2o. voor Golf, in de

Spreekwijze: Hem is al menig Z-- over 't hoofd gegaan.

Zeewacht, z. n. v. -- Zie Kwartier, Wacht.

Zeeweering, z. n. v. -- Dijkwerken tegen het inbreken van de Zee,

langs de bedreigde kusten, b. v. aan den hoek van Holland.

Zeewetten, z. n. v. -- Wetten op de Zeevaart.

Zeewier, z. n. o. -- Zie Wier.

Zeewezen, z. n. o. -- Al wat tot de Zeevaart en Zeedienst betrekking

heeft. Tijdschrift voor het Z--. Jan de Witt heeft het Z-- in een

uitmuntenden staat gebracht. De verdiensten van Hiob De Wildt omtrent

het Z-- worden niet genoeg erkend.

Zeewind, z. n. m. -- Zie Wind.

Zeezaken, z. n. v. mv. -- Zaken, die tot het Zeewezen betrekking

hebben. De Kamer van Z-- (Amiraliteit).

Zeeziek, b. n. -- Aangetast door Zeeziekte.

Zeeziekte, z. n. v. -- Onaangename gewaarwording, met misselijkheid

en veelal met braking vergezeld, die hen kwelt, die de Zee niet

gewend zijn.

Zeil, z. n. o. -- 1o. Vereeniging van een zeker getal linnen banen,

wier randen naar vaste berekeningen op elkander genaaid zijn, zoo dat

zy een min of meer groote oppervlakte vormen, bestemd om den wind op

te vangen. Zie Vierkant Z--, LatijnZ--, GrootZ--, FokkeZ--, BezaanZ--,

StagZ--, BovenZ--en, Groot StagZ--, Groot StengestagZ--, AchterZ--en,

VoorZ--en, LijZ--en, MarsZ--en, enz. Storm-- (dichtgereefde, gezwichte

fok.) Waarlooze Z--en, Z-- dat tegen, dat op den mast ligt (dat geen

wind vangt.) Z-- maken, Z-- byzetten, Z-- minderen, Z--en aanslaan

(tuigen.) Onder Z-- gaan (wegzeilen.) Vondel zegt in dezen zin:

Te Z-- gaan:

Triomftorts over de neêrlaegh des Koninklijke vlote.

't Gewapend Schelt ging t' Zeil.

De Z--en bepalen (hoeveel Z--en de schepen eener vloot moeten voeren om

haar byeen te houden.) Met klein Z-- varen (weinig Z--en voeren). De

Z--en liggen blind (worden door andere belet wind te vangen.) De

Z--en scheppen (zy beginnen wind te vangen).

Spreekwijze: Het waait hem in zijn Z-- (het gelukt hem).

Een oog in 't Z-- houden (toezien).

Met de Z--en tegen den mast liggen (in onmacht liggen).

Met een opgezet Z-- komen (met een grammen moed).

Dat is geen Z-- voor dat schip (die vrouw deugt voor dien man niet).

Als het Z-- scheurt, dan heeft het een gat (die dan leeft, die

dan zorgt).

Met de Z--en voor den mast liggen (met het beginnen gereed zijn).

Met een nat Z-- loopen (beschonken zijn).

Ergends Z-- op maken (iets bejagen).

Onder Z-- gaan (inslapen).

Met de laatste schepen onder Z-- gaan (laat heen gaan).

Het Z-- inbinden (zijn staat verminderen).

Alle Z--en byzetten (alle moeite doen).

Stijf onder 't Z-- zijn (in staat, iets te kunnen verdragen).

Met een opgezet Z-- aankomen (met drift of geweld aankomen).

Met een staand Z-- is 't goed roeien (als men een goede zaak heeft

kan men er licht een nevenzaak by waarnemen).

Alle Z--en blank spelen (er alles op wagen).

Schippers pozen niet wanneer zy onder Z-- zijn. (Zie Schipper). Zie

verder Zeilen, Zeiltjen, enz.

2o. Het schip zelf. Een vloot van N. Z--en (van N. schepen). Een Z--

ontdekken.

