W, b. n. -- West. De wind is W.
Waaien, onp. w. -- 1o. Blazen, wind maken. Het Woei een stijve koû. Het
zal van nacht fiks W--. Het Waait een vliegenden storm.
Men ziet de winden vaak van alle kanten Waaien,
zegt Phenix in Huydecopers Achilles.
't Mag waaien, stil staan, vloeien of ebben,
Wie niet waagt die zal niet hebben.
Cats.
Spreekwijze: Met alle winden W-- (zich aan elke bovendrijvende party
aansluiten).
Die met elken wind wil Waaien,
Die onthoude bovenal,
Dat de wind somtijds kan draaien,
Niet altijd bestendig wezen zal.
Hy blijv', heeft hy dit vergeten,
Voor een wissen val beducht:
Hy ligt, eer hy 't zelf kan weten,
Met de beenen in de lucht,
zingt Maria in 't Dorp aan de Grenzen.
Ik acht het zoo veel als den wind die daar Waait (ik acht het niets).
Het zal er W-- (er zal braaf geraasd worden).
Het is hem door 't hoofd Gewaaid (hy heeft het vergeten).
2o. Wapperen, uitwaaien. De vlaggen W--, of, als het oude liedtjen
zegt:
Zy zeggen: daar is er geen Prins in 't Land
En de vlaggen die Waaien van allen kant.
Waak, z. n. m. -- Waking, wacht, kwartier. Ende omtrent de vierde
Wake des nachts quam hy tot haar, wandelende op de zee. Markus VI. 48.
Waak (derde) z. n. m. -- Vroeger werd een Onderluitenant by de
O. I. Kompagnie zoo genoemd.
Waal, z. n. m. -- Kolk, walende stroom, waarvan zoowel de rivier,
als eenige der stadsgrachten te Amsterdam haar naam ontleenen.
De scheepshof van de Waelen
Met voorraet opgepropt van schepen klein en groot.
Antonides, IJstroom.
Waan (in) houden, o. w. (veroud.) -- Eenig timmerwerk te scheep naar
den eisch houden, zoo dat het niet verzet.
Waarachtige grond, (veroud.) -- Steenachtige grond.
Waarloos, b. n. -- Al wat ingescheept wordt om een voorwerp van
gelijken aart te vervangen. W-- rondhout, touw. W--e bloks, zeilen enz.
Waarnemen, b. w. -- Nagaan, beschouwen, opmeten. Den stand van een
hemellicht W--.
2o. Aanvatten. Neem Waar dat end (grijp dat touw).
Waauw, b. n. -- Voordeelig. De wind is W--. Zie Wieuw.
Wacht, z. n. v. -- 1o. Daad van waken, t. w. voor de veiligheid van
't schip. Men moet goede W-- aan boord houden. Zijn W-- staan (de
Wacht op zijn beurt hebben).
Een ieder staat zijn Wacht,
zegt Vondel, Lof der Zeevaart.
2o. Kwartier, tijd, dat het waken duurt. Eerste W-- (van 8 uur
tot middernacht). HondeW-- (van middernacht tot 4 uur). DagW--
(van 4 tot 8 uur 's morgens.) VoormiddagW-- (van 8 uur tot den
middag.) NamiddagW-- (van den middag tot 4 uur.) PlatvoetW-- (van 4
tot 8 uur 's avonds.) BakboordsW--, StuurboordsW--.
3o. De personen, die waken. De gandsche W-- kwam er aan te pas.
Wachtrol, z. n. v. -- Lijst, waarop de indeeling der Wachten is
opgeteekend.
Wachtschip, z. n. o. -- 1o. Schip, dat in den mond van een stroom of
haven ligt, om die te beschermen.
2o. Ontwapend schip, tot berging van rekruten.
Wachtwoord, z. n. o. of Parool. -- Afwisselend herkenningswoord, door
den Kommandant gegeven, en aan hen, die op wachten of posten staan,
of die rondes doen, medegedeeld. Het W-- gaan halen.
Wadde, z. n. v. -- Droogten, ondiepte.
Waden, o. w. -- Door 't water gaan.
Wagenschot, z. n. o. -- Dunne beplanking.
Wagenweg, z. n. m. -- Op de kaarten van de O. I. Kompagnie waren twee
lijnen afgeteekend, waartusschen de schepen gehouden waren te zeilen,
immers tot door de Linie. Die tusschenruimte werd W-- genoemd.
