. Hij
daalde uit den hemel neêr en kort daarna werd de mensch geboren. Uit
een Kaaiman* zagen beide seksen, een man en een vrouw, het levenslicht.
De vrouwen waren van een verrukkelijke schoonheid, maar vele mannen
hadden een terugstootend uiterlijk, en dit was de oorzaak hunner
verspreiding.
Sedert de mannen met een mooi gezicht niet in staat waren, om bij hunne
afzichtelijke kameraden te blijven, scheidden zij zich van hen af,
trokken naar het Westen, terwijl de afzichtelijke mannen naar het
Oosten gingen [67], ieder de vrouwen, die ze hadden gekozen, meenemend.
Tot den stam der in elk opzicht aantrekkelijke Indianen behoorde een
jonge man, Maconaura geheeten, die met zijn moeder samenwoonde. De
jongen was in één woord bekoorlijk, slank en bevallig, als men dit ten
minste van een man kan zeggen; hij droeg zijn kamiesa* op elegante
wijze, en vond zijns gelijke niet op de jacht en de vischvangst, zoowel
als in het vlechten, zoodat alle mannen hun vischkorven* voor de
laatste afwerking bij hem brachten. De oude moeder was niet minder
bekwaam in het maken van hangmatten en het gereed maken der tapana*.
Zij leefden in volkomen eensgezindheid, zoowel onder elkander als met
de leden van hun stam. Zij hadden geen last van overmatige warmte, noch
van kille vochtigheid; zij hadden niet van booze dieren te lijden; want
deze kwamen in de streek nog niet voor.
Eens op een dag echter vond Maconaura zijn vischkorf gescheurd en de
visschen verslonden, iets wat tot nu toe in de geschiedenis van den
stam niet was voorgekomen. Maconaura zette daarom, toen hij zijn korf
weêr uitzette, een hoedoedi (specht*) op den uitkijk, hem verzoekende
met zijn bek tegen een boomstam te willen kloppen, wanneer iemand,
hetzij mensch of dier, mocht naderen. Maar hoewel hij op het toc! toc!
van den vogel dadelijk kwam toegesneld, hij kwam te laat—weêr waren de
visschen verslonden en was de korf gescheurd.
Met den bananenbek* als waarschuwer ging het beter, want toen de vogel
zijn pon! pon! liet hooren, kwam hij nog juist bijtijds, om zijn pijl
tusschen de leelijke oogen van den kaaiman te schieten, die met een
gloe! gloe! onder water verdween.
Maconaura herstelde nu zijn vischkorf en vertrok. Maar nauwelijks was
hij in zijn hut teruggekomen of hij hoorde weêr het signaal pon! pon!
van den vogel, en toen hij aan de rivier kwam, zag hij daar een
beeldschoone Indiaansche, die tranen schreide. „Wie zijt Gij?” vroeg
hij. „Anoeannaïtoe”, antwoordde zij. „Waar komt Gij van daan?”—„Van
heel ver!”—„Wie zijn uwe verwanten?”—„O, vraag mij dat niet”, zei ze,
en zij bedekte haar gelaat met beide handen.
Het meisje, dat haast nog een kind was, nam haar intrek bij Maconaura
en diens moeder. Naarmate zij grooter werd, nam haar schoonheid en
bevalligheid zóó toe, dat Maconaura haar eindelijk zijn liefde bekende
en haar tot zijn vrouw vroeg. Hoewel zij eerst met tranen in de oogen
een weigerend antwoord gaf, stemde zij ten slotte toe, hoewel het
samenleven niet correct was, daar Maconaura nog niet de toestemming
harer ouders had gevraagd, wier namen hem nog altijd door zijn vrouw
onthouden werden.
Gedurende korten tijd leefde het paar zeer gelukkig, totdat
Anoeannaïtoe door een vurig verlangen werd aangegrepen, haar moeder te
bezoeken. Maar toen Maconaura zei, met haar meê te willen gaan, dreigde
zij in woede, den tocht te zullen opgeven. „Dan zal ik alleen gaan en
je ouders toestemming voor ons huwelijk vragen”, drong Maconaura aan.
„Dat nooit”, riep Anoeannaïtoe, „dat zou onze dood zijn, evenals die
van je lieve moeder”. Maconaura was echter niet te overtuigen, „want”,
zei hij, „ik heb een piaiman geraadpleegd, die mij verzekerd heeft,
veilig te zullen terugkeeren.” Alzoo vertrok hij met zijn bruid.
