Die zeekasteelen en zeereuzen, die ontaert
De starren dreigen met hun steil en trots gevaert.
Vondel. Lof der Zeevaert.
Zeekraal, z. n. v. -- Groente aan de Zeeuwsche kust gevischt. Zeer
gezond voedsel.
Zeekust, z. n. v. -- De kust, die zich langs de zee strekt.
Zeeland, z. n. o. -- Land, aan of in Zee gelegen, en van daar ook
synomien met "eiland", voor welk laatste woord het in de gewone
beteekenis heeft plaats gemaakt om alleen als eigen naam in gebruik
te blijven voor twee gewesten, een in Denemarken en een in Nederland.
Zeelieden, Zeelui, z. n. m. mv. -- Zeevolk, matrozen.
Zeelingzaad, z. n. o. -- (veroud.) Kuil, dien een schip in den weeken
bodem waar het in gezeten heeft, achterlaat.
Zeelucht, z. n. v. -- De lucht, die op of uit zee waait. Aan 't strand
een Z--jen scheppen. De Z-- zal u goed doen.
Wonder is 't dat sterfelijcke menschen
Noch smalen op den ploegh, en om een zeelucht wenschen.
Vondel. Lof der Zeevaert.
Zeemaat, z. n. m. -- 't zelfde als Jan-maat.
Ons Zeemaets vliegen met de vlagge op by den mast.
Vondel, Henriette Marie.
Zeemacht, z. n. v. -- 1o. Het getal oorlogschepen, die een Staat in
zee kan brengen. Engeland heeft er zich steeds op toegelegd zijn Z--
te vergrooten.
2o. Vloot. Onze Z-- wordt door een wakkeren vlootvoogd aangevoerd.
Zeeman, z. n. m. -- Iemand, wiens beroep het is, ter Zee te
varen. Varensgast, varensgezel. Een bevaren Z-- (die op zee goed
t'huis is).
Spreekwijze: Z-- geen man, (klacht van een t'huis gebleven vrouw).
Een goed Z-- wordt ook wel eens nat, (een sober mensch drinkt ook
wel eens een glaasjen meer dan hem voegt).
Zeemanschap, z. n. o. -- Eigenlijk: kennis van de Zeevaartkunde,
met overleg gepaard. Z-- gebruiken, (geven en nemen: by voorvallende
gelegenheden, van weer, wind of vyandelijke ontmoeting, naar de
omstandigheden handelen, en daarby, somtijds, tegen gewoonte, bericht
of instruktiën te werk gaan).
Zeemanschap, z. n. v. -- Zeevaartkunde; overleg aan kennis gepaard.
Spreekwijze: Men moet Z-- gebruiken, (men moet met overleg handelen,
geven en nemen).
Zeemanshuis: z. n. v. -- 1o. Toevluchtsoord voor Zeelieden. Het Z--
te Rotterdam.
2o. Zeemanswoning; welbezeild, dicht schip, zoo zegt het oude rijmpjen:
Koffen en smakken
Zijn waterbakken.
Hoeken en buizen
Zijn Zeemanshuizen.
Zeemanstaal, z. n. v. -- By de Zeelieden in gebruik. Wie die niet
verstaat, is een onbevarene (baar).
Zeemakelaar, z. n. m. -- Makelaar in schepen en Zeezaken.
Zeemogendheid, z. n. v. -- Mogendheid, die een vloot van den Staat
bezit, Z-- van den eersten, tweeden, derden rang.
Zeekoningen, z. n. m. mv. -- Naam, die aan de aanvoerders der Noorsche
en Deensche roofschepen in de negende en tiende eeuw gegeven werd.
Zeemijl, z. n. o. -- Afstandsmaat. De Fransche Z-- is het twintigste
gedeelte van een graad des meridiaans.
Zeenat, z. n. m. -- Zeewater.
Zeenatie, z. n. v. -- Natie, byzonder tot de Zeevaart geschikt.
Zeerafeling, z. n. v. -- Kabbeling in Zee, door invallenden stroom,
of langs de banken.
Zeeofficier, z. n. m. -- Officier by 's Lands Zeemacht.
Zeeoorlog, z. n. o. -- Oorlog, die op Zee gevoerd wordt.
Zeeraad, z. n. m. -- Raad, die over Zeezaken oordeelt.
Zeerecht, z. n. o. -- 1o. Recht, waarby de Zeevaart en Zeehandel
geregeld worden. Het Wisbysche Z--. Het Hanzesche Z--. Het Genueesche
Z--.
2o. Rechten, die betaald worden wegens al wat tot de scheepvaart
betrekking heeft. Kantoor van het Z--.
Zeeregister, z. n. o. -- Dagboek, journaal.
Zeereis, z. n. v. -- Reis over Zee.
Zeerob, z. n. m. -- Zeeman: Dus genoemd, omdat hy ruw als een rob
is. Zie Zeebonk.
Zeeroof, z. n. m. -- Roof, aan een schip op Zee gepleegd.
Zeerol, z. n. v. -- Zie Rol.
Zeeroover, z. n. m. -- Zeeschuimer, die op Zee met een vaartuig kruist,
om andere vaartuigen te beRooven. Z-- wordt genomen zoo voor den
bevelvoerder, als voor elk, die tot de bemanning van het roofschip
behoort; ook wel voor het roofschip zelf. Hariadan Barbarossa was
een beroemd Z--. Hy is in de handen van Z--s gevallen. Dat vaartuig
schijnt wel een Z--.
