Gelijck een vogel, als de dagh begint te kriecken,
Ter vlught zich rust en vecht en wackert zijne wiecken,
Zoo doet mijn zeilbaer vlot, mijn Watertreder mee,
Hy spant zijn vleugels uit, en maakt zijn zeilen ree,
zegt Vondel, Lof der Zeevaart.
Watertocht, z. n. m. -- Tocht, reis, door 't Water.
Zoo trotst men Jazons Watertoghten
En zijn vermeetlen heldenlof.
Antonides.
Waterrot, z. n. m. -- Bynaam voor een zeevarende.
Waterval, z. n. m. -- Water, dat zich van een hoogte nederstort.
Waterverkleuring. -- Verandering in de kleuren van het Water, welke
op zee doorgaands wordt waargenomen op sommige breedten of boven een
rif of bank. Het rif is noch door rollers noch door W-- kenbaar op
eenigen afstand.
Waterverplaatsing, z. n. v. -- De plaats, welke de kiel van een schip
in het water beslaat.
Waterverval, z. n. m. -- Verschil van diepte by hoog of laag Water.
Watervloed, z. n. m. -- Overstrooming.
Waterzeilen, z. n. o. mv. (veroud.) -- Zeilen, die men achter tegen
het schip, tot onder aan het water toe, hing, by het lensen.
Web, z. n. v. -- De scheepstimmerlieden noemen een W-- scheren,
wanneer zy de latten spijkeren, naar welke het beloop van een schip
moet gemaakt worden.
Wederzee, z. n. v. -- 't Zelfde als Tegenzee. Zie ald.
Weekbak, z. n. m. (veroud.) -- Groote bak op den overloop, waar de
varsebalie zijn water in draagt en de spijs in weekt en reinigt.
Weer, z. n. m. -- Zie Rietpark.
Weêr of weer, (naarmate men dit woord als samentrekking van weder--wat
niemand ooit zegt--of van geweer, van weeren [waaien], beschouwt)
z. n. o. Luchtgesteldheid. Zwaar W-- (storm.) Gemeen W--, roezemoezig,
buiig W--. Het W-- klaart op. Het W-- is bestendig. Helder W--. Dik
W--. Donker W--. Handzaam W--. Deinzig W--. NoodW--.
Spreekwijze: Mooi W-- en geen haring (het doet zich goed voor; maar
men heeft er niet aan).
W-- en wind dienen hem (het gaat hem naar wensch).
Mooi W-- spelen (den boel er doorbrassen).
's Avonds rood, morgen goed W-- aan boord.
Weêr aan of weêr an, t. w. Goed zoo: toe maar:
Weer an: riepen de Matroosen:
't Is een man, oft Mouringh waer,
zingt Huyghens in zijn Scheepvaart op 't overlijden van Prins Maurits.
Weergal, z. n. m. -- Rood wolkjen, dat doorgaands buiig weer
aankondigt.
Weerlicht, z. n. o. -- Ontvlamming van elektrieke dampen.
Weêrstroom, z. n. m. -- Keerende stroom. Zie Neer.
Weêrvloed, z. n. m. -- Keerende vloed.
Weerswijs, b. n. -- Die zich verstaat op Weersvoorspellingen.
Wegdrijven, o. w. -- Afdrijven, heendrijven. Met den stroom W--. 't
Wordt ook gezegd van een schip dat niet goed by-de-wind zeilt. Hij
drijft te veel weg (d. i. naar tij toe).
Weger, z. n. m. -- Plank of plaat, tegen het binnen-oppervlak der
inhouten geplaatst, in de richting van voren naar achter. KimW-- (die
door de uiteinden der vrangen van elk spant heenloopt.) VlakW---,
BuikW-- (die tusschen de KimW--s en de W--s van het zaadhout
aangebracht worden.) TusschenkimW--s (die over de uiteinden der halve
vrangen en de ondereinden der onderbuikstukken liggen.) SteunW--,
BovenkimW-- (die boven de KimW--s zijn.) DostW--s (op de dikte waarvan,
in een schuit, de uiteinden der roeibanken gelegd worden).
Wegeren, b. w. -- Wegers aanbrengen, een schip van binnen
beplanken. VolW-- (geen ruimte tusschen de Wegers laten.) Half vol,
met luchten W-- (tusschenruimten openlaten).
Wegering, z. n. v. -- Vereeniging van al de Wegers of planken,
waarmede de romp van een schip van binnen is bekleed.
Wegwijzer, z. n. m. -- Rat, Duizendbeen. Zie ald. Zoo heet ook een
boeksken voor koffen en smakken die het Katterak en Schagerrak bevaren.
Wegzeilen, o. w. -- Zich zeilende verwijderen.
Weigeren, b. w. -- Haperen, nalaten. Het schip Weigert in het wenden.