Toen zij na verscheidene weken reizen met hun korjaal aan een kamp
aankwamen, riep Anoeannaïtoe: „Wij zijn er, ik ga mijn moeder opzoeken,
zij zal U een kalebas brengen, gevuld met bloed en rauw vlees, en een
andere met beltiri* en cassavebrood. Ons lot hangt van Uw keus af.” De
jongeman koos, toen de oude vrouw verscheen, zonder aarzelen de beltiri
en het brood, waarop zij zei: „Je hebt een goede keus gedaan. Ik geef
de toestemming tot het huwelijk, maar ik vrees dat mijn man zich er
sterk tegen verzetten zal.” Kaikoutji* was de naam van haar echtgenoot.
Moeder en dochter gingen nu vooruit, om den man te polsen, maar dien
woede was zóó groot, dat het nodig scheen, de jongen man in het bosch
te verbergen, tot dat Kaikoutji eindelijk zóó zacht gestemd werd, dat
hij er in toestemde den jongeman te zien. Toen zijn woede bij zijn
verschijning weêr bovenkwam, riep hij: „Hoe durf je mij te naderen?”
Maconaura, die hem tot bedaren wilde brengen, antwoordde: „Ja, het is
waar, het huwelijk met Uw dochter was niet volgens de gebruiken, maar
ik kom herstel vragen. Ik zal voor U maken wat U verlangt.” „Maak dan
een halla* met de kop van een kaaiman aan de eene zijde en mijn
beeltenis aan de andere,” zei Kaikoutji.
Te middernacht was Maconaura met zijn werk, op het portret na, gereed,
maar dit was niet gemakkelijk, daar de man zijn hoofd door een kalebas
bedekt had, waaruit alleen zijn ogen zichtbaar waren. Toen nu Maconaura
zijn vrouw vroeg, haar vader te willen beschrijven, antwoordde zij:
„Onmogelijk. Mijn vader is een piaiman.” „Hij kent en weet alles. Hij
zou ons allebei doden.” Maconaura verborg zich nu naast de hangmat van
den vader, in de hoop dat hij nu en dan wat van zijn gezicht zou kunnen
zien.
Toen kwam er een makoe*, die om de oren van Kaikoutji gonsde en hem
stak; maar de man, die als een bal in zijn hangmat lag opgerold, bewoog
zich niet. Maconaura vreesde al, het te moeten opgeven, toen hij iets
over zijn been voelde kruipen. Het was een hajara*, die tot hem sprak:
„Vrees niets, heb geduld.” De spin kroop nu tegen de hangmat van
Kaikoutji op en beet den slapende. Maar deze doodde de spin, en nog
liet hij zijn gezicht niet zien. Maconaura werd wanhopig, maar
eindelijk kwam er hulp opdagen; het was een heel leger van mieren, die
hem kwamen aanvallen, en hem zóó toetakelden, dat hij, in de
consternatie uit zijn hangmat oprijzend, zijn heele gezicht, zoo
afschuwelijk als het was, liet zien.
Toen de morgen aanbrak, had Maconaura zijn halla gereed en bracht hij
zijn werkstuk aan den vader. „Dat zal nog niet voldoende zijn,” bromde
Kaikoutji, „je moet voor mij in één nacht nog een hut voor mij maken,
geheel gebouwd uit de mooiste veeren.”
De jonge man voelde zich al verloren, maar plotseling lieten kolibris,
jacamars* en andere vogels met een schitterend gevederte, hun veeren
voor hem neêrvallen, zoodat de verlangde hut nog vóór het aanbreken van
den dag gereed was, waarna Maconaura werd ontvangen als de erkende
echtgenoot van Anoeannaïtoe.
Na verloop van tijd verlangde nu Maconaura zijn moeder weêr te zien, en
toen Kaikoutji aan Anoeannaïtoe weigerde, haar man te vergezellen,
vertrok hij alleen. Gelukkige dagen volgden nu voor hem in zijn oude
hut, als hij zijn avonturen vertelde, en zijn oude moeder verhalen van
heel lang geleden aan het vertellen ging, die zij in haar zwak geheugen
trachtte terug te roepen. Toen nu Maconaura na eenigen tijd weêr naar
zijn vrouw wilde vertrekken, smeekte zijn moeder hem bij haar te
blijven, omdat de piaiman hem voor gevaren had gewaarschuwd. Maar
Maconaura zei, vast besloten te zijn, nog eenmaal te willen vertrekken
en beloofde zijn moeder, iederen dag een vogel te zullen zenden, die
haar van zijn welstand zou verwittigen .... als de uil* kwam, zou zij
hooren, dat hij verloren was.