Wak, z. n. o. -- Zwakke stede, open plek in het ijs.
Waken, o. w. -- Bovendrijven: wordt gezegd van een rots, klip of ander
voorwerp, dat met het afloopen van het water zichtbaar wordt. Die bank
Waakt met de eb (laat zich zien met de eb). Een W--de boei (een boei,
die aanwijst, waar het anker ligt).
Waker, z. n. m. -- 1o. Windwijzer op een masttop.
2o. Lont, die brandend gehouden wordt in de lontbalie.
3o. Ambtenaar, die van wege het Bestuur van 's Lands middelen aan boord
van een schip wordt gezonden om toe te zien, dat geene goederen van
boord worden afgeleverd, of dat een gedane verzegeling ongeschonden
blijve. Dat schip heeft W--s aan boord gekregen.
Wakker, b. n. -- Vlug, bekwaam.
Wie roergang, splisse, en knoopen kan;
Dat is aan boord een wakker man.
Scheeps rijmpjen.
Wakkeren, o. w. -- In kracht toenemen. De wind begint te W--. Zie
Aanwakkeren.
De wakkerende wind in 't Westen
Geeft hun getal der zee ten besten.
Van Haren, de Geuzen.
Wal, z. n. m. -- 1o. Waterkant; vooral een zoodanige, die van hout-
of metselwerk voorzien is. De stads W--len. OpperW-- (waar de wind
van de landzijde komt). Lager W-- (waar de wind op de kust staat).
Hy zwiert al waar het water wil,
En wort zoo, door een snellen val,
Gedreven tegen lager Wal.
Cats.
2o. Algemeene benaming voor land. Aan W-- gaan. Aan W-- blijven
(aan land blijven). Van W-- steken (afzeilen, afvaren). Zie Hooger
W--. Vaste W--.
Spreekwijze: Iemand van den W-- in de sloot helpen. Zie Sloot.
Ontgaat u de W-- hou u aan 't vlotgras. Zie Vlotgras.
Het raakt kant noch W--. Zie Kant.
Aan lager W-- zijn (zich in slechten finantieelen toestand bevinden).
By den W-- langs, zoo vaart men zeker (als men zich verdacht houdt
heeft men geen gevaar te vreezen).
De beste loodsen staan aan W-- (die buiten de zaak zijn, hebben
doorgaands 't meest er over te zeggen, weten 't altijd beter).
Walen, o. w. -- Draaien. Een W--de naald (een kompasnaald, die niet
dan langzaam en als aarzelende haar richting neemt).
Daer waelt de lely van 't kompas,
zegt Vondel in zijn Lijkdicht op zijn kleindochtertjen.
Walengang, z. n. v. -- Gang, op groote schepen, die op het koebrugdek
tegen boord het schip rond loopt, als 't ware rond-waalt, en dient
om den timmerman by een gevecht de grondschoten te doen stoppen.
Walmgat, z. n. o. -- 1o. Het hol gedeelte, voor aan de schacht van
het roer onder elken vingerling gemaakt, om vrijen doortocht te laten
aan die van den voorsteven.
2o. Zie Vullinggat.
Wambuis, z. n. o. of Wammes. -- Baaitjen.
Spreekwijze: Op zijn Wammes krijgen (er slecht afkomen).
Wamen, o. w. -- Den modder op doen wellen, 't welk by den stroom
geschiedt. Het tij Waamt.
Wan, z. n. o. -- 1o. Lek; lekkaadje.
2o. Holte in het hout, welke niet kan weggenomen worden zonder het
hout in omtrek te doen verliezen.
3o. Een yzer, waaraan in 't midden een lijn is vastgemaakt, dienende
om in het spongat voor ledige vaten te steken en die daarmede op
te hijschen.
Wand, z. n. m. -- Binnenzijde van een schip.
Wang, z. n. v. of Schaal. -- Zijstuk, klamp, die tegen een mast
geslagen wordt om dien te stutten.
Wangen, b. w. -- Met Wangen of schalen voorzien: met klampen
vastzetten.
Wanhout, z. n. o. -- Wankantig hout: hout, waarvan de oppervlakte
niet gaaf, maar met Wannen bezet is.