Zeilaadje, z. n. v. -- Vaart, loop van een schip. Dit schip is op Z--

gebouwd (is op snellen vaart gebouwd).

Zeilboom, z. n. o. -- Lange spar, op binnenvaartuigen, om het Zeil

by het voor-de-wind zeilen uit te houden.

Zeilbaar, b. n.--Geschikt om te Zeilen.

Zoo doet mijn Zeilbaar schip,

zegt Vondel, Lof der Zeevaart.

Zeildoek, z. n. o.--Grof en stevig doek, waar Zeilen van vervaardigd

worden.

Zeilgaren, z. n. o. -- Garen, tot het naaien van de zeilen.

Zeilemaker. z. n. m. -- Die Zeilen vervaardigt of laat vervaardigen.

Zeilemakery, z. n. v. -- Plaats, waar Zeilen vervaardigd worden.

Zeilen, o. w. -- Met behulp van Zeilen over 't water gaan. Het schip

kan Z-- noch drijven (het is loom, het wil niet voort.) Op zijn

buik Z-- (op zij liggende voortZ--.) Ruimschoots Z-- (met goeden

wind Z--.) Slag-over-slag Z-- (met korte gangen laveeren.) De Z--

op stootgaren zetten (die nog slechts door eenig kabelgaren aan de ra

houden, zoo dat men ze op 't spoedigst kan byzetten.) (Deze uitroep

beduidt, dat de looper, waarmede geheschen werd, is vastgelegd).

Spreekwijze: Men moet Z-- terwijl de wind waait (men moet de

gelegenheid waarnemen).

De kooi lek Z--. Zie Kooi.

Ruimschoots Z-- (het zoo naauw niet nemen).

Hard achteruit Z-- (arm worden).

Het walletjen langs Z--. Zie Wal.

Iemand in de zijde Z-- (iemand benadeelen).

Z-- of verzuipen (er alles op wagen).

Men moet Z-- terwijl de wind dient (de gelegenheid waarnemen).

Als het maar met een halven wind wil Z-- (als het maar half wil

gelukken).

Zeilnaald, z. n. m. -- Naald, waarmede de Zeilen genaaid worden.

Zeil-en-treil. -- Zie Treil.

Zeiler, z. n. m. -- Zeilend schip. Dat schip is een goede, is een

slechte, is een luie Z--.

Zeilkooi, z. n. v. -- Bergplaats voor de Zeilen.

Zeilorde, z. n. v. -- Orde, waarin men Zeilt.

Zeilpunt. z. n. o. -- Het Punt, waarop een loodrechte lijn, staande

op het zwaartepunt der waterlijn van een schip, de richting der

werking van het water op den voorsteven ontmoet. Het is op dit

Punt dat zich de werking van den wind op de Zeilen richten moet,

ten einde het schip noch naar boven, noch naar achteren overhelle:

men noemt ook Z-- het zwaartepunt der zeilen.

Zeilreê, b. n. of Zeilvaardig. -- Klaar om uit te Zeilen. Dat schip

ligt Z--.

Zeilsteen, z. n. m. -- Noordsteen, Magneet: Steen, die de eigenschap

heeft van het yzer aan te trekken. Zie Kompas.

Zeiltjen, z. n. o. -- Klein Zeil.

Spreekwijze: Het Z-- strijken (van zich zelven vallen).

Zeilvaardig, b. n. -- Zie Zeilreê.

Zeilrol, z. n. m. -- Rol, waarby de manschappen by de zeilen verdeeld

zijn.

Zeilpriem, z. n. m. -- Priem, waarmede de gaten voor de beslagbanden

en rifseizing in de Zeilen worden geboord.

Zeinschip, z. n. o. (veroud.) -- Soort van schepen, in oude tijden hier

in gebruik, open, zonder vast roer of mast, welke beiden zy opzetteden

als zy in zee gingen. Smal voor zoo wel als achter, en spits toegaande,

waarvan zy wellicht hun naam van Zein (zen of seis)-schip ontleenden;

voerden zy niet meer dan drie man en een jongen en zeilden wonder snel.