Zeeschade, z. n. v. -- Zie Avary.
Zeeschender, z. n. m. -- Iemand, die op Zee schade aanbrengt. Antonides
bezigt in zijn IJstroom het woord Zeeschendenaer:
Zeeschendenaers ontzien in 't blinkende geweer
Te vliegen.
Zeeschip, z. n. o. mv. -- Zeebouwend schip. Zie de bepalingen,
de Zeeschepen betreffende, in het Wetb. v. Kooph. Boek II, Tit. I,
art. 309-319.
Spreekwijze, Een lastig, ongemakkelijk Z-- (een lastig, ongemakkelijk
mensch).
Zeeschuim, z. n. o. -- Witte bellen en mosch, die zich boven de
oppervlakte der zee vertoonen, wanneer de golven tegen eenig beletsel
of tegen elkander aan klotsen.
Meldt vry van Cypris, hoe zy Cypers kon bekooren:
Ick weet, dat dees Godin uit Zeeschuim is geboren,
zegt Vondel van Venus.
Zeeschuimer, z. n. m. -- Zie Zeeroover.
Zeeslag, z. n. o. -- Gevecht op Zee. De Z-- van Duins is het beroemdste
feit, dat ooit op Zee bedreven is.
Zeeslot, z. n. o. -- 't Zelfde als Zeekasteel, doch min gebruikelijk.
Karel, die de trotse schepen
Zaeght verbranden in uw nest,
En uw Zeeslot, 's nabuurs pest,
Met een klaeu naar Tessel sleepen,
Zeg me, o scherpe waterroê
Hoe was toen uw hart te moe?
Vondel, De Zeeleeu op de Teems.
Zeesoldaat, z. n. m. -- Zie Marinier.
Zeestad, z. n. v. -- Stad, aan Zee gelegen.
Zeestoel, z. n. m. -- (Veroud.) Stoel, die aan de tafel vast was,
en even als deze, door zwaar er aangehangen lood, in balans werd
gehouden tegen 't slingeren van 't schip.
Zeestrand, z. n. o. -- Strand der Zee.
Zeestrijd, z. n. m. -- Zie Zeegevecht.
Zeetaktiek, z. n. v. -- Krijgskunst, toegepast op den oorlog ter Zee.
Zeetocht, z. n. m. -- Tocht, op Zee ondernomen.
Zeeton, z. n. v. -- Ton, die in de Zeegaten ligt, by de ondiepten.
Zeetriomf, z. n. m. -- Zegepraal, op Zee behaald.
Zeevader, z. n. m. -- De officier, die den adelborst in de manoeuvre,
de stuurman, die den leerling in 't cyferen, de onderofficier, die
den jongen in 't scheepswerk onderricht.
Zeevaarder, z. n. m. -- Zeeman, doch meer bepaaldelijk een, die
groote of hachelijke reizen ondernomen heeft. De latere zeelieden
zijn grooter Z--s geweest dan die der ouden: Die zeeman is een by
uitstek bekwaam Z--.
Zeevaardy, z. n. v. -- 't Zelfde als Zeevaart, doch minder in gebruik.
Op dezen voet beschermt de Zeevaerdy haer eer.
Antonides, IJstroom.
Zeevaart, z. n. v. -- De Vaart op Zee. Handel en Z-- waren van ouds
de hoofdbronnen onzer welvaart.
Zeevaartkunde, z. n. v. -- Kennis van al wat tot de Zeevaart behoort.
Zeevak, z. n. o. -- 't Zelfde als Zeevaartkunde. Hy is knap in het Z--
(hy is in Zeevaartkunde ervaren).
Zeevast, b. n. -- Wat zoodanig is Vastgesjord, dat het door de beweging
der Zee niet kan heen en weêr gaan. Zet die koffers Z--.
Zeeverzekeraar, z. n. m. -- Verzekeraar tegen schade op Zee.
Men hoeft geen Zeeverzekeraar
Nu alle watren rijn geveyligt voor gevaer.
Vondel, Zeemagazijn.
Zeevoeten, z. n. m. mv. -- Voeten, die gewend zijn op het dek te loopen
Hy heeft Z-- (hy wandelt het dek op en neêr, zonder de slingeringen
van het schip te tellen).
Zeevolk, z. n. o. -- Matrozen, Zeelieden.
Zeevonden, z. n. m. mv. -- Uit Zee gespoelde goederen. Zie de
bepalingen daaromtrent in het Wetb. van Kooph. Boek II, Tit. VII,
art. 545-568.
Zeevrijbuiter, z. n. m. -- Zie Vrijbuiter.
Zeewaardig, b. n. -- Wordt een schip gezegd te zijn, als het in
behoorlijken staat gebracht is om uit te zeilen, als het "van zessen
klaar" is, gelijk men van harddravers zeggen zoû.
Zeewaart, bw. -- Naar zee toe.
Stout verweerer, trots bevechter
Bey te zeewaart en te velt,
noemt Huyghens Prins Maurits.
Zeewater, z. n. o. -- 1o. Water uit de zee. Goederen, door 't Z--
beschadigd.
Spreekwijze: Dat zal al het Z-- niet afwisschen (iemands slechten
naam).