Wankant, z. n. o. -- De ruwe zijde van het hout.
Wankantig, b. n. -- Zie Wanhout.
Wankoers, z. n. m. -- Verkeerde Koers, afwijkende Koers.
Want, z. n. o. -- Oorspronkelijk: netwerk, waarvan Vondel, in zijn
Lofz. op de Scheepvaart:
Zoo langhe tot sy 't Want optrocken met de visch,
en van daar: al het Touwwerk aan boord; Staand en loopend W-- (het
vaste en losse touwwerk aan boord). Het W-- zwichten (by slecht weer
in geval het tuig los of gerekt is, het W-- over en weêr vastrijgen).
Spreekwijze: Zijn staand en loopend W-- in orde brengen (zijn kleeding
in orde schikken).
Die geen W-- heeft naar het schip, moet te gronde gaan (die geen
vrouw heeft, die hem past).
Te veel W--s overhoop halen (te veel omslag maken).
Hy is vierkant onder zijn staand en loopend W--. (Hy is in alles even
knap, van alle markten thuis).
Wanten, b. w. -- Het Want in orde brengen, is niet in gebruik, dan
in de volgende
Spreekwijze: Hy weet van W-- (hy verstaat de zaak).
Wanten, z. n. v.-- Wollen handschoenen zonder vingers, by de visschers
in gebruik.
Wanthaak, wantknoop, z. n. m. -- Zie Haak, Knoop, enz.
Wantslag, z. n. m. -- Touwwerk, samengesteld uit touwen, die reeds
afzonderlijk waren gestrengeld geweest.
Wantij, z. n. o. -- Draaijing, tegenstroom.
Wanvangst, z. n. v. -- Gebrekkige, slechte Vangst, of geheel geen
Vangst.
Wanzij, z. n. v. -- Zie Wankant.
Wapenbord, z. n. o. of Naambord. -- Bord, waarop de naam van het
schip geschreven staat.
Wapperen, o. w. -- Heen en weder waaien. De zeilen W--. Hy liet zyn
wimpel W--.
Waring, z. n. v. -- Overloop op kleine vaartuigen. Zie Gangwaring.
Warlen, o. w. -- Heen en weêr slingeren, draaien. In de War raken,
verwarren. Een W--de zee, (golven die tegen elkander opstaan).
Wartel, z. n. m. -- Soort van kleine ketting of haak, draaiende op het
end van een ketting, en waarvan men by 't spinnen van schiemansgaren
gebruik maakt.
Wartelblok, z. n. o. -- Zie Blok.
Wartelhaak, z. n. m. -- Taliehaak, waarvan de kop uit een zeer
sterke yzeren plaat bestaat, op welke hy draait, en waarvan de beide
zijden zich sluiten over elkander als een beugel, waarin men een kous
vastklinkt om den strop te ontfangen van het blok, voor 't welk hy
dienen moet, om de daardoor loopende touwen, uit elkander te houden.
Wasschen, b. w. -- Spoelen, schoonmaken. De zee Wiesch het dek schoon,
(de golven sloegen alles van 't dek, spoelden alles weg).
Wassen, o. w. -- Rijzen, opstijgen, aanvoeren. W--d water (water,
dat met den vloed rijst), in tegenstelling van: vallend water. Een
W--de maan (als de maan in omtrek schijnbaar toeneemt).
Water, z. n. o. -- Doorschijnende vloeibare zelfstandigheid, die door
de koude stolt, en door de hitte wegdampt. ZeeW--, RivierW--, BronW--,
WelW--, PompW-- enz. Zout W-- (dat der zee.) Zoet W-- (dat drinkbaar
is.) Brak W-- (dat met onzuivere bestanddeelen vermengd is.) Loopend,
stroomend W--. Woelend W--. Slecht W-- (dat stil is.) Ondiep W--. Hoog
W-- (volle vloed.) Stil W-- (tusschen vloed en ebbe.) Laag W--
(afloopende ebbe.) W-- halen, zich van W-- voorzien (van zoet W--.) In
diep W-- zijn (in volle zee zijn.) Het W-- wast, het W-- valt (het
vloeit, het ebt.) Open W-- (dat niet bevroren is.) ToeW--, besloten W--
(bevroren water.) VaarW-- (watering.) Een schip te W-- brengen (het af
laten loopen.) In 't mv. wordt het voor zee-, rivier- of stroomvaart,
in 't kort voor al wat zich bevaren laat, genomen. De breede W--en. De
binnenW--en (die binnen de grenzen liggen), ook voor golven, stroomen.