Zel, z. n. m. of Zelling. -- Plaats in de engte, waar een anker heeft

vast gezeten. Daar gaat een stroom als van een Z--.

Zelling, z. n. v. -- Zie Zel.

Zeng, z. n. v. -- Plotslinge en kortstondige vermeerdering van den

heerschenden wind. Met Z--en waaien:--op de Z--en passen.

Zetborden, z. n. o. mv. -- Klein schotwerk, dat in sleuven langs

de boorden eener sloep gezet wordt, om die te verhoogen en het

binnendringen van 't water te beletten.

Zetgang, z. n. m. -- 1o. Losse plank, die men op lage vaartuigen

boven langs 't boord inzet.

2o. Gang, die op het barghout en rahout tegen de buitenoppervlakte

der inhouten wordt geplaatst.

Zet gang, komm. -- Draai het spil harder om!

Zetschipper, z. n. m. -- Persoon, die aangesteld wordt om een Schipper

tijdelijk te vervangen.

Spreekwijze: Hy is Z-- (hy is tijdelijk met de zaak belast).

Zetten, b. w. -- B. v. op het droog, aan den grond. De kapitein verkoos

zich liever op het strand te Z-- dan zich over te geven.--De loods

Zette het schip op het drooge.--Zet aan!--Zet vrij!--Zet af!--(komm. om

het vaartuig te doen by-, vrij- of afhouden).

Zetjen, z. n. o. -- Ruk. komm. nog een Z-- (nog een ruk).

Spreekwijze: Een Z-- helpt, en alle vrachtjens lichten, zei de

schipper, zette zyn hond aan 't roer, en smeet zijn vrouw over boord.

Zetweger, z. n. m. -- Benaming van de zware beplankingen, die, op elk

dek, de binnenhuid van het schip bekleeden van den watergang tot aan

den onderkant der geschutponten.

Zeuntjen, z. n. o. -- Zie Baksjongen.

Ziekeboeg, z. n. m. of Ziekegrens. -- Plaats aan boord, waar de zieken

worden nedergelegd.

Ziekegrens, z. n. v. -- Zie Ziekeboeg.

Zieketrooster, z. n. m. -- Of, als Vondel hem in 't Lof der Zeevaart

noemt,

Het statigh aengezicht dat zieltjes zalft en troost.

Soort van Kathecheseermeester, die aan boord van elk zeeschip plach te

zijn om gebeden te lezen, de kranken te bezoeken en ander stichtelijk

werk te doen.

Ziekevader, z. n. m. -- Oppasser in den Ziekeboeg.

Zielverkooper, z. n. m. -- Zie Werver.

Zilt, b. n. -- Zie Zout. De Z--e stroomen. (De zee).

Zinken, o. w. -- Te gronde gaan. Dat schip gaat Z--. Een schip doen

Z--. Tot Z--s toe geladen zijn.

Zitten, o. w. -- Gestrand zijn, onbewegelijk zijn. Het schip Zit op

het droog. Wy Zitten hier veilig.

Spreekwijze: Ergends mede aan den grond Z-- (mede verlegen zijn).

Zitters, z. n. m. mv. (veroud.) -- 1o. Balken, bezijden de buikstukken

op den bodem van het schip gelegd.

2o. Benaming, op sommige plaatsen aan de buikstukken zelve gegeven.

Zoeken, b. w. -- 1o. Naar iets Zoeken, Onderzoeken. Grond Z--

(door het werpen van het lood). Het land Z-- (wanneer men meent,

het in de nabyheid te hebben, moeite doen om het te ontdekken).

2o. Zich ergends heen begeven. Een haven Z--. Een opper, de luwte Z--:

De naald Zoekt het Noorden.

Zoeker, z. n. m. -- Voorste gedeelte van een Z--bout, 't welk eerst

door het yzer gaat en na het indrijven van den bout wordt afgehakt.

Zoekerbouten, z. n. m. mv. -- Bouten, die twee of meer palmen langer

gekort worden dan zy varen moeten. Het overzijnde gedeelte van de

lengte wordt dun uitgehaald en vormt den Zoeker.