Toen nu Maconaura eindelijk in Anoeannaïtoe’s hut was aangekomen,
ontving zij hem in tegenwoordigheid zijner schoonmoeder, in tranen
uitroepend: „weg, gauw! Kaikoutji is woedend over het geen hij heeft
gehoord!” Maconaura stoorde zich echter niet aan de waarschuwingen, en
o, onvoorzichtige, toen hij Kaikoutji’s hut binnentrad, werd hij zonder
slag of stoot door een pijl tusschen zijn oogen neêrgeveld.
Maconaura’s moeder had dagelijks het droevige bouta! bouta! van den
Otolin* gehoord, toen het eens op een dag door het afschuwelijke,
onheilspellende popopo! van den uil werd gevolgd.
Nu wetende, dat haar zoon dood was, liet zij zich door den verkondiger
van het slechte nieuws naar de plaats des onheils brengen; en toen zij
zijn korjaal met zijn lijk eindelijk had gevonden, keerde zij diep
bedroefd er mede naar haar volk terug.
De mannen bedekten het lichaam met een lijkkleed van prachtige veeren,
en legden er de wapens en gereedschappen van Maconaura op; de vrouwen
bereidden de tapana* voor de begrafenisviering en allen vereenigden
zich om den doodenzang te laten hooren, het laatst vaarwel van de
moeder aan haar geliefden zoon. Met alle kracht, die nog in haar was,
richtte de oude vrouw zich in haar hangmat overeind en nadat zij met
vuur het tragische verhaal van de liefde en den dood van haar jongen
had gedaan, riep zij, terwijl zij haar schaal met tapana aan de lippen
bracht: „Wie heeft het licht van mijn zoon gedoofd? Wie heeft hem
gezonden naar het dal der schimmen? Woe! Woe! voor hem. Alas—jelui
aanschouwt in mij, o, vrienden en broeders, slechts een arme, zwakke,
oude vrouw. Ik kan niets doen. Wie van jelui wil hem wreken?”
Onverwijld sprongen toen twee mannen naar voren, grepen hun schaal,
ledigden deze, en hieven, naast het lichaam van den vermoorde, het
Kenaima*-lied aan, terwijl zij den dans der wrake dansten. Op hetzelfde
oogenblik sloop in een van hen den geest van een boa, in den ander dien
van een jagoear binnen [68].
Het groote tapana-feest werd in het dorp van Kaikoetji gevierd, waar
honderden Indianen vergaderd waren, mannen, vrouwen en kinderen. Zij
dronken en braakten, dronken en braakten weêr. Plotseling verschenen
onder de feestvierenden twee mannen, een in het vel van den Jagoear, de
ander in de gevlekte schubbenhuid van een Boa-constrictor [69], en ...
in een oogenblik waren Kaikoetji en allen, die om hem heen waren,
gedood, een deel vermorzeld door de slagen van den Jagoear, een ander
gekraakt door de omstrengelingen van den boa. [70]
De angst had enkelen weêr bijgebracht en deze grepen hun bogen en
richtten hun pijlen op de woedende aanvallers. De beide Kenaima’s
staakten daarop den aanval. Een van hen sprak toen: „Houdt op,
vrienden, wij zijn in uwe handen, maar laat ons eerst spreken”. Toen de
tegenstanders hun pijlen hadden laten zakken, vertelde hij de
geschiedenis van Maconaura. Het droevig verhaal maakte blijkbaar
indruk, want toen hij had uitgesproken, trad een oude piaiman naar
voren en sprak: „Jonge mannen, gij hebt goed gesproken; wij ontvangen u
als vrienden”.