Hier barst hy (de Nijl) eindlijk uit met neergestorte Wateren.
Antonides Ystroom.
Spreekwijze: Stille W--s hebben diepe gronden (zy die de minste praat
hebben, zijn dikwijls de knapsten).
W-- in zijn wijn doen (zich een weinig temperen).
Hy is verdronken eer hy W-- gezien had. Zie Verdrinken.
Gods W-- over Gods akker laten loopen (fioolen laten zorgen, zich
nergends over bekommeren).
Boven W-- zijn (geen vrees voor schade meer hebben).
Tusschen W-- en wind zijn (weifelen, geen party kiezen).
In zulke W--s vangt men zulke visschen (van zulk slach van volk moet
men zulke dingen verwachten).
Onder W-- zijn (dronken zijn).
Veel W-- vuil maken (veel onnoodigen omslag maken).
Het is laag W-- aan boord (men heeft gedaan met schaften).
Waar de dijk 't laagst is, loopt het W-- 't eerst over (rampen treffen
arme lieden 't eerst).
Die Water deert
Water weert.
Cats.
In die W--en treft men veel N. Wind. (Kruisen zeeroovers).
Waterborden, z. n. o. mv. (veroud.) -- Planken, die op het scheepsboord
gezet, en afgenomen kunnen worden.
Waterdicht, b. n. -- Ondoordringbaar voor het water. Het eerste
vereischte van een vaartuig is, dat het W-- zij.
Waterdracht, z. n. v. -- 't Zelfde als Diepgang. Zie ald.
Wateren, b. w. -- Uit het oog verliezen, ten gevolge van de rondte
des aardbols. Een schip W--. Een eiland W--.
Wateren, o. w. -- Uit het gezicht verdwijnen. Ziedaar een schip,
dat gedeeltelijk Watert (dat gedeeltelijk in 't water schijnt weg te
zinken, waarvan men alleen de masten ziet).
Wateren, z. n. o. mv. -- Kogels, die in en uit het water springen.
Watergang, z. n. m. -- Dikke plank, die aan weêrszijden van het dek is
aangebracht, tot hetwelk zy mede behoort. De W-- rust op den dekbalk,
ligt op eenigen afstand uit het boord en strekt zich over de geheele
lengte van het schip uit.
Watergeus, z. n. m. -- Zie Geus.
Waterhoos, z. n. v. -- Zie Hoos.
Waterkant, z. n. m. -- Wal, Kant van het Water.
Waterlanders, z. n. m. mv. -- Inwoners van Waterland.
Spreekwijze: Daar komen de Waterlanders, t. w. op den dijk (daar komen
de tranen in de oogen, om dat de Waterlanders niet op den dijk komen,
ten zij er gevaar is).
Waterlegger, z. n. m. -- Vat, waarin zoet Water aan boord bewaard
wordt.
Waterloopsklos, z. n. m. -- Gedeelte van de bevloering der dekbalken,
't welk zich op het uiteinde daarvan tegen boord bevindt, en als den
rand van het dek vormt.
Waterlijn, z. n. v. -- Zie Kimlijn.
Watermolen, z. n. m. -- Molen, dienende om het Water uit een polder
te malen.
Waterruim, z. n. o. -- Gedeelte van het Ruim, waarin het Water
bewaard wordt.
Waterpas, b. n. -- Horizontaal.
Waterrecht, z. n. o. -- Door de zeevarende Mogendheden erkend zeerecht.
Tot hem een kogel heeft vooruit naar God gezonden
Om wraak te vergen voor 't geschonden Waterrecht.
Brandt, Grafschrift op de Haas.
Waterschip, z. n. o. -- Schip, dienende om Water aan te voeren.
Spreekwijze: Het doet er weinig toe al krijgt een W-- een gat meer
(om dat er het Water toch weêr inloopt).
Waterschuit, z. n. v. -- Schuit, waarmede drinkwater wordt aangevoerd.
Waterspiegel, z. n. m. -- 1o. De oppervlakte van het Water.
2o. De Watergordel, die een drijvend schip omvangt.