Zoen, z. n. m. -- Verbetering, (veroud.) Het biedt geen Z-- (de

onstuimigheid der lucht stilt niet: het weer wil niet bedaren).

Zoet, b. n. -- Drinkbaar. Z-- water. Er is gebrek aan Z-- water.

Zog, z. n. o. -- Spoor, dat het schip in het opborrelend water

achterlaat.

Spreekwijze: In iemands Z-- varen (hem volgen).

Daar is een kunst van voorbereiden,

Die tot des Dichters kunst behoort:

Men moet de ziel des hoorders leiden,

Of anders stuit hem ieder woord.

Men dient hem gants in 't Zog te slepen,

En, deze kunstgreep wel begrepen,

Dan doet men met hem wat men wil:

Dan zal hy, by een matig roeien,

Gewillig met de vaerzen vloeien,

En zwijgen als een stokvisch stil.

Bilderdijk.

Zoggat, z. n. o. -- Zie Vullingsgat: ook wel genomen voor een hok,

achter de konstabelskamer, waar scherp in geborgen werd.

Zogstukken, z. n. o. mv. -- Houten gaffels, die voor en achter tegen

den steven aankomen, in stede van gescheiden inhouten.

Zogwater, z. n. o. -- Het water, dat achter het schip opborrelt. Het

is gevaarlijk in het Z-- eener stoomboot te komen.

Zon, z. n. v. -- Lichtgevende, vaste ster, om welke de aarde

draait. De Z-- rijst, daalt, gaat onder:--De Z-- schieten (haar hoogte

berekenen.) De Z-- staat. De wind loopt voor de Z--.

Spreekwijze: De Zon tot God gaat (verouderde uitdrukking der

visscherslieden, voor: "de Zon gaat onder").

Zondag, z. n. m. -- Scheur, vlek, plek in de kiel of in eenig ander

gedeelte van het schip, die verweloos geworden is.

Zonsazimuth, z. n. o. -- Rechte standplaats der Zon by haar ondergang.

Zonsdeclinatie, z. n. v. -- Hare afwijking van de linie.

Zoneclips, z. n. v. -- Hare verduistering door den doorgang van

een planeet.

Zonshoogte, z. n. v. -- Hare hoogte op den middag, waardoor de breedte

wordt aangewezen.

Zonnetent, z. n. v. -- Tent, over het dek gespannen.

Zoode, z. n. v. -- Zie Pompzoode, Durk.

Zoomwerk, z. n. o. -- Zie Klinkwerk.

Zorgband, z. n. m. -- Strop, aan den achterkant met klinkbouten

aan het roer geslagen, ten einde zich tegen het verlies daarvan te

verzekeren. Deze strop is aan de hoeken met oogen voorzien, aan elk

waarvan een Zorgketting vaart.

Zorglijn, z. n. v. -- Lijn, die de blokken van de noodtakels tegen

de ra houdt.

Zorgketting, z. n. v. -- Ketting, die door een oog van den Zorgband

loopt, zich van het roer naar boord uitstrekt en buiten om tegen de

huid wordt opgehangen.

Zout, b. n. of Zilt. -- Verkrijgt, door zijn byvoeging aan sommige

woorden, de beteekenis van "Zee," of "Zeewater." De Z--e baren,

De Z--e plas, Het Zee-nat (de Zee).

En ghy . . . . . . die op de winden zwiert,

En vant lasurigh velt de Soute toomen stiert,

zegt Vondel in zijn Lofsangh op de Scheepvaart.

Zout, z. n. o. -- Voor Zee genomen.

Zuchtjen, z. n. o. -- Klein windtjen. Wy moeten van het minste Z--

gebruik maken.

Zuid, b. n. -- Ten Zuiden, van de Zuidzij. De wind is Z-- (waait van

de Zuidzij.) Wy hebben het land Z-- van ons.

Zuid, (de) z. n. v. -- Zuidwaart gelegen streek. Zy voeren om de Z--.