Het feest werd nu nog vroolijker dan te voren voortgezet. Anoeannaïtoe,
die in haar groote smart tot nu toe het feest niet had bijgewoond, kwam
nu te voorschijn, en schreed voort langs de doode lichamen, ze een voor
een onderzoekend; en toen zij eindelijk het lijk, dat zij zocht—dat
harer moeder—herkend had, zette zij er zich bij neêr en hief zij lang
achtereen den lofzang op den dood aan. Plotseling sprong zij daarna op,
en met overeind staande haren en met een woesten blik liet zij met
trillende stem het verschrikkelijke kenaima-lied weerklinken, en danste
zij, danste net zoo lang, totdat de geest van de ratelslang haar
lichaam binnendrong.
Tegelijkertijd vierde het volk van het andere dorp ook het
tapana-feest, om de wraak te vieren, terwijl Maconaura’s moeder,
beneveld door den drank, in haar hangmat van haar verloren zoon lag te
droomen. Het feest was in vollen gang, toen plotseling Anoeannaïtoe
verscheen. Maar zij trad eenige stappen terug, toen zij haar naam
hoorde uitspreken door de droomende vrouw: „Anoeannaïtoe! Mijn kind,
jij bent goed, evenals je moeder! Maar waarom kom je hier? Mijn zoon,
die je verloren hebt, is niet meer. O! mijn zoon Maconaura, verheug je!
Jij bent nu gelukkig, want je bent nu gewroken door het bloed van je
moordenaars. Ja, je bent goed gewroken”. Onder het uitspreken van die
woorden voelde Anoeannaïtoe een verschrikkelijken tweestrijd in haar
ziel—de begeerte naar de liefde en de eisch der plicht. Maar bij de
woorden: „gewroken met het bloed”, kon zij zich niet langer inhouden,
en zich op de oude vrouw werpende, trok zij haar de tong uit den mond
en schoot er het doodend gif overheen. Terwijl zij zich over haar
zieltogend lichaam heen boog, sprak ze: „De kaaiman, die uw zoon bij
zijn vischkorf heeft gedood, was mijn broeder. Evenals mijn vader bezat
hij het hoofd van een kaaiman. Ik zou het willen vergeven. Mijn vader
wreekte den dood van zijn zoon door uw zoon met hetzelfde lot te
bestraffen.....met een pijl tusschen zijn oogen. Uw verwanten hebben
mijn vader en velen van zijn stam verslagen. Ja, ik zou dit alles
misschien nog willen vergeven hebben, wanneer zij mijn lieve moeder
maar gespaard hadden. Maconaura is de oorzaak, dat wat mij het
dierbaarst was, is weggenomen. Ik neem nu op mijn beurt weg, wat hem
het dierbaarst was”.
Onder het slaken van een verschrikkelijken kreet vlood zij naar het
bosch en ... onmiddellijk daarna vond in de natuur plaats, wat tot nu
toe onbekend was geweest: de winden antwoordden met een orkaan, die de
boomen neêr velde, en de zwaarste stammen ontwortelde. Dikke wolken
bedekte het gelaat van Ahadeli, terwijl onheilspellende bliksemstralen
en het rommelen des donders de donkere wereld deden sidderen.
Ontzettende regenstroomen deden de rivieren buiten hun oevers treden.
De dieren, die tot nu toe vreedzaam onder elkander geleefd hadden,
begonnen elkander aan te vallen, en elkaar te verslinden. De slang trof
met zijn vergif; de kaaiman verbrijzelde met zijn vreeselijke kaken al
wat van levende wezens onder zijn bereik kwam; en de jagoear scheurde
het vleesch uit het lichaam van den onschuldigen Agoeti.
Anoeannaïtoe, gevolgd door een heel leger van wilde beesten, zette haar
zinneloozen tocht voort, totdat zij op den top van een enormen rots
aankwam, waarvan een waterval met donderend geweld naar omlaag stortte.
Hier staakte zij haar loop; aan den rand van den afgrond strekte zij
haar armen uit, en toen, zich vooroverbuigend, plofte zij in de diepte
neêr. De wateren namen haar beneden op en sloten zich boven haar. Niets
was er meer van haar te zien dan een verschrikkelijke draaikolk.
Wanneer nu een vreemdeling langs den waterval komt, zal de Caraïb hem
waarschuwen, niet diens naam te noemen. Het zou zijn onfeilbaren dood
zijn; want op den bodem dezer wateren wonen Maconaura en Anoeannaïtoe
nu gelukkig in het schitterend paleis van den Geest van het water.