Weischuit, z. n. v. -- Lichte schuit, die over de Weiden heen gedragen
kan worden.
Wel, b. n. -- Goed, in orde, gezond. Alles W-- aan boord.
Welbezeildheid, z. n. v. -- Snelheid, hoedanigheid van zeilen. De
schepen zullen zich naar hun W-- rangschikken.
Welboot, z. n. v. -- Soort van Hollandsche boot.
Welvaart, z. n. v. -- 's Lands W-- is 't gevolg van 't Wel-varen
der ingezetenen, en dit weder van de voordeelige Vaarten, die men
deed. Die zoo wel 't etymologisch als het moreel verband niet inziet,
weet niet, wat de taal is als uitdrukking van het volkswezen.
Welzand, z. n. o. -- Land, waaruit het water opwelt of opborrelt en
waarin alles weg zinkt.
Wenden, o. w. -- Over een anderen boeg gaan liggen; by- of voor-de-wind
over stag gaan: beweging, welke men aan een schip laat doen, om het
boord, dat vroeger van den wind was, tegen den wind in te brengen. De
vloot Wendt. De Amiraal deed sein, om door een contra marsch te W--.
Wenken, b. w. (veroud.) -- 1o. Het eerste windvangen der zeilen als
een schip overstag wendt.
2o. Los gooien. In 't komm. Wenk aan voor! (gooi de boelijns van het
voormarszeil en voorbramzeil en fok los).
Werf, z. n. v. -- Ruimte of werkplaats, bestemd tot aanbouw van
vaartuigen. ScheepstimmerW--, GeschutsW--.
Werfbrief, z. n. m. -- Register of bewijs van verbintenis, waarby
iemand dienst heeft genomen.
Werfhuis, z. n. o. -- Huis, waar volk voor de dienst geworven wordt,
en dat doorgaands door het uitsteken van een vlag onderscheiden wordt.
Werfofficier, z. n. m. -- Officier, met het aannemen van volk belast.
Werk, z. n. o. -- Gepluisd touwwerk, dienende om de naden en voegen
der planken te breeuwen.
Werken, o. w. of Kraken. -- Wordt het schip gezegd te doen, wanneer
zijn onderscheiden deelen ten gevolge van de beweging der zee hoorbaar
tegen elkander wrijven. Men zegt ook van masten of raas, dat zy
W--, wanneer hun gekraak aanduidt, dat zy in stevigheid beginnen
te verminderen. In 't algemeen beduidt het het hevig slingeren en
stampen van het schip.
Werp, z. n. o. -- By een woord gevoegd, duidt aan, dat men iets
uitbrengt om zich te verhalen of uit te werken. Een W--anker, een
W--tros. Zie Anker, Tros, enz. W-- wordt ook wel by verkorting voor
Werpanker gebezigd. Een W-- uitbrengen.
Werpanker, z. n. o. -- Anker, dat uitgevoerd wordt om een schip daarby
voort te halen.
Werpen, b. w. -- of Uitwerpen, Een schip, door behulp van ankers of
trossen, uitwerken: komm. Werp (Werp het dieplood uit).
Werplijn, werptros, enz. -- Zie Lijn, Tros, enz.
Werrie, z. n. v. -- Engelsch roeivaartuigjen.
Wervelwind, z. n. m. -- Dwarrelwind; draaiende Wind, die met hevigheid
waait.
't Gegter der Wervelwinden
Die eik en ceder knakken,
Rukt broederlijke takken,
Scheurt teere hartevrinden,
In 't stormgewoel van een.
Bilderdijk.
Werven, b. w. -- Aannemen, in dienst nemen. Manschappen W--,
Matrozen W--.
Werver. Die het volk tot de dienst ten oorlog aanbrengt. De matrozen
noemen zulk een: zielverkooper.
West, bw. -- Ten Westen, uit het Westen, aan den Westkant. De wind
is W-- (waait uit het Westen.) Wy zagen een schip W-- van ons af.
West, (de) z. n. v. -- De Westindische Koloniën. Hy vaart op de
W--. Hy heeft zijn fortuin in de W-- gemaakt.
Westelijk, b. n. -- Wat zich ten Westen bevindt.
Westelijken, o. w. -- Zich naar het Westen begeven. De wind begint
te W--.
Westen, (het) -- Het Westelijk land.
Westen, (ten) b. w. -- Aan de Westzijde. Zie West.
Westergang, z. n. m. -- Gang, die, zich langs den spiegel van stuur-
naar bakboord uitstrekkende, aan de eene zijde door den spiegel en
aan de andere door een leuning bepaald wordt.
Westerkim, z. n. v. -- De gezichteinder ten Westen. Zie Westkim.
Westerzon, z. n. v. -- Avondzon.
Westewind, z. n. m. -- Wind, die uit het Westen waait.
Westkim, z. n. v. -- 't Zelfde als Westerkim.