Zuidelijk, b. n. en bw. -- Wat zich ten Zuiden bevindt.

Zuidelijken, o. w. -- Naar 't Zuiden schieten. Het begint te Z--

(de wind loopt Zuid).

Zuiden, (ten) b. w. -- Aan de Zuidkant. Spanje ligt T-- Z-- van

Frankrijk.

Zuiden, (het) z. n. o. -- Het Zuidelijk gelegen land. Het onbekende

Z--.

'k Heb zoo lang om Noord en Zuien

By de baas te roer gestaan

En voor niet, niet zooveel buien

Over deze muts zien gaan.

Huighens.

Zuidewind, z. n. m. -- Zie Wind.

Kom zachte Zuidewindeken

Kom wieg het kleine kindeken!

Ons Rozalijntje is moé.

't Verveelt haar, meer te luisteren:

De dag is aan 't verduisteren:

Haar oogjens vallen toe,

luidde een oud liedtjen, waar ik als kind mede in slaap werd gezongen.

Zuid oost, bw. -- Windstreek midden tusschen O. en Z.

Zuidwaart, bw. -- Naar het Zuiden. Zy zeilden Z--.

Zuidwest, bw. -- Windstreek midden tusschen Z. en W.

Zuidwester, z. n. m. -- Breedgerande hoed of kap met wasdoek of

geölied linnen overtrokken, en den zeeman tot bescherming dienende

tegen regen en wind.

Zuidzeevaarders, z. n. m. -- Schepen, die om de Zuid ter walvischvangst

varen.

Zuiger, z. n. m. -- 1o. Mastring, mastband, beugel. Yzeren ring, die,

op een sloep of klein vaartuig, aan een zeil vastzittende, en om een

mast of spriet geslagen, dient, om dat zeil langs dien mast of spier

te doen rijzen of zakken.

2o. Van de Pomp. Zie Pompzuiger.

Zuiver, b. n. en bw. -- Zonder gevaar. Een Z-- alleen staande klip

of rots (by welke men ten anker kan gaan liggen.) Een Z--e haven

(die men gemakkelijk kan inzeilen.) De kust is Z-- (er zijn klippen

noch banken).

Zwaaien, b. w. -- Voor anker liggende, van stelling veranderen

door de werking van wind of stroom. Op den wind Z-- (den voorsteven

naar den wind keeren.) Op het tij Z-- (den voorsteven naar het tij

keeren.) Onder den wind met den stroom onder de lij Z-- (wanneer de

eene zijde aan den wind, de andere aan den stroom is blootgesteld.) Hy

Zwaait klaar, hy Zwaait voor klare kluizen (hy kruist zijn kabels

niet by 't omzwaaien.) In die haven is geen ruimte genoeg voor groote

schepen om te Z--.

Zwaar, b. n. -- Groot, plomp, wijd. Z-- schip (wijd schip, schip van

grooten omvang.) Z-- weer (stormweer.) Z--e bui (hevige wind.) Z--e

zee (hooge zee.) Dat schip rijst Z--, valt Z-- in zee (verheft

zich moeilijk uit de zee) Z--e battery (van Z-- kaliber). Het Z--

(anker)touw, Een Z-- anker.

Zwaard, z. n. o. -- Verzameling van planken, in den vorm van een

schuinsch ovaal, die aan de zijde van een klein vaartuig ligt, en

dient om het afdrijven te beletten.

Zwaartepunt, z. n. o. -- Het punt, aan weerskanten van 't welk de

deelen van een lichaam gelijke zwaarte hebben. Het algemeen Z--

van een schip bevindt zich gewoonlijk binnen de lijn, welke het in

twee gelijke deelen scheidt. Het Z-- der waterverplaatsing van het

ondergedompeld gedeelte van het schip, of drukkingspunt, bevindt zich

binnen de vertikale lijn, die de romp in twee gelijke deelen scheidt.

Zwabber, z. n. m. -- Dweil, uit kabelgaren of lappen aan een steel

gebonden en dienende om schepen en schuiten schoon te houden.

Zwabberen, o. w. -- Met een Zwabber schoonmaken.

Zwabberhalen. -- Spotroep der matrozen, wanneer een onbevarene door

het slingeren van het schip omverre valt, om de plaats waar de baar

(onbevarene) gelegen heeft, weder schoon te maken.

Zwabberpaai of Zwabberkaptein. -- Een, die den Zwabber moet uitspoelen

en droogwringen. Hier wordt doorgaands de minst bekwame matroos

voor genomen.

Zwakke-hals, z. n. m. -- Soort van stopper, dienende om by ruw weer

de belegtouwen te stoppen.

Zwalpen, o. w. -- Zich golvend verheffen. Woord, zelden anders dan

in poëzy gebruikelijk.

Zwalpen, z. n. m. mv. -- Stukken van greenen ribben, in de klamaaien

rustende en dienende om de dekdeelen te steunen.

Zwaluwstaart, z. n. -- Stuik, die den vorm heeft van een Z--.

Zwanehals, z. n. m. (veroud.) -- 1o. Drager van de roerpen. Zware

gebogene yzeren dekplaat, waarvan de grootste arm op het end der

roerpen sluit.

2o. of Ruggegraat (om dat het beeld er met zijn rug tegen aan

staat). Vooruitspringend verbindingstuk van de scheg, door een

haaklasch aan de woelingsknie verbonden en daarmede als 't ware een

geheel uitmakende.

3o. De gebogen yzeren stangen buiten boord, waar een sloep in hangt,

worden ook Z--en genoemd.

Zweepstopper, z. n. m. -- Stopper, waarvan het end in een gedraaid

is en met een punt uitloopt.

Zweeten, o. w. -- Wordt het eiken hout gezegd te doen, wanneer het

vochtig wordt en uitslaat, als dikwijls het geval is op nieuwe schepen,

by heet weer. Het Z-- van het hout heeft al onze beschuit bedorven.

Zwei, z. n. v. -- Beweegbare Winkelhaak.

Zwellen, o. w. -- Vermeerderen, vol worden, zich uitbreiden. De

wateren Z--. De wind doet de zeilen Z--.

Zwemmen, o. w. -- Zich in 't water bewegen zonder te zinken.

Zwengel, z. n. m. -- Arm van de pomp.

Zwichten, b. w. -- De hoofdtouwen van het onderwant van stuur- en

bakboord door touwen onder de mars naar elkander halen. De fok Z--

(die by stormweer inkorten, door servings).

Zwichtingbouten, z. n. m. mv. -- Kleine ronde yzeren staven, met

geteerde servings bekleed: zy kruisen het lage want aan bak- en

stuurboord op de hoogte van den voet der klampen.

Zwichtserving, z. n. v. -- Zwaar en breed gevlochten touw, waarmede

de fok gezwicht wordt.

Zwiepend, b. n. -- Los, veerkrachtig Korte masten en lange stangen

maakt Z-- tuig.

Zwieping, z. n. v.-- Planken, die men op verschillende hoogten en

op bepaalde punten der armen van een spant spijkert, ten einde die

armen de richting te doen bewaren, waarin men die houden wil.

Zwin, z. n. o. -- Wad, droogte tusschen het water.

Zijde, z. n. v. -- Boord, rechter- of linkerkant van een schip. De

vyand de breede Z-- bieden (hem uit de bak- of stuurboords-battery

beschieten.) Een schip op Z-- leggen (om het te kalfaten.) Haal de

sloep op Z-- (langs boord.) "Kregen de viktualiekaag op Z--, met

twee soldaten, vier varkens en vier schapen, heschen al het vee over"

(oud Rapport).

Zijperken, z. n. mv. -- De beide vakken van het Dek aan weerszijde

van het middelpunt. Het eene Zijperk ligt tusschen den schaarstok en

waterloopsklos aan stuurboord--het andere tusschen de genoemde deelen

aan bakboordzijde.

Zeemans-Woordeboek Behelzende een verklaring der woorden, by scheepvaart en den handel in gebruik en een opgave der algemeene wetsbepalingen daartoe · 第 73 / 74 题